id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.162 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181122.9 Arrest- Rolnummer: 162/2018 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2018-12-18 Raadplegingen: 781 - laatst gezien 2026-06-29 11:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 78 van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet erin voorziet dat, wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde correctionele kamer uit drie rechters bestaat, één van de rechters een bijzondere opleiding heeft gevolgd of dat één van hen rechter is in de arbeidsrechtbank. - De gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd ten aanzien van alle vonnissen die vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad zijn gewezen in omstandigheden als vermeld in de prejudiciële vragen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 78, vijfde lid, 92, § 1, eerste lid, en 101, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Gerechtelijk recht - Rechterlijke organisatie - Organen van de rechterlijke macht - Rechtbank van eerste aanleg - Samenstelling - Kamer met drie rechters - Hoger beroep tegen een vonnis van een politierechtbank over sommige overtredingen inzake aangelegenheden behorende tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten - Ontstentenis van vereiste van het voorafgaand volgen van een gespecialiseerde vorming of dat één van de rechters rechter is in de arbeidsrechtbank - Vergelijking met de vereisten voor de samenstelling van andere rechtscolleges. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 78 - 02 Link Justel databank 19671009-02 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 6860, 6861, 6863 en 6951 Arrest nr. 162/2018 van 22 november 2018 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 78, vijfde lid, 92, § 1, eerste lid, en 101, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arresten van 20 februari 2018 respectievelijk in zake Daniel Ceausu en de vennootschap naar Roemeens recht « Beautrans VBR », in zake Lodewijk Peters en de nv « Aertssen Transport » en in zake Chantal Maes, Jules Van Roosbroeck en de bvba « J. Van Roosbroeck-Maes », waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 27 februari 2018, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 78, vijfde lid, 92, § 1, eerste lid, en 101, § 2, derde lid Gerechtelijk Wetboek, aldus uitgelegd dat een kamer met drie rechters van de rechtbank van eerste aanleg die in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechtbank kennis neemt van een overtreding van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, geen gespecialiseerde vorming moeten ontvangen zoals bedoeld in artikel 78, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, of niet samengesteld is uit onder meer één rechter in de arbeidsrechtbank, terwijl de alleensprekende rechter die overeenkomstig artikel 76, § 2, tweede lid, van dit wetboek in een gespecialiseerde kamer van diezelfde rechtbank zetelt om kennis te nemen van dezelfde overtredingen, deze vorming wel dient te ontvangen en de correctionele kamer van het hof van beroep die kennis neemt van dezelfde aangelegenheden, is samengesteld onder meer uit één raadsheer in het arbeidshof, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». b. Bij arrest van 12 juni 2018 in zake David Torreele, Pierre Noël, Ahmed Hichou Haj en de nv « Vanheede Environmental Logistics », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 juni 2018, heeft het Hof van Cassatie dezelfde prejudiciële vraag gesteld. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6860, 6861, 6863 en 6951 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - Daniel Ceausu en de vennootschap naar Roemeens recht « Beautrans VBR », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen (in de zaak nr. 6860); - Lodewijk Peters en de nv « Aertssen Transport », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Vanden Bogaerde (in de zaak nr. 6861); - Chantal Maes, Jules Van Roosbroeck en de bvba « J. Van Roosbroeck-Maes », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Vanden Bogaerde (in de zaak nr. 6863); - David Torreele, Pierre Noël, Ahmed Hichou Haj en de nv « Vanheede Environmental Logistics », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Vanden Bogaerde (in de zaak nr. 6951); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. A. Poppe, advocaten bij de balie te Brussel. 3 Bij beschikking van 17 oktober 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 14 november 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 14 november 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De eisende partijen voor de verwijzende rechter hebben cassatieberoep ingesteld tegen vonnissen in hoger beroep van de correctionele rechtbank, gewezen naar aanleiding van overtredingen die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken behoren. Het gaat om inbreuken op de regelgeving inzake rij- en rusttijden en het gebruik van de tachograaf. De eisende partijen betwisten de samenstelling van de kamer van de correctionele rechtbank die de bestreden vonnissen heeft gewezen, meer bepaald het ontbreken in die kamer van een rechter in de arbeidsrechtbank. Zij voeren de schending aan van de artikelen 76 en 78 van het Gerechtelijk Wetboek. Alvorens uitspraak te doen, stelt de verwijzende rechter in elk van de zaken de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- Volgens de eisende partijen voor de verwijzende rechter doen de in het geding zijnde bepalingen een verschil in behandeling ontstaan tussen, enerzijds, personen die worden vervolgd vanwege inbreuken op de regelgeving inzake rij- en rusttijden en het gebruik van de tachograaf en, anderzijds, personen die in andere arbeidsmarktsectoren dan het wegvervoer voor soortgelijke inbreuken met soortgelijke strafmaten worden vervolgd. De laatstgenoemden zullen in eerste aanleg worden beoordeeld door een rechter die een gespecialiseerde opleiding heeft gevolgd en in hoger beroep door een kamer waarin ook een raadsheer van het arbeidshof zitting neemt. De eerstgenoemden genieten niet de waarborg te worden beoordeeld door minstens één rechter met een bijzondere kennis van de arbeidsreglementering. De eisende partijen voor de verwijzende rechter wijzen erop dat inbreuken op de regelgeving inzake rij- en rusttijden en het gebruik van de tachograaf weliswaar tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoren, maar dat het wanbedrijven zijn die met correctionele straffen worden bestraft. De toepasselijke strafmaat kan dus het verschil in behandeling niet verantwoorden. Bovendien zou de voormelde regelgeving zeer technisch zijn en bijzondere kennis van de arbeidsreglementering vereisen. Ten slotte zou ook de aard van de regelgeving het verschil in behandeling niet kunnen verantwoorden. A.
- Volgens de Ministerraad berust de opheffing, door artikel 59 van de wet van 19 oktober 2015, van artikel 78, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek op een vergissing. Die bepaling voorzag in de samenstelling van de gespecialiseerde kamer van de correctionele rechtbank die uitspraak doet over sociaal- en 4 arbeidsrechtelijke misdrijven. De wetgever ging ervan uit dat die gespecialiseerde kamer zijn bestaansreden had verloren door de invoering van het principe van de alleenrechtsprekende rechter. Een kamer van drie rechters moet echter nog steeds oordelen, op grond van artikel 92, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, over de beroepen ingesteld tegen de vonnissen van de politierechtbank gewezen in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. De Ministerraad besluit daarom dat geen redelijke verantwoording bestaat voor het in het geding zijnde verschil in behandeling. De Ministerraad verzoekt het Hof, om rechtsonzekerheid te vermijden, de gevolgen van de ongrondwettig verklaarde bepaling te handhaven. Zonder die maatregel zouden de betrokken zaken niet langer door een kamer met drie rechters van de correctionele rechtbank kunnen worden behandeld. Wanneer het Hof van Cassatie de bestreden vonnissen vernietigt, zal het de zaken niet kunnen verwijzen naar een wettig samengestelde kamer van een andere correctionele rechtbank aangezien er, als gevolg van de opheffing van artikel 78, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in geen van de correctionele rechtbanken nog een rechter van de arbeidsrechtbank zitting neemt. De rechtsonzekerheid die daarvan het gevolg is, zou niet opwegen tegen het nadeel dat de betrokken beklaagden door de handhaving zouden ondervinden. Hun recht op een eerlijk proces zou door de handhaving niet worden geschonden. Rekening houdend met de termijn die noodzakelijk is om het wetgevend proces te doorlopen, vraagt de Ministerraad de gevolgen te handhaven tot 31 december
- -B- B.
- De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit verschillende kamers, die tot één van de volgende vier secties behoren : de burgerlijke rechtbank, de correctionele rechtbank, de familie- en jeugdrechtbank en de strafuitvoeringsrechtbank (artikel 76, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Ten minste één correctionele kamer neemt in het bijzonder kennis van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten (artikel 76, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek). B.
- De kamers van de rechtbank van eerste aanleg bestaan uit één of drie rechters (artikel 78, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Krachtens artikel 78, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek - dat ten tijde van het cassatieberoep voor de verwijzende rechter nog het vijfde lid was - ontvangt de alleenrechtsprekende rechter van de in B.1 bedoelde correctionele kamer een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Dat zesde lid bepaalt : 5 « Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding verstrekte gespecialiseerde opleiding heeft gevolgd ». B.
- De verwijzende rechter vergelijkt de voormelde situatie, meer bepaald de vereiste dat de alleenrechtsprekende rechter een bijzondere opleiding heeft gevolgd, met de situatie waarin de kamer uit drie rechters bestaat. In burgerlijke en strafzaken worden de vorderingen toegewezen aan kamers met één rechter, behalve in de gevallen van artikel 92 (artikel 91, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 92, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De strafzaken betreffende misdaden waarop een straf staat van meer dan twintig jaar opsluiting en het hoger beroep tegen vonnissen gewezen in strafzaken door de politierechtbank, worden toegewezen aan een kamer met drie rechters ». Wanneer de in B.1 bedoelde correctionele kamer uit drie rechters bestaat, is niet uitdrukkelijk vereist dat één van de rechters een bijzondere opleiding heeft gevolgd noch dat één van hen rechter is in de arbeidsrechtbank. B.
- In de hoven van beroep zijn er kamers voor burgerlijke zaken, kamers voor correctionele zaken, jeugdkamers en familiekamers. Ten minste één correctionele kamer neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de in B.1 bedoelde correctionele kamer (artikel 101, § 1, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 101, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer is samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, en uit één raadsheer in het arbeidshof ». B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de artikelen 78, zesde lid, 92, § 1, eerste lid, en 101, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek een niet te verantwoorden verschil in behandeling tussen beklaagden doen ontstaan naargelang zij voor een alleenrechtsprekende strafrechter (situatie vermeld in B.2) of voor een correctionele 6 kamer van drie raadsheren van het hof van beroep (situatie vermeld in B.4) verschijnen, dan wel voor een kamer van drie rechters van de correctionele rechtbank (situatie vermeld in B.3). In de eerste twee gevallen heeft de rechter een bijzondere opleiding gevolgd (situatie vermeld in B.2) of maakt een raadsheer uit het arbeidshof deel uit van de betrokken kamer (situatie vermeld in B.4). In het laatste geval heeft de beklaagde niet de waarborg dat één van de rechters van de betrokken kamer een bijzondere opleiding heeft gevolgd in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren of minstens rechter is in de arbeidsrechtbank. B.
- Vóór de wijziging van artikel 78 van het Gerechtelijk Wetboek bij de wet van 19 oktober 2015 « houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie » bepaalde het vijfde lid ervan : « Wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer bestaat uit drie rechters, is zij samengesteld uit twee rechters van de rechtbank van eerste aanleg en een rechter in de arbeidsrechtbank ». Artikel 56, 3°, van de wet van 19 oktober 2015 heeft het voormelde lid opgeheven. In zijn memorie stelt de Ministerraad dat die opheffing evenwel op een vergissing berust. De wetgever ging ervan uit dat de gespecialiseerde correctionele kamer van drie rechters geen bestaansreden meer had door de invoering van het principe van de alleenrechtsprekende rechter. Hij verloor daarbij uit het oog dat die kamer nog steeds moet oordelen over de beroepen ingesteld tegen vonnissen van de politierechtbank in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. De politierechtbank neemt met name kennis, zoals in de bodemgeschillen het geval is, van inbreuken op de regelgeving inzake rij- en rusttijden en het gebruik van de tachograaf (zie artikel 2, § 1, laatste lid, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg en artikel 46 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden). Die regelgeving betreft een aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken behoort (Cass., 18 december 2007, P.07.0958.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.2). 7 B.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het in het geding zijnde verschil in behandeling. In zoverre artikel 78 van het Gerechtelijk Wetboek niet erin voorziet dat wanneer de in B.1 bedoelde correctionele kamer uit drie rechters bestaat, één van de rechters een bijzondere opleiding heeft gevolgd in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren of dat één van hen rechter is in de arbeidsrechtbank, is die bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. B.
- Krachtens artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof wijst het Hof, zo het dit nodig oordeelt, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt. Teneinde rechtsonzekerheid te vermijden, dienen de gevolgen van artikel 78 van het Gerechtelijk Wetboek te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het dictum. B.
- Aangezien de vaststelling van de in B.7 vermelde lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepalingen toe te passen met inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, staat het aan de voorzitter van elke rechtbank, in afwachting van een optreden van de wetgever, een gespecialiseerde correctionele kamer in te richten die zal oordelen over de beroepen ingesteld tegen vonnissen van de politierechtbank in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 78 van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet erin voorziet dat, wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde correctionele kamer uit drie rechters bestaat, één van de rechters een bijzondere opleiding heeft gevolgd of dat één van hen rechter is in de arbeidsrechtbank. - De gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd ten aanzien van alle vonnissen die vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad zijn gewezen in omstandigheden als vermeld in de prejudiciële vragen. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.162 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.2 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div