← België

ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.048

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 april 2017 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.048 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.20170427.4 Arrest- Rolnummer: 48/2017 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2017-04-28 Raadplegingen: 803 - laatst gezien 2026-06-19 13:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de woorden « en specifieke » in artikel 1412quinquies, § 2, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 23 augustus 2015 « tot invoeging van een artikel 1412quinquies in het Gerechtelijk Wetboek, houdende het beslag op eigendommen van een buitenlandse mogendheid of van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie », doch enkel in zoverre het wordt toegepast op het beslag met betrekking tot andere eigendommen dan de eigendommen, met inbegrip van banktegoeden, die worden gebruikt bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de buitenlandse mogendheid of haar consulaire posten, haar speciale zendingen, haar vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties; - verwerpt de beroepen voor het overige. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de wet van 23 augustus 2015 « tot invoeging van een artikel 1412quinquies in het Gerechtelijk Wetboek, houdende het beslag op eigendommen van een buitenlandse mogendheid of van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie », ingesteld door de vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden « NML Capital Ltd » en door de vennootschap naar het recht van het eiland Man « Yukos Universal Limited ». Gerechtelijk recht - Bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging - Goederen die niet in beslag kunnen worden genomen - Eigendommen van een buitenlandse mogendheid die zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk - Onmogelijkheid van beslag - Uitzonderingen - Voorwaarden. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1412quinquies,§2,1° - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de beslissing Rolnummers 6372 en 6373 Arrest nr. 48/2017 van 27 april 2017 In zake : de beroepen tot vernietiging van de wet van 23 augustus 2015 « tot invoeging van een artikel 1412quinquies in het Gerechtelijk Wetboek, houdende het beslag op eigendommen van een buitenlandse mogendheid of van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie », ingesteld door de vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden « NML Capital Ltd » en door de vennootschap naar het recht van het eiland Man « Yukos Universal Limited ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 1 maart 2016 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 2 en 3 maart 2016, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van de wet van 23 augustus 2015 « tot invoeging van een artikel 1412quinquies in het Gerechtelijk Wetboek, houdende het beslag op eigendommen van een buitenlandse mogendheid of van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 september 2015), respectievelijk door de vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden « NML Capital Ltd », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Mourlon Beernaert en Mr. P. Gennari Curlo, advocaten bij de balie te Brussel, en door de vennootschap naar het recht van het eiland Man « Yukos Universal Limited », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Boularbah, Mr. N. Angelet en Mr. F. Judo, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6372 en 6373 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. A. Poppe, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 18 januari 2017 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 februari 2017 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 8 februari 2017 de dag van de terechtzitting bepaald op 8 maart

  1. Op de openbare terechtzitting van 8 maart 2017 : - zijn verschenen : . Mr. F. Mourlon Beernaert en Mr. P. Gennari Curlo, voor de vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden « NML Capital Ltd »; . Mr. N. Angelet en Mr. F. Judo, voor de vennootschap naar het recht van het eiland Man « Yukos Universal Limited »; . Mr. E. Jacubowitz, Mr. A. Poppe en Mr. C. Caillet, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  2. De vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden « NML Capital Ltd », verzoekende partij in de zaak nr. 6372, zet uiteen dat zij onder meer investeert op het gebied van de overheidsschuld en dat zij dus ertoe kan worden gebracht in België maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging te nemen tegen eigendommen die aan buitenlandse mogendheden toebehoren, zoals dat het geval is geweest tegenover Argentinië. Zij doet gelden dat zij door de bestreden wet dus rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt. A.1.
  3. De vennootschap « Yukos Universal Limited », waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is op het eiland Man, zet uiteen dat het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag op 18 juli 2014 Rusland ertoe veroordeeld heeft haar een som van meer dan 1 miljard dollar te betalen. Zij is derhalve van mening dat zij over een toereikend belang beschikt om de wet van 23 augustus 2015 aan te vechten, die haar potentieel belet haar schuldvordering ten uitvoer te leggen op de eigendommen die aan Rusland toebehoren en die in België zijn gelegen. A.1.
  4. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de beroepen niet. Ten gronde A.2.
  5. De verzoekende partij in de zaak nr. 6372 leidt vijf middelen af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en met de verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel Ibis). A.2.
  6. De verzoekende partij in de zaak nr. 6373 leidt vier middelen af uit de schending van de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Wat betreft de vergelijking tussen de schuldeisers van buitenlandse mogendheden en de schuldeisers van andere schuldenaars (eerste middel in de zaak nr. 6372) A.3.1.
  7. De verzoekende partij betoogt dat de bestreden wet de schuldeisers van buitenlandse mogendheden en van de andere bij artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek beoogde entiteiten in een situatie plaatst die verschilt van die van elke andere schuldeiser, omdat zij stoten op het beginsel van de onbeslagbaarheid van de eigendommen van hun schuldenaars en zij dus in de onmogelijkheid zijn om de tenuitvoerlegging van hun schuldvorderingen te verkrijgen, zelfs wanneer zij in het bezit zijn van een in België uitvoerbare rechterlijke beslissing. Daaruit volgt, volgens haar, een eigendomsberoving of op zijn minst een inmenging in het eigendomsrecht en het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de betrokken schuldeisers. 4 A.3.1.
  8. « NML Capital Ltd » is van mening dat hoewel de Belgische Staat ertoe gehouden is de inachtneming van het internationaalrechtelijk beginsel van de uitvoeringsimmuniteit van de Staten te waarborgen, dat beginsel de bij de bestreden wet ingestelde immuniteitsregeling niet verantwoordt in zoverre de aangewende middelen onevenredig zijn ten opzichte van de nagestreefde doelstelling. Zij doet in het bijzonder gelden dat die wet afbreuk doet aan de rechten die zijn gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in zoverre dat artikel het recht op toegang tot de rechter en op een eerlijk proces waarborgt. A.3.2.
  9. De verzoekende partij brengt in het eerste onderdeel van het eerste middel in herinnering dat volgens een vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens elke immuniteit per definitie afbreuk doet aan de rechten die zijn gewaarborgd bij artikel 6 van het Verdrag en dat bijgevolg dient te worden onderzocht of de personen tegen wie de immuniteit wordt aangevoerd over andere redelijke rechtsmiddelen beschikken om hun bij dat artikel gewaarborgde rechten daadwerkelijk te beschermen. Zij haalt ook de rechtspraak van het Hof van Cassatie aan (Cass., 21 december 2009, C.03.0328.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091221.5), waarin wordt bevestigd dat het recht op een eerlijk proces ook van toepassing is op de uitvoeringsimmuniteit. A.3.2.
  10. Zij doet gelden dat het evenredigheidsbeginsel door de bestreden wet volledig wordt geschonden aangezien zij geen enkele beoordelingsmarge toekent aan de beslagrechter, die de evenredigheid van de immuniteit dus niet kan onderzoeken rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, met name, rekening houdend met het feit dat de schuldeiser al dan niet over andere redelijke rechtsmiddelen beschikt om de betaling van zijn schuldvordering te verkrijgen of met de impact die het beslag, inclusief het bewarend beslag, zou kunnen hebben op de goede werking van de diplomatieke missie of de geviseerde consulaire post. A.3.2.
  11. De Ministerraad is van mening dat het eerste onderdeel van het eerste middel onontvankelijk moet worden verklaard in zoverre de verzoekende partij niet uitlegt in welk opzicht de andere vermelde referentiebepalingen dan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens door de bestreden wet zouden zijn geschonden. A.3.2.
  12. Ten gronde doet de Ministerraad in hoofdorde gelden dat het middel op een verkeerd uitgangspunt berust, aangezien geen enkele schending van het internationaal recht, en meer bepaald van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, kan worden afgeleid uit het feit alleen dat een immuniteit een hinderpaal vormt voor de middelen van tenuitvoerlegging tegen een Staat of tegen een internationale organisatie. Hij onderstreept dat hoewel het recht op een eerlijk proces het recht omvat om een rechterlijke beslissing te doen uitvoeren, dat recht niet absoluut is. Hij verwijst dienaangaande naar de beslissing Kalogeropoulou t. Griekenland en Duitsland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 12 december 2002, waaruit hij afleidt dat het Hof het evenredigheidscriterium rechtstreeks onderzoekt ten aanzien van de internationaalrechtelijke regels met betrekking tot de immuniteit van de Staten. Hij verwijst ook naar een arrest van het Hof van Cassatie van 11 december 2014 (A.R. C.13.0537.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141211.4) en naar een arrest van het Internationaal Gerechtshof van 3 februari 2012 (Duitsland tegen Italië, Griekenland tussenkomende partij) waarbij dat rechtscollege heeft geoordeeld dat het internationaal recht de immuniteit van een Staat niet laat afhangen van het bestaan van andere doeltreffende rechtsmiddelen. Hij brengt in dat verband in herinnering dat hoewel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de vraag of de schuldeisers over andere redelijke rechtsmiddelen beschikken om hun rechten te beschermen reeds heeft onderzocht, het Hof ook heeft geoordeeld dat de ontstentenis van een alternatief rechtsmiddel niet ipso facto een schending van het Verdrag met zich meebrengt. Hij verwijst dienaangaande naar de beslissing van onontvankelijkheid van 11 juni 2013 in de zaak Stichting Mothers of Srebrenica t. Nederland. A.3.2.
  13. In ondergeschikte orde gaat de Ministerraad ervan uit dat met de bestreden wet een wettig doel wordt nagestreefd en dat zij daarmee evenredig is. Hij doet gelden dat het criterium van onderscheid objectief is, rekening houdend met de internationale regels inzake immuniteit. Hij herinnert eraan dat het nagestreefde doel de inachtneming van het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal verdrags- en gewoonterecht, en de handhaving van goede betrekkingen tussen Staten is. Ten aanzien van de evenredigheid wijst hij erop dat de bestreden wet alleen maar de beginselen bekrachtigt die afkomstig zijn uit het internationaal gewoonterecht en die zijn opgenomen in bepaalde internationale verdragen, met name in het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 inzake de immuniteit van rechtsmacht van Staten en hun eigendommen, en besluit daaruit, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat zij geen enkele onevenredige beperking veroorzaakt van de rechten die bij artikel 6 van het Verdrag zijn gewaarborgd. 5 A.3.
  14. De verzoekende partij is van mening dat de aanneming van de bestreden wet op zich alleen bevestigt dat er geen enkele gewoonte, in de zin van een als dwingend erkende veralgemeende praktijk, bestaat die de vereiste van een uitdrukkelijke en specifieke verzaking aan de immuniteit die de in het buitenland gelegen eigendommen van de Staten beschermt, verankert. Zij leidt daaruit af dat de bestreden wet een onevenredige inmenging in de rechten van de schuldeisers veroorzaakt. A.4.
  15. Met het tweede onderdeel van het eerste middel doet de verzoekende partij gelden dat de schending van artikel 6 van het Verdrag des te aanzienlijker is daar de bestreden wet in werkelijkheid ertoe leidt elk beslag op eigendommen die toebehoren aan buitenlandse mogendheden voor de schuldeiser onmogelijk te maken aangezien alleen de banktegoeden van buitenlandse mogendheden in voorkomend geval en in theorie, in België het voorwerp zouden kunnen uitmaken van beslag. Zij doet gelden dat het in de praktijk onmogelijk is om te voldoen aan de bij de bestreden bepaling ingestelde uitzonderingen op het beginsel van de onbeslagbaarheid. A.4.
  16. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partij niet aantoont in welk opzicht alleen bankrekeningen in de praktijk het voorwerp zouden kunnen uitmaken van beslag. Hij wijst erop dat er a priori geen reden is waarom, bijvoorbeeld, geen onroerend beslag kan worden gelegd. Hij gaat vervolgens ervan uit dat het verkeerd is te stellen dat de bestreden wet het beslag op een bankrekening in de praktijk onmogelijk zou maken en dat indien dat het geval zou zijn, die onmogelijkheid ook en vooral zou voortvloeien uit de internationaalrechtelijke regels die in de bestreden wet alleen maar worden overgenomen. Hij herinnert eraan dat krachtens artikel 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2004 de bankrekeningen die bestemd zijn voor de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordiging van de Staat of van zijn zendingen, in geen geval het voorwerp kunnen uitmaken van beslag. Hij haalt interne rechtspraak aan waaruit blijkt dat reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet, de banktegoeden reeds als eigendommen met niet-commerciële overheidsdoeleinden werden beschouwd. Ten slotte gaat hij ervan uit dat de moeilijkheid voor de schuldeiser om te bewijzen dat de banktegoeden onder de bij de wet ingestelde voorwaarden vallen, uit de feiten volgt, maar niet uit het recht. Hij voegt eraan toe dat zelfs al zou uit de bestreden wet een onmogelijkheid volgen om beslag te leggen op de bankrekeningen van een buitenslandse mogendheid, die onmogelijkheid nog niet noodzakelijk een schending zou uitmaken van artikel 6 van het Verdrag of van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. A.4.
  17. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 6 van het Verdrag noodzakelijkerwijs geschonden is want de bestreden bepaling verleent de buitenlandse Staten een immuniteit terwijl zij die krachtens de internationale gewoonte niet zouden kunnen genieten, aangezien het internationaal recht geen enkele voorwaarde van uitdrukkelijke en nog minder specifieke verzaking aan de uitvoeringsimmuniteit oplegt, aangezien het geen enkele a priori controle van de beslagmaatregel oplegt en aangezien het evenmin de verplichting oplegt vóór het beslag te bewijzen dat de eigendommen waarop beslag moet worden gelegd een niet-publieke bestemming hebben. Zij preciseert dat in het internationaal immuniteitenrecht de schuldeiser het bewijs dat de eigendommen waarop beslag is gelegd niet worden gebruikt of niet bestemd zijn voor gebruik voor niet-commerciële overheidsdoeleinden slechts moet leveren indien de buitenlandse Staat na de beslaglegging de uitvoeringsimmuniteit met betrekking tot de eigendommen aanvoert, en dat in dat geval de Staat moet meewerken aan de bewijsvoering. A.4.
  18. De Ministerraad herinnert eraan dat paragraaf 1 van artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek niet los kan worden gelezen van paragraaf 2 ervan en dat die bepaling in haar geheel geen absolute onbeslagbaarheid van de eigendommen van buitenlandse mogendheden in het leven roept. Wat betreft de kritiek van de verzoekende partij met betrekking tot het bewijs dat de eigendommen een niet-publieke bestemming hebben, doet hij gelden dat het gaat om een argument dat voor de eerste keer wordt aangevoerd in de memorie van antwoord en bijgevolg om een nieuw middel. In ondergeschikte orde doet hij gelden dat de formulering van het in het geding zijnde punt 3° van paragraaf 2 niet strijdig is met de internationale gewoonte. A.5.
  19. Met het derde onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij dat wanneer de bestreden wet van toepassing is op een situatie waarin de schuldeiser in België de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing uitgesproken in een andere Staat van de Europese Unie wenst te verkrijgen, zij afbreuk doet aan de rechten die zijn gewaarborgd bij de verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna : de verordening Brussel Ibis). 6 A.5.
  20. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat het derde onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is omdat de verzoekende partij geen enkele discriminatie aanvoert en omdat het Hof niet bevoegd is om de overeenstemming van de bestreden wet met de verordening Brussel Ibis te onderzoeken. In ondergeschikte orde doet hij gelden dat de bestreden wet een bij de verordening Brussel Ibis verboden vorm van exequatur niet opnieuw instelt en dat die verordening niet verbiedt dat krachtens het interne recht een aan de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing voorafgaande procedure wordt vereist. Hij wijst erop dat krachtens die verordening en artikel 23 van het Wetboek van internationaal privaatrecht, de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing gewezen in een lidstaat van de Europese Unie of in een derde Staat kan worden geweigerd indien die tenuitvoerlegging in strijd is met de Belgische openbare orde. Hij herinnert eraan dat het beslagrecht van openbare orde is. Hij betoogt dat de bestreden wet ook onder de Belgische openbare orde valt aangezien zij ertoe strekt het belang te beschermen dat de Staat erbij heeft om met buitenlandse Staten goede diplomatieke betrekkingen te behouden. Hij gaat ervan uit dat in België een tenuitvoerlegging toestaan die in strijd is met het internationaal gewoonterechtelijk principe van de uitvoeringsimmuniteit van de Staten, in strijd zou zijn met de Belgische openbare orde zodat zelfs indien de bestreden wet tot gevolg zou hebben de weigering van tenuitvoerlegging van bepaalde beslissingen met zich mee te brengen, dat niet tot een schending van de verordening Brussel Ibis zou leiden. In uiterst ondergeschikte orde stelt hij voor om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een vraag te stellen over de uitlegging van de verordening Brussel Ibis. A.5.
  21. De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden bepaling niet alleen ertoe leidt een exequaturprocedure opnieuw in te stellen maar bovendien artikel 52 van de verordening Brussel Ibis schendt, aangezien per definitie de in een lidstaat gewezen beslissing, waarbij de schuldvordering van een schuldeiser wordt erkend alsook de geldigheid van een clausule van algemene verzaking aan de uitvoeringsimmuniteit van de buitenlandse Staat-schuldenaar waarmee deze vrijwillig heeft ingestemd, in werkelijkheid het voorwerp zal uitmaken van een herziening ten gronde door de Belgische rechter, die met toepassing van de bestreden wet zal beslissen dat die verzakingsclausule niet geldig is op het Belgische grondgebied. Ten slotte is zij van mening dat de bestreden wet die verordening nog overtreedt in zoverre zij bepaalt dat de rechter van in den beginne beslist om een vermeende strijdigheid van de tenuitvoerlegging met de openbare orde op te werpen terwijl de verordening bepaalt dat het op verzoek van de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, is dat de tenuitvoerlegging in voorkomend geval kan worden geweigerd wanneer zij strijdig is met de openbare orde. Zij preciseert dienaangaande dat dat begrip overeenstemt met het begrip internationale openbare orde en niet met de Belgische openbare orde. A.5.
  22. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partij de erkenning van een recht in een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing en de tenuitvoerlegging van dat recht met elkaar verwart. Hij preciseert dat de kwestie van de verzaking door een Staat aan zijn uitvoeringsimmuniteit zich pas voordoet in het stadium van de eigenlijke tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing en niet in het stadium van het onderzoek of de schuldeiser al dan niet een recht heeft. Wat betreft de vergelijking tussen de schuldeisers van buitenlandse mogendheden en de schuldeisers van Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen (tweede middel in de zaak nr. 6372 en eerste middel in de zaak nr. 6373) A.6.
  23. Met het tweede middel verwijt « NML Capital Ltd » de bestreden wet dat zij de eigendommen die toebehoren aan buitenlandse mogendheden en aan in artikel 1412quinquies beoogde entiteiten aan een voor de schuldeisers minder gunstige immuniteitsregeling onderwerpt dan de regeling die, krachtens artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing is op de eigendommen die toebehoren aan Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen. Zij zet uiteen dat die laatste verplicht zijn de lijst op te maken van hun voor beslag vatbare eigendommen en dat geen enkele voorafgaande toelating, met name van de beslagrechter, door de schuldeiser moet worden verkregen om beslag te leggen op de eigendommen die voorkomen op die lijst, die de tegenhanger van de immuniteitsregeling vormt. Zij voegt eraan toe dat de schuldeiser evenmin een voorafgaande toelating dient te verkrijgen om beslag te leggen op de eigendommen die kennelijk voor de betrokken rechtspersoon niet dienstig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten of voor de continuïteit van de openbare dienst, zodat in geval van betwisting het aan de beslagen rechtspersoon staat aan te tonen dat op de eigendom geen beslag kon worden gelegd. Voor de verzoekende partij is er geen enkele reden om de beide categorieën van schuldeisers verschillend te behandelen. A.6.2.
  24. Met haar eerste middel verwijt « Yukos Universal Limited » de bestreden bepaling dat zij een onverantwoord verschil in behandeling instelt tussen de schuldeisers van buitenlandse mogendheden en de schuldeisers van Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen in zoverre de eersten slechts beslag kunnen leggen 7 op de eigendommen van hun schuldenaar mits zij de voorafgaande toelating van de beslagrechter hebben verkregen en op voorwaarde dat zij aantonen dat de eigendommen waarop zij beslag wensen te leggen in het bijzonder worden gebruikt of bestemd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, terwijl de tweeden, met toepassing van artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek, beslag kunnen leggen zonder voorafgaande toelating van de beslagrechter en terwijl die bepaling de immuniteit beperkt tot de eigendommen die noodzakelijk zijn voor de werking van de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen. Die verzoekende partij is van mening dat de doelstelling die erin bestaat diplomatieke incidenten met vreemde landen te vermijden, niet vereist dat aan de eigendommen van buitenlandse mogendheden een dermate ruime immuniteit wordt toegekend. A.6.2.
  25. Die verzoekende partij doet gelden dat het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het recht omvat dat definitieve rechterlijke beslissingen worden uitgevoerd. Zij erkent dat de immuniteit van Staten op zich niet strijdig is met het recht op toegang tot de rechter, maar herinnert eraan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat de erkenning van immuniteiten waarvoor de algemeen aanvaarde internationaalrechtelijke regels geen grondslag bieden, een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter vormt. A.6.2.
  26. De verzoekende partij betoogt daarenboven dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds heeft geoordeeld dat de niet-uitvoering van een rechterlijke beslissing door toedoen van de Staat een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag vormt. A.6.2.
  27. Die partij vestigt de aandacht op het feit dat artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek een veel ruimere immunitaire bescherming instelt dan die van artikel 1412bis, met name in zoverre het zich niet beperkt tot een specifieke categorie van overheidseigendommen, in zoverre het geen enkele definitie geeft van « niet-commerciële overheidsdoeleinden » en in zoverre het vereist dat de bestemming van de betrokken eigendommen vóór de tenuitvoerlegging van de maatregel aan de beslagrechter wordt aangetoond. Zij ziet niet in in welk opzicht de doelstelling die erin bestaat diplomatieke incidenten met vreemde landen te vermijden, een algemene uitvoeringsimmuniteit zou kunnen verantwoorden, die gepaard gaat met aanzienlijk strengere procedurele vereisten dan die welke van toepassing zijn op de beslagleggingen op eigendommen die toebehoren aan Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen. Zij is van mening dat het zou hebben volstaan te voorzien in een specifiek diplomatieke immuniteit die de eigendommen dekt die noodzakelijk zijn voor de werking van de diplomatieke of consulaire post, van het type van de immuniteit waarin is voorzien bij artikel 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2004 inzake de immuniteit van rechtsmacht van Staten en hun eigendommen, terwijl de bestreden bepaling, door immuniteit te verlenen aan de goederen die niet toebehoren aan de diplomatieke zendingen en die dus per definitie vreemd zijn aan de diplomatieke en consulaire activiteiten, op onevenredige wijze afbreuk doet aan haar recht op toegang tot de rechter en aan haar recht op de bescherming van de eigendom. A.6.3.
  28. De Ministerraad doet gelden dat wegens het internationaalrechtelijk beginsel van de gelijke soevereiniteit van de Staten, België derde Staten niet de verplichting zou kunnen opleggen om een lijst op te stellen van hun voor beslag vatbare eigendommen. Hij wijst daarenboven erop dat de bij artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde uitzonderingen op de onbeslagbaarheid van de eigendommen van Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen gelijk zijn aan de bij de bestreden bepaling ingestelde uitzonderingen op de onbeslagbaarheid van de eigendommen van buitenlandse mogendheden en preciseert dat, vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, dat artikel naar analogie werd toegepast op de eigendommen van buitenlandse Staten die zich in België bevinden. Hij is van mening dat het feit uitdrukkelijk en specifiek in te stemmen met de beslagbaarheid van bepaalde eigendommen het equivalent is van het feit ze op te nemen in een lijst van voor beslag vatbare eigendommen. Hij besluit daaruit dat de criteria die worden toegepast teneinde te oordelen over de beslagbaarheid van de eigendommen van buitenlandse mogendheden niet substantieel afwijken van de criteria waarmee de rechter, op grond van artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek, rekening dient te houden om te beoordelen of een eigendom van een Belgische publiekrechtelijke rechtspersoon al dan niet het voorwerp van beslag kan uitmaken. A.6.3.
  29. Wat het procedurele verschil betreft, is hij van mening dat de noodzaak de voorafgaande toelating van de beslagrechter te verkrijgen verantwoord wordt door de noodzaak de buitenlandse mogendheden rechtszekerheid te verschaffen en de eventuele tekortkomingen van de gerechtsdeurwaarders en de beslagrechters wat de beheersing van het diplomatiek recht betreft, te verhelpen. Hij voegt eraan toe dat die waarborg voor de schuldeiser geen enkel onredelijk gevolg met zich meebrengt, aangezien het niet juist is te beweren dat hij een totale omkering van de bewijslast veroorzaakt. Hij preciseert immers dat in het kader van de toepassing van artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek, het aan de schuldeiser toekomt te bewijzen dat de 8 eigendommen klaarblijkelijk niet voor overheidsdoeleinden worden gebruikt. In dat verband wijst hij erop dat het beslag op een financiële rekening van een overheid in beginsel niet mogelijk is en dat sommige auteurs zover gaan te betogen dat, opdat beslag kan worden gelegd op een goed, dat goed voor de publiekrechtelijke rechtspersoon totaal niet nuttig moet zijn bij de uitoefening van de openbare dienst. Hij besluit daaruit dat er geen verschil in behandeling is tussen de schuldeisers van buitenlandse mogendheden en de schuldeisers van Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen. A.6.
  30. « Yukos Universal Ltd » gaat ervan uit dat, wat betreft de eigendommen waarop beslag kan worden gelegd, er wel degelijk een verschil in behandeling is tussen de Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen en de buitenlandse mogendheden. Die partij is van mening dat de door de Ministerraad gemaakte verwijzing naar artikel 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties verkeerd is, omdat dat artikel slechts van toepassing is op specifieke categorieën van eigendommen die een versterkte bescherming genieten. Zij gaat ervan uit dat de Ministerraad, zoals de wetgever, geen rekening houdt met het verschil tussen de regelingen van algemene en specifieke immuniteiten en dat hij de voorwaarden van de specifieke regeling onjuist toepast op de algemene regeling. Ten aanzien van de procedurele verschillen tussen beide regelingen, doet zij gelden dat de bij de bestreden bepaling ingestelde procedurele vereisten geen enkele grondslag vinden in het internationaal recht, zodat die vereisten een de facto immuniteit in het leven roepen die verder gaat dan hetgeen wordt toegestaan door het internationaal publiekrecht. Zij zet uiteen dat de procedure van verzet of van derdenverzet na een beslag fundamenteel verschilt van de bij de bestreden bepaling georganiseerde voorafgaande procedure, zowel op het vlak van de termijnen en de dringendheid als op dat van de bewijslast. Wat betreft de voorwaarden waaronder beslag kan worden gelegd (derde middel in de zaak nr. 6372 en tweede middel in de zaak nr. 6373) A.7.
  31. Met het derde middel beoogt de verzoekende partij in de zaak nr. 6372 het eerste geval, waarin de beslagrechter het beslag kan toestaan, geval waarin de buitenlandse mogendheid uitdrukkelijk en specifiek heeft ingestemd met de beslagbaarheid van de eigendom waarop de schuldeiser beslag wenst te leggen. Zij is van mening dat de dubbele gestelde voorwaarde, namelijk dat de instemming tegelijkertijd uitdrukkelijk en specifiek is, niet verantwoord is. Zij herinnert eraan dat in het internationaal recht geen enkele bijzondere voorwaarde wordt gesteld aan de verzaking, door een Staat, aan zijn uitvoeringsimmuniteit. Zij leidt daaruit af dat door de verplichting op te leggen dat de verzaking aan de eigendom waarop de schuldeiser beslag wenst te kunnen leggen, uitdrukkelijk en specifiek is, de Belgische wetgever een voorwaarde oplegt die onevenredig is ten opzichte van de nagestreefde doelstelling. Zij voegt eraan toe dat zulks des te meer geldt daar geen enkele verzaking in de regel op specifieke wijze de banktegoeden van de betrokken Staat en nog minder een welbepaalde bankrekening beoogt, zodat die voorwaarde ertoe leidt elk beslag in de praktijk onmogelijk te maken. Zij besluit daaruit dat de vereiste van een specifieke verzaking aan de beslagbaarheid van een eigendom, die, volgens de bestreden wet, de beslagrechter ertoe moet brengen de uitvoeringsimmuniteit toe te kennen aan de buitenlandse Staat, terwijl die Staat, in voorkomend geval, in algemene termen aan die immuniteit heeft verzaakt, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt, aangezien unaniem wordt aanvaard dat een dergelijke vereiste geen algemeen erkende internationale rechtsregel vormt. A.7.2.
  32. Het tweede middel dat is afgeleid door de verzoekende partij in de zaak nr. 6373 beoogt paragraaf 2 van artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. « Yukos Universal Ltd » verwijt die bepaling dat zij slechts voorziet in de mogelijkheid van beslag op de eigendommen van buitenlandse mogendheden na toelating van de beslagrechter en dat zij die toelating slechts mogelijk maakt indien de eiser kan aantonen dat is voldaan aan een van de restrictieve voorwaarden opgesomd in het 1° tot het 3° ervan. Zij doet gelden dat door een veel uitgebreidere immuniteit voor de eigendommen van buitenlandse mogendheden te organiseren dan hetgeen is voorzien bij het internationaal recht, de bestreden bepaling een onverantwoorde aantasting van het eigendomsrecht en van het recht op toegang tot de rechter van de schuldeisers veroorzaakt, aangezien zij elk beslag op eigendommen, met inbegrip van de eigendommen waarop, volgens het internationaal recht, beslag zou kunnen worden gelegd, in de praktijk onmogelijk maakt. 9 A.7.2.
  33. Met betrekking tot de eerste voorwaarde die beslag mogelijk maakt, wijst die verzoekende partij erop dat de doelstelling van de wetgever erin bestaat de diplomatieke eigendommen te beschermen in het belang van de diplomatieke betrekkingen tussen de Staten. Naar haar mening gaat de vereiste dat de verzaking uitdrukkelijk en specifiek moet zijn teneinde een beslag mogelijk te maken op alle eigendommen die aan een buitenlandse mogendheid toebehoren, verder dan hetgeen de bescherming van de diplomatieke eigendommen vereist, aangezien zij erop neerkomt ook de buitenlandse eigendommen te immuniseren die geen verband houden met de diplomatieke eigendommen. Zij doet gelden dat de vereiste dat de verzaking uitdrukkelijk en specifiek is, ertoe leidt de in de contracten tussen Staten en investeerders klassieke clausules waarbij de Staten op algemene wijze verzaken aan hun immuniteit, onwerkzaam te maken. Zij voegt eraan toe dat de vereiste van een specifieke verzaking geen grondslag vindt in het internationaal publiekrecht, noch, in het bijzonder, in het voormelde Verdrag van de Verenigde Naties van 2004 of in de Europese Conventie inzake Staatsimmuniteit van 16 mei
  34. Zij voegt eraan toe dat de voorwaarde uitgedrukt in het 1° van paragraaf 2 van de bestreden bepaling in de praktijk dezelfde draagwijdte heeft als de voorwaarde uitgedrukt in het 2°, zodat die beide bepalingen er slechts een enkele vormen. A.7.2.
  35. Met betrekking tot de vereiste de voorafgaande toelating van de beslagrechter te verkrijgen, gaat de verzoekende partij in de zaak nr. 6373 ervan uit dat die procedurele vereiste een drastisch effect heeft. Zij voegt eraan toe dat zulks des te meer geldt wanneer men haar combineert met de in het 3° van de bestreden bepaling uitgedrukte voorwaarde, omdat het voor een schuldeiser onmogelijk is om a priori aan te tonen dat een eigendom in het bijzonder wordt gebruikt of bestemd is voor gebruik voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. A.7.3.
  36. De Ministerraad wijst erop dat de in de bestreden wet gebruikte terminologie is ontleend aan het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december
  37. Hij zet uiteen dat men twee soorten van eigendommen dient te onderscheiden : eigendommen die door de buitenlandse Staat worden bestemd voor niet-commerciële overheidsdoeleinden, enerzijds, en eigendommen die worden gebruikt of bestemd zijn voor gebruik voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, anderzijds. Die tweede categorie van eigendommen kan het voorwerp uitmaken van beslag overeenkomstig het 3° van paragraaf 2 van artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek en overeenkomstig de regels van het internationaal gewoonterecht, zelfs bij ontstentenis van enige verzaking door de betrokken overheid. De eigendommen die tot de eerste categorie behoren, daarentegen, moeten noodzakelijkerwijs het voorwerp uitmaken van een verzaking aan hun onbeslagbaarheid om het voorwerp te kunnen uitmaken van een maatregel van tenuitvoerlegging. Hij doet gelden dat krachtens de internationale gewoonte die verzaking uitdrukkelijk en specifiek moet zijn. Hij verwijst dienaangaande naar de werkzaamheden van de Commissie voor Internationaal Recht voorafgaand aan de aanneming van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 alsook naar drie arresten van het Franse Hof van Cassatie van 28 maart 2013 en naar een arrest van het Belgische Hof van Cassatie van 22 november 2012 (C.11.0688.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121122.3). A.7.3.
  38. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat het bijzondere karakter van de instemming met de beslagbaarheid van een eigendom verantwoord wordt ten aanzien van de regels met betrekking tot de verzakingen in Belgisch intern recht en ten aanzien van het rechtszekerheidsbeginsel alsook gelet op de grondslagen van de uitvoeringsimmuniteit van de Staten in internationaal recht. Hij wijst erop dat er een algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk de verzaking aan een recht niet wordt vermoed. Hij leidt daaruit af dat de verzaking, door een Staat, aan zijn immuniteit van rechtsmacht niet wordt vermoed en dat een verzaking, in algemene termen en zonder precisering van de eigendommen waarop zij van toepassing zou kunnen zijn, geen verzaking vanwege de Staat aan de onbeslagbaarheid van de eigendommen die dienstig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten van openbare dienst met zich zou kunnen meebrengen. Hij voegt eraan toe dat de uitdrukkelijke en specifieke verzaking het mogelijk maakt de rechtszekerheid, zowel voor de schuldeiser als voor de schuldenaar, te verzekeren. A.7.
  39. « NML Capital Ltd » is van mening dat de stelling van de Ministerraad berust op een verkeerde opvatting van de immuniteitenregeling in het internationaal recht, met name omdat daarbij wordt nagelaten rekening te houden met de laatste stand van de rechtspraak, bevestigd in een arrest van het Franse Hof van Cassatie van 13 mei 2015, dat oordeelt dat het internationaal gewoonterecht geen andere dan een uitdrukkelijke verzaking aan de uitvoeringsimmuniteit vereist. Die partij onderstreept daarenboven dat de stelling van de Ministerraad in elk geval slechts de eigendommen van de diplomatieke zendingen betreft en dat zij nooit van toepassing is kunnen zijn op alle eigendommen van een Staat. Ten slotte gaat zij ervan uit dat de stelling van de Ministerraad, wat de theorie van de verzakingen betreft, zowel in internationaal recht als in intern recht, eveneens verkeerd is. Zij preciseert dienaangaande, enerzijds, dat het internationaal recht niet formalistisch is en, anderzijds, dat het niet correct is uit het principe volgens hetwelk een verzaking niet wordt verondersteld, af te leiden dat een verzaking in algemene termen niet geldig is. Zij gaat ervan uit dat, overeenkomstig de 10 gemeenrechtelijke regels met betrekking tot de beoordeling van de verzaking aan een recht, de Staat op impliciete wijze kan verzaken aan zijn immuniteit van tenuitvoerlegging op de eigendommen die bestemd worden voor de verwezenlijking van de diplomatieke functie, aangezien die verzaking zeker en niet dubbelzinnig is. Zij voegt eraan toe dat hoewel de verzaking niet wordt vermoed, daaruit niet volgt dat zij niet met vermoedens kan worden bewezen. A.7.
  40. « Yukos Universal Ltd » herinnert eraan dat, wat de verzaking aan de immuniteit betreft, artikel 19 van het Verdrag van de Verenigde Naties slechts een uitdrukkelijke maar niet een specifieke verzaking vereist. Die partij legt de nadruk op het feit dat de Ministerraad uit de voorbereidende werkzaamheden van die bepaling en uit artikel 21 van het Verdrag niet kan afleiden dat een uitdrukkelijke en specifieke verzaking kan worden vereist voor alle eigendommen die worden gebruikt voor niet-commerciële opdrachten van openbare dienst, omdat een dergelijke verzaking slechts wordt vereist voor bepaalde in artikel 21 gespecificeerde categorieën van eigendommen. Zij verwijst ook naar het voormelde arrest van het Franse Hof van Cassatie van 13 mei 2015, waarin wordt teruggekomen op de vroegere rechtspraak van dat rechtscollege. Ten aanzien van de voorwaarde van voorafgaande toelating van de rechter wijst die partij erop dat een buitenlandse mogendheid in België andere bankrekeningen kan hebben dan die welke door haar diplomatieke vertegenwoordiging worden gebruikt. Zij wijst erop dat er rechtspraak bestaat waarin is beslist dat beslag kan worden gelegd op bankrekeningen die toebehoren aan een Belgische publiekrechtelijke rechtspersoon. Zij voegt eraan toe dat het vóór de aanneming van de bestreden wet voor de schuldeiser reeds nagenoeg onmogelijk was de principiële immuniteit te bestrijden met behulp van feitelijke vermoedens en dat dat bewijs nog moeilijker te leveren is in het kader van een procedure van a priori toelating. A.7.
  41. De Ministerraad wijst erop dat het door de partijen aangehaalde arrest van het Franse Hof van Cassatie van 13 mei 2015 een tot op heden geïsoleerde ommekeer in de rechtspraak van dat rechtscollege lijkt te vormen. Hij gaat ervan uit dat een geïsoleerd arrest van het Franse Hof van Cassatie op zich alleen niet de ontstentenis kan aantonen van een internationale gewoonte waarbij een uitdrukkelijke en specifieke verzaking door een Staat aan zijn immuniteit wordt vereist. Hij voegt eraan toe dat het ten onrechte is dat de verzoekende partijen beweren dat de vereiste van een uitdrukkelijke en specifieke verzaking slechts van toepassing zou zijn op de eigendommen van diplomatieke zendingen en niet op alle eigendommen van een Staat die voor overheidsdoeleinden worden gebruikt. Bovendien betwist hij de bewering volgens welke de uitdrukkelijke en specifieke verzaking slechts zou kunnen worden vereist voor de in artikel 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties beoogde categorieën van eigendommen. Wat betreft het toepassingsgebied ratione personae van de bestreden bepaling (vierde middel in de zaak nr. 6372 en vierde middel in de zaak nr. 6373) A.8.
  42. Het in de zaak nr. 6372 afgeleide vierde middel heeft betrekking op het toepassingsgebied ratione personae van de bestreden bepaling. De verzoekende partij doet gelden dat het begrip « buitenlandse mogendheid » noch in de bestreden wet, noch in enige andere internrechtelijke bepaling wordt gedefinieerd en dat het evenmin in het internationaal recht is verankerd. Zij is van mening dat dat begrip klaarblijkelijk een ruimere betekenis heeft dan die van Staat. Zij doet dezelfde vaststelling met betrekking tot de entiteiten tot welke het toepassingsgebied van de uitvoeringsimmuniteit bij paragraaf 3, derde lid, van de bestreden bepaling wordt uitgebreid. A.8.
  43. Met het vierde middel van haar verzoekschrift verwijt de verzoekende partij in de zaak nr. 6373 paragraaf 3 van de in het geding zijnde bepaling dat die voorziet in een immuniteit niet alleen voor de eigendommen van buitenlandse Staten, maar ook voor de eigendommen van de deelgebieden van de buitenlandse mogendheid, zelfs wanneer die niet over internationale rechtspersoonlijkheid beschikken, voor de eigendommen van de geledingen van de buitenlandse mogendheden, voor de eigendommen van de territoriaal gedecentraliseerde besturen en de eigendommen van elke andere politieke opdeling van de buitenlandse mogendheden, terwijl artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek de immuniteit met betrekking tot de overheidseigendommen beperkt tot de eigendommen van de publiekrechtelijke rechtspersonen. Zij zet uiteen dat de bestreden bepaling de diplomatieke immuniteit zodoende uitbreidt tot entiteiten die geen verband houden met de diplomatieke zendingen zodat het verschil in behandeling geen redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel vertoont. A.8.3.
  44. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat het door de verzoekende partij in de zaak nr. 6372 afgeleide vierde middel onontvankelijk is omdat zij niet aangeeft in welk opzicht de vermeend te ruime definitie van het personele toepassingsgebied van de bestreden bepaling de aangevoerde referentienormen zou schenden. 11 A.8.3.
  45. Ten gronde herinnert hij eraan dat de bestreden wet niet uitsluitend ten doel heeft een immuniteit in te stellen voor de diplomatieke zendingen van buitenlandse mogendheden maar, ruimer, de eigendommen van die mogendheden op algemene wijze te beschermen, met inbegrip van de eigendommen van de besturen en onderverdelingen waaruit zij bestaan. Hij is vervolgens van mening dat de stelling van de verzoekende partijen volgens welke diplomatieke incidenten slechts ontstaan naar aanleiding van beslagleggingen op eigendommen die aan ambassades en consulaten toebehoren, verkeerd is, aangezien dergelijke incidenten zich ook kunnen voordoen wanneer beslag wordt gelegd op de eigendommen van onderverdelingen van buitenlandse mogendheden. A.8.3.
  46. Hij stelt vast dat het begrip « buitenlandse mogendheid » niet nieuw is in het Belgisch recht en verwijst dienaangaande naar artikel 1412ter van het Gerechtelijk Wetboek, dat bovendien ook de cultuurgoederen beoogt die toebehoren aan de deelgebieden van de buitenlandse mogendheid, aan de geledingen ervan en aan de territoriaal gedecentraliseerde besturen of andere politieke opdelingen van een buitenlandse mogendheid. Hij verwijst bovendien naar het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 en naar het verslag van de Commissie dat is voorafgegaan aan de aanneming ervan, waaruit blijkt dat het begrip « politieke opdeling » of « politieke onderverdeling » wel degelijk aanwezig is in het internationaal recht. Ten slotte wijst hij erop dat uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat de entiteiten van de buitenlandse mogendheid over een deel van de soevereiniteit dienen te beschikken om uitvoeringsimmuniteit te genieten. A.8.
  47. « NML Capital Ltd » preciseert dat het vierde middel gegrond is op de verschillen in behandeling en op de aantasting van het eigendomsrecht en van het recht op het ongestoord genot van eigendom die in het eerste middel reeds duidelijk werden geïdentificeerd. Ten gronde is die partij van mening dat België zich niet naar eigen goeddunken aan het internationaal recht kan onttrekken. A.8.
  48. « Yukos Universal Ltd » doet gelden dat het standpunt van de Ministerraad om de volgende drie redenen niet gegrond is. Ten eerste toont een vergelijking van de bestreden bepaling zowel met artikel 1412ter van het Gerechtelijk Wetboek als met het Verdrag van de Verenigde Naties aan dat zij, in tegenstelling tot de regels van het internationaal recht, een specifieke bescherming verleent aan de entiteiten van een buitenlandse Staat die geen autonome rechtspersoonlijkheid hebben. In dat opzicht worden de schuldeisers geconfronteerd met een compartimentering van het patrimonium van hun schuldenaar alsook met de immuniteit die zich kan uitstrekken tot de privépartners van de departementen van een buitenlandse mogendheid zonder rechtspersoonlijkheid. Ten tweede biedt de bestreden bepaling een ruimere immuniteit dan het internationaal recht, dat slechts de onderverdelingen van de Staat beschermt die soevereine bevoegdheden uitoefenen en alleen in de mate van die uitoefening. Ten derde kan het theoretische risico van diplomatieke incidenten niet de uitzonderlijke bescherming verantwoorden die de bestreden bepaling zonder onderscheid biedt aan alle eigendommen van alle onderverdelingen van een buitenlandse Staat. Die partij voegt eraan toe dat artikel 1412ter van het Gerechtelijk Wetboek een doel heeft dat totaal verschillend is van dat van de bestreden bepaling. Wat betreft de vergelijking tussen de contractuele en de buitencontractuele schuldeisers van de buitenlandse mogendheden (derde middel in de zaak nr. 6373) A.9.
  49. De verzoekende partij in de zaak nr. 6373 leidt een derde middel af uit de schending van dezelfde referentienormen. Zij verwijt de bestreden bepaling dat zij een discriminatie onder schuldeisers van buitenlandse mogendheden instelt wat hun mogelijkheden van tenuitvoerlegging betreft, naargelang hun schuldvordering al dan niet op een contractuele basis berust. Zij zet uiteen dat door alle schuldeisers te onderwerpen aan dezelfde voorwaarde die erin bestaat de voorafgaande toelating van de beslagrechter te verkrijgen om beslag te kunnen leggen op de eigendommen van hun schuldenaar en door te preciseren dat die toelating slechts kan worden verkregen onder de voorwaarden vastgesteld in de het 1° tot het 3° van de bepaling, terwijl de vereisten waarin is voorzien bij het 1° en het 2° in de praktijk slechts toegankelijk zijn voor de contractuele schuldeisers en terwijl de vereiste waarin is voorzien bij het 3° veel te restrictief is, de wetgever een verschil in behandeling in het leven roept dat niet kan worden verantwoord door de doelstelling die erin bestaat een verstoring van de diplomatieke betrekkingen te vermijden, aangezien een eventuele verstoring niet afhankelijk zou zijn van het al dan niet contractuele karakter van de betrokken schuld. A.9.
  50. De Ministerraad wijst erop dat de verzoekende partij zelf erkent dat het verschil in behandeling dat zij aanklaagt zijn oorsprong niet vindt in de bestreden bepaling maar wel in de oorzaak van de schuldvordering die de schuldeiser tegen een buitenlandse mogendheid heeft. Hij is van mening dat die vaststelling volstaat om 12 ervan uit te gaan dat het middel niet gegrond is. Hij voegt bovendien eraan toe dat in het middel van een onjuiste vooronderstelling wordt uitgegaan. Hij betoogt dat het perfect mogelijk is dat een buitenlandse mogendheid heeft verklaard dat op sommige eigendommen beslag mag worden gelegd door de schuldeisers ongeacht de oorzaak van hun schuldvordering. Hij voegt eraan toe dat mocht worden vastgesteld dat de bestreden bepaling dienaangaande een ongelijkheid in het leven roept, dat in elk geval zou moeten leiden tot de vernietiging van de mogelijkheid van beslag op de door de schuldenaar daartoe uitdrukkelijk en specifiek aangewezen eigendommen, hetgeen niet in het belang van de verzoekende partij zou zijn. A.9.
  51. « Yukos Universal Ltd » doet gelden dat de omstandigheid dat er een verschil is in de oorzaak van de schuldvorderingen niet belet dat de beide categorieën van schuldeisers zich in dezelfde situatie bevinden ten opzichte van hun schuldenaar die een buitenlandse mogendheid is. Die partij gaat vervolgens ervan uit dat een dermate aanzienlijke aantasting van de rechten van de schuldeisers niet kan worden gecompenseerd door de hypothetische bereidwilligheid van de schuldenaars die zouden kunnen afzien van de immuniteit op hun eigendommen. Ten slotte doet zij gelden dat in geval van vernietiging van de bestreden bepaling, de mogelijkheden van beslag op de eigendommen die toebehoren aan een buitenlandse mogendheid zouden worden geregeld door het internationaal publiekrecht, dat voorziet in een minder uitgebreide immuniteit dan die welke bij de bepaling is ingesteld. Wat de ontstentenis van overgangsbepalingen betreft (vijfde middel in de zaak nr. 6372) A.10.
  52. Het vijfde middel in de zaak nr. 6372 is afgeleid uit de schending van de in A.2.1 aangehaalde bepalingen, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel. Met dat middel verwijt de verzoekende partij de bestreden wet dat zij geen enkele overgangsbepaling bevat, zodat zij ook van toepassing is op de tenuitvoerlegging van de schuldvorderingen die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding ervan, op een ogenblik waarop de schuldeisers niet wisten dat zij zouden stuiten op de onmogelijkheid om ze te innen bij gebrek aan vrijwillige uitvoering door de schuldenaar. Zij voegt eraan toe dat de bestreden wet ook van toepassing is op de verzakingen die door de Staten zijn toegestaan vóór de inwerkingtreding ervan, dus op een ogenblik waarop niemand wist dat om doeltreffend te zijn, die verzakingen uitdrukkelijk en specifiek moeten zijn. Zij preciseert ten slotte dat de aantasting van het rechtszekerheidsbeginsel nog aanzienlijker zou zijn indien de bestreden wet in die zin mocht worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op de beslagprocedures die lopende zijn op het ogenblik van haar inwerkingtreding, zodat zij zou interfereren in lopende gerechtelijke procedures. A.10.
  53. De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat het middel onontvankelijk moet worden verklaard in zoverre het is afgeleid uit de schending van de aangevoerde referentienormen aangezien de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de vermeende schending van het rechtszekerheidsbeginsel de schending van die normen met zich zou meebrengen. Bovendien herinnert hij eraan dat het Hof reeds herhaaldelijk heeft erkend dat de wetgever bij de aanneming van een nieuwe wet geenszins verplicht is om in overgangsbepalingen te voorzien. Hij zet uiteen dat te dezen de bestreden wet van toepassing zal zijn op de rechtsgevolgen van feiten die zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding ervan, hetgeen het gewone gevolg is van elke rechtsregel en hetgeen geen enkele schending van het rechtszekerheidsbeginsel met zich meebrengt. Hij wijst erop dat in de praktijk de beslagleggingen die zijn verricht vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet en die dus zijn uitgevoerd zonder voorafgaande toelating van de beslagrechter niet op losse schroeven zullen kunnen worden gezet wegens gebrek aan voorafgaande toelating en dat de beslagleggingen die zullen worden uitgevoerd na de inwerkingtreding van de bestreden wet daarentegen voorafgaandelijk door de beslagrechter zullen moeten worden toegestaan. Hij voegt eraan toe dat de beslagleggingen die geldig werden gedaan vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling geldig zijn en dat de procedures van verzet tegen een beslag gelegd vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet geen aanleiding zullen geven tot een controle ten aanzien van de criteria uiteengezet in het nieuwe artikel 1412quinquies, zodat er geen gevaar is dat de bestreden wet interfereert in lopende procedures. A.10.
  54. « NML Capital Ltd » doet gelden dat de door de bestreden wet in het leven geroepen feitelijke onbeslagbaarheid ontegenzeglijk afbreuk doet aan onherroepelijk vastgelegde rechten, aangezien de ingestelde nieuwe voorwaarden de schuldeisers van een Staat beletten om de gedwongen tenuitvoerlegging van een verkregen beslissing te vorderen. 13 A.10.
  55. De Ministerraad doet gelden dat het sluiten van een overeenkomst in het verleden alsook het verkrijgen van een rechterlijke beslissing vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet voor de schuldeiser geen enkel onherroepelijk vastgelegd recht met zich meebrengt om de tenuitvoerlegging van die rechterlijke beslissing volgens ongewijzigde procedureregels te kunnen vorderen. Hij voegt eraan toe dat de maatregelen van tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing de toekomstige gevolgen zijn van situaties die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet, zonder dat de schuldeisers evenwel over een onherroepelijk vastgelegd recht beschikken om een rechterlijke beslissing te doen uitvoeren. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
  56. Beide beroepen tot vernietiging hebben betrekking op de wet van 23 augustus 2015 « tot invoeging van een artikel 1412quinquies in het Gerechtelijk Wetboek, houdende het beslag op eigendommen van een buitenlandse mogendheid of van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie » (hierna : de wet van 23 augustus 2015), die maar twee artikelen omvat en waarvan artikel 2 bepaalt : « In het vijfde deel, titel I, hoofdstuk V, van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 1412quinquies ingevoegd, luidende : ‘ Art. 1412quinquies. §
  57. Onder voorbehoud van de toepassing van dwingende supranationale en internationale bepalingen, zijn de eigendommen van een buitenlandse mogendheid die zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met inbegrip van banktegoeden die daar door die buitenlandse mogendheid worden aangehouden of beheerd, met name bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de buitenlandse mogendheid of haar consulaire posten, haar speciale zendingen, haar vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties, niet vatbaar voor beslag. §
  58. In afwijking van paragraaf 1 kan de schuldeiser die beschikt over een uitvoerbare titel of authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, bij een verzoekschrift aan de beslagrechter toelating vragen om beslag te leggen op de in paragraaf 1 bedoelde eigendommen van een buitenlandse mogendheid indien hij aantoont dat voldaan is aan één van de volgende voorwaarden : 1° indien de buitenlandse mogendheid op uitdrukkelijke en specifieke wijze heeft ingestemd met de beslagbaarheid van die eigendom; 2° indien de buitenlandse mogendheid die eigendommen heeft gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vordering die onderwerp is van de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag; 14 3° indien vastgesteld is dat die eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met dien verstande dat uitsluitend beslag kan worden gelegd op eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, zich richt. §
  59. De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid zelf, maar van een deelgebied van die buitenlandse mogendheid, zelfs wanneer dit niet over internationale rechtspersoonlijkheid beschikt, van een geleding van die buitenlandse mogendheid in de zin van artikel 1412ter, § 3, tweede lid, of van een territoriaal gedecentraliseerd bestuur of elke andere politieke opdeling van die buitenlandse mogendheid. De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid, maar van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie die ze gebruikt of beoogt te gebruiken voor aan niet-commerciële overheidsdoelen analoge doelen. ’ ». Ten aanzien van het onderzoek van de middelen B.2.
  60. Het Hof onderzoekt de vijf middelen in de zaak nr. 6372 en de vier middelen in de zaak nr. 6373 door ze als volgt te groeperen : - de grieven met betrekking tot het beginsel van de niet-vatbaarheid voor beslag van de eigendommen van een buitenlandse mogendheid en de uitzonderingen op dat beginsel, in zoverre zij, enerzijds, een discriminatie tussen de schuldeisers van een buitenlandse mogendheid en alle andere schuldeisers (eerste en derde middel in de zaak nr. 6372 en tweede middel in de zaak nr. 6373), en, anderzijds, een discriminatie tussen de schuldeisers van een buitenlandse mogendheid en de schuldeisers van een Belgische publiekrechtelijke rechtspersoon (eerste middel in de zaak nr. 6373 en tweede middel in de zaak nr. 6372) in het leven zouden roepen; 15 - de grief met betrekking tot de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (de zogenaamde « Brussel Ibis-Verordening ») (eerste middel, derde onderdeel, in de zaak nr. 6372); - de grieven met betrekking tot het toepassingsgebied ratione personae van artikel 1412quinquies (vierde middel in de zaak nr. 6372 en vierde middel in de zaak nr. 6373); - de grief met betrekking tot het verschil in behandeling tussen contractuele schuldeisers en buitencontractuele schuldeisers (derde middel in de zaak nr. 6373); - de grief met betrekking tot de ontstentenis van overgangsbepalingen (vijfde middel in de zaak nr. 6372). B.2.
  61. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de delen van de bestreden bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn gericht. Geen enkele grief heeft betrekking op paragraaf 3, tweede lid, van het bestreden artikel 1412quinquies, die de principiële immuniteit en de uitzonderingen erop van toepassing maakt op de eigendommen van publiekrechtelijke supranationale of internationale organisaties. Ten aanzien van de referentienormen B.
  62. De middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met, enerzijds, artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en, anderzijds, artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6372 is bovendien afgeleid 16 uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de « Brussel Ibis-Verordening ». Het vijfde middel in de zaak nr. 6372 is bovendien afgeleid uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel. B.4.
  63. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». B.4.
  64. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ’s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ». B.4.
  65. Die twee bepalingen waarborgen het recht op toegang tot een bevoegde rechter, dat zonder discriminatie moet worden toegekend en dat het recht omvat om de uitvoering van het gewezen vonnis of arrest te verkrijgen. In dat verband oordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgens vaste rechtspraak, dat het recht op de uitvoering van een rechterlijke uitspraak een van de aspecten van het recht op een rechterlijke instantie is (o.a. EHRM, 19 maart 1997, Hornsby t. Griekenland, § 40; 9 april 2015, Tchokontio Happi t. Frankrijk, § 44). B.5.
  66. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». 17 B.5.
  67. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.5.
  68. Het begrip « eigendom » in de zin van die bepaling omvat niet alleen de bestaande eigendommen maar ook de schuldvorderingen, voor zover zij een voldoende grondslag in het interne recht hebben, bijvoorbeeld omdat zij bij een definitief vonnis worden bevestigd (EHRM, 25 juni 2009, Zouboulidis t. Griekenland, § 28; 3 oktober 2013, Giavi t. Griekenland, §§ 39-40; 4 februari 2014, Staibano e.a. t. Italië, §§ 40-41). Een schuldvordering ten laste van een buitenlandse mogendheid die bij een definitieve rechterlijke uitspraak is vastgesteld, kan eigendom in die zin uitmaken, zodat artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol erop van toepassing is. B.5.
  69. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is aan die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de waarborgen die zij bevatten, een onlosmakelijk geheel, zodat het Hof ermee rekening houdt bij zijn toetsing van de bestreden wet. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen B.6.
  70. De Ministerraad werpt herhaalde malen de niet-ontvankelijkheid van de middelen op, omdat de verzoekende partijen niet zouden uiteenzetten in welk opzicht de aangevoerde referentienormen zouden zijn geschonden of omdat de vergeleken categorieën van personen niet duidelijk zouden zijn. B.6.
  71. Uit de argumenten die breedvoerig door de partijen zijn uitgewisseld, blijkt voldoende dat de Ministerraad de draagwijdte van de middelen heeft begrepen en omstandig 18 erop heeft kunnen antwoorden. Daarenboven, wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met een ander grondrecht, wordt aangevoerd, volstaat het te preciseren in welk opzicht dat grondrecht is geschonden. De categorie van personen voor wie dat grondrecht is geschonden, moet immers worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd. B.6.
  72. De excepties van niet-ontvankelijkheid van de middelen worden verworpen. Ten aanzien van het beginsel van de niet-vatbaarheid voor beslag van de eigendommen van een buitenlandse mogendheid en ten aanzien van de uitzonderingen op dat beginsel Met betrekking tot het beginsel van de uitvoeringsimmuniteit betreffende de eigendommen van buitenlandse mogendheden B.7.
  73. Bij de bestreden wet wordt, bij paragraaf 1 van artikel 1412quinquies die zij in het Gerechtelijk Wetboek invoegt, het beginsel van de niet-vatbaarheid voor beslag van de eigendommen van een buitenlandse mogendheid vastgelegd. Bij paragraaf 2 van die bepaling wordt evenwel een uitzondering op dat beginsel gemaakt wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. B.7.
  74. In de toelichting bij het voorstel dat aan de oorsprong van de bestreden wet ligt, wordt aangegeven dat er « geregeld diplomatieke incidenten met derde Staten [ontstonden] doordat Belgische gerechtsdeurwaarders op vraag van een schuldeiser beslag leggen op goederen die toebehoren aan deze Staten » en dat het « daarbij [vaak] om bankrekeningen van een ambassade van een derde Staat in ons land » ging. Er werd dan ook voorgesteld om een principiële niet-vatbaarheid voor beslag in te voeren en rekening te houden met « de nakende ratificatie door ons land van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2004 inzake de immuniteit van rechtsmacht van Staten en hun eigendommen, dat een dergelijke principiële onbeslagbaarheid zal opleggen », zodat de wetgever heeft geanticipeerd op de ratificatie en de inwerkingtreding van dat Verdrag (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1241/001, p. 3). 19 B.8.
  75. Met het eerste tot en met het derde middel in de zaak nr. 6372 en met het eerste en het tweede middel in de zaak nr. 6373 klagen de verzoekende partijen aan dat het bestreden artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek onverantwoorde verschillen in behandeling invoert, met betrekking tot het recht op toegang tot een rechter en het eigendomsrecht, tussen de schuldeisers van buitenlandse mogendheden en alle andere schuldeisers, met inbegrip van de schuldeisers van Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen. Zij voeren aan dat enkel de eerstgenoemden zouden worden geconfronteerd met een niet-vatbaarheid voor beslag, die zij als nagenoeg volledig aanmerken, van de eigendommen van hun schuldenaar, waarbij de andere schuldeisers, met inbegrip van de schuldeisers van Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen, zich niet aan een voorafgaande toelatingsprocedure en aan soortgelijke voorwaarden met betrekking tot de aard van de in beslag genomen eigendommen moeten onderwerpen om de rechterlijke uitspraken waarbij hun schuldvorderingen worden vastgesteld, te laten uitvoeren. B.8.
  76. De door de verzoekende partijen aangeklaagde verschillen in behandeling berusten op het criterium van de aard van de persoon van de schuldenaar aangezien enkel de eigendommen van de schuldenaars die buitenlandse mogendheden, deelgebieden ervan, een van de geledingen ervan, een van de territoriaal gedecentraliseerde besturen ervan of een van de politieke opdelingen ervan zijn, in de bestreden wet worden beoogd. Een dergelijk criterium is objectief. B.8.
  77. Het beslag dat op het Belgische grondgebied wordt gelegd op eigendommen van een aldus begrepen buitenlandse mogendheid, kan aanleiding geven tot een verslechtering van de diplomatieke betrekkingen van België met de betrokken vreemde Staat of tot toenemende spanningen tussen België en die Staat. Het beslag op eigendommen van ofwel Belgische of buitenlandse privépersonen, ofwel Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen heeft geen betrekking op de vreemde Staten waarmee België diplomatieke betrekkingen onderhoudt en kan dus niet hetzelfde gevolg hebben. B.8.
  78. Daarenboven verschilt de situatie van de buitenlandse mogendheden van die van de Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen in zoverre de Belgische Staat ertoe is gehouden te hunnen aanzien het beginsel van de soevereine gelijkheid van Staten in acht te nemen zoals het onder meer in artikel 2, lid 1, van het Handvest van de Verenigde Naties wordt uitgedrukt. Daaruit vloeit met name voort dat de Belgische wetgever de buitenlandse 20 mogendheden, zoals hij dat bij artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van de Belgische publiekrechtelijke rechtspersonen doet, niet zou kunnen verplichten om een lijst op te stellen van hun eigendommen die in beslag kunnen worden genomen. B.8.
  79. Het criterium van onderscheid dat verband houdt met de bijzondere situatie van de buitenlandse mogendheden, is pertinent ten aanzien van het doel om de goede relaties van de Belgische Staat met de vreemde Staten te bevorderen en diplomatieke incidenten te vermijden. B.9.
  80. Het Hof dient nog te onderzoeken of de voorwaarden waaronder krachtens paragraaf 2 van het bestreden artikel 1412quinquies een uitzondering op het beginsel van de immuniteit kan worden gemaakt, namelijk, enerzijds, de verplichting om de voorafgaande toelating van de beslagrechter te verkrijgen en, anderzijds, aan te tonen dat in een van de limitatief opgesomde gevallen waarin beslag kan worden gelegd op de eigendommen van buitenlandse mogendheden, geen onevenredige aantasting van de rechten van de schuldeisers wordt teweeg gebracht. B.9.
  81. Noch het recht op toegang tot een rechter, noch het recht op het ongestoord genot van de eigendom zijn absoluut. Elk van die rechten kan het voorwerp van beperkingen door de wetgever uitmaken, op voorwaarde dat die beperkingen strekken tot het verwezenlijken van een legitiem doel en er een redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel bestaat. B.10.
  82. Met betrekking tot de beperking van het recht op toegang tot een rechter, bestaande in een weigering door een Staat om een rechterlijke uitspraak over de eigendommen van een andere Staat op zijn grondgebied gedwongen ten uitvoer te leggen, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld : « Het recht op toegang tot de rechtbanken is evenwel niet absoluut : het leent zich tot impliciet aangenomen beperkingen aangezien het, door de aard zelf ervan, een regeling door de Staat vereist. De Verdragsluitende Staten genieten ter zake een zekere beoordelingsmarge. Het staat nochtans aan het Hof om in laatste aanleg uitspraak te doen over de inachtneming van de vereisten van het Verdrag; het moet zich ervan vergewissen dat de toegepaste beperkingen de aan het individu geboden toegang niet op een zodanige wijze of in een zodanige mate inperken dat de essentie zelf van het recht erdoor wordt aangetast. Bovendien zijn dergelijke beperkingen enkel verenigbaar met artikel 6.1 indien zij een legitiem doel 21 nastreven en er een redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel bestaat. […] Het Hof moet eerst onderzoeken of de beperking een legitiem doel nastreefde. In dat verband wijst het erop dat de immuniteit van soevereine Staten een internationaalrechtelijk concept is, dat voortvloeit uit het beginsel par in parem non habet imperium, krachtens hetwelk een Staat niet aan de rechtsmacht van een andere Staat kan worden onderworpen. Het Hof is van oordeel dat met het verlenen van de soevereine immuniteit aan een Staat in een burgerlijke procedure het legitieme doel wordt nagestreefd het internationale recht na te leven teneinde de hoffelijkheid en de goede relaties tussen de Staten in de hand te werken. Het Hof dient vervolgens te bepalen of de beperking evenredig was met het nagestreefde doel. […] Het Verdrag dient op zodanige wijze te worden uitgelegd dat het verenigbaar is met de andere internationaalrechtelijke regels, waarvan het integraal deel uitmaakt, met inbegrip van die betreffende het verlenen van immuniteit aan Staten. Bijgevolg kunnen door een Hoge Verdragsluitende Partij genomen maatregelen die internationaalrechtelijke regels weerspiegelen die inzake immuniteit van Staten algemeen erkend zijn, niet op algemene wijze als een onevenredige inperking van het recht op toegang tot een rechtbank, zoals vastgelegd in artikel 6.1, worden beschouwd. Net zoals het recht op toegang tot een rechtbank inherent is aan de bij dat artikel toegekende waarborg van een eerlijk proces, moeten een aantal beperkingen van de toegang worden geacht daaraan inherent te zijn; een voorbeeld daarvan wordt teruggevonden in de beperkingen waarvan de gemeenschap der naties in het algemeen erkent dat zij voortvloeien uit de leer van de immuniteit van de Staten […]. […] Het Hof [is] van oordeel dat, hoewel de Griekse rechtbanken de Duitse Staat hebben veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de verzoekende partijen, zulks voor de Griekse Staat niet noodzakelijkerwijs de verplichting met zich meebrengt om de verzoekende partijen de invordering van hun schuldvordering te waarborgen via een procedure van gedwongen tenuitvoerlegging op het Griekse grondgebied » (EHRM, ontvankelijkheidsbeslissing van 12 december 2002, Kalogeropoulou e.a. t. Griekenland en Duitsland; zie eveneens EHRM, grote kamer, 21 november 2001, Al-Adsani t. Verenigd Koninkrijk; 21 november 2001, Fogarty t. Verenigd Koninkrijk; 21 november 2001, McElhinney t. Ierland). B.10.
  83. Bij dezelfde beslissing van 12 december 2002 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met betrekking tot de beperking van het recht op het ongestoord genot van de eigendom, geoordeeld dat het doel dat erin bestaat moeilijkheden in de relaties tussen twee Staten te voorkomen, een reden van « algemeen belang » in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag is en dat de weigering, door een Staat, aan de schuldeisers om op bepaalde eigendommen van een andere Staat onroerend beslag te leggen, een dergelijke reden dient. Het heeft geoordeeld dat de overwegingen die in het kader van het onderzoek van de inachtneming van artikel 6 van het Verdrag in aanmerking zijn genomen, 22 ook waren vereist in het kader van het onderzoek van de grief die uit de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol is afgeleid. B.
  84. In zoverre zij verband houdt met het voornemen van de wetgever om de goede diplomatieke betrekkingen van de Belgische Staat met de vreemde Staten veilig te stellen en de risico’s van diplomatieke incidenten te beperken, wordt met de bestreden wet een legitiem doel nagestreefd. B.12.
  85. De schuldeiser van een buitenlandse mogendheid kan de toelating van de beslagrechter verkrijgen om beslag te leggen op de eigendommen die zijn schuldenaar op het Belgische grondgebied bezit indien hij kan aantonen, ofwel, dat de buitenlandse mogendheid op uitdrukkelijke en specifieke wijze heeft ingestemd met de vatbaarheid voor beslag van het eigendom waarop hij beslag wenst te leggen, ofwel dat de buitenlandse mogendheid die eigendommen heeft gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vordering die onderwerp is van de titel die ten grondslag ligt aan het beslag, ofwel dat is vastgesteld dat de eigendommen in kwestie in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, op voorwaarde dat de eigendommen verband houden met de entiteit waartegen de titel die ten grondslag ligt aan het beslag, zich richt. B.12.
  86. De grieven van de verzoekende partijen hebben in de eerste plaats betrekking op de limitatieve opsomming van de voorwaarden waaronder de rechter het beslag kan toestaan, zodat hij de evenredigheid van de principiële niet-vatbaarheid voor beslag niet kan onderzoeken ten aanzien van de respectieve situatie van de partijen en, in het bijzonder, de vraag of de schuldeiser over andere redelijke rechtsmiddelen beschikt om zijn rechten doeltreffend te beschermen. B.13.
  87. Uit de in B.10 aangehaalde beslissingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat de beperkingen van het recht op toegang tot de rechter en van het recht op bescherming van de eigendom die voortvloeien uit de uitvoeringsimmuniteit die ten aanzien van eigendommen van vreemde Staten wordt erkend, worden aanvaard aangezien zij de internationaalrechtelijke regels weerspiegelen die inzake immuniteit van Staten algemeen erkend zijn. 23 B.13.
  88. Artikel 19 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen, ondertekend te New York op 2 december 2004, bepaalt : « Tegen eigendommen van een staat mogen geen executiemaatregelen worden getroffen zoals beslag, zekerheidsstelling of executie in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover : a) de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van maatregelen als vermeld : i) in een internationale overeenkomst; ii) in een arbitrageovereenkomst of in een schriftelijke overeenkomst; of iii) in een verklaring voor de rechter of een schriftelijke mededeling na het ontstaan van een geschil tussen partijen; of b) de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de vordering die onderwerp is van dat geding; of c) vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van de staat van het forum, met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte ». B.13.
  89. Dat Verdrag is nog niet in werking getreden. Bovendien heeft België het op 22 april 2005 ondertekend maar nog niet geratificeerd. De voormelde bepalingen kunnen evenwel als indicatief worden beschouwd voor het huidige internationale gebruik inzake uitvoeringsimmuniteit van Staten. Uit de in B.7.2 aangehaalde toelichting bij het wetsvoorstel dat aanleiding heeft gegeven tot de bestreden wet, blijkt overigens dat de wetgever de bedoelding had te anticiperen op de ratificatie van dat Verdrag. B.14.
  90. Uit de in B.10 aangehaalde beslissingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat dat Hof, om vast te stellen dat artikel 6.1 van het Verdrag en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag niet worden geschonden door de inachtneming van de aan de eigendommen van vreemde Staten verleende uitvoeringsimmuniteit, niet vereist dat wordt aangetoond dat de schuldeiser over andere redelijke rechtsmiddelen beschikt om zijn rechten te doen gelden. Het arrest dat op 18 februari 1999 in de zaak Waite en Kennedy t. Duitsland door het Europees Hof is gewezen en de beslissing van hetzelfde Hof van 5 maart 2013 in de zaak Chapman t. België, die door de 24 verzoekende partijen zijn aangehaald, hebben geen betrekking op de uitvoeringsimmuniteit van eigendommen van Staten, maar wel op die betreffende de eigendommen van supranationale organisaties. B.14.
  91. Bij een arrest van 3 februari 2012 heeft het Internationaal Gerechtshof geoordeeld dat de inschrijving van een gerechtelijke hypotheek op een in Italië gelegen villa die toebehoort aan Duitsland, een schending uitmaakt, door Italië, van zijn verplichting, krachtens het geldende internationale gewoonterecht, om de aan Duitsland verplichte immuniteit in acht te nemen, zonder de vraag te hebben onderzocht of de schuldeiser te dezen over een ander rechtsmiddel beschikte om zijn rechten te doen gelden (Duitsland t. Italië , Griekenland tussenkomende partij, §§ 109-120). B.14.
  92. De verzoekende partijen halen eveneens drie arresten aan waarbij het Hof van Cassatie op 21 december 2009 heeft geoordeeld dat « de vraag van de evenredigheid in elk geval apart moet worden onderzocht in het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak » en dat, « om te bepalen of de aantasting van de grondrechten aanvaardbaar is in het licht van artikel 6.1, […] overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onderzocht [moet] worden of de persoon tegen wie de immuniteit van tenuitvoerlegging aangevoerd wordt, over andere redelijke rechtsmiddelen beschikt om de hem bij het Verdrag gewaarborgde rechten op een efficiënte wijze te vrijwaren » (Cass., 21 december 2009, Arr. Cass., 2009, nrs. 768, 769 en 773). Die arresten hebben evenwel betrekking op de immuniteit van rechtsvervolging en van tenuitvoerlegging van bepaalde internationale organisaties en niet op de uitvoeringsimmuniteit betreffende de eigendommen van buitenlandse mogendheden. Daaruit kan bijgevolg geen aanwijzing over het internationale gebruik met betrekking tot die laatste categorie worden afgeleid. B.14.
  93. Bij een arrest van 11 december 2014 heeft het Hof van Cassatie overigens geoordeeld : « Het door […] artikel 6.1 [van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens] gewaarborgde recht van toegang tot de rechter zoals uitgelegd door het Europees Hof van de rechten van de mens kan niet tot gevolg hebben dat een Staat gedwongen wordt de regel van de uitvoeringsimmuniteit van de Staten, die ertoe strekt de optimale werking van de diplomatieke missies te verzekeren en, meer algemeen, de hoffelijkheid en de goede betrekkingen tussen soevereine Staten te bevorderen, tegen zijn wil in te negeren. 25 Het middel, dat aanvoert dat de aantasting van de fundamentele rechten door de uitvoeringsimmuniteit van de Staten slechts aanvaardbaar is ten aanzien van dat artikel 6.1 indien de persoon tegen wie de immuniteit wordt aangevoerd, over andere redelijke rechtsmiddelen beschikt om de hem door het Verdrag gewaarborgde rechten te beschermen, faalt naar recht » (Cass., 11 december 2014, Arr. Cass., 2014, nr. 782). B.14.
  94. Bijgevolg verplicht de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de door de verzoekende partijen aangevoerde bepalingen, de wetgever niet erin te voorzien dat de uitvoeringsimmuniteit van de eigendommen van buitenlandse mogendheden maar effectief is wanneer wordt aangetoond dat de schuldeiser over een ander redelijk rechtsmiddel beschikt om zijn rechten te doen gelden, aangezien een dergelijke vereiste, in de huidige toestand, noch door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch door het internationale gebruik, noch door het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 wordt opgelegd. B.15.
  95. Voor het overige zetten de verzoekende partijen niet uiteen krachtens welke internationaalrechtelijke regel de beslagrechter ertoe zou moeten worden gemachtigd de evenredigheid van de niet-vatbaarheid voor beslag in concreto te onderzoeken ten aanzien van de bijzondere situatie van de schuldeiser en ten aanzien van die van de schuldenaar. De uitvoeringsimmuniteit met betrekking tot de eigendommen van Staten die zich op het grondgebied van andere Staten bevinden, is immers een algemeen aanvaard internationaalrechtelijk beginsel waarvan de inwerkingstelling zich, onder voorbehoud van de hierna onderzochte uitzonderingen, niet tot een concrete evenredigheidstoets kan lenen. B.15.
  96. De verzoekende partijen zijn eveneens van mening dat de bestreden maatregel onevenredig is in zoverre hij van toepassing is op alle eigendommen van buitenlandse mogendheden, met inbegrip van bankrekeningen, en niet enkel op die welke worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik om de continuïteit van de diplomatieke diensten te waarborgen. B.15.
  97. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, beperkt het doel van de bestreden bepaling zich niet tot het vrijwaren van de werking van de diplomatieke en consulaire zendingen op het grondgebied, maar heeft het, in ruimere zin, ook betrekking op het behoud van de goede relaties die op internationaal vlak door België met buitenlandse mogendheden worden onderhouden. Ten aanzien van dat legitieme doel is het niet onevenredig te voorzien in een immuniteit die alle eigendommen van buitenlandse 26 mogendheden omvat, en niet enkel de eigendommen die noodzakelijk zijn voor de werking van de diplomatieke diensten, aangezien de dwangmaatregelen met betrekking tot eender welk eigendom van een buitenlandse mogendheid een verslechtering van de diplomatieke betrekkingen van België met de betrokken Staat met zich mee kunnen brengen. Met betrekking tot de voorwaarden waaronder een beslag kan worden toegestaan B.16.
  98. Paragraaf 2 van artikel 1412quinquies voorziet in drie gevallen waarin, in afwijking van het algemene beginsel van de uitvoeringsimmuniteit, een bewarend of uitvoerend beslag kan worden toegestaan door de beslagrechter. Krachtens het 3° van die paragraaf kan op de eigendommen die « in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden », beslag worden gelegd, aangezien het beslag enkel betrekking heeft « op eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen de […] titel » die ten grondslag ligt aan het beslag « […] zich richt ». Daaruit vloeit voort dat de eigendommen van buitenlandse mogendheden die op het Belgische grondgebied zijn gelegen, in twee categorieën moeten worden ingedeeld. Op de eigendommen waarvan wordt bewezen dat zij worden gebruikt of dat zij beoogd zijn voor gebruik voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, kan beslag worden gelegd. Op de eigendommen die worden gebruikt of die beoogd zijn voor gebruik voor niet-commerciële overheidsdoeleinden, kan in beginsel geen beslag worden gelegd. De bepaling voorziet echter in twee gevallen waarin beslag kan worden gelegd op de eigendommen die tot die tweede categorie behoren. Krachtens het 1° van de bepaling kan de beslagrechter een beslag met betrekking tot een eigendom die tot die categorie van in beginsel niet voor beslag vatbare eigendommen behoort, toestaan indien wordt bewezen dat de buitenlandse mogendheid « op uitdrukkelijke en specifieke wijze heeft ingestemd » met de vatbaarheid voor beslag ervan. Krachtens het 2° van de bepaling kan de beslagrechter een beslag met betrekking tot een eigendom dat tot die categorie van in beginsel niet voor beslag vatbare eigendommen behoort, toestaan indien wordt bewezen dat de buitenlandse mogendheid « die eigendommen heeft gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vordering » die onderwerp is van de titel die ten grondslag ligt aan het beslag. 27 B.16.
  99. De grieven van de verzoekende partijen hebben betrekking op de vereiste, wat het 1° van de bepaling betreft, dat de afstand van de immuniteit uitdrukkelijk en specifiek moet zijn en op de vereiste, wat het 3° van de bepaling betreft, dat de betrokken eigendommen door de buitenlandse mogendheid voor andere dan commerciële doeleinden moeten worden gebruikt. B.17.
  100. Met betrekking tot die laatste grief is de door de wetgever in het 3° van artikel 1412quinquies, § 2, in aanmerking genomen formulering identiek aan die welke wordt gebruikt in het in B.13.2 aangehaalde artikel 19, c), van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december
  101. Krachtens die bepaling kunnen de eigendommen van de vreemde Staat die in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de Staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, het voorwerp van uitvoeringsmaatregelen uitmaken. B.17.
  102. Die bepaling is eveneens in overeenstemming met het internationale gebruik, zoals het onder meer door het Internationaal Gerechtshof is vastgesteld : « Het volstaat […] vast te stellen dat er minstens één voorwaarde bestaat waaraan moet worden voldaan opdat een dwangmaatregel ten aanzien van een eigendom van een vreemde Staat kan worden genomen : dat de in het geding zijnde eigendom wordt gebruikt ten behoeve van een activiteit waarmee geen niet-commerciële overheidsdoeleinden worden nagestreefd, of […] » (Int. Ger., 3 februari 2012, Duitsland t. Italië, Griekenland tussenkomende partij, § 118). B.17.
  103. In zoverre het bepaalt dat een uitzondering wordt gemaakt op het beginsel van de uitvoeringsimmuniteit van de eigendommen van buitenlandse mogendheden indien wordt vastgesteld dat die eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, is artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek in overeenstemming met het internationaal publiekrecht en schendt het de in de middelen aangevoerde bepalingen dus niet. B.18.
  104. Met betrekking tot de grief in verband met het 1° van paragraaf 2 van de bestreden bepaling voorziet het in B.13.2 aangehaalde artikel 19 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 erin dat de Staten « uitdrukkelijk » kunnen instemmen met het nemen van executiemaatregelen tegen eigendommen die worden gebruikt of beoogd 28 zijn voor gebruik voor niet-commerciële overheidsdoeleinden en dat in dat geval beslag erop kan worden gelegd. In het voormelde arrest van het Internationaal Gerechtshof wordt eveneens gepreciseerd dat het, teneinde te besluiten tot de mogelijkheid om beslag te leggen op een eigendom van een buitenlandse mogendheid, volstaat vast te stellen dat de vreemde Staat « uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van een executiemaatregel » (Int. Ger., op. cit.). In zoverre het bepaalt dat het beslag door de rechter kan worden toegestaan indien wordt aangetoond dat de buitenlandse mogendheid « uitdrukkelijk » heeft ingestemd met de maatregel, gaat het 1° van paragraaf 2 van artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, dat bij de bestreden bepaling is ingevoerd, niet verder dan hetgeen door het voormelde Verdrag en door het internationale gebruik wordt vereist. B.18.
  105. Daarentegen vereist artikel 19 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 niet dat de eigendommen waarop beslag wordt gelegd, door de buitenlandse mogendheid « op specifieke wijze » in die zin moeten zijn aangewezen dat zij het voorwerp van een executiemaatregel kunnen uitmaken. Het voormelde arrest van het Internationaal Gerechtshof bevat die voorwaarde evenmin. Door te vereisen dat de afstand van de immuniteit niet alleen uitdrukkelijk maar ook specifiek dient te zijn, gaat artikel 1412quinquies, § 2, 1°, dus verder dan hetgeen het internationale gebruik ter zake vereist. B.19.
  106. Bij de eigendommen van een buitenlandse mogendheid die op het grondgebied van het Koninkrijk zijn gelegen, dient evenwel een onderscheid te worden gemaakt tussen de eigendommen die worden gebruikt door de diplomatieke zendingen, de consulaire posten en de vertegenwoordigingen bij internationale organisaties en de andere eigendommen. Met betrekking tot de eerstgenoemde moet rekening worden gehouden met het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer en met de regel van internationaal gewoonterecht ne impediatur legatio. 29 B.19.
  107. Artikel 22, lid 3, van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 bepaalt : « De gebouwen van de zending, het meubilair en andere daar aanwezige voorwerpen, alsmede de vervoermiddelen van de zending, zijn gevrijwaard tegen onderzoek, vordering, beslaglegging of executoriale maatregelen ». Artikel 25 van hetzelfde Verdrag bepaalt : « De ontvangende Staat verleent de zending alle faciliteiten ten behoeve van de uitoefening van haar werkzaamheden ». B.19.
  108. Bij een arrest van 22 november 2012 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : « Krachtens de regel van internationaal gewoonterecht ne impediatur legatio, volgens welke de werking van de diplomatieke zending niet belemmerd mag worden, genieten alle goederen van die zending die dienen voor haar werking een autonome uitvoeringsimmuniteit die boven die van de [zendstaat] staat. Daaruit volgt dat geen enkel beslag of dwangmaatregel kan worden toegepast op de goederen die aangewend worden voor de werking van een diplomatieke zending, tenzij de [zendstaat] uitdrukkelijk toestaat dat er voor die categorie goederen of een gedeelte van de categorie dwangmaatregelen worden genomen » (Cass., 22 november 2012, Arr. Cass., 2012, nr. 630). B.19.
  109. Uit die regel van internationaal gewoonterecht en uit de voormelde bepalingen van het Verdrag van Wenen vloeit voort, zoals het Hof van Cassatie in het voormelde arrest heeft geoordeeld, dat de eigendommen die worden aangewend voor de werking van de diplomatieke zendingen, met inbegrip van de bankrekeningen die erdoor worden gebruikt, worden gedekt door een bijzondere uitvoeringsimmuniteit die enkel kan worden opgeheven indien de buitenlandse mogendheid die schuldenaar is, op uitdrukkelijke en specifieke wijze afstand ervan doet. B.20.
  110. In zoverre zij van toepassing is op de eigendommen die worden gebruikt door de diplomatieke zendingen van de in België geaccrediteerde buitenlandse mogendheden, met inbegrip van de bankrekeningen, gaat de vereiste dat de afstand van de uitvoeringsimmuniteit uitdrukkelijk en specifiek moet zijn, dus niet verder dan hetgeen voortvloeit uit de ter zake algemeen erkende internationaalrechtelijke regels. Zij schendt bijgevolg noch het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op 30 toegang tot een rechter, noch het door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag gewaarborgde recht op het ongestoord genot van de eigendom. Daarentegen, in zoverre zij van toepassing is op de andere eigendommen van buitenlandse mogendheden die worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik voor niet-commerciële overheidsdoeleinden, gaat de vereiste dat de afstand van de uitvoeringsimmuniteit specifiek moet zijn, verder dan hetgeen voortvloeit uit de ter zake algemeen erkende internationaalrechtelijke regels. In die mate schendt zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. B.20.
  111. Het Hof merkt overigens op dat de verantwoording voor het amendement dat heeft geleid tot het invoegen van het woord « specifieke » in 1° van paragraaf 2 van artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, enkel betrekking heeft op de « diplomatieke goederen van buitenlandse staten, waaronder de bankrekeningen van ambassades » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1241/004, p. 3). B.
  112. In artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 23 augustus 2015, dienen de woorden « en specifieke » te worden vernietigd, maar enkel in zoverre dat artikel van toepassing is op de eigendommen die niet worden aangewend voor de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de buitenlandse mogendheid of van haar consulaire posten, haar speciale zendingen, haar vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties. Met betrekking tot de verplichting om de voorafgaande toelating van de beslagrechter te verkrijgen B.
  113. De verzoekende partijen zijn van mening dat de verplichting om vóór elk beslag op eigendommen van buitenlandse mogendheden de toelating van de beslagrechter te verkrijgen discriminerend is in zoverre zij enkel van toepassing is op de schuldeisers van buitenlandse mogendheden, in zoverre zij ertoe leidt dat die eigendommen in de praktijk niet vatbaar voor beslag worden, en in zoverre zij de schuldeiser verplicht om het bewijs te leveren dat een van 31 de voormelde voorwaarden wordt vervuld, hetgeen een omkering van de bewijslast zou uitmaken, en terwijl dat bewijs, in het bijzonder wanneer het het derde geval betreft, onmogelijk te overleggen zou zijn, in elk geval wanneer het om bankrekeningen gaat. B.23.
  114. De verplichting om de toelating van de beslagrechter vóór elk beslag op eigendommen van een buitenlandse mogendheid te verkrijgen werd in de bestreden bepaling ingevoerd bij een amendement dat ertoe strekt tegemoet te komen aan het advies van de Raad van State (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1241/004, p. 2), die had opgemerkt : « Krachtens de voorgestelde bepaling zal beslag op de daarin bedoelde eigendommen mogelijk blijven wanneer die eigendommen ‘ in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik […] voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden ’ en alleen ‘ met dien verstande dat uitsluitend beslag kan worden gelegd op eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken, die al naargelang het geval ten grondslag ligt aan het beslag, zich richt ’. De vraag rijst of het niet raadzaam zou zijn te voorzien in een voorafgaande gerechtelijke procedure die het mogelijk maakt zich er nog vóór enig beslag van te vergewissen dat aan die voorwaarden is voldaan » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1241/003, p. 4). B.23.
  115. Uit de besprekingen in de Commissie voor de Justitie van de Kamer blijkt dat de wetgever meer rechtszekerheid wou bieden aan buitenlandse mogendheden. Aldus heeft de minister gepreciseerd : « Het beslag kan momenteel worden gelegd binnen een dermate korte tijdsspanne en soms zonder dat een rechter optreedt, dat er niet vanuit mag worden gegaan dat wie daartoe overgaat het internationaal recht perfect kent. Het is dus de bedoeling rechtszekerheid te waarborgen in ons Gerechtelijk Wetboek. De plaatselijke beslagrechters en gerechtsdeurwaarders kennen het internationaal diplomatiek recht niet altijd goed » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1241/005, p. 9). B.23.
  116. De wetgever heeft zich bovendien geïnspireerd op de soortgelijke procedure waarin in artikel 1412quater van het Gerechtelijk Wetboek is voorzien, waarbij, enerzijds, de principiële niet-vatbaarheid voor beslag wordt vastgesteld van de tegoeden die door buitenlandse centrale banken en internationale monetaire autoriteiten in België worden aangehouden of beheerd, en, anderzijds, ook de uitzondering op dat beginsel wordt bepaald wanneer de schuldeiser kan aantonen dat de tegoeden waarop hij beslag wenst te leggen, uitsluitend bestemd zijn voor een economische of commerciële privaatrechtelijke activiteit. 32 B.
  117. Om de in B.8.3 en B.8.4 vermelde redenen is het criterium waarop het verschil in behandeling tussen de schuldeisers van buitenlandse mogendheden en alle andere schuldeisers berust, die in de regel geen voorafgaande toelating van de rechter moeten verkrijgen om over te gaan tot een dwangmaatregel ten aanzien van het vermogen van hun schuldenaar, objectief en pertinent. De bijzondere situatie van de schuldenaars die buitenlandse mogendheden zijn en de regels met betrekking tot de soevereiniteit van Staten kunnen verantwoorden dat de wetgever het leggen van beslag op eigendommen die hun op het Belgische grondgebied toebehoren, heeft willen onderwerpen aan een procedure die kan waarborgen dat de inachtneming van zowel het interne recht als het internationaal publiekrecht wordt verzekerd. In dat verband is het niet zonder redelijke verantwoording om vóór elke uitvoeringsmaatregel het optreden van een gespecialiseerd rechter op te leggen. B.25.
  118. Met betrekking tot de grieven van de verzoekende partijen over de omkering van de bewijslast die door de bestreden bepaling zou worden teweeggebracht, is het juist dat de gewone procedure tot betwisting a posteriori van het gelegde beslag, voor de beslagrechter, beide partijen ertoe kan brengen samen te werken om het bewijs te leveren van de bestemming van de eigendommen waarop beslag is gelegd. Een dergelijke samenwerking is per definitie onmogelijk wanneer vooraf bij de rechter op eenzijdig verzoekschrift een verzoek om toelating tot het nemen van een uitvoeringsmaatregel wordt ingediend en de schuldenaar bijgevolg niet ervan op de hoogte wordt gebracht. Krachtens paragraaf 2 van artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek komt het enkel de schuldeiser toe aan te tonen dat aan een van de voorwaarden is voldaan waardoor van het beginsel van niet-vatbaarheid voor beslag kan worden afgeweken. B.25.
  119. Daaruit volgt evenwel niet dat de bestreden bepaling een onverantwoorde omkering van de bewijslast zou teweegbrengen of dat het op de schuldeisers rustende bewijs onmogelijk te overleggen zou zijn, zelfs wanneer het de bedoeling is aan te tonen dat de eigendommen waarop de overwogen uitvoeringsmaatregel betrekking heeft, worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. Aldus lijkt bijvoorbeeld het bewijs van het gebruik van eigendommen, van onroerende of roerende aard, voor niet-overheidsdoeleinden niet in alle gevallen onmogelijk te leveren. B.26.
  120. Wat specifiek de bankrekeningen van een ambassade betreft, moet worden opgemerkt dat zij een vermoeden van aanwending voor soevereine doeleinden genieten, 33 krachtens een regel van internationaal gewoonterecht. Dat vermoeden wordt bevestigd bij artikel 21 van het Verdrag van New York van 2 december 2004, dat bepaalt : «
  121. Met name de volgende categorieën van eigendommen van een staat worden niet aangemerkt als eigendommen die in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden uit hoofde van artikel 19, onderdeel c : a) eigendommen, met inbegrip van banktegoeden, die worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de staat of zijn consulaire posten, speciale missies, vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties; […] ». B.26.
  122. Daarenboven vormen de rekeningafschriften en bankdocumenten een archief en documenten die bij artikel 24 van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer worden beschermd, volgens hetwelk zij onschendbaar zijn. Uit die onschendbaarheid vloeit voort dat de vreemde Staat niet ertoe kan worden gedwongen ze in rechte te overleggen, zodat de rechter de schuldenaar, buitenlandse mogendheid, niet ertoe zou kunnen verplichten te bewijzen dat die fondsen voor niet-commerciële overheidsdoeleinden worden gebruikt. B.26.
  123. Het « vrijwel niet voor beslag vatbare » karakter van de door ambassades, consulaten en diplomatieke vertegenwoordigingen van vreemde Staten in België gebruikte bankrekeningen, dat door de verzoekende partijen wordt bekritiseerd, vindt zijn oorsprong dan ook niet in de bestreden wet, maar wel in de verdrags- en gewoonterechtelijke regels van het internationaal publiekrecht. B.27.
  124. Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden bepaling geen aantasting van de rechten van de schuldeisers met zich meebrengt die onevenredig is ten opzichte van het nagestreefde doel dat erin bestaat de goede diplomatieke betrekkingen van de Belgische Staat met vreemde Staten te behouden. B.27.
  125. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met, enerzijds, artikel 13 van de Grondwet en artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en, anderzijds, artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend 34 Protocol bij dat Verdrag, worden niet geschonden door artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre het de schuldeiser van een buitenlandse mogendheid verplicht om de toelating van de beslagrechter te verkrijgen vóór de uitvoering van een dwangmaatregel ten aanzien van de in België gelegen eigendommen van zijn schuldenaar. B.
  126. Onverminderd de vernietiging van artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek in de in B.21 aangegeven mate, zijn het eerste middel (eerste en tweede onderdeel) tot en met het derde middel in de zaak nr. 6372 en het eerste en het tweede middel in de zaak nr. 6373 niet gegrond. Ten aanzien van de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met de Brussel Ibis-Verordening B.29.
  127. Met het derde onderdeel van het eerste middel klaagt de verzoekende partij in de zaak nr. 6372 aan dat de bestreden wet afbreuk doet aan de door de Brussel Ibis-Verordening gewaarborgde rechten. B.29.
  128. Artikel 39 van die verordening bepaalt : « Een in een lidstaat gegeven beslissing die in die lidstaat uitvoerbaar is, is in andere lidstaten uitvoerbaar zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist ». Artikel 41, lid 1, van dezelfde verordening bepaalt : « Onder voorbehoud van het bepaalde in deze afdeling, wordt de procedure voor tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gegeven beslissingen beheerst door het recht van de aangezochte lidstaat. Een in een lidstaat gegeven beslissing die in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is, wordt er onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing ». B.30.
  129. Artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek heeft noch tot doel, noch tot gevolg de aan rechterlijke uitspraken verbonden uitvoerbare kracht te belemmeren, ongeacht of die in België of in de andere lidstaten worden gewezen. De principiële niet-vatbaarheid voor beslag die het invoert met betrekking tot de eigendommen van buitenlandse mogendheden, beperkt de mogelijkheden tot uitvoering van de beslissingen over 35 bepaalde eigendommen maar doet als dusdanig geen afbreuk aan het uitvoerbare karakter van de beslissingen en verhindert de schuldeisers trouwens niet om de beslissingen te laten uitvoeren die zij hebben verkregen over de eigendommen die, krachtens de bij paragraaf 2 van die bepaling vastgestelde uitzonderingen op het beginsel van de niet-vatbaarheid voor beslag, het voorwerp van dwangmaatregelen kunnen uitmaken. B.30.
  130. Voor het overige kan de Brussel Ibis-Verordening niet worden geïnterpreteerd op een wijze die haar strijdig maakt met de gewoonterechtelijke regels van internationaal recht waarbij het beginsel van de uitvoeringsimmuniteit met betrekking tot de eigendommen van buitenlandse mogendheden wordt vastgesteld. B.30.
  131. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, bestaat er geen aanleiding om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de door de Ministerraad in uiterst ondergeschikte orde gesuggereerde vraag te stellen. B.
  132. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6372 is niet gegrond. Ten aanzien van het toepassingsgebied ratione personae van artikel 1412quinquies B.
  133. Het vierde middel in de zaak nr. 6372 en het vierde middel in de zaak nr. 6373 betreffen artikel 1412quinquies, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De grieven van de verzoekende partijen hebben betrekking op het vage en te ruime karakter van het begrip « buitenlandse mogendheid » en op de uitbreiding van de draagwijdte van de niet-vatbaarheid voor beslag tot de eigendommen van de in die bepaling opgesomde entiteiten, met inbegrip van de entiteiten die niet over rechtspersoonlijkheid beschikken. Het te ruime toepassingsgebied van de niet-vatbaarheid voor beslag zou op discriminerende wijze afbreuk doen aan de rechten van de schuldeisers van buitenlandse mogendheden. B.33.
  134. De wetgever heeft het toepassingsgebied van de bestreden bepaling aangepast aan dat van artikel 1412ter van het Gerechtelijk Wetboek, waarin dezelfde begrippen worden gebruikt als die welke door de verzoekende partijen worden bekritiseerd (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1241/005, p. 7). Die bepaling voorziet in de niet-vatbaarheid voor beslag 36 van de cultuurgoederen van buitenlandse mogendheden die zich op het Belgische grondgebied bevinden met het oog op een openbare en tijdelijke tentoonstelling op dat grondgebied. B.33.
  135. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet waarbij artikel 1412ter in het Gerechtelijk Wetboek is ingevoegd (wet van 14 juni 2004 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het instellen van een uitvoeringsimmuniteit ten aanzien van buitenlandse cultuurgoederen die in België voor het publiek vertoond worden), wordt vermeld dat de auteur van het voorontwerp aanvankelijk het begrip « buitenlandse mogendheid » had gebruikt om ook de internationale organisaties te beogen (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1051/001, p. 5). De Raad van State heeft evenwel doen opmerken dat hij zo leek af te wijken van de gebruikelijke betekenis van het begrip (ibid., p. 9), zodat het toepassingsgebied van de bepaling bij paragraaf 3, vierde lid, ervan uitdrukkelijk werd uitgebreid tot de cultuurgoederen van internationale organisaties. Hetzelfde geldt voor artikel 1412quinquies, dat uitdrukkelijk voorziet in de toepassing ervan op de eigendommen van internationale organisaties in paragraaf 3, tweede lid, ervan, waarin het begrip « buitenlandse mogendheid » overigens tegenover het begrip « publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie » wordt geplaatst. B.33.
  136. Daaruit moet worden besloten dat de bestreden bepaling, door het gebruik van de term « buitenlandse mogendheid », de vreemde Staten beoogt, in de betekenis die dat begrip in het internationaal publiekrecht heeft, zodat dat begrip niet vaag is en het gebruik ervan geen discriminerende aantasting van de rechten van de schuldeisers met zich meebrengt. B.34.
  137. De begrippen « deelgebied », « geleding » en « territoriaal gedecentraliseerd bestuur » zijn bekend in het internationaal publiekrecht en leiden evenmin tot verwarring. Het begrip « andere politieke opdeling » maakt het mogelijk de subnationale entiteiten te beogen die door een vreemde Staat onder een bepaalde benaming zouden kunnen worden opgericht en waarvan de eigendommen, zo niet, buiten de bescherming zouden kunnen vallen. B.34.
  138. Daarenboven wordt in artikel 2 van het voormelde Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 gepreciseerd dat, voor de toepassing van dat Verdrag, onder « staat » met name « de onderdelen van een federale staat of de staatkundige onderdelen van 37 de staat » wordt verstaan. Het begrip « politieke opdeling » is bijgevolg noch nieuw, noch onbekend in het internationaal publiekrecht. B.
  139. Ten slotte kan het doel van het behoud van de goede diplomatieke en internationale betrekkingen van België een verantwoording vormen voor het beschermen van niet alleen de eigendommen van Staten, maar ook van de eigendommen van de entiteiten, besturen, geledingen en politieke opdelingen waaruit de Staat bestaat, in zoverre een dwangmaatregel die wordt uitgeoefend ten aanzien van die eigendommen, op dezelfde wijze als een gelijkwaardige maatregel die wordt uitgeoefend ten aanzien van eigendommen die rechtstreeks aan de Staat toebehoren, tot gevolg kan hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de goede diplomatieke betrekkingen van België met de betrokken Staat. B.
  140. Het vierde middel in de zaak nr. 6372 en het vierde middel in de zaak nr. 6373 zijn niet gegrond. Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen contractuele schuldeisers en buitencontractuele schuldeisers B.
  141. Met het derde middel in de zaak nr. 6373 vraagt de verzoekende partij het Hof om het verschil in behandeling te onderzoeken dat bij artikel 1412quinquies, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek in het leven zou worden geroepen tussen de schuldeisers van een buitenlandse mogendheid, naargelang de schuldvordering die zij doen gelden, haar oorsprong in een overeenkomst of in een niet-contractuele verplichting vindt, in zoverre aan de eerste twee in die bepaling vermelde gevallen waarin de beslagrechter een uitvoeringsmaatregel toestaat ten aanzien van de eigendommen van een buitenlandse mogendheid, gemakkelijker en zelfs uitsluitend zou kunnen worden tegemoetgekomen in de hypothese van een schuldvordering die uit een contractuele relatie tussen de buitenlandse mogendheid en haar schuldenaar is ontstaan. B.38.
  142. De bestreden bepaling voert geen verschil in behandeling tussen schuldeisers in volgens de contractuele of buitencontractuele oorsprong van hun schuldvordering. Alle schuldeisers van buitenlandse mogendheden worden met dezelfde immuniteiten 38 geconfronteerd en beschikken over dezelfde mogelijkheden om van die immuniteiten af te wijken. B.38.
  143. Het is juist dat de schuldeiser die een contractuele relatie met zijn schuldenaar heeft gehad, bij de precontractuele onderhandelingen ervoor heeft kunnen zorgen dat hem een mogelijkheid tot afwijking van de immuniteit met betrekking tot de eigendommen van buitenlandse mogendheden werd geboden door in de overeenkomst een beding te laten opnemen waarbij de buitenlandse mogendheid, schuldenaar, bepaalde eigendommen heeft gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vordering indien de overeenkomst niet zou worden uitgevoerd. B.38.
  144. Het feit dat een dergelijke mogelijkheid niet bestaat voor een schuldeiser wiens schuldvordering een buitencontractuele oorsprong heeft, brengt echter geen discriminatie teweeg die in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien de bestreden bepaling twee andere gevallen bevat waarin van het beginsel van de immuniteit met betrekking tot de eigendommen van buitenlandse mogendheden wordt afgeweken. Aldus wordt a priori niet uitgesloten dat een buitencontractuele schuldeiser kan aantonen dat zijn schuldenaar op uitdrukkelijke en, onverminderd de vernietiging van artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek in de in B.21 aangegeven mate, specifieke wijze heeft ingestemd met de vatbaarheid voor beslag van bepaalde eigendommen die hem toebehoren. Ten slotte bestaat de mogelijkheid om vast te stellen dat bepaalde eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, op identieke wijze voor contractuele en buitencontractuele schuldeisers. B.
  145. Het derde middel in de zaak nr. 6373 is niet gegrond. Ten aanzien van de ontstentenis van overgangsbepalingen B.40.
  146. Het vijfde middel in de zaak nr. 6372 is afgeleid uit de schending van de in B.3 aangehaalde referentienormen, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel. De verzoekende partij klaagt aan dat de wetgever heeft nagelaten om de bestreden wet gepaard te doen gaan met overgangsbepalingen, zodat zij niet alleen van toepassing is op de uitvoering 39 van schuldvorderingen die na de inwerkingtreding ervan zijn ontstaan, maar ook op de uitvoering van schuldvorderingen die vóór de inwerkingtreding ervan zijn ontstaan, en zelfs op de beslagprocedures die op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan aan de gang waren. B.40.
  147. Zoals de Ministerraad doet opmerken, kan de geldigheid van het beslag dat vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet zonder de voorafgaande toelating van de beslagrechter is gelegd, krachtens de regels met betrekking tot de toepassing van de wetten in de tijd, niet alleen om die reden in het geding worden gebracht. De rechter bij wie een verzet tegen een beslag van vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet aanhangig is gemaakt, past op dat beslag het recht toe dat op het ogenblik van het beslag van kracht is. Daarentegen kan, sedert de inwerkingtreding van de bestreden wet, geen enkel beslag op eigendommen van een buitenlandse mogendheid worden gelegd zonder de voorafgaande toelating van de rechter, die de bij artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde voorwaarden met betrekking tot de afwijkingen van het beginsel van de niet-vatbaarheid voor beslag van de eigendommen van buitenlandse mogendheden toepast. B.41.
  148. Wanneer de wetgever meent dat een beleidsverandering noodzakelijk is, kan hij beslissen daaraan een onmiddellijk gevolg te geven en in beginsel is hij niet ertoe gehouden te voorzien in een overgangsregelin

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.