id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.154 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101222.6 Arrest- Rolnummer: 154/2010 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-12-23 Raadplegingen: 280 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Jeugdbeschermingswet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 31 juli 2009 « tot wijziging van artikel 119 van het Gerechtelijk wetboek en van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » en van artikel 119, § 2, van het Gerechtelijk wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 209 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, ingesteld door de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) » en de vzw « Ligue des Droits de l'Homme ». Jeugdbescherming - Minderjarigen die worden vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit - Uithandengeving door de jeugdrechtbank - Verschijning voor het hof van assisen - Samenstelling. # Rechten en vrijheden -
- Rechten van het kind - Belang van het kind -
- Jurisdictionele waarborgen - Recht op een eerlijk proces -
- Recht op eerbiediging van het privéleven. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 119,§2 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Wet - 21-12-2009 - 209 - 14 ELI link Pub nr 2009090000 Wet - 31-07-2009 - 12 ELI link Pub nr 2009009582 Tekst van de beslissing Rolnummer 4874 Arrest nr. 154/2010 van 22 december 2010 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 31 juli 2009 « tot wijziging van artikel 119 van het Gerechtelijk wetboek en van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » en van artikel 119, § 2, van het Gerechtelijk wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 209 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, ingesteld door de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) » en de vzw « Ligue des Droits de l’Homme ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 februari 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 februari 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 31 juli 2009 « tot wijziging van artikel 119 van het Gerechtelijk wetboek en van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » en van artikel 119, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 209 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 augustus 2009 en 11 januari 2010) door de vzw « Défense des Enfants-International-Belgique-Branche francophone (D.E.I. Belgique) », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Kiekenmarkt 30, en de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Kogelstraat
- De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2010 : - zijn verschenen : . Mr. J. Fierens en Mr. F. Wautelet, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. Tulkens en Mr. D. Vanderhofstadt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Standpunt van de verzoekende partijen A.
- De verzoekende partijen zijn van mening dat zij doen blijken van het vereiste belang om beroep in te stellen tot vernietiging van de bestreden bepalingen. Zij zijn beide verenigingen zonder winstoogmerk. De 3 eerstgenoemde heeft meer bepaald tot doel de belangen en de rechten van het kind te verdedigen. Daartoe neemt zij de preventieve en curatieve maatregelen in verband met die rechten. Het doel van de tweede verzoekende partij bestaat erin onrechtvaardigheid en elke willekeurige aantasting van de rechten van een individu of van een gemeenschap te bestrijden. Het belang van die twee verenigingen om in rechte te treden, is meermaals door het Hof erkend. Men kan overigens niet stellen, zoals de Ministerraad doet, dat zij niet meer over het vereiste belang beschikken omdat de bestreden bepalingen hun belangen zouden beschermen. Het zou immers gaan om een verwarring van de kwestie van ontvankelijkheid van het beroep, met die van gegrondheid van de middelen. A.2.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 22bis van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, de artikelen 3 en 40 van het internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, en het algemeen rechtsbeginsel van de absolute inachtneming van het hoger belang van het kind. A.2.
- Het Comité voor de Rechten van het Kind, ingesteld bij artikel 43 van het Verdrag inzake de rechten van het kind om toezicht uit te oefenen op de inachtneming van het Verdrag, beveelt de Staten die partij zijn meer bepaald aan de bepalingen van de « United Nations Standard Minimum Rules for the Administration of Justice » (« Beijing rules » genoemd) in hun wetgeving op te nemen. Volgens dat Comité vormen de regels en leidende beginselen van de Verenigde Naties betreffende de rechtsbedeling voor minderjarigen immers relevante en gedetailleerde normen voor de tenuitvoerlegging van artikel 40 van het Verdrag. Bovendien verwijst het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitdrukkelijk naar artikel 40 van het Verdrag en, via dat laatste artikel, naar de « Beijing rules ». De verzoekende partijen onderstrepen ten slotte dat de Ministerraad, tijdens de hoorzittingen door het Comité voor de Rechten van het Kind, nooit de autoriteit van het Comité, noch de interpretatieve draagwijdte van zijn opmerkingen ter discussie heeft gesteld. Daaruit volgt dat de inachtneming van het hogere belang van het kind, verankerd in de in het middel beoogde bepalingen, moet worden beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, waarbij de Grondwet zelf niet met schending van dat beginsel mag worden geïnterpreteerd. A.2.
- In een eerste onderdeel van hun middel zijn de verzoekende partijen van mening dat, krachtens de bestreden bepalingen, het hof van assisen dat zich zal moeten uitspreken over de schuld van minderjarigen, zich niet zal uitspreken volgens het hogere belang van het kind. De uitspraak van het hof van assisen heeft immers niet tot doel, noch tot gevolg het hogere belang van het kind te vrijwaren. Het voornaamste doel ervan bestaat erin misdaden te bestraffen door de veroordeling tot een straf. Een kind dat een strafbaar feit heeft begaan, zal in het beste geval worden berecht volgens het « maatschappelijk geweten », dat overigens te zijnen aanzien gevaarlijk zou kunnen blijken, gelet op de veelvuldige clichés en vooroordelen die daaraan vasthangen in verband met bepaalde categorieën van jongeren, en zelfs op de neiging tot wraakneming die bij een jury kan leven. Een kind moet echter steeds volgens zijn hoger belang worden berecht. Dat belang is essentieel, wat betekent dat het de eerste overweging moet zijn, vóór elke andere overweging, hoe belangrijk die ook is. In het licht van in het bijzonder artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, kan niet worden aangenomen dat de belangen van het kind het beslissingscriterium van de rechter vormen wanneer hij de wet van 8 april 1965 toepast, maar dat niet meer is wanneer de jeugdrechtbank de zaak uit handen heeft gegeven aan het hof van assisen. De « Beijing rules » vragen overigens de lidstaten om het welzijn van de minderjarige en van zijn gezin te vrijwaren, en leggen de verplichting op dat de reacties ten aanzien van jeugddelinquenten in de juiste verhouding staan tot de omstandigheden die eigen zijn aan de delinquenten en de wanbedrijven. Overigens moet de gevolgde procedure gericht zijn op een optimale bescherming van de belangen van de jonge delinquent, en moet het welzijn van de minderjarige het doorslaggevende criterium zijn van het onderzoek van zijn geval. Volgens het Comité voor de Rechten van het Kind moet het hogere belang van het kind eveneens de eerste overweging zijn bij alle beslissingen die worden genomen in het kader van de rechtsbedeling voor 4 minderjarigen. De verschillen tussen minder- en meerderjarigen verantwoorden het bestaan van een verschillend rechtssysteem voor minderjarigen. De bescherming van het hogere belang van het kind betekent meer bepaald dat de traditionele doelstellingen van de strafrechtspleging plaats moeten ruimen voor doelstellingen van heraanpassing en hersteljustitie bij de behandeling van delinquente kinderen. Die behandeling mag geen afbreuk doen aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind. In 2008 heeft het Comité tegen Foltering van de Verenigde Naties zijn bezorgdheid geuit over het feit dat de Belgische wetgeving toeliet dat personen die jonger zijn dan achttien jaar, zoals volwassenen kunnen worden berecht. Het Comité oordeelde dat de Belgische Staat onvoldoende rekening had gehouden met de globale benadering van delinquentie door minderjarigen, en heeft hem aanbevolen erop toe te zien dat minderjarigen niet zoals volwassenen worden berecht. In 2009 heeft de Commissaris voor Mensenrechten van de Raad van Europa nog benadrukt dat de strafrechtspleging voor de volwassenen diende te worden bestemd, vanuit de vaststelling dat de ervaring had geleerd dat, wanneer men jongeren als misdadigers behandelt, meer bepaald door hun gevangenisstraffen op te leggen, zulks initiatieven tot reclassering in het gedrang bracht. A.2.
- In een tweede onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden bepalingen het recht van de minderjarige op eerbiediging van zijn privéleven en op een eerlijk proces schenden. Het Comité voor de Rechten van het Kind heeft eraan herinnerd dat, teneinde het privéleven van het kind te beschermen, de meeste Staten die partij zijn, de verplichting opleggen dat het proces of het verhoor van het kind dat van een strafbaar feit wordt beschuldigd, achter gesloten deuren wordt gehouden. De terechtzittingen van het hof van assisen spreiden zich echter uit over verschillende dagen of weken, de rechtspleging verloopt in hoofdzaak mondeling en openbaarheid is de regel. Het verschijnen van een kind voor het hof van assisen leidt overigens onvermijdelijk tot een mediatisering van diens zaak en het openbaar maken, voor het grote publiek, van een groot deel van zijn privé- en gezinsleven. Die inmenging in zijn privéleven is niet noodzakelijk in een democratische samenleving. De « Beijing rules » vereisen verder nog dat de procedure verloopt in een klimaat van begrip, dat de jonge delinquent toelaat eraan deel te nemen en zich vrij te uiten. Ook al zijn de naar een hof van assisen verwezen kinderen minstens zestien jaar, toch komen zij door de mondelinge procedure, door de openbaarheid die vaak aan de zaak wordt gegeven, door de samenstelling van de jury - die uit twaalf volwassenen bestaat die het beschuldigde kind niet kent -, door de inrichting van de zittingszaal, door de indrukwekkende aanwezigheid van het publiek en de media, door een eventuele uitval van het publiek tegen het beschuldigde kind en door het risico van openbaarmaking van hun identiteit, in een situatie terecht die veel minder beschermend is dan die van een delinquent kind dat voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank verschijnt en dat niet dezelfde trauma’s zal ondergaan die het proces oneerlijk kunnen maken. Het is overigens onjuist te beweren, zoals de minister van Justitie tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 2006, dat het Europees Hof heeft geoordeeld dat de berechting van minderjarigen op rechtmatige wijze mag worden toevertrouwd aan een strafgerecht, eventueel met een assisenjury. Hoewel het Europees Hof heeft geweigerd om in die omstandigheid een schending te zien van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, heeft het daarentegen geoordeeld dat de verzoekers, wegens hun leeftijd, niet echt aan de tegen hen ingestelde strafprocedure hadden kunnen deelnemen, en dat hun dus een eerlijk proces was ontzegd. Het is even onjuist te stellen dat de verzoekende partijen in werkelijkheid een keuze van de Grondwetgever betwisten. De discussie heeft immers geen betrekking op de vraag of het hof van assisen moet worden afgeschaft, dan wel of de samenstelling of de modus van openbaarheid ervan moet worden gewijzigd, maar wel op de vraag of een kind mag worden berecht door een rechtscollege dat is samengesteld zoals het hof van assisen. Voor het overige heeft het Hof in zijn arrest nr. 49/2008 ontkennend op die vraag geantwoord, zonder zijn bevoegdheden te overschrijden. A.2.
- In een derde onderdeel van hun middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de wetgever heeft nagelaten een speciaal systeem voor kinderen te creëren in geval van verschijning voor het hof van assisen. 5 Zoals meer bepaald het Comité voor de Rechten van het Kind in 1995 en in 2002 heeft onderstreept, vergen het Verdrag inzake de rechten van het kind en de andere regels van de Verenigde Naties terzake de aanneming van een speciaal en volledig rechtssysteem voor minderjarigen. De Staten die partij zijn moeten ernaar streven de totstandkoming te bevorderen van wetten en procedures, alsook van autoriteiten en instellingen, die in het bijzonder bedoeld zijn voor delinquente kinderen. Het feit dat twee van de drie zittende magistraten die een hof van assisen samenstellen dat belast is met het berechten van een kind, een bijzondere opleiding zouden hebben gevolgd, maakt van dat Hof vanzelfsprekend geen « speciaal systeem voor kinderen » in de zin van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Bovendien is de in het geding zijnde opleiding een opleiding van één week die wordt verstrekt door magistraten en hoogleraars en die betrekking heeft op de wet van 1965 in het algemeen en op de mogelijke maatregelen ten aanzien van minderjarigen in het bijzonder. Een opleiding van één week beperkt tot enkele juridische algemeenheden en die de vele bijzondere aspecten van de specifieke benadering van een door een hof van assisen berecht kind niet in aanmerking neemt, zou geen speciaal systeem voor kinderen kunnen vormen, ook al wordt zij verstrekt aan alle betrokkenen van het hof van assisen dat een kind moet berechten - quod non te dezen. In dat verband heeft het Comité voor de Rechten van het Kind overigens de Staten die partij zijn aanbevolen een opleiding op het gebied van kinderrechten te verstrekken aan alle betrokken beroepsgroepen, met inbegrip van de leden van de gerechtelijke beroepsgroep. Die opleiding zou betrekking moeten hebben op de pertinente normen inzake mensenrechten en op niet-gewelddadige tuchtmethoden, zou andere maatregelen dan plaatsing moeten aanmoedigen en zou informatie moeten bieden over de ontwikkeling van het kind, alsook over de situatie, de rechten en behoeften van bijzonder kwetsbare kinderen. Meer nog, volgens de parlementaire voorbereiding is het uitgesloten het hof van assisen wordt samengesteld uit jeugdrechters. Men ziet echter niet welke andere magistraat dan een jeugdrechter of een gewezen jeugdrechter « dezelfde ervaring » zou kunnen hebben - zoals het Grondwettelijk Hof heeft opgemerkt in zijn arrest nr. 49/2008 - als diegenen die zitting hebben in de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen nog dat het Comité voor de Rechten van het Kind zijn kritiek heeft gehandhaafd, ondanks de wijzigingen die aan de in het geding zijnde wetgeving werden aangebracht. Zij benadrukken overigens erin dat de bestreden bepalingen, doordat zij geen gespecialiseerd systeem voor minderjarigen invoeren, artikel 40, lid 3, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden. Zij preciseren ten slotte dat de vergelijking van de categorieën van personen waartussen de gelijkheid is verbroken, niet in elk middel en in elk onderdeel moet worden herhaald. Uit het verzoekschrift tot vernietiging blijkt duidelijk dat het beroep gegrond is op een discriminatie tussen de minderjarigen die naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank worden verwezen en de minderjarigen die naar een hof van assisen worden verwezen, of op een verbreking van de gelijkheid tussen minderjarigen en volwassenen, vermits kinderen zich in een situatie bevinden die fundamenteel verschilt van die van volwassenen. A.3.
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de wetgever een onverantwoord verschil in behandeling zou invoeren tussen de kinderen die zullen worden berecht door de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank omdat zij ervan worden verdacht een wanbedrijf of een correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, en de kinderen die door het hof van assisen zullen worden berecht omdat zij ervan worden verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd. Het Comité voor de Rechten van het Kind heeft benadrukt dat de Staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, alle nodige maatregelen moeten nemen om een gelijke behandeling te waarborgen van alle kinderen die de wet overtreden. De wetgever heeft binnen de jeugdrechtbank een bijzondere kamer opgericht, die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast. De magistraten die zitting hebben in eerste aanleg en in hoger beroep binnen die kamers, worden gekozen uit diegenen die een erkende opleiding of grote ervaring inzake jeugdrecht en strafrecht hebben. De bijzondere kamer van de jeugdrechtbank bestaat uit drie rechters, van wie er twee een specifieke opleiding in jeugdzaken moeten hebben gevolgd. Het derde lid is een rechter van de correctionele rechtbank. 6 De verschijning van een minderjarige voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank is evenwel alleen mogelijk indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of een correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd. Wanneer het een niet-correctionaliseerbare misdaad betreft, verschijnt de minderjarige voor een hof van assisen. De minister van Justitie heeft zelf erkend dat de oprichting van een gespecialiseerde kamer voor minderjarigen binnen het hof van assisen onmogelijk was. Bij zijn arrest nr. 49/2008 heeft het Hof de wettelijke bepaling vernietigd die voorzag in de verwijzing, naar het hof van assisen, van een minderjarige die ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, om reden dat het hof van assisen geen rechtscollege is dat in het bijzonder is samengesteld om intensief de kaart van de maatschappelijke reclassering te trekken en omdat het niet van dien aard is het strafrecht, via de nuances en alternatieven ervan, in staat te stellen zich aan te passen aan de specifieke situatie van elke jongere ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen. Het Hof heeft de wetgever gesuggereerd de samenstelling van het hof van assisen te wijzigen teneinde de minderjarige te waarborgen dat hij wordt berecht door een rechtscollege dat bestaat uit magistraten die worden gekozen onder de magistraten met dezelfde opleiding of dezelfde ervaring als de rechters die zitting hebben in de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank. Het blijkt echter dat de bij het arrest nr. 49/2008 afgekeurde discriminatie blijft voortbestaan ondanks de nieuwe samenstelling van het hof van assisen, zoals zij bij de bestreden bepalingen is vastgelegd. In hun memorie van antwoord onderstrepen de verzoekende partijen verder nog dat het in hun tweede middel bekritiseerde verschil in behandeling expliciet is, namelijk het verschil in behandeling tussen de minderjarigen die worden verwezen naar een bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, enerzijds, en de minderjarigen die naar een hof van assisen worden verwezen, anderzijds. A.3.
- In een eerste onderdeel van hun middel benadrukken de verzoekende partijen dat geen enkele specifieke opleiding wordt geëist van de gezworenen van het hof van assisen. De minister van Justitie had overigens het probleem perfect opgemerkt toen hij erop wees dat, gezien de specifieke samenstelling van het hof van assisen, aan de juryleden geen opleidingsvereiste kon worden opgelegd. Zelfs in de veronderstelling dat de regels inzake de samenstelling van een jury toelaten een efficiënte jury samen te stellen om uitspraak te doen over strafrechtelijke beschuldigingen gericht tegen volwassenen, dient te worden vastgesteld dat een gewone jury niet geschikt is om kinderen te berechten vermits in de overgrote meerderheid van de gevallen geen enkel jurylid een specifieke opleiding zal hebben genoten, noch in rechten, noch op pedagogisch vlak, noch op het vlak van kinderpsychologie, terwijl het lot van het beschuldigde kind zal worden bepaald door de antwoorden op de aan de jury gestelde vragen. De rol van die laatste bestaat immers niet uitsluitend erin bepaalde feiten al dan niet als aangetoond te beschouwen, maar het beschuldigde kind schuldig of onschuldig te verklaren. Die beoordeling impliceert een poging om de beschuldigde en zijn daden te begrijpen, hetgeen bijzonder delicaat is wanneer het kinderen betreft. Geen enkele van de voorwaarden die vereist zijn om op de lijst van de gezworenen te worden ingeschreven, laat overigens toe zulk een gebrek aan opleiding weg te werken. De verzoekende partijen wijzen bovendien erop dat de wetgever de vereiste leeftijd om gezworene te zijn, met twee jaar heeft verlaagd, waardoor steeds minder ervaren personen een kind kunnen berechten. Krachtens het nieuwe artikel 289, § 4, van het Wetboek van strafvordering moeten de gezworenen weliswaar informatie krijgen over het verloop van de procedure en over hun opdracht. Die bepaling zal niettemin pas op een onbepaalde datum in werking treden. Bovendien is er geen enkele aanwijzing dat de informatie in voorkomend geval een specifieke opleiding zal omvatten over het berechten van kinderen. Overigens en bovenal, zal die informatie nog beperkter zijn dan de opleiding waarin voor de magistraten is voorzien, en kan zij de vastgestelde discriminatie niet doen verdwijnen. Ook al spreken de gezworenen zich als enigen enkel over de schuldvraag uit en staat de wetgever het Hof toe hun verdict onder bepaalde voorwaarden te weigeren, dient niettemin te worden opgemerkt dat zulk een geval zich zeer zelden voordoet. Die matiging van de soevereiniteit van de jury kan bijgevolg de verbroken gelijkheid onder kinderen niet herstellen. Hoewel artikel 335 van het Wetboek van strafvordering in bepaalde gevallen evengoed bepaalt dat de stemmen van de magistraten in aanmerking worden genomen voor de schuldverklaring, wordt die bepaling 7 eveneens slechts uitzonderlijk toegepast, namelijk indien het kind bij eenvoudige meerderheid van de stemmen schuldig wordt verklaard. Indien het college dat de straf van het schuldig verklaarde kind bepaalt de magistraten van de zetel omvat, zullen ten slotte slechts twee leden van dat college op vijftien - zijnde een heel kleine minderheid – specifiek zijn opgeleid, in tegenstelling tot het systeem waarvoor werd gekozen binnen de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, waarvan de rechters met een gespecialiseerde opleiding een twee derde meerderheid vormen. A.3.
- In een tweede onderdeel van hun middel onderstrepen de verzoekende partijen dat in geen enkele specifieke opleiding is voorzien voor de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie waarnaar een kind dat wordt verdacht van een niet-correctionaliseerbare misdaad wordt verwezen met het oog op vervolging. Dat is des te meer nadelig omdat het, teneinde de opportuniteit van vervolging van die minderjarige te beoordelen, onontbeerlijk is dat de parketmagistraat is opgeleid als specialist op het gebied van kinderen. Het Comité voor de Rechten van het Kind wijst overigens erop dat het gedurende de hele procedure gewaarborgd moet zijn dat rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met het belang dat het heeft bij reclassering, en dat alle groepen van interveniënten de daartoe vereiste kennis moeten bezitten. Een systematische en voortgezette opleiding van de procureurs wordt essentieel geacht. In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie bij de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank evenmin een specifieke opleiding moet volgen, geen invloed heeft. Een soortgelijke behandeling impliceert immers geenszins dat er geen discriminatie is, wanneer de vergeleken personen zich in een verschillende situatie bevinden. Een kind dat naar het hof van assisen kan worden verwezen, bevindt zich echter in een situatie die fundamenteel verschilt van die van het kind dat door de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank kan worden berecht. Het is dus uitermate belangrijk dat de magistraat van het openbaar ministerie, die ermee belast is de opportuniteit van een verwijzing naar het hof van assisen te beoordelen, een diepgaande en aangepaste opleiding krijgt. A.3.
- In een derde onderdeel van hun middel merken de verzoekende partijen op dat in geen enkele specifieke opleiding is voorzien voor de magistraten van het hof van beroep, belast met het wijzen van een eventueel arrest van verwijzing naar het hof van assisen. In hun memorie van antwoord benadrukken de verzoekende partijen dat de discriminatie duidelijk betrekking heeft op de soortgelijke behandeling van kinderen en volwassenen. A.3.
- In een vierde onderdeel van hun middel voeren de verzoekende partijen nog aan dat in geen enkele specifieke opleiding is voorzien voor de procureur-generaal bij het hof van beroep. Overeenkomstig de artikelen 284 en 341 van het Wetboek van strafvordering, neemt deze echter deel aan de debatten voor het hof van assisen, vordert hij de toepassing van de strafwet en is hij aanwezig bij de uitspraak van het arrest. De wetgever is opzettelijk vergeten dat het Grondwettelijk Hof, in zijn arrest nr. 49/2008, eveneens de toepassing van artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek – betreffende het openbaar ministerie – op de berechting van kinderen voor het hof van assisen, had afgekeurd. Een specifieke opleiding van de procureur-generaal is noodzakelijk, zelfs indien hij zijn bevoegdheden delegeert, omdat die delegatie – en de keuze van een eventuele substituut – een onderzoek van de zaak impliceert dat een grondige kennis van kinderen vereist. Bovendien zou, in geval van delegatie, de substituut eveneens een specifieke opleiding moeten hebben gevolgd, waarin de bestreden bepalingen niet voorzien. A.3.
- In een vijfde onderdeel van hun middel wijzen de verzoekende partijen erop dat in geen enkele specifieke opleiding is voorzien voor de voorzitter van het hof van assisen, terwijl diens bevoegdheden verregaand zijn en specifiek voor de voor het hof van assisen gevoerde procedure. De voorzitter van de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank heeft niet de bevoegdheden van de voorzitter van het hof van assisen, hetgeen het aanvaardbaarder maakt dat hij eventueel een correctionele rechter is en dat hij geen specifieke opleiding heeft genoten inzake het begrijpen en berechten van kinderen. In hun memorie van antwoord onderstrepen de verzoekende partijen dat de beoogde discriminatie tussen de door het hof van assisen berechte kinderen en volwassenen bestaat, die op dezelfde wijze worden behandeld, terwijl zij zich wegens hun leeftijd in een fundamenteel verschillende situatie bevinden. 8 A.3.
- In een zesde onderdeel van hun middel merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen niet in een dubbele aanleg voorzien. Het Comité voor Rechten van het Kind heeft nochtans zijn bezorgdheid geuit omtrent het feit dat in België geen enkel rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing van het hof van assisen, met uitzondering van een cassatievoorziening, die echter strikt beperkt is tot de rechtsvragen. Het feit dat België een interpretatieve verklaring heeft geformuleerd betreffende artikel 40, lid 2, b, v, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, volgens welke die bepaling niet van toepassing was op de minderjarigen die naar het hof van assisen worden verwezen, belet niet het bestaan van een discriminatie, verboden door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen de minderjarigen die naar het hof van assisen worden verwezen, enerzijds, en de kinderen die naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank worden verwezen en die de zaak opnieuw ten gronde kunnen laten onderzoeken door een beroepsinstantie, anderzijds. In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat het stilzwijgen van de wet daarover een discriminatie vormt. A.3.
- In een zevende onderdeel van hun middel onderstrepen de verzoekende partijen dat de gevangenisstraffen opgelopen door kinderen die worden berecht door een hof van assisen, zwaarder zijn dan die welke kunnen worden uitgesproken door de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank. Dat verschil in behandeling komt voor als onevenredig. Bovendien heeft het Comité voor de Rechten van het Kind onderstreept dat het aanwenden van vrijheidsberoving de harmonieuze ontwikkeling van een kind aanzienlijk schaadt en diens reclassering ernstig belemmert. Het mag bijgevolg enkel gaan om een ultieme maatregel van zo kort mogelijke duur. Hoewel kan worden ingezien dat de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank erop zal toezien zo kort mogelijke vrijheidsberovende straffen uit te spreken, is zulks zeker niet de wil van de wetgever betreffende de straffen die door een hof van assisen worden uitgesproken. In elk geval voeren de bestreden bepalingen geen enkele waarborg daaromtrent in. A.3.
- In een achtste onderdeel van hun middel wijzen de verzoekende partijen erop dat, in tegenstelling tot hetgeen gebeurt voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, de zaak niet zonder vertraging wordt gehoord voor het hof van assisen, met de schending van artikel 40, lid 2, b, iii, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het is immers bekend dat het verschijnen voor het hof van assisen een termijn van meerdere maanden of zelfs meerdere jaren na de verwijzingsbeslissing vereist, die zelf pas wordt genomen na het verstrijken van een aanzienlijke termijn na het plegen van de feiten. A.3.
- In een negende onderdeel van hun middel merken de verzoekende partijen op dat de ouders niet deelnemen aan de procedure voor het hof van assisen, in tegenstelling tot de procedure voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank. Zoals het Comité voor de Rechten van het Kind eraan heeft herinnerd, moeten de ouders of wettelijke voogden nochtans bij de procedure worden betrokken omdat zij het kind een algemene, psychologische en affectieve ondersteuning kunnen bieden. Voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank verschijnen de ouders naast hun kind en treden zij zelf of via hun advocaat op in alle stadia van de debatten. Voor het hof van assisen zit het kind alleen op de beklaagdenbank en treden de ouders, in het beste geval, slechts op als getuige en zonder de bijstand van een advocaat. Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad onderstreept vooraf dat de wetgever de jeugdrechtbank de mogelijkheid biedt om in uitzonderlijke gevallen de zaak uit handen te geven en ze naar het openbaar ministerie te verwijzen met het oog op vervolging, indien de minderjarige die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op de datum van de feiten minstens zestien jaar was en de rechtbank een maatregel van, behoeding, bewaring en opvoeding niet geschikt acht. 9 In zijn arrest nr. 49/2008 heeft het Hof niet het beginsel van uithandengeving op zich ter discussie gesteld, maar heeft het geoordeeld dat de wetgever een verschil in behandeling onder de uit handen gegeven minderjarigen invoerde naargelang zij ervan worden verdacht een wanbedrijf of een correctionaliseerbare misdaad dan wel een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd. Enkel in dat laatste geval kunnen zij naar het hof van assisen worden verwezen. Onder de gelding van de vroegere wetgeving was echter geen enkele bijzondere maatregel aangenomen voor het berechten van minderjarigen door een hof van assisen, wat het Grondwettelijk Hof heeft afgekeurd. Met de bestreden bepalingen wil men antwoorden op de kritiek die het Hof formuleerde in zijn arrest nr. 49/2008, door, binnen het hof van assisen, de aanwezigheid te vereisen van minstens twee magistraten die de specifieke opleiding georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding, hebben gevolgd. De Ministerraad benadrukt verder nog dat, krachtens artikel 606, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, de strafrechtelijke veroordelingen uitgesproken door de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank of door het hof van assisen niet in de gevangenis ten uitvoer worden gelegd, maar in de strafvleugel van een gesloten centrum, met verschillende pedagogische maatregelen die men niet binnen een zuivere gevangenislogica terugvindt. A.
- De Ministerraad betwist vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep. Vermits met de bestreden bepalingen op toereikende wijze is geantwoord op de grondwettigheidskritiek geformuleerd in het arrest nr. 49/2008, zouden de verzoekende partijen immers niet ongunstig kunnen worden geraakt door die bepalingen, die bovendien in een gunstigere regeling voorzien ten opzichte van de vroegere situatie. De bestreden maatregelen zijn bijgevolg van dien aard dat zij de belangen van de verzoekende partijen beschermen, in plaats van ze te schaden. Ten slotte streven de verzoekende partijen een voordeel na dat een vernietigingsarrest hun niet zou kunnen opleveren. Zij zijn immers van mening dat een minderjarige nooit door een assisenjury mag worden berecht. Het Hof heeft echter het mechanisme van uithandengeving als dusdanig niet vernietigd. A.6.
- Wat het eerste middel betreft, wijst de Ministerraad erop dat de commentaren en opmerkingen van het Comité voor de Rechten van het Kind geen kracht van wet hebben en dat de beoordeling door de Belgische Staat en door die internationale instantie kan verschillen. Die internationale instrumenten kunnen hoogstens als richtsnoer dienen voor de Staten bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van het kind, en het Hof kan bijgevolg de inachtneming ervan niet waarborgen. Op dezelfde wijze is het Hof niet bevoegd om de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met normen als de « Beijing rules » of andere regels van de Verenigde Naties, te onderzoeken. Die normen zijn immers niet bindend voor België omdat die « regels » niet zijn opgenomen in een normatieve tekst met bindende kracht. Ten slotte voeren de verzoekende partijen herhaaldelijk de schending aan van internationale verdragen die België binden, zonder te preciseren welke personen moeten worden vergeleken, noch in welk opzicht de bestreden bepalingen een verschil in behandeling ten gevolge zouden hebben, noch de betekenis van de aangevoerde discriminatie te verduidelijken. Het Hof is echter enkel bevoegd om de inachtneming van die internationale bepalingen te toetsen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, of in zoverre eenzelfde fundamenteel recht door de Grondwet wordt gewaarborgd. Die argumenten zijn bijgevolg onontvankelijk. A.6.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, merkt de Ministerraad op dat de verzoekende partijen hun kritiek baseren op hypothesen die niet zijn aangetoond, omdat zij niet bewijzen in welke opzicht het arrest van een hof van assisen geen rekening zou houden met het belang van de naar dat hof verwezen minderjarigen. Er dient in dat verband te worden onderstreept dat artikel 22bis van de Grondwet bepaalt dat, bij elke beslissing die het kind aangaat, het belang van het kind de eerste overweging is. Die vereiste wordt ook bevestigd in artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Welnu, het hof van assisen dient, zoals elk rechtscollege, de wetten en de Grondwet in acht te nemen. Bovendien komt de redenering van de verzoeksters erop neer dat enkel het belang van het kind in aanmerking wordt genomen. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22bis van de Grondwet blijkt echter dat een evenwicht moet worden bereikt tussen de rechten en de plichten van minderjarigen, alsook tussen het belang van de minderjarigen en de andere in de maatschappij aanwezige belangen. Met een uithandengeving door de jeugdrechtbank aan een hof van assisen, in zeer uitzonderlijke gevallen, wordt precies een billijk 10 evenwicht bereikt tussen de verschillende belangen aanwezig in de maatschappij, zonder uit het oog te verliezen dat het belang van het kind op de eerste plaats komt. Bovendien heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State niet geoordeeld dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. Beweren dat het hoofddoel van het hof van assisen het bestraffen van misdaden is, is overigens niet juist; zijn hoofddoel bestaat erin de gerechtelijke waarheid aan het licht te brengen. De weinig genuanceerde beweringen over de vooroordelen van de gezworenen tegenover minderjarigen, die zij zich overigens zouden vormen ondanks de eed die zij afleggen, zijn even onjuist. De Ministerraad verwijst naar een aantal assisenarresten waarin, teneinde de strafmaat te bepalen, precies rekening wordt gehouden met de jonge leeftijd van de beschuldigde en met zijn perspectief om opnieuw een plaats te verwerven in de maatschappij. Ten slotte verwijzen de verzoekende partijen naar opmerkingen van het Comité tegen Foltering van 2008, die dus geen betrekking hebben op het huidige systeem. In elk geval sluit dat Comité niet op absolute wijze uit dat straffen kunnen worden uitgesproken ten aanzien van minderjarigen. A.6.
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, wijst de Ministerraad erop dat de openbaarheid van de debatten wordt gewaarborgd bij artikel 6.1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en bij artikel 148 van de Grondwet. Het feit dat de procedure voor het hof van assisen in de regel openbaar is, vormt bijgevolg op zich geen aantasting van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Overigens is dat onderdeel, in zoverre het een regel vervat in artikel 148 van de Grondwet betwist, onontvankelijk. Ten overvloede staan zowel artikel 22 van de Grondwet als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens uitzonderingen toe op het recht op eerbiediging van het privéleven. Zo heeft het Hof voor de Rechten van de Mens reeds geoordeeld dat het instellen van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek gepaard gaat met beperkingen van het privéleven die echter steeds gerechtvaardigd worden door de noodzaak om strafbare feiten te voorkomen en de daders ervan op te sporen. Het is juist dat, voor het hof van assisen, het dossier van het strafonderzoek het voorwerp uitmaakt van een mondelinge uiteenzetting, met diverse verhoren. Het hof van assisen kan echter steeds beslissen de deuren geheel of gedeeltelijk te sluiten, naar gelang van de behoeften en de aanwezige belangen. Oordelen dat, wegens de minderjarigheid van de beschuldigde, de regel van openbaarheid absoluut zou moeten worden gebannen, zou erop neerkomen dat de keuze van de Grondwetgever, die niet in een specifieke uitzondering heeft voorzien voor het hof van assisen dat minderjarigen zou berechten, ter discussie wordt gesteld. Bovendien is openbaarheid eveneens de regel bij terechtzittingen voor de jeugdrechtbank, met inbegrip van de bijzondere kamer ervan. Ook al biedt artikel 57 van de wet van 8 april 1965 de jeugdrechtbank de mogelijkheid zich in raadkamer terug te trekken om elementen betreffende de persoonlijkheid van de minderjarige te onderzoeken, en ook al is het de gewoonte dat de jeugdrechtbank haar terechtzittingen achter gesloten deuren houdt om het privéleven van de minderjarigen te beschermen, toch leveren de verzoekende partijen niet het bewijs dat dit niet het geval zal zijn voor het hof van assisen. De wet dient immers in overeenstemming met de fundamentele rechten te worden geïnterpreteerd. Er is bijgevolg geen verschil in behandeling, althans geen significant verschil. Overigens zijn de beschouwingen van de verzoekende partijen in verband met de mediatisering van een assisenproces, het decorum, de jury van volwassenen en het aanwezige publiek niet pertinent ten opzichte van hetgeen het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereist. De uitgangspunten ervan kunnen eveneens worden betwist. De verzoekende partijen tonen evenmin aan in welk opzicht de inrichting van de zittingszaal van het hof van assisen het proces oneerlijk zou maken. Ten slotte nemen de verzoekende partijen genoegen met loutere beweringen wanneer zij eventuele aanvallen, van het publiek, tegen beschuldigde minderjarigen beogen. Tot de waarborgen van een eerlijk proces behoort niettemin het recht om daadwerkelijk aan zijn proces deel te nemen. Wat de strafrechtelijke berechting van minderjarigen betreft, heeft het Europees Hof geëist dat zij worden behandeld op een manier die rekening houdt met hun leeftijd, hun maturiteit en hun capaciteiten op emotioneel en intellectueel vlak, en legt het de verplichting op de maatregelen te nemen die hun begrip van en hun deelname aan de procedure kunnen bevorderen. De minderjarige moet in elk geval in staat zijn om hetgeen voor de rechtbank wordt gezegd, in grote lijnen te begrijpen. Rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende elfjarige minderjarigen dient daarentegen niet in de bestreden wetgeving te worden opgenomen. 11 In zijn arrest nr. 49/2008 heeft het Hof niet het beginsel zelf van uithandengeving, door de jeugdrechter, aan het hof van assisen, ter discussie gesteld. Op dezelfde wijze oordeelt het Europees Hof dat men niet kan beweren dat een strafproces van een minderjarige op zich een schending vormt van het beginsel van een eerlijk proces. In dat verband dient te worden opgemerkt dat voortaan elk verdict moet worden gemotiveerd ten opzichte van de akte van beschuldiging, die de beschuldigde ter hand wordt gesteld en waarop deze kan antwoorden. A.6.
- Wat het derde onderdeel van het eerste middel betreft, werpt de Ministerraad twee excepties van onontvankelijkheid op. In de eerste plaats baseren de verzoekende partijen zich niet op de schending van een rechtsnorm, maar op de niet-naleving van opmerkingen en aanbevelingen van het Comité voor de Rechten van het Kind. De inachtneming van die teksten valt echter niet onder de bevoegdheid van het Hof. In de tweede plaats hebben de verzoekende partijen niet de te vergelijken categorieën van personen gepreciseerd. Wat de grond van de zaak betreft, wijst de Ministerraad in de eerste plaats erop dat de opmerkingen van het Comité voor de Rechten van het Kind waarnaar wordt verwezen in het verzoekschrift tot vernietiging, van 2002 dateren en dus betrekking hebben op normen die zijn opgeheven. Bovendien bevat artikel 40, lid 3, van het Verdrag geen verplichting, maar wel een aanbeveling voor de Staten, die ernaar moeten streven de totstandkoming te bevorderen van systemen die bedoeld zijn voor kinderen die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd. In het onwaarschijnlijke geval dat artikel 40 van het Verdrag in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het de Staten verplicht een speciaal rechtssysteem voor kinderen in te voeren, zou dat systeem moeten worden begrepen als een globaal systeem, en niet als een systeem dat specifiek is voor elke rechtsinstantie die minderjarigen moet behandelen. De wet van 8 april 1965 en de aanverwante bepalingen ervan voeren echter zulk een globaal systeem voor minderjarigen in. Het is overigens belangrijk erop te wijzen dat de categorie van de niet-correctionaliseerbare misdaden is verkleind ingevolge de hervorming van het hof van assisen, en dat correctionalisering verplicht is bij betrokkenheid van een minderjarige. Ook al leek de uithandengeving zich misschien gedeeltelijk te situeren buiten het specifieke systeem voor minderjarigen, toch wordt, met de verplichting om zowel de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank als het hof van assisen samen te stellen met minstens twee magistraten die een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, aangetoond dat die rechtscolleges voortaan in het globale gespecialiseerde systeem voor minderjarigen zijn opgenomen. Het feit dat levenslange opsluiting of levenslange hechtenis niet kan worden uitgesproken ten aanzien van een persoon die op het tijdstip van het misdrijf minderjarig was, bevestigt eveneens dat die rechtscolleges zijn opgenomen in het gespecialiseerde systeem voor minderjarigen. Er dient nog te worden opgemerkt dat de gespecialiseerde opleiding – die door de verzoekende partijen onaangepast en onvoldoende wordt geacht – dezelfde is, ongeacht of het gaat om magistraten die zitting hebben in de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank dan wel in het hof van assisen. A.7.
- Het tweede middel is volgens de Ministerraad onontvankelijk omdat de verzoekende partijen het niet expliciteren, noch de aangevoerde discriminatie preciseren. In ondergeschikte orde is het middel in elk geval niet gegrond. Er wordt niet betwist dat de minderjarigen die worden verwezen naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank of naar het hof van assisen, zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Niettemin bestaat er geen verschil in behandeling tussen hen. De bestreden bepalingen hebben immers een einde gemaakt aan de discriminatie die is vastgesteld in het arrest nr. 49/2008, door de samenstelling van het hof van assisen te regelen wanneer voor dat hof een minderjarige ouder dan zestien jaar verschijnt. De minderjarigen genieten bijgevolg dezelfde bescherming, ongeacht of zij naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank dan wel naar het hof van assisen worden verwezen. In elk geval is het verschil in behandeling, in de veronderstelling dat het is aangetoond, verantwoord. Het criterium van onderscheid is in de eerste plaats objectief, omdat het afhangt van de ernst van het ten laste gelegde misdrijf. Dat criterium is overigens pertinent. In zeer uitzonderlijke gevallen, wanneer met het specifieke systeem voor minderjarigen niet de verwachte resultaten kunnen worden bereikt, heeft de wetgever gewild dat 12 men niet tot de gemeenrechtelijke rechtscolleges kan wenden, maar met specifieke waarborgen. Ten slotte is de genomen maatregel evenredig met het nagestreefde doel. Het beginsel van uithandengeving strekt ertoe een adequaat evenwicht te bereiken tussen de belangen van het slachtoffer, van de vervolgde minderjarige en diens familie, en die van de maatschappij. Gelet op de strikte voorwaarden voor een uithandengeving, in het bijzonder aan het hof van assisen, worden minderjarigen uiterst zelden naar dat hof verwezen. Overigens heeft het Hof in zijn arrest nr. 49/2008 enkel geoordeeld dat de verwijzing van een minderjarige naar het hof van assisen dat niet op bijzondere wijze is samengesteld, een discriminatie vormde, en heeft het niet verklaard dat het hof van assisen geen rechtscollege zou zijn dat in het bijzonder is samengesteld om intensief in te zetten op maatschappelijke reïntegratie, noch dat het niet van dien aard was het strafrecht toe te laten zich aan de bijzondere situatie van elke jongere aan te passen. A.7.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, herinnert de Ministerraad eraan dat de jury wordt ingesteld bij artikel 150 van de Grondwet. De kritiek van de verzoekende partijen is dus niet tegen de bestreden bepalingen gericht, maar tegen dat artikel of tegen andere wetsbepalingen dan die waartegen het vernietigingsberoep is gericht. Overigens wordt de rol van de assisenjury ruim ondersteund sinds de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen. De verzoekende partijen doen vergeefs gelden dat het nieuwe artikel 289, § 4, van het Wetboek van strafvordering, dat de aangelegenheid regelt, nog niet in werking is getreden. De praktijk van de hoven van assisen is immers vooruitgelopen op hetgeen de wet voortaan bepaalt. Zo krijgen de gezworenen, vóór de terechtzitting ten gronde, een informatiesessie over het verloop van de procedure en over hun opdracht. De rol van de beroepsrechters is eveneens sterk uitgebreid. In eerste instantie beraadslaagt de jury als enige over de schuldvraag, en heeft hij daarbij toegang tot alle processtukken, met inbegrip van de maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken voorafgaand aan de procedure tot uithandengeving en de beslissing van de jeugdrechter tot uithandengeving, beslissing die betrekking heeft op de persoonlijkheid van de betrokken jongere, zijn omgeving en zijn maturiteitsgraad. Bovendien, indien de beslissing betreffende de schuldvraag slechts bij eenvoudige meerderheid is genomen, beraadslaagt het hof en spreekt het zich uit over de schuldvraag. In tweede instantie beraadslaagt de jury met het Hof over de motivering van de beslissing. De beroepsrechters sturen de redactie van de motivering van de beslissing. Indien het Hof naar aanleiding van die redactie unaniem overtuigd is dat de gezworenen zich kennelijk hebben vergist betreffende de voornaamste redenen, inzonderheid wat betreft het bewijs, de inhoud van juridische begrippen of de toepassing van rechtsregels, die hebben geleid tot de beslissing over de schuldvraag, verwijst het de zaak naar een andere zitting, wat toelaat om hetgeen de beroepsmagistraten voorkomt als een kennelijke vergissing in een door de jury uitgesproken verdict over de schuldvraag, opnieuw te laten onderzoeken. Ten slotte is de Ministerraad het niet eens met de - principieel negatieve en kritische – hypothesen van de verzoekende partijen over het feit dat de juryleden steeds minder ervaren zijn wegens de verlaging van de leeftijd om eraan deel te nemen. Bovendien kan dat argument zeker worden omgekeerd, vermits een jonge gezworene mogelijk meer begrip kan opbrengen tegenover een jonge beschuldigde. A.7.
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, wijst de Ministerraad erop dat de discriminatie die erin wordt aangevoerd, in feite niet bestaat. Immers, net zoals het openbaar ministerie dat beslist om een minderjarige voor het hof van assisen te vervolgen, is het openbaar ministerie bij de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank evenmin verplicht een specifieke opleiding te volgen. In werkelijkheid hebben een groot aantal substituten en leden van het parket-generaal niettemin zulk een opleiding gevolgd. In zoverre de verzoekende partijen oordelen dat een dergelijke opleiding wenselijk zou zijn, bekritiseren zij overigens de opportuniteit, en niet de grondwettigheid van de bestreden bepalingen. De bevoegdheid om uitspraak te doen over de opportuniteit van een vervolging is ten slotte vervat in artikel 28quater van het Wetboek van strafvordering, namelijk in een bepaling waartegen onderhavig beroep niet is gericht. A.7.
- Wat het derde onderdeel van het middel betreft, meent de Ministerraad te begrijpen dat de verzoekende partijen de magistraten van de kamer van inbeschuldigingstelling beogen, die zich uitspreken over 13 de verwijzing naar het hof van assisen of naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, na uithandengeving door de jeugdrechter. De kritiek is gericht tegen een bepaling die niets te maken heeft met de bestreden bepalingen. De regels betreffende de samenstelling van de kamer van inbeschuldigingstelling zijn immers opgenomen in artikel 101, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en haar opdrachten worden gepreciseerd in artikel 218 van het Wetboek van strafvordering. In ondergeschikte orde is de grondwettigheidskritiek niet gegrond. De kamer van inbeschuldigingstelling wordt immers enkel ermee belast te bepalen of het ten laste gelegde misdrijf een correctionaliseerbare misdaad is, zonder zich uit te spreken over de grond van de zaak, of over de persoonlijkheid van de vervolgde. Het is dus niet vereist dat de rechters uit wie ze is samengesteld, een specifieke opleiding hebben. In elk geval beschikt de kamer van inbeschuldigingstelling over de maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken die voorafgaan aan de procedure tot uithandengeving, en over de met redenen omklede beslissing van de jeugdrechter waarin de uithandengeving wordt gelast. Ten slotte kan een beslissing tot verwijzing van een minderjarige naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank worden uitgesproken door de raadkamer, waarvan de leden evenmin verplicht zijn een bijzondere opleiding te volgen. A.7.
- Wat het vierde onderdeel van het middel betreft, herinnert de Ministerraad eraan dat, krachtens artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek, de procureur-generaal zijn bevoegdheid bij het hof van assisen kan opdragen aan een lid van het parket-generaal of van het parket van de procureur des Konings. De Ministerraad verwijst in dat verband naar zijn uiteenzetting over het tweede onderdeel van het tweede middel. Voor het overige vergissen de verzoeksters zich wanneer zij beweren dat het Hof de toepassing van artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek op de berechting van kinderen voor het hof van assisen heeft afgekeurd. Bij het arrest nr. 49/2008 is immers enkel de ongrondwettigheid van de samenstelling van de zetel van het hof van assisen vastgesteld. Bovendien is de kritiek tegen een andere dan de bestreden bepalingen gericht, namelijk artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek. A.7.
- Wat het vijfde onderdeel van het middel betreft, wijst de Ministerraad erop dat het Hof niet heeft geëist dat alle beroepsmagistraten van het hof van assisen een specifieke opleiding in jeugdzaken hebben gevolgd. Om van discriminatie te kunnen spreken, moet er overigens een ontoelaatbaar verschil in behandeling zijn. Het derde lid van de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank moet echter evenmin een opleiding in jeugdzaken hebben gevolgd. Er is dus geen verschil in behandeling. Meer nog, de verzoekende partijen lijken te dulden dat de voorzitter van de bijzondere kamer mogelijk niet zulk een opleiding heeft, waardoor hun argumentatie een tegenstrijdigheid bevat. Ofwel dient immers iedere persoon die een minderjarige berecht, een opleiding op dat gebied te hebben gevolgd, ofwel volstaat het dat sommige magistraten die een minderjarige moeten berechten, zulk een opleiding hebben gevolgd. De verzoekende partijen kunnen niet worden gevolgd wanneer zij beweren dat de magistraat die geen specifieke opleiding heeft, noodzakelijkerwijs de voorzitter van het hof van assisen zal zijn. Dat volgt uit geen enkele tekst, en in elk geval niet uit de bestreden bepalingen. Ten slotte, zelfs indien de bevoegdheden van de voorzitter van het hof van assisen worden uitgeoefend door een magistraat die niet de gespecialiseerde opleiding van zijn twee collega’s heeft genoten, zal hij zijn bevoegdheden niet alleen uitoefenen. Bovendien moeten deze worden gerelativeerd en worden zij aan de tegenspraak van de partijen onderworpen. A.7.
- Het zesde onderdeel van het middel wordt door de Ministerraad onontvankelijk geacht. De bestreden bepalingen bevatten immers geen enkele regel betreffende de rechtsmiddelen die openstaan tegen een arrest van het hof van assisen waarbij een minderjarige is berecht. In ondergeschikte orde is het onderdeel van het middel niet gegrond. Artikel 40, lid 2, b, v, van het internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind heeft immers het voorwerp uitgemaakt van een voorbehoud door de Belgische Staat, teneinde problemen van bestaanbaarheid tussen het Belgische recht en het Verdrag inzake de rechten van het kind te vermijden. Overigens waarborgen noch de Grondwet, noch het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zoals het in België van toepassing is, het recht op een dubbele aanleg in strafzaken. 14 Ten slotte moet de aangevoerde discriminatie niet worden beoordeeld ten opzichte van de situatie van de andere minderjarigen, die voor correctionaliseerbare misdaden voor een ander rechtscollege worden berecht, maar wel ten opzichte van de meerderjarigen die voor een hof van assisen moeten verschijnen. De discriminatie is dus onbestaande. A.7.
- Het zevende onderdeel van het middel is eveneens onontvankelijk. De bestreden bepalingen betreffen immers niet de sancties die de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank of het hof van assisen waarnaar de minderjarige wordt verwezen, kan uitspreken. In ondergeschikte orde leveren de verzoekende partijen geen enkel bewijs van het aangevoerde verschil in behandeling en de onevenredigheid ervan. Zij vermoeden alleen maar dat de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank zo kort mogelijke vrijheidsberovende straffen uitspreekt, en dat de wil van de wetgever anders is voor de straffen die door een hof van assisen worden uitgesproken. Die vermoedens - die op geen enkele wettekst berusten – gaan uit van de – met de Grondwet strijdige – hypothese dat het hof van assisen bij zijn uitspraak geen rekening zou houden met het hoger belang van het kind. Bovendien heeft de wetgever, ook al kan het hof van assisen criminele straffen uitspreken tegen een minderjarige – met uitzondering van een levenslange opsluiting of levenslange hechtenis – terwijl de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank enkel specifieke straffen kan uitspreken, niettemin de maxima verhoogd van de specifieke gevangenisstraffen, die kunnen oplopen tot twintig jaar opsluiting. Ten slotte zal de straf, ongeacht het rechtscollege dat ze uitspreekt, doorgaans niet in een strafinrichting worden uitgevoerd, maar in de strafvleugel van een gesloten centrum. A.7.
- Wat het achtste onderdeel van het middel betreft, merkt de Ministerraad op dat de erin vervatte kritiek helemaal niets met de bestreden bepalingen te maken heeft. Dat onderdeel is bijgevolg onontvankelijk. Ten overvloede tonen de verzoekende partijen niet het bestaan van een verschil in behandeling aan. De wet van 8 april 1965 voorziet immers in een strikte procedure van uithandengeving van een zaak door de jeugdrechtbank, voorzien van termijnen. Vervolgens wordt niet aangetoond dat de termijnen om een zaak te horen, langer zouden zijn voor een hof van assisen dan voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank. De recente praktijk bewijst overigens het tegendeel. Overigens kan, in het geval van een minderjarige, de termijn voor berechting eveneens worden verklaard door de verschillende maatregelen die in zijn belang kunnen worden genomen op het gebied van bescherming, en door de maatschappelijke en psychologische onderzoeken die moeten worden gevoerd. De verwijzing naar de ongerustheid van het Comité voor de Rechten van het Kind, waarvan de opmerkingen niet bindend zijn, is niet voldoende om een middel te gronden. Bovendien wordt de bewering dat kinderen, alvorens te worden berecht, gedurende maanden en zelfs jaren in hechtenis zouden worden gehouden, formeel betwist. A.7.
- Wat het negende onderdeel van het middel betreft, wijst de Ministerraad erop dat de kritiek van de verzoekende partijen geen verband houdt met de bestreden bepalingen. Zij is dus onontvankelijk. In ondergeschikte orde maken de verzoekende partijen gewag van een onbestaande discriminatie. Ook al hebben de ouders, voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, het recht om te worden gehoord en een kopie te ontvangen van de beslissingen betreffende de minderjarige, mogen zij, in tegenstelling tot de regeling die geldt voor beschermingsmaatregelen, niet tussenkomen betreffende de sanctie die tegen hem wordt uitgesproken. Dat geldt ook voor het hof van assisen. Op strafrechtelijk vlak worden de ouders van de minderjarige gehoord, ook al kan dat zonder eedaflegging. Zij worden ook gehoord op burgerrechtelijk vlak, in hun hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijken. Zij kunnen een kopie verkrijgen van het arrest dat door het hof van assisen is uitgesproken. Niets verhindert dat zij worden bijgestaan door een advocaat. Overigens kan de omstandigheid dat de minderjarige alleen op de beklaagdenbank zou zitten terwijl dat niet het geval zou zijn voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, dat onderdeel van het middel niet gronden. 15 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 31 juli 2009 « tot wijziging van artikel 119 van het Gerechtelijk wetboek en van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » en de vernietiging van artikel 119, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het werd gewijzigd bij artikel 209 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen. B.1.
- De artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 31 juli 2009 bepalen : « Art.
- Artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘ Indien vervolging wordt ingesteld tegen tenminste één persoon ten aanzien van wie, met toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, een beslissing tot uithandengeving is genomen in het kader van een niet-correctionaliseerbare misdaad, moet het Hof van Assisen, om rechtsgeldig samengesteld te zijn, twee magistraten tellen die de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, bedoelde voortgezette opleiding van de magistraten, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de jeugdrechtbank. ’ ». « Art.
- In artikel 57bis, § 1, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, ingevoegd bij de wet van 13 juni 2006 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 49/2008 van het Grondwettelijk Hof, worden de woorden ‘ ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet- correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat ’ vervangen door de woorden ‘ ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een hof van assisen dat samengesteld is overeenkomstig de bepalingen van artikel 119, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, als daartoe grond bestaat ’ ». B.1.
- Zoals het werd vervangen bij artikel 209 van de voormelde wet van 21 december 2009, bepaalt artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek : 16 « §
- Het hof van assisen bestaat uit een voorzitter en twee assessoren. Het hof houdt zitting bijgestaan door een jury. Voor de behandeling en de berechting van burgerlijke rechtsvorderingen houdt het zitting zonder jury. §
- Indien vervolging wordt ingesteld tegen ten minste één persoon ten aanzien van wie, met toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, een beslissing tot uithandengeving is genomen in het kader van een niet-correctionaliseerbare misdaad, moet het hof van assisen, om rechtsgeldig samengesteld te zijn, bestaan uit minstens twee magistraten die de voortgezette opleiding hebben gevolgd als bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, of artikel 259sexies, § 1, 2°, tweede lid ». B.1.
- Artikel 209 van de wet van 21 december 2009 heeft dus impliciet, vanaf de inwerkingtreding ervan - zijnde 21 januari 2010 -, artikel 2 van de wet van 31 juli 2009 opgeheven. B.1.
- Met de wijzigingen die hij heeft aangebracht in artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek en in artikel 57bis van de wet van 8 april 1965, wil de wetgever gevolg geven aan het arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008, waarbij het Hof artikel 57bis, § 1, van de wet van 8 april 1965, zoals het was ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 13 juni 2006 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd », gedeeltelijk had vernietigd (zie, in dat verband, Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1149/001, p. 5). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.2.
- De verzoekende partijen beschikken over het belang om tegen de bestreden bepalingen beroep in te stellen. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, zijn die bepalingen immers niet noodzakelijk voordeliger, wat betreft de collectieve belangen die de verzoekende partijen verdedigen, dan de vroegere wetgeving, zoals die eruit zag na de gedeeltelijke vernietiging uitgesproken bij het voormelde arrest nr. 49/
- Bovendien zou het opnieuw in werking stellen van de vroegere bepalingen, dat het gevolg zou zijn van de vernietiging van de bestreden bepalingen, de verzoekende partijen niet hun belang ontnemen bij de vernietiging van die bepalingen. In geval van vernietiging zou 17 immers voor de verzoekende partijen opnieuw een kans bestaan dat de wetgever een nieuwe bepaling aanneemt die voor hen gunstig zou zijn. Die vaststelling wordt geenszins tenietgedaan door het feit dat de nieuwe wetgeving ertoe strekt gevolg te geven aan een door het Hof uitgesproken vernietigingsarrest. B.2.
- De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.3.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 22bis van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 ervan, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 3 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind en met een « algemeen rechtsbeginsel dat de absolute inachtneming van het hoger belang van het kind vastlegt ». B.3.
- Het tweede middel is, in ondergeschikte orde, afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de wetgever, enerzijds, een onverantwoord verschil in behandeling zou handhaven onder de uit handen gegeven minderjarigen naargelang zij worden verwezen naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank of naar het hof van assisen en, anderzijds, een discriminerende gelijkwaardige behandeling van de personen die naar een hof van assisen worden verwezen, zonder dat rekening wordt gehouden met hun statuut van minderjarige of meerderjarige. B.4.
- Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. 18 Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.4.
- Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ». B.4.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.4.
- Artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Wanneer het jeugdige personen betreft, dient rekening te worden gehouden met hun leeftijd en de wenselijkheid hun reclassering te bevorderen ». Die bepaling stemt in ruime mate overeen met de waarborgen van een eerlijk proces die, krachtens artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van toepassing zijn op een gerechtelijke procedure waarin een minderjarige is betrokken (EHRM, 11 december 2008, Panovits t. Cyprus, § 41). 19 B.4.
- Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : «
- Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
- De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.
- De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht ». B.4.
- Artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : «
- De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving.
- Hiertoe, en met inachtname van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat : a) geen enkel kind wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit op grond van enig handelen of nalaten dat niet volgens het nationale of internationale recht verboden was op het tijdstip van het handelen of nalaten; b) ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft : (i) dat het voor onschuldig wordt gehouden tot zijn of haar schuld volgens de wet is bewezen; (ii) dat het onverwijld en rechtstreeks in kennis wordt gesteld van de tegen hem of haar ingebrachte beschuldigingen, indien van toepassing door tussenkomst van zijn of haar ouders of wettige voogd, en dat het juridische of andere passende bijstand krijgt in de voorbereiding en het voeren van zijn of haar verdediging; 20 (iii) dat de aangelegenheid zonder vertraging wordt beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een eerlijke behandeling overeenkomstig de wet, in aanwezigheid van een rechtskundige of anderszins deskundige raadsman of -vrouw, en, tenzij dit wordt geacht niet in het belang van het kind te zijn, met name gezien zijn of haar leeftijd of omstandigheden, in aanwezigheid van zijn of haar ouders of wettige voogden; (iv) dat het er niet toe wordt gedwongen een getuigenis af te leggen of schuld te bekennen; dat het getuigen à charge kan ondervragen of doen ondervragen en dat het de deelneming en ondervraging van getuigen à décharge op gelijke voorwaarden kan doen geschieden; (v) indien het schuldig wordt geacht aan het begaan van een strafbaar feit, dat dit oordeel en iedere maatregel die dientengevolge wordt opgelegd, opnieuw wordt beoordeeld door een hogere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie overeenkomstig de wet; (vi) dat het kind kosteloze bijstand krijgt van een tolk indien het de gebruikte taal niet verstaat of spreekt; (vii) dat zijn of haar privéleven volledig wordt geëerbiedigd tijdens alle stadia van het proces.
- De Staten die partij zijn, streven ernaar de totstandkoming te bevorderen van wetten, procedures, autoriteiten en instellingen die in het bijzonder bedoeld zijn voor kinderen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, en, in het bijzonder : a) de vaststelling van een minimumleeftijd onder welke kinderen niet in staat worden geacht een strafbaar feit te begaan; b) de invoering, wanneer passend en wenselijk, van maatregelen voor de handelwijze van deze kinderen zonder dat men zijn toevlucht neemt tot gerechtelijke stappen, mits de rechten van de mens en de wettelijke garanties volledig worden geëerbiedigd.
- Een verscheidenheid van regelingen, zoals rechterlijke bevelen voor zorg, begeleiding en toezicht; adviezen; jeugdreclassering; pleegzorg; programma's voor onderwijs en beroepsopleiding en andere alternatieven voor institutionele zorg dient beschikbaar te zijn om te verzekeren dat de handelwijze ten aanzien van kinderen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun omstandigheden als tot het strafbare feit ». B.
- De verzoekende partijen verwijten de wetgever in hoofdzaak dat hij geen rekening heeft gehouden met het hoger belang van het kind (eerste onderdeel van het eerste middel), dat hij het recht op eerbiediging van het privéleven van de minderjarige, alsook diens recht op een eerlijk proces schendt (tweede onderdeel van het eerste middel), en dat hij heeft nagelaten een gespecialiseerd rechtssysteem voor delinquente minderjarigen in te voeren, bestaande uit 21 magistraten die een voldoende en aangepaste opleiding hebben gevolgd (derde onderdeel van het eerste middel, en eerste tot vijfde onderdeel van het tweede middel). Zij bekritiseren de bestreden bepalingen eveneens in die zin dat zij de naar het hof van assisen verwezen minderjarige het recht op een dubbele aanleg ontzeggen (zesde onderdeel van het tweede middel), hem zware straffen laten opleggen (zevende onderdeel van het tweede middel), zich ertegen verzetten dat zijn zaak zonder vertraging wordt behandeld (achtste onderdeel van het tweede middel) en zijn ouders verhinderen aan de procedure voor het hof van assisen deel te nemen (negende onderdeel van het tweede middel). B.6.
- De Ministerraad wijst in de eerste plaats erop dat in een aantal onderdelen een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt aangevoerd zonder dat de verzoekende partijen preciseren welke categorieën van personen moeten worden vergeleken, of in welk opzicht de bestreden bepalingen een verschil in behandeling met zich zouden meebrengen. B.6.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de bestreden bepaling een verschil in behandeling teweegbrengt dat discriminerend zou zijn. Wanneer echter een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met een ander grondrecht, wordt aangevoerd, volstaat het te preciseren in welk opzicht dat grondrecht is geschonden. De categorie van personen van wie dat grondrecht zou zijn geschonden, moet immers worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd. 22 B.6.
- Het Hof zal de middelen onderzoeken voor zover zij aan de voormelde vereisten voldoen. B.7.
- De Ministerraad betwist nog de ontvankelijkheid van de meeste onderdelen van het tweede middel doordat de verzoekende partijen daarin andere wettelijke bepalingen zouden bekritiseren dan die welke het voorwerp vormen van onderhavig beroep. Dat zou gelden voor de kritiek betreffende de ontoereikende opleiding van de juryleden (eerste onderdeel), van het openbaar ministerie dat belast is met de uitspraak over de opportuniteit van een vervolging (tweede onderdeel), van de kamer van inbeschuldigingstelling (derde onderdeel) en van de procureur-generaal (vierde onderdeel), en voor de grieven betreffende het ontbreken van een dubbele aanleg (zesde onderdeel), de zwaarte van de sancties die door het hof van assisen kunnen worden uitgesproken (zevende onderdeel), de inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn (achtste onderdeel) en de plaats die aan de ouders van de minderjarige wordt toegekend in de procedure voor het hof van assisen (negende onderdeel). B.7.
- De verzoekende partijen stellen onder meer het beginsel zelf van uithandengeving door de jeugdrechtbank aan, in voorkomend geval, het hof van assisen, ter discussie. Die grief heeft echter niets te maken met de wijziging die door de bestreden bepalingen is aangebracht in artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 en artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij heeft in werkelijkheid enkel betrekking op de regel vervat in artikel 21 van de wet van 13 juni 2006 dat, wat dat aspect betreft, door het Hof niet ongeldig is verklaard in zijn arrest nr. 49/
- Zo maakt artikel 3 van de wet van 31 juli 2009 geen enkele allusie op de regel van uithandengeving die bij artikel 21 van de wet van 13 juni 2006 is ingevoerd. Overigens beperkt artikel 209 van de wet van 21 december 2009 – en voordien artikel 2 van de wet van 31 juli 2009 – zich tot een verwijzing naar de procedure van uithandengeving door de jeugdrechtbank, die is vastgesteld bij artikel 21 van de wet van 13 juni
- Die louter technische verwijzing is niet de uiting van de wil van de wetgever om over die kwestie opnieuw te legifereren of, wat dat aspect betreft, de betekenis te veranderen van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965, zoals het werd ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 13 juni
- 23 B.7.
- Daaruit volgt dat beide middelen, in zoverre zij betrekking hebben op het beginsel zelf van uithandengeving en van een eventuele verwijzing van een minderjarige naar het hof van assisen, alsook op de gevolgen van zulk een verwijzing, onontvankelijk zijn. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot, enerzijds, het derde onderdeel van het eerste middel en, anderzijds, het vijfde onderdeel van het tweede middel. B.8.
- De middelen zijn afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 22bis van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 3 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind en met het algemeen rechtsbeginsel van de absolute inachtneming van het hoger belang van het kind. B.8.
- In het derde onderdeel van het eerste middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de wetgever heeft nagelaten een speciaal systeem voor kinderen te creëren in geval van verschijning voor het hof van assisen. De verzoekende partijen menen dat de vereiste, dat voortaan twee van de drie zittende magistraten waaruit een hof van assisen is samengesteld dat belast is met het berechten van een minderjarige, een bijzondere opleiding in jeugdzaken moeten hebben gevolgd, van dat hof geen rechtscollege maakt dat voldoet aan de vereisten gesteld door de voormelde grondwetsbepalingen en bepalingen van internationaal recht. In het vijfde onderdeel van het tweede middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen dat zij de voorzitter van het hof van assisen dat een minderjarige moet berechten, niet verplichten om de gespecialiseerde opleiding in jeugdzaken te hebben gevolgd. B.
- Op grond van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 kan slechts tot de uithandengeving van een minderjarige worden beslist indien de minderjarige die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht. De uithandengeving zal enkel kunnen indien de jeugdrechtbank aan de minderjarige in het verleden al één of meerdere maatregelen heeft opgelegd of wanneer de minderjarige wordt vervolgd wegens de zwaarwichtige misdrijven opgesomd in 24 artikel 57bis, § 2, van de wet van 8 april 1965 en nadat in beginsel een maatschappelijk en medisch-psychologisch onderzoek werd verricht waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijkheid, de maturiteitsgraad en de omgeving van de minderjarige. De beslissing om een minderjarige voor het hof van assisen te brengen kan derhalve slechts worden genomen door een rechtscollege gespecialiseerd in jeugdzaken, bij een met redenen omklede beslissing en mits aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan. Tegen deze beslissing kan daarenboven beroep worden aangetekend. B.10.
- Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, als artikel 3, lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van de minderjarige in aanmerking te nemen. Die verplichting geldt op dezelfde wijze voor het hof van assisen als voor eender welk ander rechtscollege dat belast is met de beslechting van een geschil waarin een minderjarige is betrokken. B.10.
- Wanneer de wetgever minderjarigen wil laten berechten volgens de gemeenrechtelijke regels, is hij verplicht een procedure in te stellen die rekening houdt met hun bijzondere situatie. Die vereiste volgt niet alleen uit artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, maar maakt eveneens deel uit van het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wegens de specifieke aard van de kwesties die in het kader van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen moeten worden behandeld, moet die rechtsbedeling zich immers onderscheiden van het systeem van strafrechtspleging dat van toepassing is op volwassenen (zie EHRM, 2 maart 2010, Adamkiewicz t. Polen, § 106). B.11.
- De bestreden bepalingen strekken ertoe gevolg te geven aan het arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008 waarin het Hof uitspraak heeft gedaan over een beroep tot vernietiging van de wet van 13 juni
- Onder de gelding van die wet was het hof van assisen dat een minderjarige moest berechten, op dezelfde manier samengesteld als een hof van assisen dat een volwassene moest berechten. Wanneer daarentegen een uit handen gegeven minderjarige werd verwezen naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, werd hij berecht door een kamer met drie rechters, van wie minstens twee werden gekozen uit de magistraten die een erkende opleiding of ervaring inzake jeugdrecht en strafrecht hadden. In zijn arrest nr. 49/2008 heeft het Hof geoordeeld : 25 « B.30.
- De wetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de bijzondere kamer, vanwege haar samenstelling, ‘ intensief de kaart van de maatschappelijke reclassering zal trekken ’ en dat ‘ het strafrecht voldoende nuances en alternatieven mogelijk maakt om te kunnen worden aangepast aan de specifieke situatie van elke uit handen gegeven jongere ’ (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/012, p. 55). B.30.
- Er is daarentegen geen enkele gelijkwaardige maatregel genomen wanneer de jeugdrechtbank een niet-correctionaliseerbare misdaad uit handen heeft gegeven, waardoor de minderjarige voor het Hof van Assisen zal moeten verschijnen. Indien het, zoals in verband met dat laatste is verklaard, ‘ gelet op de specifieke samenstelling van dit Hof […] niet mogelijk [is] om daar een gespecialiseerde kamer bij in te stellen ’, vermocht de wetgever bijzondere maatregelen te nemen inzake de berechting van de minderjarigen. B.30.
- Hoewel, op grond van artikel 150 van de Grondwet, ‘ de jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken ’, vermag de wetgever de samenstelling van het Hof van Assisen te regelen die thans het voorwerp uitmaakt van de artikelen 119 tot 122 van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van de zetel en van artikel 149 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van het openbaar ministerie. De wetgever kon in die artikelen bepalingen invoegen die waarborgen dat de minderjarige zal worden berecht door een rechtscollege met magistraten die worden gekozen onder personen met dezelfde opleiding of dezelfde ervaring als diegenen die zitting hebben in de bijzondere kamer waarin artikel 57bis, § 1, van de wet voorziet. B.30.
- Doordat hij geen dergelijke bepalingen heeft aangenomen, voert de wetgever een verschil in behandeling in onder de minderjarigen die het voorwerp van een uithandengeving hebben uitgemaakt, naargelang zij ervan worden verdacht een wanbedrijf of een correctionaliseerbare misdaad, dan wel een niet-correctionaliseerbare misdaad, te hebben gepleegd. Hoewel dat verschil in behandeling steunt op een objectief criterium in zoverre de strafbare feiten van de tweede categorie ernstiger zijn dan die van de eerste, is dat criterium, ten aanzien van de minderjarigen, niet van dien aard dat het dat verschil in behandeling kan verantwoorden ». B.11.
- Doordat de wetgever voortaan twee van de drie magistraten van het hof van assisen dat een minderjarige moet berechten verplicht eenzelfde opleiding te hebben gevolgd als die welke wordt beoogd in de artikelen 78, tweede lid, of 101, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, heeft hij de discriminatie weggewerkt die door het Hof was vastgesteld in zijn voormelde arrest nr. 49/
- B.12.
- De bestreden bepalingen sluiten niet uit dat de voorzitter van het hof van assisen één van de twee magistraten is die de voortgezette opleiding hebben gevolgd als bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, of in artikel 259sexies, § 1, 2°, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, maar ze bevatten daartoe geen verplichting. 26 B.12.
- Er kan worden aangenomen dat, gelet op het feit dat een meerderheid van zijn leden over een specifieke opleiding in jeugdzaken beschikt, het hof van assisen een gespecialiseerd rechtscollege vormt om zaken te behandelen waarin minderjarigen zijn betrokken. Dankzij die bijzondere samenstelling kan dat hof in de beste omstandigheden de verplichting waarmaken die het krachtens artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, heeft, namelijk in eerste instantie het belang van het kind in overweging nemen. B.12.
- Hoewel de voorzitter van het hof van assisen beschikt over een aantal bevoegdheden die hij persoonlijk uitoefent, zijn die bevoegdheden niet van die aard dat afbreuk zou worden gedaan aan de rechten van de minderjarige, doordat de voorzitter niet de in B.12.1 bedoelde opleiding zou hebben gevolgd. Krachtens artikel 120, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 210 van de voormelde wet van 21 december 2009, zal, behoudens in de door de Koning vastgestelde gevallen van vrijstelling, de voorzitter van het hof van assisen worden verplicht een gespecialiseerde opleiding te volgen, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 (Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2010) gaat die verplichting in op 1 januari
- Rekening houdend met het feit dat het hof van assisen voortaan ook minderjarigen kan berechten, mag redelijkerwijze worden verwacht dat in die opleiding met dat gegeven wordt rekening gehouden. B.
- Het derde onderdeel van het eerste middel en het vijfde onderdeel van het tweede middel zijn niet gegrond. 27 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.154 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div