id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 januari 2011 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.006 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.20110113.6 Arrest- Rolnummer: 6/2011 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2011-01-13 Raadplegingen: 317 - laatst gezien 2026-07-02 07:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat de vijfjarige verjaring waarin artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, niet van toepassing is op de periodieke schulden in verband met de gemeenschappelijke lasten van een mede-eigendom van een gebouw, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat de vijfjarige verjaring waarin diezelfde bepaling voorziet, van toepassing is op de periodieke schulden in verband met de gemeenschappelijke lasten van een mede-eigendom van een gebouw, schendt zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Mede-eigendom PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei. Burgerlijk recht - Verbintenissenrecht - Periodiek betaalbare schulden - Schulden met betrekking tot de gemeenschappelijke lasten van een mede-eigendom van een gebouw - Verjaringstermijn. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2277 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 5047 Arrest nr. 6/2011 van 13 januari 2011 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 oktober 2010 in zake Marcel Smal en Marie-Paule Rosoux tegen de vereniging van mede-eigenaars van het winkelcentrum « Shopping Center Batta », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 oktober 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat ‘ al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen ’ moet worden gelijkgesteld met de schulden van termijnen van renten, huren en interesten van geleende sommen, zonder dat daarom de toepassing van die bepaling op een vordering die andere elementen dan interesten of inkomsten omvat, zou zijn uitgesloten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een niet redelijk verantwoord onderscheid invoert onder de schuldenaars van periodieke schulden, meer specifiek die met betrekking tot de bijdrage in de gemeenschappelijke lasten van een mede-eigendom van een gebouw die het voorwerp van periodieke afrekeningen uitmaken ? ». Op 17 november 2010 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - de vereniging van mede-eigenaars van het winkelcentrum « Shopping Center Batta », vertegenwoordigd door haar syndicus, de nv « Groupe ADK », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4020 Luik, rue des Fories 2; - de Ministerraad. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 11 april 1990 heeft de vereniging van mede-eigenaars van het winkelcentrum « Shopping Center Batta », geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter, Marcel Smal en Marie-Paule Rosoux gedagvaard om voor de Vrederechter van het tweede kanton Hoei te verschijnen. De dagvaarding had betrekking op de veroordeling tot het betalen van lasten van mede-eigendom volgens de op 6 februari 1990 vastgestelde situatie, voor een bedrag van 79 725 frank. Het ging om « schoonmaakkosten en kosten voor water, verzekeringen, verwarming, de lift en de huisvuilverdichter ». Na een verzoek tot bepaling van de rechtsdag op grond van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek werd de zaak op de openbare terechtzitting van 31 januari 1997 verwezen naar de rol. Een reeks conclusies en aanvullende conclusies zijn door de respectieve partijen neergelegd, die op 15 april 2008 hebben geleid tot de uitspraak door de Vrederechter van een beslissing waarin hij stelt dat « de vordering tot terugvordering van de gemeenschappelijke lasten die gepaard gaan met het beheer van een gebouw, verjaart door verloop van dertig jaar » en dat « de wetgever, hoewel het periodieke karakter een beoordelingscriterium van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek is, de vijfjarige verjaringstermijn uitsluitend heeft willen toepassen 3 op de schuldvorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen die het karakter van een inkomen hebben, door schuldvorderingen van kapitaal of de periodieke uitkeringen met het karakter van een gedeelte van het kapitaal uit te sluiten ». Voor de verwijzende rechter vorderen de appellanten de hervorming van het vonnis waarbij zij worden veroordeeld, om reden dat de oorspronkelijke vordering met toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek is verjaard. De verwijzende rechter brengt de arresten nrs. 15/2005 van 19 januari 2005 en 13/2007 van 17 januari 2007 van het Hof in herinnering, waarin het zich heeft uitgesproken over de verjaringstermijn van, enerzijds, waterrekeningen en, anderzijds, periodieke schulden met betrekking tot een abonnement voor het verstrekken van mobiele telefonie. Aangezien zij vaststelt dat het erom gaat te weten of lasten van mede-eigendom, die onder meer water- en elektriciteitsrekeningen omvatten, te dezen het bij artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek vereiste periodieke karakter vertonen, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- A.
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.