← België

ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.165

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.165 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181129.5 Arrest- Rolnummer: 165/2018 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-04-23 Raadplegingen: 746 - laatst gezien 2026-06-29 11:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 3 tot 13 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Beroepsziekte - Overheidsdiensten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 3 tot 13 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Overheidssector - Vergoeding - Hervatting van de beroepsbezigheid - Consolidatie van de gevolgen. Tekst van de beslissing Rolnummer 6660 Arrest nr. 165/2018 van 29 november 2018 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 3 tot 13 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 8 mei 2017 in zake Khaled Harrouche tegen de gemeente Vorst, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 mei 2017, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 3 tot 13, die hoofdstuk II vormen van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre die bepalingen de slachtoffers die het werk hebben hervat met gevolgen, verschillend behandelen naargelang hun letsels geconsolideerd of nog niet geconsolideerd zijn, doordat de slachtoffers die tot de eerste categorie behoren, een schadeloosstelling voor de gevolgen ervan genieten, die met hun bezoldiging kan worden gecumuleerd, terwijl de slachtoffers die tot de tweede categorie behoren, geen schadeloosstelling voor de gevolgen ervan genieten vóór de datum van de consolidatie ? ». Memories zijn ingediend door : - de gemeente Vorst, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Neuprez, advocaat bij de balie te Luik; - Khaled Harrouche, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Huisman, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers, Mr. C. Pouppez en Mr. J. Duval, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Khaled Harrouche; - de Ministerraad. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een vonnis van 15 oktober 2013 heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel zich in eerste aanleg uitgesproken over de vordering tot schadeloosstelling die is ingesteld door de appellant voor het verwijzende rechtscollege, die op 3 september 2007 het slachtoffer was geweest van een ongeval op de weg naar en van het werk. Na een deskundigenonderzoek had de Rechtbank een volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid vastgesteld van 3 tot 6 september 2007, een gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid van 15 % van 7 september tot 31 december 2007 en een gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid van 10 % van 1 januari 2008 tot 26 januari

  1. Een consolidatie van de letels werd vastgesteld op 27 januari
  2. Ten slotte werd een gedeeltelijke blijvende ongeschiktheid van 8 % vastgesteld vanaf de consolidatie. De Arbeidsrechtbank te Brussel heeft vastgesteld dat de betrokken werknemer vanaf 7 september 2007 voltijds en zonder loonverlies aangepast werk had hervat. De Rechtbank had besloten dat de werknemer vanaf die datum tot de datum van consolidatie geen aanspraak kon maken op een schadeloosstelling boven op zijn bezoldiging. De appellant voor de verwijzende rechter had toen gevraagd dat de Arbeidsrechtbank te Brussel twee prejudiciële vragen aan het Hof zou stellen. Bij zijn arrest nr. 147/2014 van 9 oktober 2014 heeft dat Hof geoordeeld dat die vragen geen antwoord behoefden, omdat de verschillen in behandeling waarover het werd ondervraagd, niet uit de in de prejudiciële vragen vermelde wetsbepalingen konden voortvloeien. Bij vonnis van 29 september 2015 heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel uiteindelijk geen schadeloosstelling aan de werknemer toegekend voor de periode van gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid. Op 13 november 2015 heeft de werknemer tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld, enkel wat betreft de kwestie van de schadeloosstelling van zijn gerechtelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Volgens hem brengen de in het geding zijnde bepalingen een discriminatie teweeg in zoverre zij het hem niet mogelijk maken om de schadeloosstelling voor de letsels van zijn ongeval te verkrijgen voor de periode van gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot de datum van consolidatie van die gevolgen, zodat zij de slachtoffers van een arbeidsongeval wier letsels geconsolideerd of sneller geconsolideerd zijn, die het werk volledig hebben hervat, verschillend zou behandelen. III. In rechte -A- A.1.
  3. De gemeente Vorst voert aan dat het Arbeidshof, in zoverre het aan het Hof een vraag stelt over de artikelen 3 tot 13 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967), met andere woorden hoofdstuk II van die wet, het Arbeidshof in werkelijkheid een vraag stelt over de opportuniteit van een systeem van schadeloosstelling en niet over het bestaan van een discriminatie. Vóór de consolidatie wordt de arbeidsongeschiktheid van slachtoffers aangemerkt als tijdelijk. De schadeloosstelling stemt op dat ogenblik overeen met een bepaald percentage van de bezoldiging van de werknemer vóór het ongeval. Daarentegen heeft het slachtoffer, wanneer de letsels zijn geconsolideerd en de arbeidsongeschiktheid blijvend wordt, recht op een schadeloosstelling die wordt bepaald op grond van het verlies aan concurrentievermogen van het slachtoffer op de algemene arbeidsmarkt. Het is de datum van de stabilisatie van de letsels en van de consolidatie die de overgang van een systeem van schadeloosstelling naar een ander bepaalt. Het systeem valt onder een socialebeleidskeuze die door de wetgever is gemaakt, waarbij het niet aan het Hof staat ze al dan niet opportuun te achten. A.1.
  4. De gemeente Vorst voert vervolgens aan dat er geen verschil in behandeling tussen verschillende categorieën van werknemers bestaat. Alle werknemers van de overheidssector genieten immers de toepassing 4 van dezelfde rechtsregels. De factor die of het element dat de toekenning van de rente bepaalt, is dezelfde of hetzelfde voor alle werknemers van de overheidssector, in casu de consolidatie van de letsels, die een medisch begrip is. Gesteld dat er een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën van personen bestaat, zou het systeem van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen ertoe strekken financiële stabiliteit te waarborgen en inkomensverlies te vermijden voor de werknemer die het slachtoffer is van een arbeidsongeval of van een ongeval op de weg naar en van het werk,. De prejudiciële vraag zou bijgevolg geen antwoord behoeven of op zijn minst ontkennend moeten worden beantwoord. A.1.
  5. De gemeente Vorst voert eveneens aan dat het verschil in behandeling dat door het Arbeidshof wordt onderstreept, niet voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 3 tot 13 van de wet van 3 juli
  6. Die bepalingen beogen immers geen gedeeltelijke ongeschiktheid die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, terwijl de werknemer de uitoefening van zijn functies heeft hervat, behalve in het geval van aangepast werk. Die laatste situatie dient in casu niet te worden onderzocht, aangezien zij vreemd is aan het voorliggende geval. Volgens de gemeente Vorst werd de door de appellant voor de verwijzende rechter aangeklaagde situatie in het leven geroepen in het kader van de door de Arbeidsrechtbank bevolen expertisemaatregel. Het is immers de deskundige die uiteindelijk twee periodes van gedeeltelijke ongeschiktheid heeft bepaald en die buiten elke geldige rechtsgrond, die ongeschiktheden, heeft vastgesteld. De nadelige situatie die de appellant voor de verwijzende rechter aanklaagt, had kunnen worden vermeden indien die laatste de datum van de consolidatie van de letsels had betwist, hetgeen hij echter niet heeft gedaan. De gemeente Vorst stelt vast dat alle werknemers dezelfde regeling genieten, maar sommigen genieten sneller een rente indien hun letsels sneller worden geconsolideerd dan de letsels van anderen. Die situatie zou betrekking hebben op een medisch element en niet op een juridisch element. Het zou dus onjuist zijn om in het ingevoerde wettelijk systeem een verschil in behandeling tussen de werknemers van de overheidssector te ontwaren. A.1.
  7. In ondergeschikte orde voert de gemeente Vorst aan dat het verschil in behandeling wordt verantwoord door objectieve en redelijke elementen. Zij wijst met nadruk op het feit dat artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 verwijst naar artikel 23 van de arbeidsongevallenwet van 10 april
  8. Artikel 23, tweede lid, van de wet van 10 april 1971 beoogt het geval waarin de werknemer, tussen de periode van volledige tijdelijke ongeschiktheid en de datum van consolidatie, het werk deeltijds hervat. In dat geval heeft die recht op een vergoeding die gelijk is aan het verschil tussen het loon van de werknemer vóór het ongeval en zijn loon sedert zijn wedertewerkstelling. Het geval waarin het werk tijdens die periode voltijds wordt hervat, wordt door de wetgever niet beoogd. In dat geval is er immers geen verschil tussen het loon van de werknemer vóór het ongeval en het loon dat diezelfde werknemer vanaf zijn wedertewerkstelling ontvangt. De gemeente Vorst verwijst eveneens naar artikel 23, derde lid, van de wet van 3 juli 1967, waarin drie precieze gevallen worden vermeld waarin de werknemer met een gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid de vergoeding voor volledige tijdelijke ongeschiktheid geniet, en zulks tot de dag van zijn volledige wedertewerkstelling of van de consolidatie. De wetgever zou bewust hebben besloten dat de werknemer, wanneer hij het werk voltijds hervat vóór de consolidatie, geen recht heeft op een vergoeding die boven op zijn loon zou komen, en zulks tot de datum van de consolidatie. Een werknemer die het werk deeltijds hervat na een ongeval en vóór de consolidatie, heeft daarentegen het recht om te worden vergoed voor het verlies dat hij heeft geleden. Zulks zou niet het geval kunnen zijn voor de werknemer die het werk hervat en geen loonverlies lijdt. A.2.
  9. De appellant voor de verwijzende rechter geeft aan dat de te vergelijken categorieën van personen zich te dezen in identieke situaties bevinden. Het gaat immers om werknemers die het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en die het werk hervatten, terwijl zij nog steeds de letsels van hun ongeval ondervinden. Terwijl het slachtoffer van een arbeidsongeval waarvan de letsels vóór of op het ogenblik van de werkhervatting zijn geconsolideerd, vergoedingen voor een arbeidsongeval zal kunnen cumuleren met zijn loon, zal het slachtoffer van een arbeidsongeval wiens letsels vóór of bij de werkhervatting niet zijn geconsolideerd, geen enkele vergoeding genieten voor de gevolgen die hij ondergaat. De appellant voor de verwijzende rechter stelt dat het onderscheid op een objectief criterium berust, namelijk het al dan niet geconsolideerde karakter van de bij het arbeidsongeval opgelopen letsels. 5 A.2.
  10. Na de doelstellingen van de arbeidsongevallenwetgeving in herinnering te hebben gebracht, voert de appellant voor de verwijzende rechter aan dat niets de discriminatie verantwoordt die uit de ingevoerde regeling voortvloeit. Inzake tijdelijke arbeidsongeschiktheid bestaat het doel erin, enerzijds, de schade integraal te vergoeden en, anderzijds, ertoe aan te zetten het werk te hervatten. De bepalingen hebben echter tot gevolg dat het slachtoffer van een arbeidsongeval dat zijn werk hervat, geen vergoeding geniet zolang zijn letsels niet zijn geconsolideerd. De huidige regeling heeft dan ook tot gevolg dat de werkhervatting wordt ontraden, aangezien de letsels, bij een hervatting, niet worden vergoed zolang zij niet zijn geconsolideerd. Indien het slachtoffer zou weigeren om zijn werk te hervatten zonder enige geldige medische reden, zou het echter een schadeloosstelling voor die letsels kunnen genieten ten belope van zijn graad van arbeidsongeschiktheid. Het ingevoerde systeem zou het doel van integrale vergoeding niet bereiken aangezien het een categorie van werknemers, in casu die welke het werk hervatten hoewel er niet-geconsolideerde letsels blijven bestaan, uitsluit van elke regeling van schadeloosstelling. A.2.
  11. De appellant voor de verwijzende rechter beklemtoont dat het Hof, bij zijn arrest nr. 51/2013 van 28 maart 2013, een vraag heeft beantwoord over artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, waarvan de toepassing het mogelijk maakt, onder bepaalde voorwaarden, een als arbeidsongeschikt erkende persoon met toestemming van een geneesheer het werk te hervatten en een schadeloosstelling voor zijn arbeidsongeschiktheid te blijven genieten. In dat geval is de cumulatie van een vergoeding en van een loon dus mogelijk, terwijl de in het geding zijnde bepaling in geen enkele cumulatie voorziet in het geval waarin een persoon verschillende deeltijdse functies uitoefent en enkel de beroepsactiviteit heeft beëindigd die onverenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, maar andere activiteiten is blijven uitoefenen die verenigbaar zijn met zijn gezondheidstoestand. Het Hof heeft in dat arrest besloten dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de appellant voor de verwijzende rechter kan die lering in de voorliggende zaak worden overgenomen. A.2.
  12. De appellant voor de verwijzende rechter wijst met nadruk op het feit dat de twee vergeleken categorieën van werknemers geen loonverlies zullen lijden maar dat de enen een vergoeding boven op hun loon zullen krijgen, terwijl de anderen enkel hun loon zullen genieten en niet zullen worden vergoed voor hun letsels vooraleer die zijn geconsolideerd. Volgens hem zijn het criterium van de datum van de consolidatie van de letsels en de regeling van schadeloosstelling die rond dat criterium is opgebouwd, niet verantwoord. De evolutie van de letsels hangt immers, minstens gedeeltelijk, af van een reeks individuele factoren zoals de leeftijd, de fysieke conditie en de natuurlijke aanleg van het individu. De discriminatie zou des te groter zijn daar de datum van de consolidatie van de letsels rechtstreeks verband houdt met de aard van het arbeidsongeval. A.2.
  13. De appellant voor de verwijzende rechter betwist het standpunt dat door de gemeente Vorst is verdedigd : er zou wel degelijk een verschil in behandeling bestaan tussen de slachtoffers van een arbeidsongeval die hun werk hervatten, hoewel er letsels blijven bestaan, naargelang die al dan niet zijn geconsolideerd. Die discriminatie zou voortvloeien uit de wet en niet uit een situatie die door het medische deskundigenonderzoek in het leven is geroepen. Daarbij wordt immers enkel de aandacht gevestigd op het bestaan van letsels die niet worden vergoed bij een arbeidsongeval; het doet die situatie niet ontstaan. A.2.
  14. Ten slotte wijst de appellant voor de verwijzende rechter met nadruk op het feit dat het de ontstentenis van schadeloosstelling is die discriminerend is en niet de datum van consolidatie, die een feitelijk medisch element uitmaakt. A.3.
  15. De Ministerraad voert aan dat uit de lezing van de verwijzingsbeslissing wel degelijk blijkt dat enkel het onderzoek van artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 te dezen relevant is. De gestelde vraag heeft immers enkel betrekking op de schadeloosstelling voor de tijdelijke ongeschiktheid van de betrokken werknemer. A.3.
  16. De Ministerraad beklemtoont dat, aangezien het personeel van de overheidssector aan een bijzonder statuut is onderworpen en de arbeidsongevallen in die sector oorspronkelijk minder vaak voorkwamen, de wetgever niet in een specifieke regeling voor de schadeloosstelling van arbeidsongevallen had voorzien. Pas met het aannemen van de wet van 3 juli 1967 heeft hij beslist om het personeel van die sector een regeling te doen genieten die vergelijkbaar is met die welke in de privésector van toepassing is. Het is dan ook in de analyse van de wetgeving met betrekking tot de privésector dat de verantwoording voor het onderscheid tussen de schadeloosstelling voor de tijdelijke ongeschiktheid en voor de blijvende ongeschiktheid wordt teruggevonden. 6 A.3.
  17. Het begrip « tijdelijke ongeschiktheid » is aanzienlijk geëvolueerd in de loop der jaren, maar de wetgever heeft het onderscheid tussen tijdelijke en blijvende ongeschiktheid voortdurend behouden. Het onderliggende idee van die de regeling van schadeloosstelling voor tijdelijke ongeschiktheid ondersteunt, bestaat erin niet het verlies of de vermindering van de economische waarde van het slachtoffer op de arbeidsmarkt in het algemeen te compenseren, maar wel het werkelijke en effectieve loonverlies dat dat slachtoffer draagt omdat het zijn eigen betrekking niet kan uitoefenen. A.3.
  18. Het onderscheid tussen tijdelijke ongeschiktheid en blijvende ongeschiktheid komt eveneens voor in het Verdrag nr. 121 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, dat werd aangenomen in 1964 en in België in werking is getreden op 22 april
  19. In geval van volledige tijdelijke ongeschiktheid behoudt het personeelslid van de overheidssector meestal zijn volledige bezoldiging. Wanneer dat voordeliger is, wordt de in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde regeling op dat personeelslid toegepast. Tijdens de periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt het slachtoffer in beginsel 90 pct. van zijn gemiddeld dagloon. Krachtens artikel 22 van de wet van 10 april 1971 ontvangt het gedeeltelijk tijdelijk arbeidsongeschikte slachtoffer, voor het gedeelte dat overeenstemt met zijn arbeidsongeschiktheid, ook 90 pct. van zijn gemiddeld dagloon. In dat geval wordt echter meer de nadruk gelegd op de hervatting van het werk en op de re-integratie van de werknemer in zijn werkomgeving. Aldus kan om drie redenen een einde worden gemaakt aan de tijdelijke ongeschiktheid : hetzij omdat het slachtoffer het werk letselvrij heeft hervat, hetzij omdat het een blijvende ongeschiktheid toegekend krijgt waardoor het al dan niet het werk kan hervatten, hetzij omdat het is overleden. In de overheidssector is het Medex, een gespecialiseerde administratieve dienst, die een datum van consolidatie voorstelt, die het personeelslid kan betwisten. Wat de blijvende ongeschiktheid betreft, zoals het Hof van Cassatie in herinnering heeft gebracht, wordt bij dat begrip in de overheidssector rekening gehouden met dezelfde criteria als die welke in de privésector in aanmerking worden genomen. De definitie van blijvende ongeschiktheid is reeds meer dan een eeuw een vaste definitie in de rechtspraak, zowel op het niveau van het Hof van Cassatie als op dat van het Hof. In de overheidssector, net zoals in de privésector, vangt die blijvende periode van arbeidsongeschiktheid aan vanaf de consolidatie. Vanaf dat ogenblik wordt de schadeloosstelling van het slachtoffer vervangen door een lijfrente die, onder voorbehoud van een herzieningsperiode, definitief wordt vastgelegd. In de wet van 10 april 1971 wordt de consolidatie niet gedefinieerd. In artikel 24 van die wet wordt alleen vermeld dat de jaarlijkse vergoeding de dagelijkse vergoedingen voor tijdelijke ongeschiktheid vervangt indien de arbeidsongeschiktheid blijvend is of wordt, en zulks vanaf de dag waarop de ongeschiktheid dat blijvende karakter vertoont. A.3.
  20. Uit de wetgeving en uit de rechtspraak blijkt dat de consolidatie wordt gedefinieerd als het ogenblik vanaf hetwelk wordt vastgesteld dat de lichamelijke letsels dankzij de verstrekte zorg nagenoeg verdwenen zijn of, integendeel, niet meer lijken te kunnen verbeteren. Hoewel de definitie van blijvende ongeschiktheid identiek is in de overheidssector, is de schadeloosstelling enigszins verschillend. Het statutaire personeelslid zal immers, vanaf een bepaald stadium, automatisch op pensioen kunnen worden gesteld en, wanneer het personeelslid een rustpensioen zal ontvangen, zal de rente bij arbeidsongeschiktheid worden aangepast naar gelang van dat pensioen. Het gedeeltelijk blijvend arbeidsongeschikte slachtoffer geniet een rente die wordt berekend op basis van de jaarlijkse bezoldiging en die evenredig is met het in aanmerking genomen percentage van ongeschiktheid. De consolidatie geeft het begin van de blijvende ongeschiktheid aan. Dat begrip is niet eigen aan de sector van de arbeidsongevallen, het betreft ook de slachtoffers van lichamelijke schade, ongeacht de oorzaak ervan. Het gaat om een medische vaststelling waarover niemand meester is, aangezien zij afhangt van feiten die eigen zijn aan elke situatie. Hoogstens kan een regelgeving aanzetten tot een doeltreffende follow-up die het mogelijk maakt zich ervan te vergewissen dat de termijn tussen de consolidatie en de vaststelling ervan zo beperkt mogelijk is. Het is in de koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 3 juli 1967 en in het Handvest van de sociaal verzekerde, en niet in de wet zelf, dat de procedure en de overheid die bevoegd is om het ogenblik van de consolidatie vast te stellen, worden teruggevonden. A.3.
  21. Wat de regeling van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen zelf betreft, wijst de Ministerraad met nadruk op het feit dat de regeling van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, in de overheidssector, net zoals in de privésector, in een forfaitaire schadeloosstelling voorziet. Daarenboven wordt met het systeem van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen in beide sectoren een dubbel doel nagestreefd, namelijk tegelijk de forfaitaire schadeloosstelling van een beroepsrisico en het voorkomen ervan. De noodzaak van preventie wordt 7 met name ingegeven door internationale overeenkomsten zoals het door België geratificeerde Verdrag nr. 121 van de IAO, in het bijzonder in artikel 26 ervan. A.3.
  22. Ten slotte preciseert de Ministerraad dat het slachtoffer van een arbeidsongeval dat de regeling van de wet van 3 juli 1967 geniet, in de overheidssector als schuldenaar de overheid heeft die het slachtoffer op het ogenblik van het ongeval tewerkstelde. A.3.
  23. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. Zij zou immers geen betrekking hebben op een onderscheid in rechte maar op een onderscheid in feite, dat de snelheid betreft waarmee de situatie van een slachtoffer wordt geconsolideerd, los van het orgaan dat of de procedure die het mogelijk maakt de schadeloosstelling vast te stellen. Het ogenblik van de consolidatie wordt vóór alles immers bepaald door een medische feitelijke situatie. De Ministerraad voegt eraan toe dat de betrokken werknemer te dezen na zijn periode van volledige tijdelijke ongeschiktheid en tot de consolidatie aangepast werk heeft verricht. Een dergelijke wedertewerkstelling dient evenwel noodzakelijkerwijs plaats te vinden na een medische beslissing van de behandelende geneesheer of van de medische dienst van de administratie. Het feit dat een andere medisch deskundige te dezen, in het kader van een gerechtelijke procedure, van oordeel is dat de werknemer gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, valt, in geval van eventuele schade die uit die verkeerde beoordeling voortvloeit, onder de klassieke aansprakelijkheidsregeling. De prejudiciële vraag zou dan ook geen antwoord behoeven. A.3.
  24. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. Volgens hem bevinden de categorieën van personen die worden vergeleken, zich in verschillende situaties. De wetgever heeft beslist om twee categorieën van personen die zich in verschillende situaties bevinden, op verschillende wijze schadeloos te stellen. Terwijl de eerstgenoemden zijn getroffen door letsels waarvan de omvang - die hun een ongeschiktheid berokkent die nog voor verandering vatbaar is - nog niet is bepaald, zijn bij de laatstgenoemden hun letsels gestabiliseerd, zodat hun schade permanent kan worden vastgesteld. In het kader van zijn sociale beleid is de wetgever evenwel vrij om de bescherming te kiezen die hij wenst toe te kennen. Het komt het Hof niet toe de opportuniteit ervan te beoordelen. De Ministerraad voegt eraan toe dat het tussen de categorieën van betrokken werknemers gemaakte onderscheid op een objectief criterium berust, namelijk de consolidatie van hun letsels, waarbij die consolidatie wordt gedefinieerd als het ogenblik waarop het bestaan en de graad van ongeschiktheid een blijvend karakter krijgen. De datum van consolidatie houdt dus geen verband met de datum van de werkhervatting, maar met de bestendigheid van de letsels. De Ministerraad wijst eveneens met nadruk op het feit dat het doel van de schadeloosstelling voor tijdelijke ongeschiktheid volledig verschilt van het doel van de schadeloosstelling voor blijvende arbeidsongeschiktheid. Terwijl het in het eerste geval erom gaat een verloren loon te vervangen, gaat het in het tweede geval erom het verlies aan verdienvermogen te compenseren. A.4.
  25. De Ministerraad wijst met nadruk op het feit dat de vraag geen betrekking heeft op een onderscheid in rechte maar op een onderscheid in feite. Het gaat immers om het vergelijken van de snelheid waarmee de letsels van een slachtoffer wordt geconsolideerd. A.4.
  26. De Ministerraad geeft eveneens aan dat het tussen de categorieën van betrokken werknemers gemaakte onderscheid op een objectief criterium berust, namelijk de consolidatie van hun letsels, die het tijdelijke of blijvende karakter ervan bepaalt. A.4.
  27. Ten slotte brengt de Ministerraad in herinnering dat het doel van de schadeloosstelling voor tijdelijke ongeschiktheid verschilt van het doel van de schadeloosstelling voor blijvende arbeidsongeschiktheid. De Ministerraad voegt eraan toe dat de regeling van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen wordt gekenmerkt door een schadeloosstelling voor de gevolgen van het arbeidsongeval die in zekere mate onvolledig en geplafonneerd is, zowel met betrekking tot de blijvende ongeschiktheid als met betrekking tot de tijdelijke ongeschiktheid. Die gedeeltelijke beperking van de schadeloosstelling vormt het tegenwicht tegen de invoering van een regeling van schadeloosstelling zonder fout, die ter zake geldt en bestaat in een socialezekerheidsstelsel waarin het sociale risico in verband met het werk in aanmerking wordt genomen. De tegenprestatie voor die automatische schadeloosstelling is het beperkte karakter van die schadeloosstellingen. 8 -B- B.
  28. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 3 tot 13 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : wet van 3 juli 1967), in zoverre zij ertoe zouden leiden dat de slachtoffers van een ongeval die het werk hebben hervat, ofschoon de gevolgen van dat ongeval blijven bestaan, verschillend worden behandeld naargelang hun letsels geconsolideerd of nog niet geconsolideerd zijn. De slachtoffers die tot de eerste categorie behoren, genieten immers een schadeloosstelling voor hun letsels, die met hun bezoldiging kan worden gecumuleerd, terwijl de tweede categorie geen schadeloosstelling voor de letsels geniet vóór de datum van de consolidatie. B.
  29. De artikelen 3 tot 13 van de wet van 3 juli 1967 maken deel uit van hoofdstuk II van de wet van 3 juli 1967, dat gewijd is aan de vergoedingen die in de overheidssector verschuldigd zijn aan de slachtoffers van een arbeidsongeval of van een ongeval op de weg naar en van het werk of van een beroepsziekte. In artikel 3 worden de diverse vergoedingen opgesomd die verschuldigd kunnen zijn : « 1° degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte [heeft] recht op : a) een vergoeding van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie; b) een rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid; c) een bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na de herzieningstermijn; 2° de rechthebbenden van een overleden slachtoffer [hebben] recht op : a) een vergoeding wegens begrafeniskosten; b) een rente van overlevende echtgenoot, van overlevende wettelijk samenwonende partner, wees of rechthebbende in een andere hoedanigheid; c) een overlijdensbijslag na de herzieningstermijn; 9 3° het slachtoffer, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de kinderen en de ouders [hebben] recht op schadeloosstelling van de verplaatsing[s]- en overnachting[s]kosten die het gevolg zijn van het ongeval of de beroepsziekte; 4° het personeelslid dat door een beroepsziekte bedreigd of aangetast wordt en dat daardoor tijdelijk ophoudt zijn ambt uit te oefenen, [heeft] recht op een vergoeding. […] ». Artikel 3bis van de wet verwijst, voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk, naar de bepalingen waarin voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid is voorzien door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving betreffende het herstel van schade die voortvloeit uit beroepsziekten. Aldus bepaalt artikel 3bis, eerste lid : « Onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling genieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld ». In dat verband bepaalt artikel 22 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen (hierna : arbeidsongevallenwet) : « Wanneer het ongeval een tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, heeft de getroffene, vanaf de dag die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid, recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddeld dagbedrag. Voor de dag waarop het ongeval zich voordoet of de arbeidsongeschiktheid aanvangt, is de vergoeding gelijk aan het normaal dagloon, verminderd met het loon dat de getroffene eventueel heeft verdiend ». Artikel 3ter van de wet van 3 juli 1967 betreft het herstel van de schade die is toegebracht aan prothesen en orthopedische toestellen, terwijl artikel 3quater de Koning ertoe machtigt de voordelen te bepalen die aan de in de artikelen 1 en 1bis bedoelde personeelsleden mogen worden toegekend om de preventie van de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar en van het werk of de beroepsziekten te verzekeren. 10 In de artikelen 4 tot 7 van de wet van 3 juli 1967 worden de regels vastgesteld die van toepassing zijn op de renten in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid. Artikel 4, § 1, bepaalt : « De rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan of de beroepsziekte is vastgesteld. Zij is evenredig met het aan het slachtoffer toegekende percentage aan arbeidsongeschiktheid. […] ». Artikel 4bis heeft betrekking op het bijzondere geval waarin het slachtoffer een rust- of overlevingspensioen geniet dat wordt uitbetaald op voorwaarde dat de wettelijk vastgestelde perken van toegelaten arbeid niet worden overschreden. Artikel 5 bepaalt dat, onverminderd de toepassing van de artikelen 6 en 7 van de wet, de rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid en de bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid kunnen worden gecumuleerd met de bezoldiging en met het rustpensioen, toegekend krachtens de wets- en reglementsbepalingen eigen aan de overheidsdiensten. Artikel 6 bepaalt : « §
  30. Zolang het slachtoffer de uitoefening van ambten behoudt, mogen de rente bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, b, en de bijslag bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, c, niet hoger liggen dan 25 % van de bezoldiging op grond waarvan de rente werd vastgesteld. §
  31. Het slachtoffer [dat] ongeschikt is bevonden om zijn ambt uit te oefenen maar [dat] andere, met zijn gezondheidstoestand verenigbare ambten kan vervullen, kan volgens de regelen en binnen de grenzen die zijn statuut bepaalt, weder tewerkgesteld worden in een betrekking welke met zulk een ambt overeenkomt. Het wedertewerkgestelde slachtoffer behoudt het voordeel van de bezoldigingsregeling welke [het] genoot toen het ongeval zich voordeed of de beroepsziekte werd vastgesteld. §
  32. Indien de blijvende arbeidsongeschiktheid die in hoofde van het slachtoffer erkend wordt, dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, heeft het tijdens deze afwezigheidsperiode recht op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling ». 11 Artikel 7 bepaalt : « §
  33. Indien het slachtoffer zijn ambt neerlegt en een in artikel 5 bedoeld rustpensioen verkrijgt, kunnen de in artikel 3, eerste lid, 1°, b, bedoelde rente en de in artikel 3, eerste lid, 1°, c, bedoelde bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid met het pensioen slechts worden gecumuleerd tot 100 % van de laatste bezoldiging, nadat deze in voorkomend geval is aangepast volgens de voor rust- en overlevingspensioenen geldende regelen. Dat maximum kan tot méér dan 100 %, echter niet tot méér dan 150 %, worden opgevoerd voor slachtoffers wier toestand volstrekt de geregelde hulp van een ander persoon vergt. De rente of de bijslag wegens verergering worden in voorkomend geval tot het passend bedrag verminderd. §
  34. Het slachtoffer dat zijn ambt neerlegt zonder recht op een in artikel 5 bedoeld rustpensioen te hebben, geniet de totale rente en de totale bijslag wegens verergering ». De artikelen 8 tot 11 van de wet van 3 juli 1967 betreffen de renten die worden uitgekeerd in geval van overlijden van het slachtoffer van een arbeidsongeval, van een ongeval op de weg naar en van het werk of van een beroepsziekte. De artikelen 12 en 13 van de in het geding zijnde wet, ten slotte, betreffen de gemeenschappelijke regels vastgelegd voor de renten die worden uitgekeerd voor blijvende arbeidsongeschiktheid en in geval van overlijden. B.3.
  35. De wet van 3 juli 1967 werd aangenomen om het personeel van de overheidsdiensten te verzekeren tegen de gevolgen van de ongevallen op de weg of de plaats van het werk en van de beroepsziekten. « Het nagestreefde doel bestaat erin hun een stelsel te bezorgen dat kan vergeleken worden met het stelsel dat reeds toegepast wordt in de privé-sector. De Regering oordeelde het noch mogelijk noch wenselijk de personeelsleden van de overheidsdiensten te onderwerpen aan dezelfde bepalingen als de arbeiders en de bedienden uit de privé-sector. Het statuut der ambtenaren bevat particulariteiten waarmee rekening dient gehouden en die in zekere gevallen, het aanvaarden van eigen regelen rechtvaardigen. Het doel blijkt [lees : blijft] evenwel hetzelfde : aan het slachtoffer een vergoeding verzekeren welke aangepast is aan het nadeel opgelopen tengevolge van een ongeval » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, pp. 3 en 4; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, p. 3). 12 « Van een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privé-sector tot de openbare sector is er dus geenszins sprake » (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, p. 2). B.3.
  36. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever voor de werknemers van de privésector en die van de openbare sector vergelijkbare stelsels heeft willen vaststellen op het vlak van de regeling van schadeloosstelling van slachtoffers van een arbeidsongeval. Aldus werd artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967, dat betrekking heeft op de schadeloosstelling voor tijdelijke ongeschiktheid, in die wet ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 13 juli 1973 « tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector ». De parlementaire voorbereiding vermeldt hieromtrent : « In het advies op 29 november 1971 uitgebracht over een wetsontwerp dat bestemd was om de wet van 3 juli 1967 te wijzigen maar nooit bij het Parlement werd ingediend, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State, aangestipt dat de wet van 3 juli 1967 geen vergoeding voor de getroffene voorgeschreven had in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Derhalve heeft zij aan de Regering gesuggereerd aan de schadevergoeding voor die ongeschiktheid een rechtsgrond te verlenen in de wet van 3 juli
  37. Dit is het doel van artikel 4 van onderhavig ontwerp dat ertoe strekt een artikel 3bis in te voegen. Krachtens die bepaling zal de getroffene, in geval van tijdelijke ongeschiktheid, aanspraak kunnen maken op de vergoeding voorgeschreven, in geval van tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid, door artikel 22 van de wet van 10 april 1971, d.i. een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddelde dagloon » (Parl. St., Kamer, 1972-1973, nr. 468/1, pp. 3-4). Bij artikel 7 van de wet van 19 oktober 1998 « tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » heeft artikel 3bis van die wet gewijzigd, teneinde te verduidelijken dat de periode van tijdelijke ongeschiktheid liep « tot aan de totale herneming van het werk » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1534/1, pp. 3 en 8). B.3.
  38. Overeenkomstig artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 kan een werknemer in de overheidssector die getroffen is door een arbeidsongeval gedurende de gehele periode waarin hij arbeidsongeschikt is, ongeacht of hij dat volledig of gedeeltelijk is, de vergoedingen 13 genieten die voor algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid in de privé-sector zijn vastgesteld door de arbeidsongevallenwet (Cass. 10 oktober 2005, 05.0074.N). Krachtens laatstgenoemde bepaling kan de getroffene aanspraak maken op een dagelijkse vergoeding die gelijk is aan 90 % van het gemiddeld dagbedrag. Die schadevergoeding voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid neemt een einde op de datum dat de getroffene het werk volledig herneemt, dan wel op de datum van de consolidatie van de letsels van het ongeval. Vanaf de laatstgenoemde datum heeft de getroffene recht op een rente voor definitieve arbeidsongeschiktheid. B.4.
  39. De Arbeidsrechtbank te Brussel, waarbij de zaak in eerste aanleg door de appellant voor het verwijzende rechtscollege aanhangig is gemaakt, heeft het Hof twee prejudiciële vragen gesteld over artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967, in samenhang gelezen met artikel 23 van de arbeidsongevallenwet, in zoverre die bepalingen twee categorieën van slachtoffers van een ongeval op de weg naar en van het werk die het werk volledig hebben hervat, verschillend zouden behandelen naar gelang van de datum van de consolidatie van de letsels. B.4.
  40. Bij zijn arrest nr. 147/2014 van 9 oktober 2014 heeft het Hof geoordeeld dat de vragen geen antwoord behoefden om de volgende redenen : « B.3.
  41. Artikel 3bis, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 heeft tot doel de bepalingen vast te stellen die van toepassing zijn op personen die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn. Krachtens die bepaling genieten de personen die het slachtoffer zijn van een ongeval op de weg naar het werk, gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid en tot de datum van volledige hervatting van het werk, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid zijn vastgesteld in de wetgeving op de arbeidsongevallen. B.3.
  42. In de prejudiciële vraag wordt artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 in samenhang gelezen met artikel 23 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen. Echter, zoals ook wordt opgemerkt door het rechtscollege dat de onderhavige vragen aan het Hof heeft gesteld, regelt artikel 23 van de wet van 10 april 1971 uitsluitend de gevallen van tijdelijke en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zodat die bepaling niet moet worden gecombineerd met artikel 3bis, eerste lid, van de wet van 3 juli
  43. B.3.
  44. De verschillen in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd zouden derhalve niet kunnen voortvloeien uit de in de prejudiciële vragen vermelde wetsbepalingen ». 14 B.5.
  45. In het kader van het beroep tegen het door de Arbeidsrechtbank te Brussel uitgesproken vonnis dat ingevolge dat arrest is gewezen, heeft het verwijzende rechtscollege in de motieven van zijn arrest opgemerkt dat noch de wet van 3 juli 1967, noch enige andere wetgeving voorzien in schadeloosstelling tijdens de periode van gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor werknemers in de overheidssector die het slachtoffer van een arbeidsongeval zijn, maar wier letsels nog niet zijn geconsolideerd. Anders dan het verwijzende rechtscollege lijkt voor te houden, vloeit die ontstentenis van schadeloosstelling evenwel niet voort uit het feit dat het een gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid betreft. Uit de bewoordingen van artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 en de voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie ter zake volgt immers dat een werknemer in de overheidssector die door een arbeidsongeval getroffen is, aanspraak kan maken op de in artikel 22, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet voorziene vergoedingen voor tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid. Die vergoeding neemt evenwel een einde zodra de getroffene het werk volledig hervat. Het is dan ook ingevolge het feit dat de getroffen werknemer het werk volledig heeft hervat dat hij vanaf die datum geen aanspraak meer kon maken op een vergoeding voor de gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Daarenboven kon hij, vóór de datum van de consolidatie van de letsels van het arbeidsongeval, nog geen aanspraak maken op een rente voor definitieve arbeidsongeschiktheid. B.5.
  46. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval en tot het verschil in behandeling dat bestaat tussen die categorie van werknemers en die wier letsels binnen een kortere termijn zijn geconsolideerd en die, vanaf de datum van consolidatie, een rente wegens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid genieten, die in voorkomend geval met hun bezoldiging kan worden gecumuleerd. B.6.
  47. Zoals blijkt uit de voormelde wetsbepalingen en uit de parlementaire voorbereiding die aan het aannemen ervan is voorafgegaan, strekt de schadeloosstelling voor tijdelijke ongeschiktheid ertoe het loonverlies te compenseren dat de werknemer heeft geleden ingevolge het arbeidsongeval of het ongeval op de weg naar en van het werk waarvan hij het slachtoffer is geweest. 15 B.6.
  48. De rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid verschaft het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een ongeval op de weg naar en van het werk daarentegen een vervangingsinkomen naar aanleiding van het verlies van zijn economische geschiktheid tot werken (Cass., 10 maart 1980, Arr. Cass., 1979-1980, nr. 430, p. 844). B.
  49. Voor zover de vergoeding voor gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid ertoe strekt het loonverlies te compenseren dat de werknemer heeft geleden wegens het ongeval dat zich heeft voorgedaan, is het redelijk verantwoord dat, wanneer het slachtoffer van een arbeidsongeval het werk volledig heeft hervat zonder loonverlies, hij geen aanspraak op een vergoeding kan maken. In het licht van het doel van de vergoeding voor definitieve arbeidsongeschiktheid, is het eveneens verantwoord dat datzelfde slachtoffer slechts aanspraak erop kan maken vanaf de datum dat zijn letsels geconsolideerd zijn. In voorkomend geval staat het aan het slachtoffer om voor de bevoegde rechter te betwisten dat de consolidatie niet of te laat werd vastgesteld, waardoor hij verhinderd wordt of slechts te laat in staat wordt gesteld aanspraak te maken op een vergoeding voor definitieve arbeidsongeschiktheid. B.
  50. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden antwoord. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 3 tot 13 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 november
  51. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.165 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051010.4 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.132 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.