id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.159 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181122.6 Arrest- Rolnummer: 159/2018 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2018-12-18 Raadplegingen: 431 - laatst gezien 2026-06-29 10:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De ontstentenis van een wetsbepaling die de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie, hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie en die daarbij in het ongelijk wordt gesteld, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel. Strafrechtspleging - Rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet ten laste van de burgerlijke partij - Hoger beroep ingesteld door uitsluitend de burgerlijke partij tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling die is gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie - Uitsluiting. Tekst van de beslissing Rolnummer 6796 Arrest nr. 159/2018 van 22 november 2018 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 14 december 2017 in zake K.T., met als burgerlijke partijen C.H. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 december 2017, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de (buitenvervolging gestelde) inverdenkinggestelde recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de burgerlijke partij die het onderzoek heeft ingeleid door een burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, terwijl de (buitenvervolging gestelde) inverdenkinggestelde in hoger beroep geen aanspraak zou kunnen maken op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de burgerlijke partij die, hoewel zij de strafvervolging niet heeft ingeleid, niettemin hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing tot buitenvervolgingstelling bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet en Mr. Y. Peeters, advocaten bij de balie te Brugge, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 18 juli 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 september 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 19 september 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 20 februari 2014 vordert de procureur des Konings het instellen van een gerechtelijk onderzoek ten laste van door het onderzoek te bepalen personen wegens onopzettelijke doodslag van M.F. In navolging van die vordering stellen C.H., V.F. en N.F., de nabestaanden van M.F., zich burgerlijke partij voor de onderzoeksrechter. Hangende het gerechtelijk onderzoek wordt K.T. in verdenking gesteld. In zijn eindvordering vordert het openbaar ministerie de buitenvervolgingstelling van K.T. Bij beschikking van 28 februari 2017 oordeelt de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven dat er, bij gebrek aan voldoende ernstige bezwaren, geen reden bestaat tot vervolging van de inverdenkinggestelde. De kosten worden ten laste van de Belgische Staat gelegd. Op 15 maart 2017 stellen de burgerlijke partijen hoger beroep in tegen die beschikking. De kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt de bestreden beslissing. Wat de kosten betreft, vordert K.T. de veroordeling van de burgerlijke partijen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. De kamer van inbeschuldigingstelling stelt vast dat artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering het niet 3 mogelijk maakt een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de burgerlijke partij die zich bij de door het openbaar ministerie ingestelde strafvervolging heeft gevoegd. Het is in die omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling beslist de hogervermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De Ministerraad is van oordeel dat de in de prejudiciële vraag vergeleken categorieën van personen wezenlijk verschillend en dus niet vergelijkbaar zijn. Minstens zou het onderscheid in behandeling redelijk verantwoord zijn. De eerste categorie van personen maakt het voorwerp uit van een strafvervolging die werd opgestart door een burgerlijkepartijstelling in handen van de onderzoeksrechter. In dat geval is de burgerlijke partij zelf de oorzaak van het opstarten van de strafvervolging, hetgeen verantwoordt dat zij veroordeeld kan worden tot vergoeding van de proceskosten die hierbij zijn ontstaan. De tweede categorie van personen maakt het voorwerp uit van een strafvervolging die werd ingeleid door het openbaar ministerie, waarbij de burgerlijke partij zich in handen van de onderzoeksrechter heeft aangesloten. In dat geval is de burgerlijke partij niet zelf de oorzaak van het opstarten van de strafvervolging, en kan zij daarvoor dan ook niet aansprakelijk worden gesteld. A.1.
- De Ministerraad verwijst ter zake naar de rechtspraak van het Hof, waarin het reeds meermaals heeft geoordeeld dat het redelijk verantwoord is dat de burgerlijke partij slechts tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding wordt veroordeeld wanneer zij zelf de strafvordering op gang heeft gebracht, en niet wanneer zij haar vordering heeft doen aansluiten bij een door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering. Het feit dat de burgerlijke partij de strafvervolging niet heeft ingeleid maar wel als enige hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling, leidt niet tot een ander resultaat. Door hoger beroep in te stellen tegen die beschikking, verlengt de burgerlijke partij enkel de door het openbaar ministerie opgestarte strafvervolging. Ook in dat geval is het nog steeds het openbaar ministerie en niet de burgerlijke partij die verantwoordelijk is voor de strafvervolging. A.1.
- Het feit dat het Hof bij zijn arrest nr. 113/2016 heeft geoordeeld dat artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, leidt evenmin tot een ander resultaat. Terwijl die zaak die tot dat arrest aanleiding heeft gegeven betrekking had op de rechtsplegingsvergoeding in de procedure voor de vonnisgerechten, betreft de onderhavige zaak de procedure voor de onderzoeksgerechten. Beide situaties zijn wezenlijk verschillend. Voor de vonnisgerechten heeft het hoger beroep van de burgerlijke partij enkel tot gevolg dat de burgerlijke rechtsvordering voor de appelrechter wordt gebracht. Bij gebrek aan hoger beroep van het openbaar ministerie neemt de strafvordering een einde. Anders is het voor de onderzoeksgerechten, waar het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling hetzelfde gevolg heeft als het hoger beroep van het openbaar ministerie : in beide gevallen onderwerpt het de strafvordering aan het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling, die zich enkel over die strafvordering en niet over de burgerlijke vordering zal uitspreken. De overwegingen van het Hof in zijn arrest nr. 113/2016 zijn dan ook niet per analogie van toepassing in onderhavige zaak. Anders dan in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, kan in de voorliggende zaak niet worden gesteld dat de burgerlijke partij die als enige hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling een recht uitoefent « om haar zaak opnieuw te laten beoordelen door een hoger rechtscollege ». Zij houdt te dezen enkel de strafvervolging in stand, zodat - zelfs bij ontstentenis van hoger beroep van het openbaar ministerie - de vordering van de burgerlijke partij in hoger beroep nog steeds aansluit bij de vordering die door het openbaar ministerie wegens het algemeen belang op gang is gebracht. 4 A.1.
- Tot slot voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde maatregel evenredig is met het nagestreefde doel. De buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde beschikt immers steeds over de mogelijkheid om van de burgerlijke partij een schadevergoeding te vorderen wegens tergend en roekeloos hoger beroep. -B– B.
- Artikel 128 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 24 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, en aangevuld bij artikel 8 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt : « Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging. In dat geval en indien het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggestelde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek ». Die vergoeding betreft de rechtsplegingsvergoeding, zijnde « een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij » (artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007). B.
- Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet een rechtsplegingsvergoeding toekent, ten laste van de burgerlijke partij die het onderzoek heeft ingeleid door een burgerlijkepartijstelling in handen van de onderzoeksrechter, doch niet ten laste van de burgerlijke partij die niet zelf het onderzoek heeft ingeleid maar hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing tot buitenvervolgingstelling bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie. 5 B.
- De rechtsplegingsvergoeding waarvan sprake is in de in het geding zijnde bepaling, heeft alleen betrekking op de burgerlijke vordering, namelijk de vordering voor het herstel van de schade veroorzaakt door een misdrijf. Die vergoeding is verschuldigd aan de partij die in het gelijk wordt gesteld. De in het geding zijnde bepaling strekt dus ertoe ten laste van diegene die een dergelijke vordering heeft ingesteld - door een burgerlijkepartijstelling bij een onderzoeksrechter - alle of een deel van de kosten en erelonen van de advocaat te leggen die een persoon moet betalen die in verdenking is gesteld in het kader van de strafvordering - op gang gebracht door die burgerlijkepartijstelling - en die de raadkamer, bij de regeling van de rechtspleging, meent niet te moeten verwijzen naar een rechtbank voor het misdrijf dat de grond van zowel de burgerlijke vordering als de strafvordering vormt. De burgerlijke partij die niet zelf de strafvordering op gang heeft gebracht maar die haar vordering heeft doen aansluiten bij de door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering, kan daarentegen niet worden veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet. De situatie van de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, varieert dus op het vlak van de verhaalbaarheid naargelang hij wordt vervolgd op initiatief van de burgerlijke partij dan wel van het openbaar ministerie : in het eerste geval kan hij de verhaalbaarheid genieten en in het tweede geval niet. B.
- De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een geheel van maatregelen die in het Wetboek van strafvordering werden ingevoerd bij de wet van 21 april 2007 en die beantwoorden aan de zorg « dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van een schade voor een burgerlijke of een strafrechtelijke jurisdictie op gelijke voet zou behandelen » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, pp. 6 en 8; ibid., nr. 3-1686/5, p. 32; Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 5). De bij de in het geding zijnde bepaling voorgeschreven veroordeling is verantwoord door het gegeven dat het de burgerlijke partij, en niet het openbaar ministerie, is die « de strafvordering […] op gang heeft gebracht », zodat zij voor die vordering « aansprakelijk » moet worden geacht ten aanzien van de beklaagde of de inverdenkinggestelde (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 8; Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 6). 6 Ten aanzien van de situatie van de vrijgesproken beklaagde of van de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, wordt in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling voorts gepreciseerd : « Overeenstemmend met het advies van de ordes van advocaten en van de Hoge Raad voor de Justitie, zal de verhaalbaarheid trouwens ook niet aan bod komen in de betrekkingen tussen de beklaagde en de Staat, die wordt vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. Er moet op gewezen worden dat het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, pp. 6-7). B.
- Het Hof heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld dat het verantwoord is dat de burgerlijke partij slechts tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde of aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, wordt veroordeeld wanneer zij zelf de strafvordering op gang heeft gebracht en niet wanneer zij haar vordering heeft doen aansluiten bij een door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering of wanneer een onderzoeksgerecht de verwijzing van de beklaagde naar een vonnisgerecht heeft bevolen (arresten nrs. 182/2008, 49/2009, 113/2016 en 33/2017). De wetgever vermocht immers redelijkerwijs ervan uit te gaan dat in die gevallen, ook al worden de eisen van de burgerlijke partij niet ingewilligd, ze niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de strafprocedure ten aanzien van de beklaagde of de inverdenkinggestelde en bijgevolg ook niet veroordeeld kan worden om die te vergoeden voor de procedurekosten die bij die gelegenheid zijn ontstaan. B.
- Aan het Hof wordt thans de vraag gesteld of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij geen rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep toekent aan de inverdenkinggestelde die in eerste aanleg door de raadkamer buiten vervolging werd gesteld, ten laste van de burgerlijke partij die, hoewel zij niet zelf de strafvordering op gang heeft gebracht, hoger beroep heeft ingesteld bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie. B.7.
- Bij zijn arrest nr. 113/2016 van 22 september 2016 heeft het Hof zich uitgesproken over een soortgelijke vraag inzake artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, dat - in dezelfde zin als de thans in het geding zijnde bepaling - de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken voor het vonnisgerecht regelt. Krachtens die bepaling 7 is de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de vrijgesproken beklaagde. Het Hof heeft in dat arrest voor recht gezegd dat artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de strafrechter niet toestaat aan de vrijgesproken beklaagde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep toe te kennen ten laste van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, hoger beroep heeft ingesteld tegen een vrijsprekend vonnis dat is gewezen op een door het openbaar ministerie ingestelde vordering. Het Hof motiveerde zijn beslissing als volgt : « B.
- De burgerlijke partij die als enige hoger beroep instelt tegen een vrijsprekend vonnis wanneer de strafvordering werd ingesteld door het openbaar ministerie, neemt het initiatief tot een nieuwe aanleg, ook al heeft zij niet het initiatief genomen tot de in eerste aanleg ingestelde vordering en heeft zij haar initiële vordering bij de strafvordering doen aansluiten. Zij oefent op die manier een recht uit dat haar eigen is, namelijk het recht om haar zaak opnieuw te laten beoordelen door een hoger rechtscollege. Aangezien het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld, sluit de vordering van de burgerlijke partij in hoger beroep niet meer aan bij een vordering die op gang is gebracht wegens het algemeen belang, maar strekt zij uitsluitend tot de verdediging van een privébelang. Zij ligt dus aan de oorsprong van de kosten en erelonen van een advocaat die zijn gemaakt voor de procedure in hoger beroep. De in het geding zijnde bepaling, die ten gunste van de vrijgesproken beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke een rechtsplegingsvergoeding ten laste legt van de burgerlijke partij die een vordering instelt door middel van een rechtstreekse dagvaarding, zonder ze ten laste te leggen van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie, hoger beroep instelt tegen een vonnis dat is gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie ten gunste van de vrijgesproken beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke, is niet redelijk verantwoord ». B.7.
- Het Hof heeft in dezelfde zin geoordeeld bij zijn arrest nr. 33/2017 van 9 maart 2017 (B.6). B.
- Om dezelfde redenen dient de thans voorgelegde prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. 8 Anders dan de Ministerraad aanvoert, leidt het gegeven dat het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling de strafvordering voor de appelrechter brengt, terwijl het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een vrijspraak enkel de burgerlijke rechtsvordering voor de appelrechter brengt, niet tot een ander resultaat. Dat gegeven doet immers geen afbreuk aan het feit dat de burgerlijke partij die als enige hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking tot buitenvervolgingsstelling wanneer de strafvordering werd ingesteld door het openbaar ministerie, uitsluitend de verdediging van een privébelang nastreeft en daartoe het initiatief neemt tot een nieuwe aanleg, ook al heeft zij niet het initiatief genomen tot de ingestelde strafvordering en heeft zij haar initiële vordering bij de strafvordering doen aansluiten. Zij ligt dus aan de oorsprong van de kosten en erelonen van een advocaat die zijn gemaakt voor de procedure in hoger beroep. B.9.
- Het verschil in behandeling dat ontstaat doordat de in het geding zijnde bepaling ten gunste van de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet een rechtsplegingsvergoeding ten laste legt van de burgerlijke partij die het onderzoek heeft ingeleid door een burgerlijkepartijstelling in handen van de onderzoeksrechter, terwijl een dergelijke rechtsplegingsvergoeding niet ten laste wordt gelegd van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie, hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie en die daarbij in het ongelijk wordt gesteld, is niet redelijk verantwoord. B.9.
- Die discriminatie vindt haar oorsprong evenwel niet in de in het geding zijnde bepaling, die de procedure voor de raadkamer regelt, doch wel in de ontstentenis van een wetsbepaling die de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie, hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie en die daarbij in het ongelijk wordt gesteld. B.
- Aangezien de in B.9.2 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de vastgestelde discriminatie. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De ontstentenis van een wetsbepaling die de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie, hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie en die daarbij in het ongelijk wordt gesteld, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.159 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div