id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.173 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181206.2 Arrest- Rolnummer: 173/2018 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-01-04 Raadplegingen: 293 - laatst gezien 2026-06-28 22:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017, zo geïnterpreteerd dat het de eigenaar van een beschadigd voertuig toelaat van zijn eigen verzekeraar van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen de vergoeding te vorderen van de schade aan zijn voertuig in de in dat artikel bepaalde mate, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Artikel 25 van de wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en artikel 25 van de wet van 31 mei 2017, dat een artikel 33bis invoegt in de voormelde wet van 21 november 1989, gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Verzekeringsrecht - Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - Verkeersongeval met verscheidene voertuigen - Onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt - 1. Vergoeding van de schade ten laste van de verzekeraar van de eigenaar van een beschadigd voertuig - 2. Overgangsregeling. Tekst van de beslissing Rolnummer 6688 Arrest nr. 173/2018 van 6 december 2018 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en artikel 25 van de wet van 31 mei 2017, dat een artikel 33bis invoegt in de voormelde wet van 21 november 1989, gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 23 juni 2017 in zake José Pascal tegen de nv « AXA Belgium », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 juni 2017, heeft de Politierechtbank Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het, ten behoeve van een bestuurder van een motorrijtuig, toelaat gebruik te maken van een regeling inzake automatische vergoeding voor zowel de materiële schade als de lichamelijke letsels, in die zin geïnterpreteerd dat het :
- a)de bestuurder van een bij een verkeersongeval betrokken voertuig, die ofwel niet ongetwijfeld aansprakelijk is, ofwel aansprakelijk zou kunnen worden gesteld zonder dat het bewijs ervan geldig kan worden geleverd, ongeval waarbij twee (of meer) voertuigen betrokken zijn en waarbij het niet mogelijk is te bepalen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, toelaat de vergoeding van zijn schade in gelijke delen te verkrijgen van, enerzijds, de verzekeraar van het andere betrokken voertuig of van de andere betrokken voertuigen en, anderzijds, van zijn eigen BA-verzekeraar, terwijl artikel 3, § 1, 1°, van dezelfde wet en artikel 8, 1°, van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992, het de verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen mogelijk maakt de schade aan de door hem verzekerde voertuigen van zijn optreden uit te sluiten ?
- b)de voormelde bestuurders, die dus niet ongetwijfeld onschuldig zijn en derhalve misschien zelfs schuldig zijn, zou toelaten een regeling te genieten die afwijkt van het gemeen recht inzake bewijsvoering, waarin met name de artikelen 1315, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek voorzien, in tegenstelling tot alle eisers in rechte op burgerlijk vlak die steeds ertoe gehouden zouden zijn de schuld van de tegenpartij en het oorzakelijk verband tussen die schuld en de totstandkoming van de schade aan te tonen ? »; 2. « Schendt artikel 25 van de wet van 31 mei 2017, dat een artikel 33bis in de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen invoegt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het een verschil in behandeling toelaat tussen de slachtoffers van of de personen betrokken bij een verkeersongeval dat vóór of na de datum van inwerkingtreding van die bepaling plaatsheeft ? ». Memories zijn ingediend door : - José Pascal, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Dechamps, advocaat bij de balie te Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Schuermans, advocaat bij de balie van Antwerpen. 3 Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Politierechtbank Luik, afdeling Luik, is een geschil aanhangig gemaakt met betrekking tot een verkeersongeval op 15 juni 2014 waarbij twee voertuigen zijn betrokken. De Rechtbank oordeelt dat het niet mogelijk is de aansprakelijkheden te verdelen tussen de bestuurders van de betrokken voertuigen. De eiser voor de Rechtbank is voor de helft van zijn schade vergoed door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de andere bestuurder, met toepassing van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna : de wet van 21 november 1989). Zijn eigen verzekeraar, verweerder voor de Rechtbank, weigert van zijn kant de andere helft van zijn schade te vergoeden op grond van dezelfde bepaling. De Rechtbank stelt vast dat een verschil in behandeling onder verzekerden, ten aanzien van de vergoeding van hun eigen schade, wordt ingevoerd door artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 en door artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van dezelfde wet. Zij wijst daarnaast erop dat een ander verschil in behandeling, ten aanzien van de bewijslast, tussen de begunstigden van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 en alle andere eisers in rechte wordt ingevoerd door dezelfde bepaling. Zij stelt derhalve aan het Hof de eerste hiervoor weergegeven vraag. De Rechtbank stelt overigens vast dat artikel 15 van de wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen paragraaf 2 van artikel 19bis-11 van de wet van 21 november 1989 opheft, maar dat, krachtens artikel 25 van de wet van 31 mei 2017, die opheffing alleen van toepassing is op de ongevallen die zich hebben voorgedaan vanaf de inwerkingtreding van die wet, inwerkingtreding die zij situeert op de datum van 11 juni 2017. Zij leidt hieruit af dat een verschil in behandeling wordt ingevoerd onder de slachtoffers van verkeersongevallen naargelang die zich vóór of na 11 juni 2017 hebben voorgedaan en stelt derhalve aan het Hof de tweede hiervoor weergegeven vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.1. J. Pascal, eiser voor de verwijzende rechter, refereert, wat het eerste onderdeel van die vraag betreft, aan het arrest nr. 84/2017 van 22 juni 2017. A.1.2. Wat het tweede onderdeel van die vraag betreft, voert hij aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling wordt verantwoord door het gegeven dat de twee met elkaar vergeleken categorieën van personen zich in objectief verschillende situaties bevinden. Hij herinnert eraan dat de regel vervat in artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 past in het kader van een regeling van automatische vergoeding die de wet oplegt aan 4 de verzekeraars burgerrechtelijke aansprakelijkheid van alle bestuurders van motorrijtuigen, met uitzondering van de bestuurders wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt, en die van toepassing is op de specifieke hypothese van een verkeersongeval waarbij verschillende voertuigen betrokken zijn, waarbij het niet mogelijk is te bepalen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt. Hij onderstreept tevens dat de in de in het geding zijnde bepaling beoogde personen zijn onderworpen aan een regeling van verplichte verzekering, hetgeen niet geldt voor de andere slachtoffers van eender welke schade veroorzaakt door de fout van een derde. Hij haalt het arrest nr. 123/2015 van 24 september 2015 van het Hof aan, waaruit blijkt dat het verplichte karakter van de betrokken verzekering een verschillende behandeling verantwoordt. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de prejudiciële vraag, in zoverre die betrekking heeft op artikel 8, 1°, van de modelovereenkomst die is gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. A.2.2. De Ministerraad voert aan dat artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989 past in het kader van een regeling die op de aansprakelijkheid berust, terwijl de in artikel 19bis-11, § 2, van dezelfde wet vervatte regel een regeling van automatische vergoeding is die de wet oplegt aan de verzekeraars van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van motorrijtuigen. Hij is van mening dat dat verschil in aard tussen beide regelingen het eerste in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoordt. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 84/2017 van 22 juni 2017, dat op dezelfde motivering steunt. A.2.3. Ten aanzien van het tweede verschil in behandeling dat in het geding is in de eerste prejudiciële vraag doet de Ministerraad gelden dat de partijen die het voordeel aanvoeren van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 zich ten aanzien van de bewijslast bevinden in een situatie die objectief verschilt van die waarin de partijen zich bevinden die een vergoeding vorderen op grond van het gemeen recht en ertoe gehouden zijn de fout van de aansprakelijke en het oorzakelijk verband tussen die fout en de schade aan te tonen. Hij onderstreept dat de partij die de vergoeding van haar nadeel wenst te verkrijgen op grond van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989, zal moeten aantonen dat is voldaan aan de in die bepaling vastgestelde voorwaarden, zodat die bepaling geenszins afwijkt van de toepassing van artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het bewijs. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.3. J. Pascal, eiser voor de verwijzende rechter, is van mening dat de vraag niet behoort tot de bevoegdheid van het Hof, aangezien daarin geen situatie die is ontstaan onder de gelding van de vroegere wet, kan worden vergeleken met een situatie die de nieuwe wet doet ontstaan. A.4. De Ministerraad voert aan dat artikel 33bis van de wet van 21 november 1989, ingevoegd bij artikel 25 van de wet van 31 mei 2017, de toepassing, in de tijd, van de wijzigingen die zijn aangebracht in de wet van 21 november 1989 op uniforme wijze regelt. Hij merkt op dat de datum van het ongeval, die in die bepaling in aanmerking wordt genomen als criterium voor de toepassing van de nieuwe bepalingen, overeenstemt met het ogenblik dat doorgaans in aanmerking wordt genomen om te beslissen over de toepassing van de regeling van de automatische vergoeding van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989. -B– Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.1.1. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna : de wet van 21 november 1989). Het voormelde artikel 19bis-11 5 bepaalde, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna : de wet van 31 mei 2017) : « § 1. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt : […] 7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon; […]. § 2. In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt ». B.1.2. Paragraaf 2 van die bepaling is opgeheven bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017. Krachtens artikel 33bis van de wet van 21 november 1989, ingevoegd bij artikel 25 van de wet van 31 mei 2017, zijn de wijzigingen aangebracht in de wet van 21 november 1989 van toepassing op de verkeersongevallen die hebben plaatsgevonden vanaf de inwerkingtreding ervan. De opheffing van de in het geding zijnde bepaling heeft derhalve geen gevolgen voor het onderwerp van de prejudiciële vraag, die is gesteld naar aanleiding van een geschil met betrekking tot een ongeval dat zich vóór die opheffing heeft voorgedaan. B.2.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de eigenaar van een voertuig, dat is beschadigd naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij minstens twee voertuigen betrokken zijn en waarvoor de aansprakelijkheden niet konden worden vastgesteld, toelaat van zijn eigen verzekeraar van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen een vergoeding voor de schade aan zijn voertuig in de daarin bepaalde mate te vorderen. 6 B.2.2. Het verwijzende rechtscollege vergelijkt de situatie van de eigenaar van het voertuig op wie de in het geding zijnde bepaling van toepassing is, enerzijds, met die van de eigenaar van het beschadigde voertuig wiens aansprakelijkheid is vastgesteld en die van zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar niet de vergoeding van zijn schade kan vorderen, op grond van artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van dezelfde wet en artikel 8, 1°, van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 (eerste onderdeel van de vraag) en, anderzijds, met die van alle eisers in het contentieux van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid die steeds ertoe gehouden zijn de fout van de verweerder en het oorzakelijk verband tussen die fout en hun schade aan te tonen (tweede onderdeel van de vraag). Wat het eerste onderdeel van de vraag betreft B.3.1. Artikel 3, § 1, van de wet van 21 november 1989 bepaalde, vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van de voormelde wet van 31 mei 2017 : « De verzekering moet waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd, van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van de organisatie die bovengenoemde personen inzet als vrijwilligers, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft. […] Van de verzekering kan niettemin worden uitgesloten, de schade aan : 1° het verzekerd voertuig; […] ». B.3.2. Op grond van die bepaling sluit de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de schade veroorzaakt aan het verzekerde voertuig van de verzekering uit, zodat, wanneer de aansprakelijkheid van de 7 bestuurder van het verzekerde voertuig is vastgesteld, de schade aan dat voertuig niet wordt vergoed door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar van dat voertuig. B.4.1. Artikel 3 van de wet van 21 november 1989 past in het kader van een regeling die steunt op de aansprakelijkheid en op de aansprakelijkheidsverzekeringen. Het heeft betrekking op de gevallen van « burgerrechtelijke aansprakelijkheid » van de eigenaar, van de houder of van de bestuurder van het verzekerde voertuig. De in artikel 19bis-11, § 2, van dezelfde wet vervatte regel is daarentegen een regeling van automatische vergoeding die de wet oplegt aan de verzekeraars van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van alle bestuurders van motorrijtuigen, met uitzondering van de verzekeraars van de bestuurders wier burgerrechtelijke aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt. B.4.2. In een regeling van automatische vergoeding van de schade die per hypothese veronderstelt dat geen enkele fout van de verzekerde kan worden aangetoond, zou de contractuele relatie tussen de verzekeraar en de benadeelde persoon de uitsluiting van de tegemoetkoming van die verzekeraar niet kunnen verantwoorden. Daarentegen, in een regeling van burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering maakt de contractuele relatie het mogelijk de vergoeding van de materiële schade aan het voertuig van de verzekerde uit te sluiten omdat die schade is veroorzaakt door de fout van de verzekerde zelf. B.4.3. Het verschil in behandeling tussen de eigenaar van het beschadigde voertuig wiens fout niet kan worden aangetoond en die, op grond van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989, de vergoeding van zijn schade ten laste van zijn eigen verzekeraar kan verkrijgen binnen de in dat artikel bepaalde perken, en de eigenaar van het beschadigde voertuig wiens aansprakelijkheid is vastgesteld en die op grond van artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van dezelfde wet niet de vergoeding van zijn schade kan verkrijgen ten laste van zijn eigen verzekeraar, is redelijk verantwoord door de onderscheiden aard van de juridische regelingen waarvan die bepalingen deel uitmaken. Wat het tweede onderdeel van de vraag betreft B.5.1. Met de in het geding zijnde bepaling heeft de wetgever voorzien in een regeling van automatische vergoeding voor de personen die worden benadeeld door de gevolgen van 8 een verkeersongeval waarbij meerdere voertuigen betrokken zijn wanneer het onmogelijk is te bepalen welke bestuurder of bestuurders aansprakelijk is of zijn voor het ongeval en wanneer de benadeelde personen bijgevolg niet kunnen worden vergoed volgens de gemeenrechtelijke regels inzake aansprakelijkheid. De automatische vergoeding die in het geding is, behoort tot een domein waarin een verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van motorrijtuigen bestaat. Zij valt ten laste van de verzekeraars van de betrokken voertuigen, met uitzondering van die waarvan de aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt. B.5.2. De rechtzoekenden die schade hebben geleden door de fout van een derde in een andere context, moeten, om de vergoeding te verkrijgen, de gemeenrechtelijke regels inzake aansprakelijkheid toepassen. B.5.3. Het verschil in behandeling tussen de eigenaar van het beschadigde voertuig die, op grond van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989, de vergoeding van zijn schade kan verkrijgen ten laste van de verzekeraars van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokken voertuigen en de eisers in rechte in het contentieux van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid die de automatische vergoeding van hun schade niet kunnen verkrijgen ten laste van een verzekeraar, is redelijk verantwoord door het doel dat de wetgever nastreeft inzake de vergoeding van verkeersslachtoffers. B.5.4. Bovendien wijkt artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 niet af van de gemeenrechtelijke regels inzake het bewijs vervat in artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien de rechtzoekende die gebruik wil maken van de vergoedingsregeling waarin die bepaling voorziet, moet aantonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing ervan. B.6. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.7.1. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 25 van de wet van 31 mei 2017, dat in de wet van 21 november 1989 een artikel 33bis invoegt, dat bepaalt : 9 « De wijzigingen aan deze wet zijn van toepassing op de verkeersongevallen die hebben plaatsgevonden vanaf de inwerkingtreding van deze wijzigingen ». B.7.2. In de memorie van toelichting met betrekking tot die bepaling wordt gepreciseerd : « Het betreft een bepaling die op een éénvormige manier de toepassing in de tijd regelt van de wijzigingen van de wet van 21 november 1989 door deze wet, alsook de toepassing van toekomstige wijzigingen. Al deze wijzigingen kunnen slechts toegepast worden op verkeersongevallen die hebben plaatsgevonden na de respectievelijke inwerkingtreding van elk van deze wijzigingen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2414/001, p. 19). B.8. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid na te gaan van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij een verschil in behandeling doet ontstaan onder de slachtoffers of personen die zijn betrokken bij een verkeersongeval, naargelang dat ongeval heeft plaatsgehad vóór of na de datum van inwerkingtreding van die bepaling. B.9.1. Het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling vloeit voort uit het gegeven dat twee wettelijke regelingen elkaar opvolgen in de tijd, waarbij zij, als gevolg van de in het geding zijnde bepaling, gedurende een bepaalde periode samen bestaan totdat alle geschillen die zijn ontstaan uit verkeersongevallen die zich hebben voorgedaan vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen, definitief zijn beslecht. B.9.2. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. 10 B.9.3. Te dezen is het criterium van de datum waarop het verkeersongeval zich heeft voorgedaan, datum die toelaat om zonder enige moeilijkheid te bepalen welke regeling van toepassing is op de vergoeding van de slachtoffers, niet zonder redelijke verantwoording. B.10. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017, zo geïnterpreteerd dat het de eigenaar van een beschadigd voertuig toelaat van zijn eigen verzekeraar van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen de vergoeding te vorderen van de schade aan zijn voertuig in de in dat artikel bepaalde mate, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Artikel 25 van de wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 december 2018. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div