← België

ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.172

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.172 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181206.1 Arrest- Rolnummer: 172/2018 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-01-04 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-06-28 22:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017, zo geïnterpreteerd dat het de eigenaar van een beschadigd voertuig toelaat van zijn eigen verzekeraar van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen de vergoeding te vorderen van de schade aan zijn voertuig in de in dat artikel bepaalde mate, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi. Verzekeringsrecht - Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - Verkeersongeval met verscheidene voertuigen - Onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt - Vergoeding van de schade ten laste van de verzekeraar van de eigenaar van een beschadigd voertuig. Tekst van de beslissing Rolnummer 6683 Arrest nr. 172/2018 van 6 december 2018 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 15 november 2016 in zake Ayten Seker tegen Xavier Mincke en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 juni 2017, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Voert artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, in die zin geïnterpreteerd dat het de eigenaar van een voertuig dat is beschadigd naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij minstens twee voertuigen betrokken zijn en waarvoor de aansprakelijkheden niet konden worden vastgesteld, toelaat van zijn eigen verzekeraar van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen de vergoeding voor de schade aan zijn voertuig in de in dat artikel bepaalde mate te vorderen, een in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet onverantwoord verschil in behandeling in tussen die eigenaar en diegene die, in de hypothese dat de bestuurder van zijn voertuig aansprakelijk is gesteld, van zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar niet de vergoeding van de schade aan zijn eigen voertuig kan vorderen, met toepassing van artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en van artikel 8, 1°, van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, en die bijgevolg zou worden gediscrimineerd ten opzichte van de eerstgenoemde ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Schuermans, advocaat bij de balie van Antwerpen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi, zitting houdend in hoger beroep, is een geschil aanhangig gemaakt met betrekking tot een verkeersongeval op 20 december 2010 waarbij twee voertuigen zijn betrokken. De Rechtbank oordeelt dat het niet mogelijk is de aansprakelijkheden te verdelen tussen de bestuursters van de betrokken voertuigen. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding die een van de bestuursters tegen haar eigen verzekeraar heeft ingesteld, is de Rechtbank van oordeel dat in principe is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. De verzekeraar voert evenwel artikel 3, § 1, 3 vierde lid, 1°, van dezelfde wet aan. De Rechtbank stelt vast dat die twee bepalingen onder de verzekerden een verschil in behandeling invoeren ten aanzien van de vergoeding van hun eigen schade, en stelt derhalve aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag. III. In rechte -A– A.

  1. De Ministerraad voert aan dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de prejudiciële vraag, in zoverre die betrekking heeft op artikel 8, 1°, van de modelovereenkomst die is gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. A.
  2. De Ministerraad voert aan dat artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen past in het kader van een regeling die op de aansprakelijkheid berust, terwijl de in artikel 19bis-11, § 2, van dezelfde wet vervatte regel een regeling van automatische vergoeding is die de wet oplegt aan de verzekeraars van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van motorrijtuigen. Hij is van mening dat dat verschil in aard tussen beide regelingen het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoordt. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 84/2017 van 22 juni 2017, dat op dezelfde motivering steunt. -B– B.1.
  3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna : de wet van 21 november 1989). Het voormelde artikel 19bis-11 bepaalde, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna : de wet van 31 mei 2017) : « §
  4. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt : […] 7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon; […]. §
  5. In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke 4 delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt ». B.1.
  6. Paragraaf 2 van die bepaling is opgeheven bij artikel 15 van de wet van 31 mei
  7. Krachtens artikel 33bis van de wet van 21 november 1989, ingevoegd bij artikel 25 van de wet van 31 mei 2017, zijn de wijzigingen aangebracht in de wet van 21 november 1989 van toepassing op de verkeersongevallen die hebben plaatsgevonden vanaf de inwerkingtreding ervan. De opheffing van de in het geding zijnde bepaling heeft derhalve geen gevolgen voor het onderwerp van de prejudiciële vraag, die is gesteld naar aanleiding van een geschil met betrekking tot een ongeval dat zich vóór die opheffing heeft voorgedaan. B.2.
  8. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de eigenaar van een voertuig, dat is beschadigd naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij minstens twee voertuigen betrokken zijn en waarvoor de aansprakelijkheden niet konden worden vastgesteld, toelaat van zijn eigen verzekeraar van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen een vergoeding voor de schade aan zijn voertuig in de daarin bepaalde mate te vorderen. B.2.
  9. Het verwijzende rechtscollege vergelijkt de situatie van de eigenaar van het voertuig op wie de in het geding zijnde bepaling van toepassing is met die van de eigenaar van het beschadigde voertuig wiens aansprakelijkheid is vastgesteld en die van zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar niet de vergoeding van zijn schade kan vorderen, op grond van artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van dezelfde wet en artikel 8, 1°, van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december
  10. B.3.
  11. Artikel 3, § 1, van de wet van 21 november 1989 bepaalde, vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van de voormelde wet van 31 mei 2017 : « De verzekering moet waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd, van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de 5 arbeidsovereenkomsten en van de organisatie die bovengenoemde personen inzet als vrijwilligers, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft. […] Van de verzekering kan niettemin worden uitgesloten, de schade aan : 1° het verzekerd voertuig; […] ». B.3.
  12. Op grond van die bepaling sluit de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de schade veroorzaakt aan het verzekerde voertuig van de verzekering uit, zodat, wanneer de aansprakelijkheid van de bestuurder van het verzekerde voertuig is vastgesteld, de schade aan dat voertuig niet wordt vergoed door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar van dat voertuig. B.4.
  13. Artikel 3 van de wet van 21 november 1989 past in het kader van een regeling die steunt op de aansprakelijkheid en op de aansprakelijkheidsverzekeringen. Het heeft betrekking op de gevallen van « burgerrechtelijke aansprakelijkheid » van de eigenaar, van de houder of van de bestuurder van het verzekerde voertuig. De in artikel 19bis-11, § 2, van dezelfde wet vervatte regel is daarentegen een regeling van automatische vergoeding die de wet oplegt aan de verzekeraars van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van alle bestuurders van motorrijtuigen, met uitzondering van de verzekeraars van de bestuurders wier burgerrechtelijke aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt. B.4.
  14. In een regeling van automatische vergoeding van de schade die per hypothese veronderstelt dat geen enkele fout van de verzekerde kan worden aangetoond, zou de contractuele relatie tussen de verzekeraar en de benadeelde persoon de uitsluiting van de tegemoetkoming van die verzekeraar niet kunnen verantwoorden. Daarentegen, in een regeling van burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering maakt de contractuele relatie het mogelijk de vergoeding van de materiële schade aan het voertuig van de verzekerde uit te sluiten omdat die schade is veroorzaakt door de fout van de verzekerde zelf. 6 B.
  15. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het verschil in behandeling tussen de eigenaar van het beschadigde voertuig wiens fout niet kan worden aangetoond en die, op grond van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 de vergoeding van zijn schade ten laste van zijn eigen verzekeraar kan verkrijgen binnen de in dat artikel bepaalde perken, en de eigenaar van het beschadigde voertuig wiens aansprakelijkheid is vastgesteld en die op grond van artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van dezelfde wet niet de vergoeding van zijn schade kan verkrijgen ten laste van zijn eigen verzekeraar, redelijk verantwoord is door de onderscheiden aard van de juridische regelingen waarvan die bepalingen deel uitmaken. B.
  16. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017, zo geïnterpreteerd dat het de eigenaar van een beschadigd voertuig toelaat van zijn eigen verzekeraar van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen de vergoeding te vorderen van de schade aan zijn voertuig in de in dat artikel bepaalde mate, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 december
  17. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.