← België

ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.170

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.170 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181129.10 Arrest- Rolnummer: 170/2018 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2018-12-18 Raadplegingen: 264 - laatst gezien 2026-06-28 22:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot gedeeltelijke schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen, ingesteld door de nv « Integrale ». Bestuursrecht - Waals Gewest -

  1. Toezicht op de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie -
  2. Verplichtingen van de mandatarissen inzake vergoeding. Tekst van de beslissing Rolnummer 6999 Arrest nr. 170/2018 van 29 november 2018 In zake : de vordering tot gedeeltelijke schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen, ingesteld door de nv « Integrale ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 augustus 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 augustus 2018, heeft de nv « Integrale », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel, en Mr. J.-P. Lacomble en Mr. S. Pâques, advocaten bij de balie te Luik, een vordering tot schorsing ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen, en, in het bijzonder, van de artikelen 7, 9, 31, 35, 38 tot 41, 44, 45, 47 tot 49, 51, 52, 62, 67 tot 80 en 82 van dat decreet (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 mei 2018). Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 17 oktober 2018, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 12 oktober 2018 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Renders en Mr. E. Gonthier, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2018 : - zijn verschenen : . Mr. J. Bourtembourg, Mr. F. Belleflamme en Mr. S. Pâques, tevens loco Mr. J.-P. Lacomble, voor de verzoekende partij; . Mr. D. Renders en Mr. E. Gonthier, voor de Waalse Regering; . Mr. S. Mens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, loco Mr. B. Staelens, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
  3. De verzoekende partij, de nv « Integrale », zet uiteen dat zij een privaatrechtelijke naamloze vennootschap is die actief is op het gebied van verzekeringen. Zij wijst erop dat aangezien zij onrechtstreeks voor meer dan 50 % in handen is van de intercommunale « Publifin », zij als een « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie » moet worden beschouwd en dat zij bijgevolg onderworpen is aan alle bepalingen van het Waalse decreet van 29 maart 2018 « tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen », dat zij aanvecht. Zij doet gelden dat de bepalingen waarvan zij de schorsing en de vernietiging vordert, een hele reeks van aanvullende verplichtingen voor haar activiteit doen ontstaan, zodat zij van mening is dat zij ontegenzeglijk belang heeft bij het beroep. A.1.
  4. De Waalse Regering is van mening dat het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing om verscheidene redenen onontvankelijk zijn. Zij doet eerst gelden dat de verzoekende partij bij haar verzoekschrift slechts een ontwerp van beraadslaging van haar raad van bestuur voegt en niet een beslissing om in rechte te treden. Zij is vervolgens van oordeel dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij een maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie zou vormen, omdat zij haar aandelenregister en het register van de vennootschappen die de band met de intercommunale « Publifin » aantonen, niet voorlegt. Tot slot is zij van mening dat de verzoekende vennootschap niet aantoont dat haar situatie door de bestreden bepalingen ongunstig zou worden geraakt, daar de omstandigheid dat controleprocedures zijn ingesteld het niet mogelijk maakt automatisch te besluiten dat een rechtspersoon belang erbij zou hebben de vernietiging van die bepalingen te verkrijgen, aangezien de rechtspersoon integendeel belang erbij heeft dat op zijn beslissingen controlemechanismen worden uitgeoefend. Wat de bepalingen betreft waarbij de bezoldigingen van de leidinggevende organen van de vennootschap worden beperkt, is de Waalse Regering van mening dat de enige personen aan wie zij nadeel zouden kunnen berokkenen, de bestuurders en de leidinggevenden zelf zijn en niet de vennootschap die hen bezoldigt. Wat de bepalingen betreft waarbij aan die organen administratieve verplichtingen worden opgelegd, is de Waalse Regering van oordeel dat zij de verzoekende vennootschap niet raken, aangezien zij integendeel waarborgen dat zij het voordeel van aangestelde mandatarissen en leidinggevenden zal genieten en dat derden correct zullen worden geïnformeerd. De Waalse Regering leidt daaruit af dat de verzoekende vennootschap geen belang erbij heeft de vernietiging en de schorsing van de bestreden bepalingen te vorderen. Ten aanzien van het verzoek om het vertrouwelijke karakter te waarborgen van bepaalde stukken die door de verzoekende partij zijn ingediend A.
  5. De verzoekende partij dient een dossier met stukken in teneinde aan te tonen dat de vereisten van het decreet onverenigbaar zijn met de werkelijkheid van het beheer van een verzekeringsmaatschappij. Zij verzoekt het Hof het vertrouwelijke karakter van die stukken tegenover de Waalse Regering te waarborgen. Zij beroept zich dienaangaande op haar recht op privacy en op het zakengeheim. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.3.
  6. De verzoekende partij zet uiteen dat zij hoofdzakelijk actief is op het gebied van levensverzekeringen en dat zij in dat kader kapitalen beheert die haar door particulieren worden toevertrouwd. Zij doet gelden dat de onmiddellijke toepassing van de nieuwe regels van toezicht waaraan zij door het bestreden 4 decreet wordt onderworpen, haar een aanzienlijk nadeel berokkent, aangezien vernietigingsbesluiten alle contracten die zij afsluit, zowel met haar cliënten als met haar commerciële partners, bijna zonder beperking in de tijd op losse schroeven kunnen zetten en aangezien een bijzondere commissaris zelfs zomaar in de plaats van haar organen zou kunnen worden gesteld. Zij voegt eraan toe dat zij ook een nadeel ondergaat aangezien zij vóór 24 mei 2019 haar statuten moet aanpassen teneinde de uitoefening mogelijk te maken van een toezicht van eensluidend advies in geval van het nemen of intrekken van participaties in elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon en in geval van het afstoten van bedrijfstakken of algemeenheden. Zij wijst dienaangaande erop dat in ongeveer 40 % van de gevallen haar investeringen en haar verkopen via rechtspersonen gebeuren, zodat zij als het nemen of intrekken van participaties in privaatrechtelijke rechtspersonen of als het afstoten van bedrijfstakken of algemeenheden moeten worden beschouwd. Zij zet uiteen dat de financiële gevolgen van die situatie zullen zijn dat zij een groeiend deel van haar kapitaal in liquiditeiten op korte termijn zal moeten aanhouden, die haar een heel wat lagere intrest zouden opbrengen dan die welke haar huidige investeringen haar opbrengen. Zij doet ten eerste gelden dat zij zich snel in de onmogelijkheid zou bevinden om haar activiteit uit te oefenen aangezien een verzekeringsmaatschappij niet wordt opgericht om de haar toevertrouwde kapitalen, aan te houden in de vorm van liquiditeiten op korte termijn. Zij doet vervolgens gelden dat haar particuliere klanten, die het rendement van hun beleggingen sterk zouden zien dalen, geneigd zouden zijn haar te verlaten, hetgeen een ernstig en onmogelijk te herstellen - want onmogelijk concreet te evalueren - financieel nadeel met zich zou meebrengen. Tot slot wijst zij erop dat zij zelf een aanzienlijk verlies zou lijden in alle gevallen waarin het rendement aan de cliënten is gewaarborgd en dat dat verlies de voortzetting van haar activiteit snel onmogelijk zou maken omdat haar situatie op het vlak van solvabiliteit niet dusdanig is dat zij een verlies van die omvang zou kunnen lijden en toch haar prudentiële verplichtingen zou kunnen blijven vervullen. A.3.
  7. De verzoekende partij zet uiteen dat het nadeel dat haar wordt berokkend niet alleen financieel is; het bestaat ook in een aantasting van haar fundamenteel recht op de vrijheid van ondernemen, aangezien de bestreden bepalingen de uitoefening van die vrijheid onmogelijk maken. A.3.
  8. De verzoekende partij doet vervolgens gelden dat zij een nadeel zal lijden dat bestaat in een onomkeerbare aantasting van haar reputatie wanneer de buitenlandse investeerders zullen begrijpen dat de wettelijke regels waaraan zij is onderworpen niet langer de vertrouwelijkheid waarborgen van de geheimen die haar worden toevertrouwd en dat haar verbintenissen te allen tijde op losse schroeven kunnen worden gezet wegens de uitoefening van het vernietigingstoezicht. A.3.
  9. De verzoekende partij zet uiteen dat de bestreden bepalingen ook een nadeel veroorzaken wat betreft het beheer van haar personeel, dat complexer wordt omdat, ten eerste, de beslissingen tot aanwerving voortaan zijn onderworpen aan het vernietigingstoezicht; omdat, ten tweede, de bezoldiging van het personeel onderworpen is aan maximumbedragen en, in bepaalde gevallen, aan het toezicht van eensluidend advies van de intercommunale en omdat, ten derde, haar personeel wordt geraakt door de verplichtingen inzake aangifte van mandaten en door de op haar rustende verplichtingen inzake openbaarheid. In het bijzonder wat de bezoldigingsplafonds betreft, doet zij gelden dat die maximumbedragen heel wat lager zijn dan de marktprijzen in haar sector en dat zij bijgevolg het gevaar loopt haar personeel te zien vertrekken en niet langer mensen met de competenties die zij nodig heeft, te kunnen aanwerven. A.3.
  10. De verzoekende partij doet gelden dat niet ernstig staande kan worden gehouden dat zij aan die nadelen zou kunnen ontsnappen, eenvoudigweg indien de intercommunale die onrechtstreeks eigenaar ervan is, een deel van haar participaties zou doorverkopen, zodat zij niet langer binnen de werkingssfeer van het bestreden decreet valt. Zij preciseert dienaangaande dat de gedwongen en overhaaste verkoop van een deel van haar deelbewijzen in ongunstige omstandigheden zou gebeuren, die, op financieel vlak, nadelig zouden zijn voor de openbare belangen. A.3.
  11. Tot slot is de verzoekende partij van mening dat indien het Hof een prejudiciële vraag zou richten aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de overeenstemming van de bestreden bepalingen met de Europese regels inzake controle op de verzekeringsactiviteiten, voorlopig een schorsing zou moeten worden bevolen tot het arrest van het Hof van Justitie wordt uitgesproken, aangezien die schorsing noodzakelijk zou zijn om de volle doeltreffendheid te waarborgen van de te geven rechterlijke beslissing. A.3.
  12. De Waalse Regering doet gelden dat aangezien de verzoekende partij niet aanbiedt om het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij ondergaat, op tegenspraak aan te tonen, dat risico niet 5 vaststaat. De Waalse Regering gaat ervan uit dat het bestaan van het risico van een nadeel aanvaarden op basis van stukken die haar niet worden medegedeeld, erop neerkomt dat haar recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Zij voegt eraan toe dat de verzoekende partij in elk geval niet aantoont dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen haar tot het faillissement dreigt te voeren nog vooraleer het Hof uitspraak heeft kunnen doen over het beroep tot vernietiging. A.3.
  13. De Vlaamse Regering zet uiteen dat artikel 47 van het bestreden decreet in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en Decentralisatie een definitie invoert van een « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie » die een impact heeft op, onder meer, de artikelen 35 en 44 van het bestreden decreet. Zij doet gelden dat, krachtens die definitie, bestuurlijk toezicht kan worden uitgeoefend op maatschappijen naar Belgisch recht of op maatschappijen waarvan de bedrijfszetel in België is gevestigd. Zij gaat ervan uit dat de Waalse decreetgever zijn territoriale bevoegdheid overschrijdt door de uitoefening van bestuurlijk toezicht in te stellen ten aanzien van maatschappijen die in een ander gewest dan het Waalse Gewest kunnen zijn gevestigd of die in meer dan één gewest kunnen zijn gevestigd, zonder dat vooraf daarover tussen de gewesten een samenwerkingsovereenkomst is gesloten. Zij onderstreept dat een dergelijke overeenkomst onontbeerlijk is. Zij is van mening dat, om redenen van rechtszekerheid, de toepassing van artikel 47 van het bestreden decreet dient te worden geschorst, teneinde te vermijden dat een filiaal van een Waalse intercommunale dat niet in het Waalse Gewest zou zijn gelegen, ertoe wordt gedwongen zich aan het voormelde bestuurlijk toezicht te onderwerpen. Zij voegt eraan toe dat de beschouwde schending van de territoriale bevoegdheid in ieder geval een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt en dat in de mate de verzoekende partij een filiaal heeft dat geheel of deels gelegen is buiten de territoriale bevoegdheidsruimte van het Waalse Gewest, er uiteraard sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  14. De verzoekende partij vordert de schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen ». B.1.
  15. Uit de in het verzoekschrift opgenomen uiteenzetting met betrekking tot het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel blijkt dat de vordering tot schorsing enkel de bepalingen van dat decreet beoogt waarbij, enerzijds, nieuwe regels inzake toezicht worden ingesteld en, anderzijds, nieuwe regels die aan de verzoekende partij worden opgelegd wat het beheer van haar personeel betreft. B.1.
  16. Daaruit kan worden afgeleid dat de vordering tot schorsing de artikelen 35, 44 en 45, die de regels met betrekking tot de nieuwe vormen van toezicht bevatten, en de artikelen 52, 56, 62, 69, 71, 74 en 76 beoogt, in zoverre zij voorzien in maximumbedragen 6 voor de bezoldiging en in administratieve verplichtingen ten laste van de beoogde instellingen, hun bestuurders en sommige leden van hun personeel. B.1.
  17. Het Hof beperkt het onderzoek van de vordering tot schorsing tot die bepalingen. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij B.2.
  18. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, moet de ontvankelijkheid van het beroep, en in het bijzonder het bestaan van het vereiste belang, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing worden betrokken. B.2.
  19. De verzoekende partij toont, in dit stadium van de procedure, voldoende aan dat zij een naamloze vennootschap is waarvan het kapitaal onrechtstreeks voor meer dan 50 % in handen van een intercommunale is. Zij beantwoordt dus op het eerste gezicht aan de definitie van de « maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie » die is vastgelegd bij artikel L5111-1, eerste lid, 10°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, dat is ingevoerd bij artikel 47 van het bestreden decreet. Alle bij het bestreden decreet ingevoerde bepalingen die betrekking hebben op de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie lijken bijgevolg op haar van toepassing te zijn. B.2.
  20. In tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering betoogt, kunnen de bepalingen die zij aanvecht haar situatie rechtstreeks en ongunstig raken in zoverre zij extra controles instellen op de beslissingen die zij neemt en op de handelingen die zij stelt en in zoverre zij verplichtingen inhouden die aan haar worden opgelegd in haar relaties met de leden van haar raad van bestuur alsook op het vlak van aanwerving en beheer van haar leidinggevend personeel. B.2.
  21. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht. 7 Ten aanzien van de vordering tot schorsing B.
  22. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel Wat betreft de bepalingen waarbij nieuwe vormen van toezicht op de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie worden ingesteld B.4.
  23. Artikel 35 van het bestreden decreet vervangt artikel L1532-5 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie door de volgende bepaling : « Art. L1532-
  24. Het filiaal van een intercommunale, evenals alle maatschappijen waarin een intercommunale of een filiaal ervan een participatie bezitten, ongeacht de graad daarvan, voor zover de totale participatie die enkel in haar handen is of rechtstreeks of onrechtstreeks gedeeld wordt met de gemeenten, provincies, OCMW's, intercommunales, zelfstandige gemeente- of provinciebedrijven, gemeentelijke of provinciale vzw's, projectverenigingen, verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de huisvestingsmaatschappijen of rechtspersonen of feitelijke verenigingen waarin meerdere voornoemde overheden verenigd zijn, of hoger is dan vijftig percent van het kapitaal of meer dan vijftig percent van de leden van het voornaamste beheersorgaan bereikt, maken aan de raad van bestuur van de intercommunale de ontwerp-beslissingen over in verband met het nemen of intrekken van participaties in elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, met het afstoten van bedrijfstakken of algemeenheden, evenals met de vergoedingen die onder de algemene vergadering of het voornaamste beheersorgaan vallen. 8 De raad van bestuur van de intercommunale beschikt over een termijn van dertig dagen om een eensluidend advies in te dienen. De betrokken maatschappijen brengen hun statuut in overeenstemming met dit artikel. Bij ontstentenis trekt de intercommunale zich uit het kapitaal van de maatschappij terug ». Met toepassing van artikel 84 van het bestreden decreet beschikken de bedoelde maatschappijen over een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dat decreet, om hun statuten met artikel L1532-5 in overeenstemming te brengen. Aangezien het bestreden decreet in werking is getreden tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad op 14 mei 2018, moeten de beoogde maatschappijen hun statuten tegen 24 mei 2019 hebben aangepast. B.4.
  25. Artikel 44 van het bestreden decreet voegt in artikel L3111-1, § 1, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, waarin de openbare lichamen en de instellingen worden opgesomd die aan het gewone toezicht zijn onderworpen, een 8° in, luidend als volgt : « 8° een maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie, zoals omschreven in artikel L5111-1, lid 1, 10° ». Ten gevolge van die bepaling vallen alle akten van de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie onder het door het Waalse Gewest uitgeoefende algemene vernietigingstoezicht. B.4.
  26. Artikel 45 van het bestreden decreet vervangt artikel L3116-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie door de volgende bepaling : « De toezichthoudende overheid mag, bij besluit, een bijzondere commissaris aanwijzen wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon of een instelling bedoeld in artikel L3111-1, § 1, het algemeen belang schaadt, verzuimt de aangevraagde inlichtingen en elementen te verstrekken of de voorschriften van de wetten, decreten, besluiten, regelingen of statuten, of van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing uit te voeren. De bijzondere commissaris is gemachtigd om alle maatregelen te treffen in de plaats van de in gebreke gebleven overheid, binnen de perken van het mandaat dat hem bij het aanwijzingsbesluit is toegekend ». B.5.
  27. De verzoekende partij zet uiteen dat zij een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel loopt door de onmiddellijke toepassing van die bepalingen, aangezien zij 9 voorzien in procedures die onverenigbaar zijn met het normale beheer van een levensverzekeringsportefeuille, zodat zij zou worden belet haar activiteit voort te zetten. Zij betoogt vervolgens dat zij een ernstig financieel nadeel, wat de omvang ervan betreft, dat onmogelijk concreet te evalueren valt, zou ondergaan, omdat haar cliënten ertoe zouden worden gebracht de met haar gesloten contracten te verbreken. Zij voegt tot slot eraan toe dat zij zelf een aanzienlijk financieel verlies zou lijden, verlies dat de voortzetting van haar activiteit onmogelijk zou maken. B.5.
  28. Het loutere risico een financieel verlies te lijden, vormt in beginsel geen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Een aangevoerd financieel nadeel is slechts onherstelbaar indien de verzoekende partij aantoont dat de bestreden bepalingen haar leefbaarheid op korte termijn hypothekeren, wat zij niet doet. B.6.
  29. De verplichting om aan de raad van bestuur van de intercommunale waarvan de verzoekende vennootschap indirect een filiaal is, de in artikel L1532-5 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, vervangen bij het bestreden artikel 35, aangehaalde ontwerpbeslissingen te bezorgen, teneinde zijn eensluidend advies te verkrijgen, impliceert niet dat de beslissingen door de verzoekende vennootschap niet zullen kunnen worden genomen. Zulks zou slechts het geval zijn indien de raad van bestuur van de intercommunale van oordeel zou zijn dat die ontwerpen in strijd zijn met het algemeen belang. Daarenboven, door erin te voorzien dat de raad van bestuur van de intercommunale over een termijn van dertig dagen beschikt, verbiedt de bestreden bepaling hem niet zijn advies binnen een kortere termijn uit te brengen, zodat die verplichting verenigbaar wordt gemaakt met de interne procedures van de verzoekende vennootschap en met de voorwaarden en praktijken van de economische sector waarin haar activiteiten worden ontplooid. Tot slot moeten de statuten van de betrokken maatschappijen tegen 24 mei 2019 zijn aangepast, zodat vóór die datum, de ontwerpbeslissingen, krachtens de bestreden bepalingen, niet aan de raad van bestuur van de intercommunale moeten worden bezorgd. Indien het Hof de bestreden bepalingen na die datum zou vernietigen, zou de verzoekende vennootschap haar statuten zonder moeite opnieuw kunnen wijzigen. In de tussentijd zouden er hooguit slechts enkele maanden zijn verstreken, tijdens welke zij met de raad van bestuur van de 10 intercommunale waarvan zij het indirect filiaal is, een procedure had moeten instellen die haar de mogelijkheid zou bieden snel een eensluidend advies met betrekking tot haar ontwerpbeslissingen te verkrijgen. B.6.
  30. Het toezicht dat door het Waalse Gewest wordt uitgeoefend met toepassing van artikel L3111-1, § 1, 8°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, zoals het is ingevoegd bij artikel 44 van het bestreden decreet, houdt enkel een risico van nietigverklaring in van de akten van de verzoekende vennootschap in het geval dat zij in strijd zouden zijn met het algemeen belang. De onmiddellijke toepassing van die bepaling betekent dus niet dat alle door de verzoekende vennootschap gesloten akten met nietigverklaring worden bedreigd. Het bestaan van dat toezicht belet haar dus niet haar activiteit normaal te blijven uitoefenen, tenzij ervan wordt uitgegaan dat de akten die zij aanneemt, over het algemeen in strijd zijn met het algemeen belang. B.6.
  31. Tot slot kan de mogelijkheid voor de toezichthoudende overheid om een bijzondere commissaris te sturen de verzoekende vennootschap niet beletten haar activiteit uit te oefenen, aangezien de doelstelling van die maatregel integendeel net erin bestaat haar de mogelijkheid te bieden dat onder de beste voorwaarden te doen. B.7.
  32. De verzoekende vennootschap is voorts van mening dat haar reputatie onomkeerbaar wordt aangetast omdat, enerzijds, de regels inzake toezicht waaraan zij is onderworpen, tot gevolg hebben dat de vertrouwelijkheid van de geheimen die haar worden toevertrouwd, niet langer gewaarborgd is en omdat, anderzijds, de verbintenissen die zij aangaat ten opzichte van derden-partners-investeerders op losse schroeven zouden kunnen worden gezet. B.7.
  33. Het bezorgen van de ontwerpbeslissingen en van de door de verzoekende vennootschap genomen akten, naar gelang van het geval, aan de raad van bestuur van de intercommunale waarvan zij indirect een filiaal is en aan de Waalse Regering doet geen afbreuk aan de vertrouwelijkheid van die ontwerpen en die akten of aan het geheim van de zakelijke betrekkingen tijdens welke zij worden overwogen, aangezien de leden van de raad van bestuur van de intercommunale en de toezichthoudende Waalse minister verplicht zijn tot geheimhouding van de stukken waarvan zij kennis dienen te nemen. Bovendien kan het 11 loutere bestaan van een procedure van voorafgaand eensluidend advies of van een vernietigingstoezicht, dat voortvloeit uit decretale regels die van toepassing zijn op alle maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie, geen aantasting vormen van de reputatie van de beoogde maatschappijen of van een van hen. B.
  34. In de veronderstelling dat de toepassing van de bestreden bepalingen de verzoekende partij een nadeel berokkent, zou dat nadeel in geval van latere vernietiging van die bepalingen kunnen worden hersteld. Wat betreft de bepalingen met betrekking tot het beheer van het personeel van de verzoekende partij B.9.
  35. Artikel 52 van het bestreden decreet, dat artikel L5311-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie vervangt, stelt bezoldigingsgrenzen in voor de bestuurders van de in het decreet beoogde rechtspersonen. Artikel 56 van het bestreden decreet, dat in hetzelfde Wetboek een artikel L5321-1 invoegt, stelt in paragraaf 6 van die bepaling een maximumbedrag in dat van toepassing is op de bezoldiging van de houder van de plaatselijke leidinggevende functie. Artikel 62 van het bestreden decreet, dat artikel L5431-1 van hetzelfde Wetboek vervangt, biedt de Waalse Regering de mogelijkheid het verval vast te stellen van de mandaten van de houder die niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen inzake aangifte of terugbetaling van de onverschuldigde sommen. Artikel 69 van het bestreden decreet, dat in hetzelfde Wetboek een artikel L6411-1 invoegt, belast de Waalse Regering ermee een register van de lokale en bovenlokale instellingen op te stellen waarin de personen worden vermeld die er mandaten en leidinggevende functies uitoefenen. Artikel 71 van het bestreden decreet voegt in hetzelfde Wetboek een artikel L6421-1 in, dat onder meer het voornaamste beheersorgaan van de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie ermee belast een schriftelijk bezoldigingsverslag op te maken met een individueel en nominatief overzicht van het presentiegeld, de bezoldigingen en voordelen in natura die door de bestuurders en de houders van leidinggevende functies verkregen zijn. Artikel 74 van het bestreden decreet voegt in hetzelfde Wetboek een artikel L6431-2 in, dat met name aan de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie de verplichting oplegt een aantal gegevens met betrekking tot, onder meer, de identiteit van hun mandatarissen bekend te maken. Artikel 76 van het bestreden decreet voegt in hetzelfde 12 Wetboek een artikel L6434-1 in, dat de personeelsleden verbiedt presentiegeld of bezoldigingen te ontvangen wegens hun deelname aan de vergaderingen van organen van de instelling die hen tewerkstelt. B.9.
  36. Daarenboven moeten de regels met betrekking tot het voorafgaand eensluidend advies en het vernietigingstoezicht die zijn ingesteld bij de in B.4.1 en B.4.2 aangehaalde artikelen 35 en 44 van het bestreden decreet ook geheel of gedeeltelijk worden toegepast op de beslissingen genomen inzake indienstneming van personeel en inzake bezoldiging. B.
  37. De verzoekende partij zet uiteen dat de onmiddellijke toepassing van die bepalingen haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent wat het beheer van haar personeel betreft, enerzijds, omdat dat beheer daardoor onmiddellijk « vreselijk » complex wordt en, anderzijds, omdat het merendeel van de leden van haar directiecomité, die bezoldigingen genieten die ruim boven de bij de bestreden bepalingen ingestelde maximumbedragen liggen, reeds hebben laten weten dat zij haar zouden verlaten en daarbij schadevergoedingen van haar zouden eisen in geval van eenzijdige wijziging van hun bezoldigingsvoorwaarden. Zij voegt eraan toe dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen haar bovendien belet competent leidinggevend personeel aan te werven om te voorzien in de betrekkingen die aldus vacant zouden zijn. B.11.
  38. Het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel met betrekking tot de daling van de bezoldigingen van haar bestuurders en leidinggevenden is, in de veronderstelling dat het ernstig is, geenszins onherstelbaar in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen door het Hof. De vernietiging van de regels waarbij maximumbedragen inzake bezoldiging worden ingesteld, zou de verzoekende vennootschap immers de mogelijkheid bieden haar bestuurders en de leden van haar directiecomité te bezoldigen zoals tussen hen was overeengekomen. Zij zou het tijdens de periode van toepassing van de vernietigde bepalingen geleden verlies inzake bezoldiging ook vrijelijk kunnen compenseren. Aangezien de bestuurders en leidinggevenden van de verzoekende vennootschap op de hoogte zijn van het feit dat een beroep tot vernietiging van die bepalingen bij het Hof hangende is, is het tot slot weinig waarschijnlijk dat zij hun vertrek bespoedigen zonder de afloop van dat beroep af te wachten. 13 B.11.
  39. Het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel dat bestaat in het complexer worden van de regels met betrekking tot het beheer van haar personeel kan zijnerzijds niet als ernstig worden beschouwd. De administratieve last die voortvloeit uit de inwerkingstelling van de bepalingen met betrekking tot het voorafgaand eensluidend advies en met betrekking tot het vernietigingstoezicht kan geen nadeel vormen waarvan de ernst de schorsing van de betrokken bepalingen zou verantwoorden. Dat geldt des te meer omdat met de raad van bestuur van de intercommunale waarvan de verzoekende vennootschap indirect het filiaal is, interne procedureregels kunnen worden overeengekomen om de termijn van een maand waarbinnen het eensluidend advies moet worden verstrekt, in te korten. De onmiddellijke toepassing van de bepalingen met betrekking tot de bekendmaking van de namen van de personen die bestuursfuncties en leidinggevende functies bekleden, kan de verzoekende vennootschap evenmin een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen. B.12.
  40. Uit het voorgaande volgt dat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel van geen enkele van de bestreden bepalingen is aangetoond. B.12.
  41. Aangezien de verzoekende partij niet doet gelden dat zij een zetel zou hebben die elders is gelegen dan in het Waalse Gewest, dient daarenboven, in tegenstelling tot hetgeen de Vlaamse Regering betoogt, te haren aanzien niet het bestaan te worden onderzocht van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat wordt berokkend door een eventuele overschrijding, door artikel 47 van het bestreden decreet, van de territoriale bevoegdheden van de Waalse decreetgever. B.
  42. Aangezien een van de grondvoorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 14 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 november
  43. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.