← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.159

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.159 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101222.10 Arrest- Rolnummer: 159/2010 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2011-02-01 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-06-30 05:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het Hof niet bevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 434.3.2 en 462.1.1 van het Algemeen Reglement voor de bescherming van de arbeid, goedgekeurd bij besluit van de Regent van 11 februari 1946, de artikelen 9 en 13 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en de artikelen 11 tot 19 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Dendermonde. Voorafgaande rechtspleging - Prejudiciële vraag - Klaarblijkelijke niet-bevoegdheid - Getoetste normen - Uitvoeringsbesluiten -

  1. Besluit van de Regent -
  2. Koninklijk besluit. # Sociaal recht - Arbeidsrecht - Welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - Overtredingen - Strafbaarstelling - Wettigheidsbeginsel in strafzaken - Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 31-08-2005 - 11 tot 19 - 38 ELI link Pub nr 2005012415 Koninklijk Besluit - 27-03-1998 - 9 - 36 ELI link Pub nr 1998012228 Koninklijk Besluit - 27-03-1998 - 13 - 36 ELI link Pub nr 1998012228 Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 27-09-1947 - 434.3.2 - 02 Link Justel databank 19470927-02 Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 27-09-1947 - 462.1.1 - 02 Link Justel databank 19470927-02 Tekst van de beslissing Rolnummer 5037 Arrest nr. 159/2010 van 22 december 2010 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 434.3.2 en 462.1.1 van het Algemeen Reglement voor de bescherming van de arbeid, goedgekeurd bij besluit van de Regent van 11 februari 1946, de artikelen 9 en 13 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en de artikelen 11 tot 19 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Dendermonde. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt en de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 september 2010 in zake het openbaar ministerie tegen de nv « Cordeel - Zetel Temse » (vroeger de cvoa « Cordeel Invest »), waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 oktober 2010, heeft de Correctionele Rechtbank te Dendermonde de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden - De artikelen 462.1.1 en 436.3.2 [lees : 434.3.2] van het Algemeen Reglement voor de Bescherming van de Arbeid, op 11 februari 1946 goedgekeurd bij Besluit van de Regent, - De artikelen 9 en 13 van het Koninklijk Besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, - De artikelen 11 tot 19 van het Koninklijk Besluit van 31 augustus 2005 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstelling verankerd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15 van het Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, in zoverre, op strafrechtelijk en procedureel vlak, een verschil in behandeling zou kunnen worden ingevoerd tussen twee rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld, wat tot een verbreking van de gelijkheid zou kunnen leiden, doordat de bewoordingen van voormelde artikelen, strafbaar gesteld bij artikel 81, 1° van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, het de rechtzoekenden niet mogelijk zouden maken om, op het ogenblik dat zij een gedrag aannemen, te weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is ? ». Op 28 oktober 2010 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. De nv « Cordeel - Zetel Temse », met maatschappelijke zetel te 9140 Temse, Eurolaan 7, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij het bouwen van een stelling, in opdracht van de nv « Cordeel », raakte een werknemer van een onderaannemer zwaargewond door een val. Na onderzoek bleek dat één van de voor de stelling gebruikte houten balken een barst vertoonde. Verder bleek dat noch de werknemers van de nv « Cordeel », noch die van de onderaannemers een opleiding voor het opbouwen en gebruiken van stellingen hadden genoten. De nv « Cordeel » wordt vervolgd voor feiten die een inbreuk vormen op het Algemeen Reglement voor de bescherming van de arbeid, op 11 februari 1946 goedgekeurd bij besluit van de Regent, het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte. Die inbreuken worden strafbaar gesteld bij artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. In de eerste plaats vroeg de nv « Cordeel » de niet-toepassing van de voormelde wet van 4 augustus 1996, op grond van artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en de niet-toepassing van de voormelde uitvoeringsbesluiten, op grond van dezelfde verdragsbepaling juncto artikel 159 van de Grondwet. In ondergeschikte orde verzocht de nv « Cordeel » de Rechtbank een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Bij tussenvonnis van 20 september 2010 besliste de Rechtbank in te gaan op dat laatste verzoek. III. In rechte -A- A.
  3. In hun conclusies hebben de rechters-verslaggevers vastgesteld dat de strafbaarstelling, bij een wetskrachtige norm, van de overtreding van bepalingen van een koninklijk besluit, niet tot gevolg heeft dat die bepalingen zelf wetskrachtige normen worden en dat zij derhalve ertoe zouden kunnen worden gebracht het Hof, zitting houdend in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. A.
  4. De nv « Cordeel » voert evenwel aan dat de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten in samenhang met artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk aan het Hof worden voorgelegd. Zonder de strafbaarstelling, bij die bepaling, zou er immers geen strafbare gedraging zijn. De nv « Cordeel » verwijst in dat verband naar het arrest nr. 164/2006, waarin het Grondwettelijk Hof een koppeling maakte tussen een koninklijk besluit en de in dat arrest in het geding zijnde wetsbepalingen. A.
  5. Indien uit de prejudiciële vraag niet ondubbelzinnig zou blijken dat het voormelde 81, 1°, concreet ingevuld aan de hand van de in het geding zijnde uitvoeringsbesluiten, de bepaling is die moet worden getoetst, verzoekt de nv « Cordeel » de prejudiciële vraag te herformuleren, door de aanvang ervan als volgt te wijzigen : « Schendt artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wanneer zij de inbreuken op de volgende artikelen strafbaar stelt […] ». Een dergelijke herformulering zou enkel een precisering van de gestelde vraag bevatten, zonder de inhoud ervan te wijzigen. 4 -B- B.
  6. Met de prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de erin vermelde bepalingen van enkele uitvoeringsbesluiten strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, meer bepaald doordat de bewoordingen van de aan het Hof voorgelegde bepalingen het de rechtzoekenden niet mogelijk zouden maken om, op het ogenblik dat zij een gedrag aannemen, te weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is. B.
  7. Krachtens artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk worden de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van de voormelde wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van 50 tot 1 000 euro of met één van die straffen alleen. B.3.
  8. Wanneer een uitvoeringsbesluit in samenhang met een wettelijke bepaling aan het Hof wordt voorgelegd, dient te worden bepaald aan welk van beide normen het in het geding zijnde grondwettigheidsbezwaar zou moeten worden toegeschreven. B.3.
  9. In het arrest nr. 164/2006 van 8 november 2006, waarnaar de nv « Cordeel » verwijst, stelde het Hof vast dat een koninklijk besluit weliswaar de voorwaarden van « economische zelfstandigheid » bepaalde, maar dat het de in het geding zijnde wetsbepalingen zelf waren die, door uitdrukkelijk te verwijzen naar die voorwaarden, het verschil in behandeling invoerden. B.3.
  10. Te dezen heeft de prejudiciële vraag in wezen betrekking op de bewoordingen van de bepalingen van enkele uitvoeringsbesluiten, die niet voldoende nauwkeurig zouden zijn om aan de vereisten van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel te voldoen. 5 Artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk beperkt zich ertoe de overtreding van andere bepalingen strafbaar te stellen. De ongrondwettigheid die verband houdt met de onvoldoende nauwkeurige formulering van de strafbare gedragingen en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling ten opzichte van andere rechtzoekenden, kunnen derhalve niet aan artikel 81, 1°, worden toegeschreven. Zij zouden enkel kunnen zijn vervat in de bepalingen waarvan dat artikel de overtreding strafbaar stelt. De herformulering van de prejudiciële vraag die de nv « Cordeel » voorstelt en die de draagwijdte van de vraag niet wijzigt, zou tot precies dezelfde vaststelling leiden. B.
  11. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van een uitvoeringsbesluit in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepalen welke feiten strafbaar worden gesteld. B.
  12. Met toepassing van artikel 159 van de Grondwet komt het de rechter toe de bepalingen van een uitvoeringsbesluit die niet in overeenstemming zouden zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde grondwetsartikelen buiten toepassing te laten. B.
  13. De prejudiciële vraag behoort klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof. 6 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het Hof niet bevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 december
  14. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.159 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.