← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.140

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.140 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101216.3 Arrest- Rolnummer: 140/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-06-30 05:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals dat artikel van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 25 april 2007, gesteld door het Hof van Cassatie. Veiligheid bij voetbalwedstrijden - Inbreuk op de wetgeving - Administratiefrechtelijk sanctioneerbaar feit - Aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede -

  1. Wettigheidsbeginsel in strafzaken - Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van strafwetten -
  2. Beoordelingsbevoegdheid van de sanctionerende ambtenaar. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-12-1998 - 23 - 40 ELI link Pub nr 1999000028 Wet - 25-04-2007 - 27 - 38 ELI link Pub nr 2007201376 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4827 Arrest nr. 140/2010 van 16 december 2010 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals dat artikel van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 25 april 2007, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 16 november 2009 in zake Philippe Hautekiet tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 december 2009, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals van toepassing voor de wijziging van dit artikel door artikel 27 van de wet van 25 april 2007, de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de omschrijvingen ‘ verstoring van het verloop van een nationale voetbalwedstrijd ’ en ‘ aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ’ geen voldoende nauwkeurige normatieve inhoud hebben om een misdrijf te kunnen definiëren en doordat op deze manier een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen de rechtsonderhorigen die vervolgd worden voor andere strafbare feiten en diegenen die vervolgd worden op grond van artikel 23 van de Voetbalwet van 21 december 1998, zoals van toepassing voor de wijziging van dit artikel door de wet van 25 april 2007 ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Philippe Hautekiet, wonende te 8800 Roeselare, Verbrandhofstraat 58; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 september 2010 : - is verschenen : Mr. P. Vergucht, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De directeur-generaal bij de algemene directie Veiligheids- en Preventiebeleid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken heeft op 18 juli 2007 met toepassing van artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden Philippe Hautekiet een geldboete van 300 euro en een stadionverbod van vijf maanden opgelegd. De Politierechtbank te Kortrijk heeft op 29 oktober 2008 het beroep tegen die beslissing verworpen. Philippe Hautekiet heeft tegen dat vonnis een cassatieberoep ingesteld. In het kader van die procedure stelt het Hof van Cassatie de voormelde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.1.
  3. Philippe Hautekiet zet uiteen dat artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden (hierna : de wet van 21 december 1998), zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), twee bestanddelen vereiste opdat er sprake zou zijn van een inbreuk op die bepaling : enerzijds, diende het verloop van een nationale of internationale voetbalwedstrijd te worden verstoord en, anderzijds, diende die verstoring het gevolg te zijn van het gedrag van een persoon die aanzet tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van één of meer personen die zich in het stadion bevinden. Volgens die partij bevestigt de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 25 april 2007 dat vóór de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij artikel 27 van die wet, het bewijs van beide constitutieve bestanddelen was vereist (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2873/001, p. 24). A.1.
  4. Philippe Hautekiet voert aan dat de legaliteit van een strafbepaling vereist dat zij op zichzelf of in samenhang gelezen met andere bepalingen op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft. De wetgever vermag, volgens hem, derhalve geen beroep te doen op begrippen die een te vage inhoud hebben om op voldoende wijze een strafrechtelijke inbreuk te omschrijven. Hij is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling niet aan voormelde vereisten voldoet. Hij wijst erop dat de in het geding zijnde bepaling niet preciseert wat dient te worden begrepen onder een verstoring van het verloop van een nationale of van een internationale voetbalwedstrijd, waardoor die bepaling niet voldoende duidelijk is. Dat blijkt, volgens hem, uit de voormelde parlementaire voorbereiding van de wet van 25 april 2007 : de wetgever heeft de vereiste van verstoring van het verloop van een voetbalwedstrijd laten vallen om discussies en tegenstrijdigheden te vermijden. Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepaling eveneens niet voldoende duidelijk omschrijft waaruit het middel dient te bestaan waardoor de betrokken voetbalwedstrijd wordt verstoord. Hij erkent dat de omschrijving van slagen en verwondingen kan worden beschouwd als een door de wetgever in een andere context omschreven begrip. Het is, volgens hem, evenwel heel onduidelijk wat als het aanzetten tot haat of woede dient te worden begrepen. In de ministeriële omzendbrief van 4 mei 1999 aangaande de uitvoering van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden wordt, volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, erkend dat moeilijk te bepalen valt of er sprake is van het verstoren van het verloop van een wedstrijd en dat de beoordeling of er sprake is van een inbreuk op de in het geding zijnde bepaling dient te worden overgelaten aan de politieambtenaar. Uit het arrest nr. 158/2004 van 20 oktober 2004 van het Hof blijkt, volgens die partij, dat het feit dat een te grote interpretatiebevoegdheid wordt overgelaten aan de verbalisanten niet in overeenstemming is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Philippe Hautekiet verwijst ten slotte naar de memorie van toelichting van de wet van 21 december 1998, waarin, volgens hem, erop werd gewezen dat de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling zeer ruim zijn en dat de in die bepaling omschreven overtreding dient te worden beschouwd als een restcategorie. A.2.
  5. Volgens de Ministerraad blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie, van het Grondwettelijk Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken is voldaan wanneer diegenen op wie een strafbepaling van toepassing is, op grond van die bepaling kunnen weten welke handelingen hun strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. A.2.
  6. De Ministerraad voert aan dat het feit dat de in de in het geding zijnde bepaling geviseerde provocerende gedragingen niet limitatief worden opgesomd, zodat aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend, geen afbreuk doet aan de duidelijkheid van die bepaling. Die partij voert aan dat de onmogelijkheid om steeds tot een uiterst gedefinieerde strafbaarstelling over te gaan vervat ligt in de aard van de rechtsnormen en van de strafbaarstellingen. Volgens haar erkent het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat een open en flexibele strafbepaling op zich niet in strijd is met het wettigheidsbeginsel, mede gelet op de noodzaak om zich aan te passen aan veranderende situaties, en aanvaardt dat Hof dat aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend. A.2.
  7. De Ministerraad voert aan dat de wetgever voor de strafbaarstelling in de in het geding zijnde bepaling begrippen heeft gehanteerd die elders in het strafrecht worden gehanteerd en waarvan de draagwijdte door de rechtspraak op voldoende wijze wordt afgebakend. Zo wordt, vervolgt die partij, het aanzetten tot een misdaad of wanbedrijf op grond van artikel 66 van het Strafwetboek op algemene wijze strafbaar gesteld en heeft het Hof van Cassatie dat begrip voldoende afgelijnd. Ook de begrippen « slagen en verwondingen », haat en woede zijn, volgens haar, duidelijk. 4 A.2.
  8. De Ministerraad voert eveneens aan dat de in het geding zijnde bepaling in samenhang dient te worden gelezen met artikel 19 van de wet van 21 december 1998, dat het toepassingsgebied van die bepaling afbakent. Uit de combinatie van die artikelen, alsmede op grond van de parlementaire voorbereiding van de wet, kan er, volgens die partij, geen twijfel bestaan over het ogenblik waarop en de aanwijzingen op grond waarvan de beslissing dient te worden genomen dat een persoon het verloop van een voetbalwedstrijd zou hebben verstoord. Zo blijkt, volgens haar, uit de parlementaire voorbereiding dat het gaat om gedragingen die niet vallen onder de striktere toepassingsvoorwaarden van de artikelen 20, 21 of 22 van de wet van 21 december
  9. A.3.
  10. Philippe Hautekiet antwoordt dat uit het voormelde artikel 19 kan worden afgeleid binnen welke tijdsperiode de in de in het geding zijnde bepaling beoogde handelingen moeten worden gepleegd om strafbaar te zijn, maar dat het begrip « verstoring van het verloop van een voetbalwedstrijd » in geen van beide bepalingen nader wordt omschreven. Volgens hem is het veelbetekenend dat bij de wet van 25 april 2007 het vereiste van het verstoren van een voetbalwedstrijd uit de delictsomschrijving werd weggelaten. A.3.
  11. De omstandigheid dat het begrip « aanzetten tot » ook in andere bepalingen wordt gebruikt, betekent volgens die partij niet dat die termen in de in het geding zijnde bepaling dezelfde betekenis zouden hebben. Zij wijst erop dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 december 1998 blijkt dat de wetgever dat begrip bijzonder ruim heeft geïnterpreteerd, zodat het enkele feit van het begaan van feiten die het verloop van een wedstrijd verstoren, aanleiding kan geven tot sancties. Zij wijst ook erop dat in de voormelde parlementaire voorbereiding werd gepreciseerd dat indien de in het geding zijnde bepaling in het vaarwater zou komen van strafrechtelijke bepalingen, zoals artikel 66 van het Strafwetboek en de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden, de strafwet van toepassing zou zijn. Hieruit kan, volgens die partij, worden afgeleid dat de wetgever niet dezelfde feiten beoogde en dat hij van mening was dat in de meeste gevallen de aanzetting bedoeld in de in het geding zijnde bepaling niet onder de toepassing van voormelde strafrechtelijke bepalingen zou vallen. A.3.
  12. Philippe Hautekiet herinnert ten slotte eraan dat uit de inhoud van de voormelde ministeriële omzendbrief van 4 mei 1999 blijkt dat de definiëring van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde gedragingen bijzonder moeilijk is en dat bij de beoordeling van die gedragingen de politieambtenaar een belangrijke rol zal spelen. -B- B.
  13. Artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), bepaalde : « Eenieder die, alleen of in groep, door zijn gedrag het verloop van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd verstoort door het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van een of meer personen die zich in het stadion bevinden, kan een of meer sancties oplopen als bepaald in artikel 24 ». Luidens artikel 24 van de wet van 21 december 1998, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 30 van de wet van 25 april 2007, kon in geval van een overtreding van het voormelde artikel 23 een administratieve geldboete van tienduizend tot tweehonderdduizend frank en een administratief stadionverbod voor een duur van drie maanden tot vijf jaar worden opgelegd, of één van die sancties alleen. Wanneer een 5 minderjarige boven de veertien jaar die overtreding beging, kon enkel een administratief stadionverbod voor een duur van drie maanden tot vijf jaar worden opgelegd. B.
  14. Het verwijzende rechtscollege vraagt of het voormelde artikel 23 bestaanbaar is met de artikelen 12 en 14, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, in zoverre de begrippen « het verloop van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd verstoren » en « het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede » onvoldoende nauwkeurig zouden zijn. B.3.
  15. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het verwijzende rechtscollege het Hof ondervraagt over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, dat niet alleen is gewaarborgd door de voormelde grondwetsbepalingen, maar eveneens door artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.3.
  16. De administratieve geldboete waarin artikel 24 van de wet van 21 december 1998, zoals van toepassing op de feiten voor het verwijzende rechtscollege, voorziet, kan oplopen tot tweehonderdduizend frank en heeft een preventief en repressief karakter. Zonder dat het nodig is om na te gaan of de artikelen 12 en 14 van de Grondwet te dezen van toepassing zijn, gaat het om een straf in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.3.
  17. Bijgevolg gaat het Hof de bestaanbaarheid na van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het door artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde wettigheidsbeginsel in strafzaken. B.
  18. Dit beginsel gaat uit van de idee dat de wet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. 6 Hetzelfde beginsel staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet, is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn aansprakelijkheid meebrengen. B.5.
  19. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van titel III van de wet van 21 december 1998, die voor feiten die het verloop van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd kunnen verstoren, in een administratieve procedure voorziet ten aanzien van de aanwezige personen binnen het stadion, waarbij een administratieve geldboete en/of een administratief stadionverbod kan worden opgelegd (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1572/1, p. 2). B.5.
  20. De artikelen 20 tot 22 van de wet van 21 december 1998, zoals van toepassing op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de zaak voor het verwijzende rechtscollege, bestraffen het gooien en schieten van voorwerpen, het onrechtmatig betreden van het stadion of de poging daartoe en het onrechtmatig betreden van bepaalde zones van het stadion of de poging daartoe. B.5.
  21. De in het geding zijnde bepaling vult de voormelde inbreuken aan. In de parlementaire voorbereiding werd ze als volgt verantwoord : « Door de ruime bewoordingen laat dit artikel toe diverse provocerende gedragingen te sanctioneren, dewelke niet onder de striktere toepassingsvoorwaarden van de artikelen 20, 21 of 22 vallen. In deze context kunnen diverse specifieke voorbeelden worden gegeven van provocerende gedragingen, dewelke onder het toepassingsgebied van dit artikel kunnen vallen als daardoor het verloop van de voetbalwedstrijd verstoord wordt. Ten eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het herhaaldelijk tot uiting brengen van provocerende geluiden. 7 Ten tweede kan als voorbeeld worden aangehaald het duwen of verdringen van personen, al dan niet in groep. Het artikel kan ten slotte ook worden toegepast indien wordt gespuwd op bepaalde personen, zoals de scheidsrechter, de spelers van een voetbalploeg of, zoals vaak het geval is, de stewards of ordediensten. Het spuwen op zich, indien dit een duidelijke uiting van minachting is, kan ook worden aangehaald als sanctioneerbare gedraging. De gedraging op zich is hierbij sanctioneerbaar. Met andere woorden, het enkele feit van het begaan van feiten die het verloop van de wedstrijd verstoren is sanctioneerbaar. In de mate dat artikel 23 van deze wet in het vaarwater komt van strafrechtelijke bepalingen (bijvoorbeeld door de weinig waarschijnlijke combinatie van artikel 66, lid 4 en artikel 398 van het strafwetboek, of een eventuele toepassing van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden, Belgisch Staatsblad, 8 augustus 1981) is de strafwet van toepassing. Voor dergelijke gevallen kan verwezen worden naar de regeling van de artikelen 35 en volgende, waar het initiatief wordt gelaten aan de procureur des Konings (zie infra). Indien deze laat weten dat hij niet tot vervolging zal overgaan, of indien hij geen tijdige inlichting gaf conform artikel 35, eerste lid, kan de ambtenaar beslissen de zaak administratief af te handelen » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1572/1, pp. 17-18). B.
  22. Uit de in het geding zijnde bepaling en uit de parlementaire voorbereiding ervan vloeit voort dat er slechts sprake kan zijn van een inbreuk indien aan twee voorwaarden is voldaan : enerzijds, dient de auteur van de feiten aan te zetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van een of meer personen die zich in het stadion bevinden; anderzijds, dient het gedrag in kwestie het verloop van de wedstrijd te verstoren. B.7.
  23. De gebruikelijke betekenis van het werkwoord « aanzetten tot » is « aansporen om iets te doen », « opzetten, aanstoken ». De in het geding zijnde bepaling preciseert dat het gedrag in kwestie dient te zijn gericht tot een of meer personen die zich in het stadion bevinden. Hieruit dient te worden afgeleid dat die personen het gedrag in kwestie op een dergelijke wijze moeten kunnen zien of horen dat ze hierdoor zouden kunnen overgaan tot het toebrengen van slagen en verwondingen of tot uitingen van haat en woede. B.7.
  24. Uit de verwijzing in de in B.5.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding naar artikel 398 van het Strafwetboek blijkt dat de woorden « slagen en verwondingen » dezelfde betekenis hebben als in dat artikel. Een verwonding of een slag in de zin van die bepaling is « elk uitwendig of inwendig letsel, hoe licht ook, dat van buiten uit, door een mechanisch of 8 chemisch op de lichaamsgesteltenis inwerkende oorzaak, aan het menselijk lichaam wordt toegebracht » (Cass., 18 februari 1987, Arr. Cass., 1987, nr. 359). B.7.
  25. De woorden « haat » en « woede » zijn zodanig ingeburgerd dat iedereen redelijkerwijze weet welk gedrag binnen het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling valt. Opdat er evenwel sprake kan zijn van het aanzetten tot haat en woede, dient te worden aangetoond dat er sprake is van een voornemen om aan te zetten tot haat of woede. B.8.
  26. Het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede kan enkel worden bestraft wanneer dat gedrag het verloop van de wedstrijd verstoort. Bijgevolg dient het gedrag in kwestie de wedstrijd op enige wijze te hinderen. B.8.
  27. Ofschoon artikel 19 van de wet van 21 december 1998, zoals van toepassing op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de zaak voor het verwijzende rechtscollege, bepaalde dat titel III van de wet, waarvan artikel 23 deel uitmaakt, « van toepassing [is] op feiten gepleegd gedurende de ganse periode tijdens welke het stadion, waarin een nationale voetbalwedstrijd of een internationale voetbalwedstrijd plaatsvindt, toegankelijk is voor de toeschouwers », vloeit uit de vereiste dat het gedrag het verloop van de wedstrijd verstoort voort dat niet alle feiten gepleegd gedurende de voormelde periode een inbreuk uitmaken in de zin van de in het geding zijnde bepaling: enkel feiten die zich vóór of tijdens een wedstrijd afspelen, konden worden bestraft, vermits enkel die feiten de wedstrijd konden hinderen. Dat blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van artikel 27 van de wet van 25 april 2007, die de vereiste heeft geschrapt dat het gedrag in kwestie het verloop van een nationale of internationale voetbalwedstrijd dient te verstoren : « De aanpassing aan artikel 23 maakt de inhoud van dit artikel conform aan de inhoud van het artikel 19 en 23bis. Het aanzetten tot slagen en verwondingen, haat of woede ten opzichte van een of meerdere personen (waar deze zich ook mogen bevinden : in het stadion, in de perimeter of zelfs buiten de perimeter) vormt op zich een inbreuk, zonder dat vereist wordt dat het verloop van de wedstrijd wordt verstoord. Artikel 19 bepaalt immers duidelijk dat artikel 23 van toepassing is gedurende de ganse periode tijdens welke het stadion toegankelijk is voor de toeschouwers. In een beperkt aantal gevallen is er in het verleden discussie ontstaan of dit geen tegenstrijdigheid inhoudt met artikel 23, dat als vereiste had dat het verloop van de wedstrijd verstoord moest worden. Via de voorgestelde aanpassing wordt aan dit euvel verholpen. Dit vermijdt bovendien de restrictieve en door de wetgever niet gewilde interpretatie dat de wedstrijd zelf zou moeten worden stilgelegd alvorens er sprake zou zijn van een inbreuk op artikel 23 » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2873/001, p. 24). 9 B.8.
  28. Uit de in het geding zijnde inbreuk kan niet worden afgeleid dat er enkel sprake is van een inbreuk wanneer de wedstrijd zelf moet worden stilgelegd. Het volstaat dat de feiten het verloop van de wedstrijd hinderen. B.
  29. Weliswaar kent de in het geding zijnde bepaling aan de ambtenaar die de sanctie oplegt een beoordelingsbevoegdheid toe. Zoals in B.4 is uiteengezet, houdt de toekenning van een zekere beoordelingsbevoegdheid op zichzelf evenwel geen schending in van het wettigheidsbeginsel. De in het geding zijnde bepaling heeft aan de ambtenaar die de sanctie oplegt niet zulk een ruime beoordelingsbevoegdheid toegekend dat degenen tot wie die bepalingen zijn gericht, hun gedrag niet zouden kunnen aanpassen, noch de gevolgen ervan zouden kunnen beoordelen. B.
  30. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 23 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 december
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.