← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.145

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.145 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101216.9 Arrest- Rolnummer: 145/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 260 - laatst gezien 2026-06-30 05:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 9, 58 en 59 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen schenden niet de artikelen 10, 11, 24 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van datzelfde Verdrag, en met artikel 13.2, c, van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten in zoverre ze het de buitenlandse student niet mogelijk maken zich te beroepen op zijn inschrijving in een onderwijsinstelling die niet door de overheid wordt georganiseerd, gesubsidieerd of erkend, om zich op die grond een machtiging tot verblijf te laten toekennen teneinde zijn hogere studie in België te voleindigen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Toegang en verblijf Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 9, 58 en 59 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gesteld door de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Vreemdelingenrecht - Verblijf - Verblijf van meer dan drie maanden - Machtiging tot verblijf teneinde hogere studie in België te voleindigen - Voorwaarden - Attest van de inschrijving in een door de overheid georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 9 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 58 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 59 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 24 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 191 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-03-1952 - 2 - 30 Link Justel databank 19520320-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - 13.2.c - 30 Link Justel databank 19661219-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4883 Arrest nr. 145/2010 van 16 december 2010 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 9, 58 en 59 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gesteld door de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter R. Henneuse en rechter E. De Groot, waarnemend voorzitter, de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beschikking van 23 februari 2010 in zake de Belgische Staat tegen C. C.N., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 februari 2010, heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, zitting houdende in kort geding, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 9, 58 en 59 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10, 11, 24 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 14 van hetzelfde Verdrag, en/of artikel 13, § 2, c, van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten, in die zin geïnterpreteerd dat de vreemdeling die een studentenvisum aanvraagt al dan niet over een subjectief recht op de uitreiking ervan beschikt naargelang hij al dan niet is ingeschreven in een door de overheid georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling, waarbij aldus die vreemdeling zonder objectieve, redelijke of evenredige verantwoording op verschillende wijze wordt behandeld ? ». Memories zijn ingediend door : - C. C.N.; - de Franse Gemeenschapsregering; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2010 : - zijn verschenen : . Mr. D. Andrien, advocaat bij de balie te Luik, voor C. C.N.; . Mr. A. Dewulf loco Mr. M. Nihoul, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; . Mr. P. Lejeune en Mr. C. Piront loco Mr. D. Matray, advocaten bij de balie te Luik, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil C. C.N. werd door de verwijzende rechter een studentenvisum verleend dat de Belgische Staat geweigerd had hem te verlenen om reden, enerzijds, dat hij geen enkele motivatiebrief overlegde waarin hij verantwoordde dat hij zijn lopende studie opgaf om een opleiding aan te vatten in een nieuwe richting in België die niet past in het verlengde van de vorige en waarvan het niveau een achteruitgang betekent ten opzichte van de studie die hij in zijn land van herkomst had gevolgd en, anderzijds, dat hij niet doet blijken van het belang om die opleiding in België te volgen, waarbij hij de specificiteit ervan aantoont, terwijl identieke cursussen op alle onderwijsniveaus in zijn land van herkomst worden georganiseerd, in zowel openbare als private onderwijsinstellingen. De Staat heeft derdenverzet aangetekend tegen de beslissing van de verwijzende rechter, die de debatten heeft heropend teneinde, met name, de bestaanbaarheid te onderzoeken van de artikelen 58 en 59 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen met de artikelen 10, 11, 24 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de verdragsrechtelijke bepalingen die door de verweerder op derdenverzet werden aangevoerd, waarbij deze laatste wenste dat bij het Hof een prejudiciële vraag aanhangig zou worden gemaakt met betrekking tot een verschil in behandeling tussen onderwijsinstellingen en tussen vreemdelingen naargelang de instellingen al dan niet door de overheid worden erkend, georganiseerd of gesubsidieerd : enkel in het eerste geval kan het in artikel 59 beoogde attest worden uitgereikt dat het mogelijk maakt de in artikel 58 beoogde verblijfsmachtiging te verlenen. De verwijzende rechter stelt vast dat de Staat, in afwijking van de voormelde artikelen 58 en 59, vroeger bepaalde onderwijsinstellingen die door de overheid niet werden gesubsidieerd, erkend of georganiseerd, « erkende » en aan de buitenlandse studenten die er studeerden, dezelfde rechten toekende als aan de studenten van de door de overheid gesubsidieerde, erkende of georganiseerde instellingen. In een arrest van 30 oktober 1995 (nr. 56.106) was de Raad van State van oordeel dat zonder die afwijking, die bepalingen discriminerend zouden zijn. De verwijzende rechter stelt vast dat dat corrigerende mechanisme is verdwenen en dat de buitenlandse studenten die zich weliswaar kunnen inschrijven in instellingen die door de overheid niet worden erkend noch gesubsidieerd noch georganiseerd, zich enkel kunnen beroepen op artikel 9 van de wet van 15 december 1980; wat de verblijfsmachtiging betreft, zijn zij dus onderworpen aan de discretionaire bevoegdheid van de Staat (wat niet het geval is wanneer het gaat om een andere onderwijsinstelling), die, zoals te dezen, dan eisen stelt die niet voorkomen in de wet van 1980 en niet worden opgelegd aan de andere studenten. Het risico dat er « valse » scholen ontstaan lijkt echter die discriminatie niet klaarblijkelijk te verantwoorden. De verwijzende rechter stelt bijgevolg de hierboven weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof. III. In rechte -A- Wat de bevoegdheid van het Hof betreft A.

  1. De Franse Gemeenschapsregering doet opmerken dat het Hof bevoegd is om uitspraak te doen over de schending van grondrechten gewaarborgd door internationale normen die België binden, wanneer die schending wordt aangevoerd in combinatie met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien de schending van een grondrecht ipso facto de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vormt. Wat de in het geding zijnde bepalingen betreft A.2.
  2. De Ministerraad betoogt dat het aangeklaagde verschil in behandeling voortkomt uit een verkeerde lezing van de artikelen 58 en 59 van de in het geding zijnde wet omdat de vreemdeling die een studentenvisum 4 aanvraagt, niet beschikt over een subjectief recht op verblijf wanneer hij is ingeschreven in een door de overheid georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling. Dat standpunt, zo geeft hij aan in zijn memorie van antwoord, werd bevestigd in een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 26 mei
  3. Het komt immers de Dienst Vreemdelingenzaken toe om in elk concreet geval te beoordelen of er is voldaan aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de toepassing van artikel 58 van de voormelde wet. Het gaat om een beoordelingsbevoegdheid van het discretionaire type die met name slaat op de wil van de aanvrager om in België te studeren, aan wie een verblijfsrecht kan worden geweigerd omdat hij zich bevindt in een van de gevallen bepaald in artikel 3 van die wet; aangezien die bepaling de overheid een ruime beoordelingsbevoegdheid verleent, is de bevoegdheid van die laatste niet volledig gebonden en de vreemdeling die zich bevindt in de situatie van de verweerder op derdenverzet voor de verwijzende rechter, beschikt dus niet over een subjectief recht op de afgifte van een verblijfstitel. A.2.
  4. De Franse Gemeenschapsregering is van oordeel dat, zonder dat het nodig is te weten of artikel 58 van de wet van 15 december 1980 al dan niet een « subjectief recht » op de afgifte van een verblijfstitel verleent aan de buitenlandse studenten die zijn ingeschreven in een door de overheid georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling, dient te worden vastgesteld dat de buitenlandse studenten die niet zijn ingeschreven in die instellingen, niet het voordeel genieten van de maatregel waarin is voorzien in artikel 58 en dus in dat verband verschillend worden behandeld. Wanneer een aanvrager zich beroept op een situatie van student om een verblijfsmachtiging te verkrijgen zonder dat hij zich bevindt in de voorwaarden bepaald in artikel 58, beschikt de overheid immers over een volledige beoordelingsbevoegdheid, wat niet het geval is wanneer de student zich bevindt in de voorwaarden beoogd in die bepaling. Wat de vergelijkbaarheid betreft A.
  5. De Ministerraad betoogt dat de in het geding zijnde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De wetgever heeft ervoor gekozen - en kon ervoor kiezen - de verblijfsmachtigingen die betrekking hebben op de buitenlandse studenten die niet zijn ingeschreven in een door de overheid georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling, te onderwerpen aan een bijzondere behandeling. Die keuze van de wetgever concretiseert een van de doelstellingen van de wet van 15 december 1980, die erin bestaat de misbruiken te bestrijden en hem ertoe brengt de mogelijkheid van de afgifte van attesten conform artikel 59 van de wet van 15 december 1980, voor te behouden aan de instellingen waarvan hij een bepaald aantal waarborgen kon verwachten en waarin hij een bepaalde controle kon behouden. De studenten die er zich inschrijven, vallen onder de regeling waarin is voorzien in artikel 58 van de wet van 15 december 1980, terwijl de anderen vallen onder de algemene regeling waarin is voorzien in artikel 9 van de wet van 15 december
  6. Ten gronde A.
  7. C. C.N. brengt de feiten van de zaak in herinnering. Hij zet uiteen dat artikel 58 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een subjectief recht verleent aan de vreemdeling die zich inschrijft in een door de overheid erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling en die de vereiste documenten overlegt, aangezien de verblijfsmachtiging moet worden toegekend als gevolg van de werking van de wet en de overheid over een gebonden bevoegdheid beschikt. De Staat heeft zich daarentegen een beoordelingsbevoegdheid willen voorbehouden voor de buitenlandse studenten die zich inschrijven in een andere onderwijsinstelling, door op hen de regeling van artikel 9 van de voormelde wet toe te passen. Er dient rekening te worden gehouden met de artikelen 10, 11, 24, §§ 1 en 4, van de Grondwet, artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat het recht op onderwijs waarborgt, artikel 14 van dat Verdrag en artikel 13.2, c, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. De praktijk die wordt gevolgd met betrekking tot de studenten die zich inschrijven in een onderwijsinstelling die door de overheid noch gesubsidieerd, noch erkend wordt, vindt geen grondslag in de wet en kan hooguit steunen op de zeer algemene bepaling van artikel
  8. Rekening houdend met die praktijk, kunnen die instellingen geen studenten opvangen die niet het voordeel van een andere verblijfstitel zouden genieten in België en die studenten wordt het recht ontzegd om die instellingen te bezoeken. Bij gebrek aan overwegingen die specifiek zijn aan de instelling in kwestie, ziet men niet in welke eigen karakteristiek van de inrichtende macht de verschillende behandeling zou verantwoorden, noch in hoeverre die behandeling aangepast zou zijn. Het verschil in behandeling tussen studenten, dat berust op de nationale afkomst, is in strijd met de Grondwet, het Verdrag, het Eerste Aanvullend Protocol erbij en het Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. 5 A.5.
  9. De Ministerraad betoogt dat het onderscheid verantwoord is en op objectieve criteria berust. Het is gegrond op de zorg om bepaalde misbruiken te bestrijden, zoals dat van de « pseudostudenten », en daartoe werd bij de wet een regeling ingesteld waardoor aan de studenten die zijn ingeschreven in de door de overheid georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstellingen, de machtiging kan worden verleend om langer dan drie maanden in België te verblijven wanneer zij de voorwaarden vervullen die zijn opgelegd bij artikel 58 van de voormelde wet - zoals het overleggen van een door een van die instellingen uitgereikt attest - en zij zich niet bevinden in een van de in artikel 3 van die wet opgesomde gevallen. De andere buitenlandse studenten van hun kant vallen onder het algemene toepassingsgebied van artikel 9 van de voormelde wet. Zij kunnen dus eveneens worden gemachtigd in België te verblijven om er te studeren, met toepassing van de artikelen 9 en 13 van de wet van 15 december 1980, op basis waarvan de minister en zijn gemachtigde beschikken over een ruimere beoordelingsbevoegdheid dan die waarover zij beschikken in het kader van het voormelde artikel
  10. In tegenstelling met wat de tegenpartij aangeeft, wordt de studenten niet het recht ontzegd om de lessen bij te wonen die worden gegeven door de instellingen die niet door de overheid worden georganiseerd, erkend of gesubsidieerd, en die instellingen kunnen die studenten opvangen. Het door de wetgever gemaakte onderscheid berust op objectieve criteria en wordt verantwoord door de doelstelling van de wetgever, die erin bestaat elk misbruik te vermijden, rekening houdend met het feit dat de Staat een zekere controle uitoefent op de onderwijsinstellingen die door de overheid worden georganiseerd, erkend of gesubsidieerd, en niet op de andere. Anders redeneren zou erop neerkomen dat men om het even welke groep personen, die zich bijvoorbeeld organiseren in de vorm van een vzw, zou toelaten om buitenlandse studenten te laten komen zonder waarborg inzake het onderwijs dat hun zou kunnen worden verstrekt of inzake de voorwaarden waaronder die studenten zouden worden behandeld. A.5.
  11. De Ministerraad betoogt dat met de in het geding zijnde bepalingen het verband van evenredigheid in acht wordt genomen vermits de buitenlandse student die zich inschrijft in een privé-instelling steeds kan worden gemachtigd om, met toepassing van de artikelen 9 en 13 van de wet van 15 december 1980, in ons land te verblijven om er te studeren zodat elke onderwijsinstelling buitenlandse studenten kan opvangen. Wanneer zij de gegrondheid van hun aanvraag en van hun voorgenomen studie in België bewijzen, kunnen dezen een visum verkrijgen op basis van artikel 9 van de wet. Daartoe moeten zij een dossier samenstellen waarmee zij de coherentie van hun voorgenomen studie kunnen bewijzen, de continuïteit van hun studie met hun vorige studie verantwoorden in een gemotiveerde brief en de details van hun schoolprogramma alsook kopieën van al hun diploma’s verstrekken. De Raad van State is in dit verband van oordeel geweest dat de diverse opgesomde formaliteiten niet zozeer een belemmering vormen, maar veeleer bestemd zijn om de kandidaat-student de mogelijkheid te bieden zijn aanvraag tot machtiging om in België te verblijven, beter voor te bereiden zonder dat het feit dat hij een of andere formaliteit niet vervult, leidt tot een weigering van het verblijf, vermits in heel die aangelegenheid aan de minister ruime beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van zijn kant heeft reeds doen opmerken dat de schoolkeuze niet de reden was om de afgifte van een visum te weigeren; de keuze voor een privé-instelling belet immers de oorspronkelijke aanvrager om de gunstiger regeling van artikel 58 te genieten, maar belet hem niet om eventueel een verblijfsmachtiging te verkrijgen op basis van artikel 9 van de wet. A.5.
  12. In zijn memorie van antwoord voegt de Ministerraad daaraan toe dat artikel 7, lid 1, onder c), van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 toepassing maakt van een soortgelijk criterium als dat van de in het geding zijnde wet door erin te voorzien dat de Europese burger die is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, en die over voldoende middelen beschikt voor zichzelf en zijn familieleden en over een verzekering die de ziektekosten volledig dekt, het recht heeft gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied te verblijven van een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit. De prejudiciële vraag dient dus ontkennend te worden beantwoord. A.6.
  13. De Franse Gemeenschapsregering betoogt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, gegrond op het statuut van de onderwijsinstelling. Dat verschil houdt verband 6 met een wettig doel vermits het het voordeel van de gevolgen ervan beperkt tot enkel de buitenlandse studenten die zijn ingeschreven in onderwijsinstellingen die in verschillende mate door de overheid worden gecontroleerd naargelang zij door die overheid worden georganiseerd, gesubsidieerd of erkend, en het zodoende ertoe strekt te vermijden dat de wet kan worden omzeild via manoeuvres waarbij schijninstellingen die door de overheid niet worden gecontroleerd, zich veel geld zouden kunnen laten betalen voor inschrijvingsattesten die het mogelijk maken een verblijfstitel te verkrijgen. A.6.
  14. De Franse Gemeenschapsregering is van oordeel dat wanneer artikel 58 van de wet van 15 december 1980 niet kan worden toegepast, de in het geding zijnde maatregel noch het recht op onderwijs van de buitenlandse studenten noch het recht om onderwijs te verstrekken, beperkt aangezien de minister toepassing kan maken van artikel 9 van dezelfde wet. De omzendbrief van 1 september 2005 heeft weliswaar de voorwaarden verduidelijkt waaronder in dat kader een machtiging zou kunnen worden afgegeven, maar die voorwaarden drukken de zorg uit om een geïndividualiseerd onderzoek van het dossier uit te voeren en de realiteit en de kwaliteit van de voorgenomen studie na te gaan, wat het mogelijk maakt de risico’s op fraude uit te sluiten en de student te beschermen. Zij zijn in overeenstemming met de doelstelling van de wetgever die erin bestaat de verblijfsmachtigingen niet te beperken tot enkel de studenten die zijn ingeschreven in de door de overheid georganiseerde, gesubsidieerde of erkende instellingen. Aldus is de maatregel evenredig met de nagestreefde doelstelling, wat de rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevestigt. -B- B.
  15. De artikelen 9, 58 en 59 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepalen : « Art.
  16. Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland ». « Art.
  17. Wanneer de aanvraag tot het bekomen van de machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven bij een Belgische diplomatieke of consulaire post ingediend wordt door een vreemdeling die in België wenst te studeren in het hoger onderwijs of er een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs wenst te volgen moet die machtiging toegekend worden indien de betrokkene zich niet bevindt in een der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bedoelde gevallen en indien hij de hiernavolgende documenten overlegt : 1° een attest afgegeven door een onderwijsinstelling overeenkomstig artikel 59; 2° het bewijs dat hij voldoende middelen van bestaan bezit; 3° een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet aangetast is door een der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten of gebreken; 7 4° een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene niet veroordeeld is geweest wegens misdaden of wanbedrijven van gemeen recht, wanneer hij ouder is dan 21 jaar. Bij ontstentenis van een getuigschrift als bedoeld onder 3° en 4° van het eerste lid, kan de Minister of zijn gemachtigde niettemin, rekening houdende met de omstandigheden, de vreemdeling machtigen in België te verblijven om er te studeren. De machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven kan door de vreemdeling in het Rijk aangevraagd worden overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten in uitvoering van artikel 9, tweede lid. Art.
  18. Al de door de overheid georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstellingen zijn bevoegd om het vereiste attest af te geven. Dit attest bevestigt, hetzij dat de vreemdeling als regelmatige leerling of student, die voldoet aan de voorwaarden inzake voorafgaande studies, ingeschreven is in de onderwijsinstelling die het afgeeft, hetzij dat hij, in voorkomend geval, een aanvraag tot het verlenen van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften ingediend heeft, hetzij dat hij, in voorkomend geval, ingeschreven is voor de toelatingsproef. In de twee laatste gevallen moet een nieuw attest binnen vier maanden bevestigen dat de vreemdeling, na het bekomen van de gelijkwaardigheid van diploma of studiegetuigschrift of na het slagen voor de toelatingsproef, als regelmatig leerling of student ingeschreven is in de onderwijsinstelling die het afgeeft. Het attest moet betrekking hebben op een onderwijs met volledig leerplan; het mag echter ook betrekking hebben op een onderwijs met beperkt uurrooster wanneer de vreemdeling bewijst dat dit onderwijs zijn hoofdbezigheid en de voorbereiding of de aanvulling van een onderwijs met volledig leerplan zal uitmaken ». B.2.
  19. De voormelde artikelen 58 en 59 roepen een verschil in behandeling in het leven tussen buitenlandse studenten die zijn ingeschreven in een onderwijsinstelling naargelang dat onderwijs al dan niet door de overheid wordt georganiseerd, gesubsidieerd of erkend : enkel de onderwijsinstellingen die door de overheid worden georganiseerd, gesubsidieerd of erkend, zijn gemachtigd om het in artikel 59 bedoelde attest van inschrijving af te geven waarvan de overlegging een van de vereisten is waaraan, krachtens artikel 58, de machtiging om in het Rijk te verblijven, is onderworpen. Bij gebreke daarvan, kan die machtiging niet worden verleend en is de buitenlandse student die zich inschrijft in een onderwijsinstelling die niet door de overheid wordt georganiseerd, noch gesubsidieerd, noch erkend, dan ook onderworpen aan artikel 9 en moet hij door de minister of zijn gemachtigde worden gemachtigd om in het Rijk te verblijven. 8 B.2.
  20. In tegenstelling met wat de Ministerraad betoogt, vormen de twee categorieën van studenten vergelijkbare categorieën vermits het in beide gevallen gaat om het verstrekken van hoger (of daarop voorbereidend) onderwijs aan buitenlandse studenten. B.
  21. De artikelen 58 en 59 van de in het geding zijnde wet verlenen een recht op verblijf aan de student die de voorwaarden vervult waarin zij voorzien (Parl. St., Kamer, 1977-1978, nr. 144/7, p. 49), aangezien de overheid in dat verband over een gebonden bevoegdheid beschikt, voor zover de student zich niet bevindt in een van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, van dezelfde wet, dat aan de minister een beoordelingsbevoegdheid verleent voor sommige van de situaties die het beoogt. Die voorwaarden komen voort uit de zorg van de wetgever om de risico’s op misbruik te vermijden : « Het ontwerp wil nochtans ingaan tegen bepaalde misbruiken, zoals die van ‘ de pseudo- studenten ’ die zich gedurende vele jaren inschrijven aan een universitaire instelling zonder ooit enig examen af te leggen, of nog die van de studenten van de zogezegde onderontwikkelde landen die, na het bekomen van hun diploma, op alle mogelijke manieren zich in België pogen te vestigen (art. 60) » (Parl. St., Kamer, 1974-1975, nr. 653/1, p. 47; in dezelfde zin, het voormelde nr. 144/7, p. 51; Senaat, 1980-1981, nr. 521/2, p. 21). Uit het onderzoek van de parlementaire voorbereiding blijkt nog dat de wetgever zich gebogen heeft over bepaalde voorwaarden vastgelegd in de artikelen 58 en
  22. Wat het statuut van de onderwijsinstellingen betreft, werd de oplossing die erin bestond de Koning ertoe te machtigen te bepalen welke instellingen het attest in kwestie zouden kunnen afgeven, verworpen ten voordele van een machtiging verleend aan alle instellingen die door de overheid worden georganiseerd, erkend of gesubsidieerd (Parl. St., Kamer, 1974-1975, nr. 653/1, p. 49, en nr. 144/7, p. 50). Artikel 58 werd gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 28 juni 1984 « betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het Wetboek van de Belgische nationaliteit » teneinde de erkenning van het recht op een verblijfsvergunning te beperken tot de studenten van het hoger onderwijs in ruime zin (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 756/1, p. 6), aangezien het lager en het secundair onderwijs geacht worden « in de meeste gevallen » toegankelijk te zijn in het land van herkomst van de leerling (ibid., nr. 756/21, p. 48) die, wanneer hij niettemin dat onderwijs in België zou wensen te volgen, zou zijn onderworpen aan de regeling van artikel 9 (ibid., p. 8). 9 Bij de bespreking van de wet van 28 juni 1984 werd op het volgende gewezen : « Artikel 59 bepaalt […] dat alle onderwijsinstellingen, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Staat, bevoegd zijn om het vereiste attest af te geven. Deze bepaling wordt echter niet strict toegepast. Een aantal privé-instellingen die niet beantwoorden aan de in artikel 59 vereiste criteria, verstrekken immers ook degelijk onderwijs dat eveneens in aanmerking kan komen. Het door deze instellingen afgeleverde getuigschrift werd bijgevolg aanvaard en de machtiging tot verblijf verleend op grond van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 756/21, p. 50). B.
  23. De oprichting van onderwijsinstellingen die niet door de overheid worden georganiseerd, noch gesubsidieerd, noch erkend, past in het kader van de onderwijsvrijheid gewaarborgd door artikel 24, § 1, van de Grondwet. Die bepaling impliceert voor privépersonen de mogelijkheid om - zonder voorafgaande toestemming en onder voorbehoud van de inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden - naar eigen inzicht onderwijs in te richten en te laten verstrekken, zowel naar de vorm als naar de inhoud, bijvoorbeeld door scholen op te richten die hun eigenheid vinden in bepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen. B.
  24. De wetgever, die misbruiken wenst te vermijden, neemt een maatregel die niet zonder relevantie is in het licht van de doelstelling die hij nastreeft, door aan de instellingen van hoger (of daarop voorbereidend) onderwijs die, opgericht in het in B.4 beschreven kader, niet door de overheid worden georganiseerd, noch gesubsidieerd, noch erkend, en waarop deze bijgevolg geen enkel recht van toezicht heeft, niet dezelfde prerogatieven te verlenen als aan de instellingen die dat wel zijn, in het bijzonder wanneer de uitoefening van die prerogatieven, zoals te dezen, aan de studenten rechten kan verlenen die zij kunnen doen gelden ten overstaan van de overheid. B.
  25. Een dergelijke maatregel doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkenen vermits de betrokken studenten kunnen worden gemachtigd in België te verblijven op basis van artikel 9 van de wet van 15 december
  26. Die bepaling verbiedt de minister of zijn gemachtigde niet om te onderzoeken of de inschrijving in een onderwijsinstelling die door de overheid niet wordt georganiseerd, noch gesubsidieerd, noch erkend, de toekenning verantwoordt van een machtiging tot verblijf, onder voorbehoud, voor 10 de bevoegde overheid, van de verplichting om haar beslissing te motiveren (Parl. St., Senaat, 1980-1981, nr. 521/2, p. 23). B.
  27. De lezing van de artikelen 10, 11, 24 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in de vraag vermelde verdragsrechtelijke bepalingen, leidt niet tot een andere conclusie. B.
  28. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 9, 58 en 59 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen schenden niet de artikelen 10, 11, 24 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van datzelfde Verdrag, en met artikel 13.2, c, van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten in zoverre ze het de buitenlandse student niet mogelijk maken zich te beroepen op zijn inschrijving in een onderwijsinstelling die niet door de overheid wordt georganiseerd, gesubsidieerd of erkend, om zich op die grond een machtiging tot verblijf te laten toekennen teneinde zijn hogere studie in België te voleindigen. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 december
  29. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.