id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.176 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181206.5 Arrest- Rolnummer: 176/2018 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2018-12-19 Raadplegingen: 326 - laatst gezien 2026-06-28 22:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zoals vervangen bij artikel 14 van de wet van 3 mei 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Drugs - Psychotrope stoffen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, en over de artikelen 3, 8 en 14, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Strafrecht - Drugswet - Toepassingsvoorwaarden inzake opschorting, uitstel en probatie-
- Beklaagde die voor een drugsmisdrijf wordt vervolgd -
- Beklaagde die andere misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen drugsgebruik. Tekst van de beslissing Rolnummer 6754 Arrest nr. 176/2018 van 6 december 2018 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, en over de artikelen 3, 8 en 14, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 18 oktober 2017 in zake het openbaar ministerie tegen M.E., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 oktober 2017, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zoals vervangen bij artikel 14 van de wet van 3 mei 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het alleen de beklaagde die vervolgd wordt wegens een overtreding van de Drugswet toelaat het voordeel te genieten van de toepassing van de bepalingen van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van die wet gestelde voorwaarden met betrekking tot de vroegere veroordelingen, terwijl die gunst wordt geweigerd aan de beklaagde die andere misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen drugsgebruik ? Schenden de artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorwaarden bepalen voor de toekenning van het uitstel en de opschorting zonder een onderscheid te maken tussen de beklaagden naargelang zij al dan niet misdrijven hebben gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik ? In het geval dat bevestigend zou worden geantwoord op de eerste of op de tweede vraag, schendt artikel 14, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voorziet in het van rechtswege herroepen van het uitstel ingeval gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf gepleegd is dat veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel ten gevolge heeft gehad, zonder een onderscheid te maken tussen de beklaagden naargelang zij al dan niet misdrijven hebben gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partij voor het Hof van Beroep te Brussel werd vervolgd voor het ontvreemden van een autoradio, door middel van braak, inklimming of valse sleutels, ten nadele van een persoon die onbekend is gebleven. De Correctionele Rechtbank te Brussel veroordeelde, bij een verstekvonnis van 12 juli 2013, die partij meer bepaald tot een gevangenisstraf van een jaar met een probatieuitstel gedurende drie jaar wat betreft het gedeelte van de gevangenisstraf dat overblijft na de voorlopige hechtenis, mits aan een aantal voorwaarden werd voldaan. Diezelfde Rechtbank herriep, bij verstekvonnis van 24 juni 2016, de maatregel van probatieuitstel. Uitspraak doende op verzet heeft zij, bij een vonnis dat op 9 juni 2017 bij verstek werd gewezen, de herroeping van de maatregel van probatieuitstel bevestigd. Zowel het openbaar ministerie als de eisende partij hebben hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis van 9 juni
- Het Hof van Beroep te Brussel heeft, bij een arrest van 11 september 2017, de heropening van de debatten bevolen om de mogelijkheid te bieden, aan het openbaar ministerie, om het vonnis dat op 8 december 2016 werd uitgesproken door de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel over te leggen en, aan het openbaar ministerie en aan de beklaagde, om zich nader te verklaren over de eventuele toepassing, te dezen, van artikel 14, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (hierna : de wet van 29 juni 1964). Uit het vonnis van 8 december 2016 volgt dat de beklaagde werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf met een probatieuitstel van vijf jaar voor de helft ervan, wegens diefstallen gepleegd tussen 8 februari 2014 en 25 oktober
- Tijdens de terechtzitting van 2 oktober 2017 stelde het openbaar ministerie voor toepassing te maken van artikel 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (hierna : de Drugswet). Er wordt immers niet betwist en het is niet betwistbaar dat de diefstallen door de beklaagde werden gepleegd om te voorzien in haar eigen drugsgebruik. Het Hof van Beroep te Brussel wijst erop dat het in een arrest uitgesproken op 11 september 2017, betreffende andere feiten die door dezelfde beklaagde waren gepleegd, de beklaagde heeft veroordeeld, wegens de haar ten laste gelegde feiten, tot een probatiestraf van achttien maanden op voorwaarde dat een therapeutische behandeling in het centrum Trempoline zou worden opgestart en gevolgd. Het Hof van Beroep te Brussel wijst niettemin erop dat artikel 9 van de Drugswet, enerzijds, van toepassing is op misdrijven inzake verdovende middelen, wat niet het geval is voor de feiten die te dezen aan de beklaagde ten laste zijn gelegd en, anderzijds, de mogelijkheid biedt, voor iemand die zulke misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen gebruik, uitstel te genieten zonder te moeten voldoen aan de voorwaarden van artikel 8 van de wet van 29 juni 1964, maar hem in principe niet toelaat te ontsnappen aan het beginsel van de herroeping van rechtswege zoals bepaald in artikel 14, § 1, van die wet. Het Hof van Beroep te Brussel heeft vragen bij de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het door de wetgever ingevoerde verschil in behandeling tussen de drugsverslaafde beklaagden die misdrijven inzake verdovende middelen hebben gepleegd om te voorzien in hun eigen gebruik en die welke, met hetzelfde doel, andere soorten misdrijven hebben gepleegd. Het Hof van Beroep te Brussel wijst erop dat het Grondwettelijk Hof zich over de grondwettigheid van die bepaling heeft uitgesproken bij zijn arrest nr. 197/2005 van 21 december
- Het onderstreept niettemin dat het Hof zich niet uitdrukkelijk heeft uitgesproken over het verschil in behandeling waarover het zich vragen stelt. Zowel de parlementaire voorbereiding van artikel 9 als het standpunt van de Belgische Staat in dat arrest bevestigen de wil van de wetgever om de drugsgebruiker « veeleer [te beschouwen als] een patiënt […] dan een crimineel », die een « mildere toepassing van de strafwet » moet genieten. Het lijdt evenmin twijfel dat een drugsverslaafde die, naast misdrijven inzake verdovende middelen, ook gemeenrechtelijke misdrijven heeft gepleegd die ernstiger zijn maar die door eenheid van opzet verbonden zijn met de drugsmisdrijven, de gunstregeling van artikel 9 van de Drugswet kan genieten. 4 Het Hof van Beroep te Brussel meent bijgevolg de bovenvermelde eerste prejudiciële vraag aan het Hof te moeten stellen. Het Hof van Beroep te Brussel wijst erop dat men zich kan afvragen, op basis van het systeem dat is vastgelegd bij artikel 9 van de Drugswet en dat op dat punt door het Grondwettelijk Hof is bekrachtigd, of de beklaagden die worden vervolgd voor misdrijven die zij hebben gepleegd in het kader van hun eigen drugsgebruik geen andere categorie van personen vormen dan die van de andere beklaagden door het feit dat zij meer als patiënten dan als criminelen moeten worden beschouwd. Het Hof van Beroep te Brussel stelt bijgevolg de bovenvermelde tweede prejudiciële vraag. Indien een van die prejudiciële vragen bevestigend wordt beantwoord, meent het Hof van Beroep te Brussel ook de bovenvermelde derde prejudiciële vraag te moeten stellen. Overigens verklaart het Hof van Beroep te Brussel, met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof, bij wijze van voorlopige maatregel, dat het uitstel dat gekoppeld is aan de veroordeling die ten laste van de beklaagde werd uitgesproken bij het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brussel van 12 juli 2013, aan voorwaarden wordt onderworpen die het nader bepaalt. III. In rechte -A- A.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, wijst de Ministerraad erop dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over de grondwettigheid van artikel 9 van de Drugswet bij zijn arrest nr. 197/2005 van 21 december
- De Ministerraad is van mening dat het Hof in dat arrest wel degelijk de twee gevallen heeft onderzocht die door de verwijzende rechter worden vermeld : de delinquenten die worden vervolgd voor drugsfeiten of voor drugsfeiten en andere gemeenrechtelijke misdrijven die door eenheid van opzet met de drugsmisdrijven verbonden zijn, enerzijds, en de delinquenten die enkel worden vervolgd voor gemeenrechtelijke feiten terwijl die feiten zouden zijn gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik, anderzijds. Het Hof oordeelde dat het aangeklaagde verschil in behandeling op een objectief criterium berust en dat het niet onredelijk is gelet op de doelstellingen van de wet. Het Hof deed eveneens opmerken dat dit verschil in behandeling voortvloeit uit het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie, waarover het Hof niet vermag te oordelen. De Ministerraad is van mening dat geen ander antwoord moet worden gegeven in de voorliggende zaak. Artikel 9 van de Drugswet voorziet in de ruimst mogelijke toepassing van de voorkeurregeling inzake opschorting, uitstel en probatie. Het gegeven dat van die bepaling slechts toepassing kan worden gemaakt indien de beklaagde voor drugsmisdrijven wordt vervolgd, is niet discriminerend. Zo niet zou moeten worden aanvaard dat ofwel de hoven en rechtbanken zich zouden kunnen uitspreken over feiten die niet bij hen aanhangig zijn gemaakt, ofwel dat aan iedere beklaagde een probatieopschorting of probatieuitstel zou kunnen worden verleend, ongeacht of hij zich al dan niet in de specifieke situatie van artikel 9 van de Drugswet bevindt en ongeacht of de voorwaarden bepaald door de wet van 29 juni 1964 al dan niet vervuld zijn. Aldus zouden verschillende situaties op dezelfde wijze worden behandeld, hetgeen discriminerende gevolgen zou hebben. De Ministerraad besluit dat de eerste prejudiciële vraag niet langer een antwoord van het Hof behoeft en dat, gesteld dat een antwoord nog nodig is, het aangewezen zou zijn de redenering die is uiteengezet in het arrest nr. 197/2005 te bevestigen en de prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden. A.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, wijst de Ministerraad erop dat de artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964 in zekere zin een « algemene » regeling betreffende de toekenning van de opschorting, het uitstel en de probatie invoeren en, a fortiori, geen enkel onderscheid maken wat de aard van de strafbare feiten betreft, noch wat de motieven van de delinquenten betreft. De Ministerraad herinnert eraan dat de rechter, voor 5 de bepaling van de op te leggen straf en het eventuele uitstel van tenuitvoerlegging ervan, slechts rekening mag houden met de feiten die het voorwerp van de strafvordering uitmaken en die bewezen zijn verklaard, zodat de rechter die niet ertoe geroepen is te oordelen over het feit of een beklaagde zich al dan niet aan een drugsmisdrijf schuldig heeft gemaakt, niet vermag te oordelen of het drugsmisdrijf door eenheid van opzet verbonden is met het misdrijf dat bij hem aanhangig gemaakt is en al dan niet beantwoordt aan het bepaalde in artikel 9 van de Drugswet. In die context kunnen de in het geding zijnde bepalingen geen discriminatie op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met zich meebrengen omdat zij ertoe strekken alle delinquenten die aan de gestelde voorwaarden voldoen, het uitstel of de opschorting van de uitspraak te laten genieten. De Ministerraad herinnert eraan dat het Hof reeds heeft gepreciseerd dat, wanneer de wet van 29 juni 1964 niet toepasbaar is, het uitsluitend aan de wetgever staat om ter zake de voorwaarden te bepalen waaronder een uitstel kan worden gelast en om de voorwaarden en de procedure van intrekking ervan vast te stellen. Naar analogie staat het de wetgever ook vrij om specifieke - ruimere of soepelere - regels in te voeren voor categorieën van feiten of delinquenten die volgens hem een bijzondere regeling verdienen. Hij dient in dat geval erop toe te zien dat die specifieke regelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden. De Ministerraad besluit dat hij, in antwoord op de eerste prejudiciële vraag, heeft aangetoond dat de bijzondere regeling die is voorbehouden aan de delinquenten die worden vervolgd voor drugsmisdrijven, niet discriminerend is. De tweede prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. A.
- De Ministerraad doet ten slotte gelden dat de derde prejudiciële vraag geen nut heeft voor de oplossing van het geschil aangezien de eerste twee prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Hij besluit dat die vraag geen antwoord behoeft. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
- Artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (hierna : de Drugswet), zoals vervangen bij artikel 14 van de wet van 3 mei 2003, bepaalt : « Eenieder die de in artikel 2bis, § 1, genoemde stoffen, met het oog op eigen gebruik, op onwettige wijze vervaardigt, verkrijgt of onder zich heeft, kan in aanmerking komen voor de toepassing van de bepalingen van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van laatstgenoemde wet gestelde voorwaarden met betrekking tot vroegere veroordelingen die hij mocht hebben opgelopen, zulks onverminderd de bepalingen van artikel 65, eerste lid, van het Strafwetboek. De bepalingen van het eerste lid zijn ook van toepassing op personen die, met het oog op eigen gebruik, kosteloos of tegen betaling het gebruik voor anderen hebben vergemakkelijkt, voornoemde stoffen hebben verkocht of te koop aangeboden, behalve indien deze misdrijven gepaard gaan met de verzwarende omstandigheden bedoeld in artikel 2bis, § 2, b), §§ 3 en 4 ». 6 B.
- Vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie en bij de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, bepaalde artikel 3 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (hierna : de wet van 29 juni 1964) : « De opschorting kan, met instemming van de verdachte, door de vonnisgerechten met uitzondering van de hoven van assisen worden gelast ten voordele van de beklaagde die nog niet is veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden, indien het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf en de tenlastelegging bewezen is verklaard. De opschorting kan eveneens worden gelast door de onderzoeksgerechten wanneer zij van oordeel zijn dat de openbaarheid van de debatten de declassering van de verdachte zou kunnen veroorzaken of zijn reclassering in gevaar zou kunnen brengen. De opschorting kan steeds ambtshalve gelast, door het openbaar ministerie gevorderd of door de verdachte gevraagd worden. De beslissingen die de opschorting gelasten, stellen de duur ervan vast, welke niet minder dan een jaar en niet meer dan vijf jaar mag bedragen met ingang van de datum van de beslissing, alsmede, in voorkomend geval, de opgelegde probatievoorwaarden. De beslissing waarbij de opschorting en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering. Die beslissingen maken een einde aan de vervolgingen, indien zij niet worden herroepen ». Vóór de wijziging ervan bij de wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I), bij de wet van 10 april 2014 tot invoering van de probatie als autonome straf in het Strafwetboek en tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, bij de voormelde wet van 25 april 2014 en bij de voormelde wet van 5 februari 2016, bepaalde artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 : « §
- Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, kunnen de vonnisgerechten, wanneer zij tot een werkstraf of één of meer straffen van niet meer dan vijf jaar veroordelen, 7 bij een met redenen omklede beslissing gelasten dat de tenuitvoerlegging hetzij van het vonnis of het arrest, hetzij van de hoofdstraffen of vervangende straffen dan wel van een gedeelte ervan, wordt uitgesteld. De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van strafvordering. Nochtans, wanneer artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek wordt toegepast, vormen de vroegere straffen uitgesproken voor feiten die voortvloeien uit hetzelfde misdadige opzet, geen beletsel voor het toekennen van een uitstel. De duur van het uitstel mag niet minder dan een jaar en niet meer dan vijf jaar bedragen, met ingang van de datum van het vonnis of het arrest. De duur van het uitstel mag echter niet meer dan drie jaar bedragen voor de geldstraffen, de werkstraffen en de gevangenisstraffen die zes maanden niet te boven gaan. §
- Dezelfde gerechten kunnen, onder de voorwaarden bepaald in § 1 van dit artikel, probatieuitstel gelasten, mits de veroordeelde zich verbindt tot naleving van de probatievoorwaarden die het gerecht bepaalt. §
- Wanneer de rechter de geldboete uitsluit van het uitstel dat hij voor de vervangende gevangenisstraf verleent, kan deze niet meer uitgevoerd worden wanneer de geldboete ophoudt invorderbaar te zijn ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 9, eerste en tweede lid, van de Drugswet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het alleen de beklaagde die vervolgd wordt wegens een overtreding van de Drugswet toelaat het voordeel te genieten van de toepassing van de bepalingen van de wet van 29 juni 1964, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van die wet gestelde voorwaarden met betrekking tot de vroegere veroordelingen, terwijl die gunst wordt geweigerd aan de beklaagde die andere misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen drugsgebruik. B.
- De artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964, waarnaar de bepaling die in de eerste prejudiciële vraag in het geding is, verwijst, bepalen de toepassingsvoorwaarden inzake opschorting van de uitspraak respectievelijk uitstel van de strafuitvoering. Aldus is opschorting mogelijk voor een beklaagde die nog niet is veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden en die wordt vervolgd wegens een 8 feit dat niet van die aard is dat het, in het concrete geval, een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf zal meebrengen (artikel 3, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964). Uitstel is mogelijk indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, op voorwaarde dat de nieuwe straf niet meer dan vijf jaar bedraagt (artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964). Artikel 65, eerste lid, van het Strafwetboek bepaalt de regels inzake eendaadse samenloop en in geval van een collectief of voortgezet misdrijf : alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken. B.
- De eerste prejudiciële vraag noopt tot een vergelijking van de categorie van beklaagden die effectief voor een inbreuk op de Drugswet worden vervolgd, met de categorie van beklaagden die enkel voor één of meer misdrijven van gemeen recht worden vervolgd, die zij hebben gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik. Terwijl de personen van de eerstgenoemde categorie, indien zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van de Drugswet, wel in aanmerking komen voor de toepassing van de bepalingen van de wet van 29 juni 1964, zelfs indien zij niet voldoen aan de bij de artikelen 3 en 8 van laatstgenoemde wet gestelde voorwaarden met betrekking tot de vroegere veroordelingen die zij zouden hebben opgelopen en onverminderd de bepalingen van artikel 65, eerste lid, van het Strafwetboek, zou dit niet gelden voor de personen van de tweede categorie : doordat de rechter niet ertoe is geroepen te oordelen over het feit of de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op de Drugswet en bijgevolg niet vermag te oordelen of de inbreuk op de Drugswet werd gepleegd met eenzelfde misdadig opzet als het misdrijf dat bij hem aanhangig werd gemaakt, zou hij bij de bepaling van de strafmaat en eventuele opschorting of uitstel van de tenuitvoerlegging ervan, de soepele voorwaarden inzake de vroegere veroordelingen en inzake samenloop zoals bepaald in artikel 9 van de Drugswet niet kunnen toepassen. B.6.
- Artikel 9 van de Drugswet werd in die wet ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 9 juli
- Met deze laatstgenoemde wet had de wetgever als tweevoudig doel de straffen te verzwaren voor hen die de drugshandel in stand houden en hulp te bieden aan drugsverslaafden - en voornamelijk de jongeren onder hen -, waarbij de drugsgebruiker 9 veeleer als een slachtoffer dan als een dader werd aangezien. Oorspronkelijk werd voorgesteld dat diegenen die drugs in groep gebruiken of die drugs voor eigen gebruik onder zich hebben, gevrijwaard zouden blijven van vervolging en veroordeling op voorwaarde dat ze op kosten van de overheid een ontwenningskuur ondergaan (Parl. St., Senaat, 1971-1972, nr. 484, pp. 2-4). Onder meer om budgettaire redenen en vanwege het vastgestelde tekort aan infrastructuur, werd dat denkspoor verlaten en werd geopteerd voor een verruiming van de wet van 29 juni 1964 voor bepaalde drugsdelicten, namelijk die waarbij het eigen gebruik centraal staat (Parl. St., Senaat, 1974-1975, nr. 454/2, pp. 3-8). B.6.
- Bij artikel 14 van de wet van 3 mei 2003 werd het toepassingsgebied van artikel 9 verder verruimd en dit eveneens teneinde « een duidelijk onderscheid te maken tussen misdrijven in verband met verdovende middelen en psychotrope stoffen met het oog op persoonlijk gebruik en misdrijven gepleegd om winstbejag » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1888/001 en 50-1889/001, p. 16). Enerzijds, werd een tweede lid toegevoegd zodat het afwijkende stelsel inzake opschorting en uitstel ook van toepassing is op personen die, met het oog op eigen gebruik, kosteloos of tegen betaling het gebruik voor anderen hebben vergemakkelijkt, drugs hebben verkocht of te koop aangeboden, behalve indien die misdrijven gepaard gaan met de verzwarende omstandigheden bedoeld in artikel 2bis, §§ 2, b), 3 en 4, van de Drugswet. De wetgever doelde hierbij op het geval waarbij de gebruiker ook verhandelaar is en waaromtrent de rechtspraak enige tijd na de aanneming van de wet van 9 juli 1975 uiteenlopend was (Cass., 6 juni 1990, Arr. Cass., 1989-1990, nr. 583). Anderzijds, werd duidelijk gemaakt dat artikel 9 kon worden toegepast bij een collectief misdrijf, onverminderd het bepaalde in artikel 65, eerste lid, van het Strafwetboek. Met die bepaling wilde de wetgever « de huidige rechtspraak, volgens welke collectieve misdrijven waarbij de zwaarste straf geen verband hield met de wet van 24 februari 1921, uitgesloten waren van het voordeel bedoeld in artikel 9 van de wet van 9 juli 1975 » verhelpen (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1888/001 en 50-1889/001, p. 16). Voorheen werd immers in de rechtspraak aangenomen dat als door de rechter eenheid van opzet werd aanvaard tussen feiten van gemeen recht en het feit drugs te bezitten, het voordeel van artikel 9 enkel kon worden toegepast wanneer de straf bepaald voor de misdrijven bepaald door de Drugswet, zwaarder was dan de straf bepaald voor de misdrijven van gemeen recht. Betrof het ergste feit 10 evenwel het gemeenrechtelijke misdrijf, dan was de regeling met betrekking tot dat misdrijf van toepassing en werd bijgevolg de toepassing van artikel 9 van de Drugswet uitgesloten (Cass., 5 april 1995, P.95.0290.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950405.13). B.
- Het verschil in behandeling tussen de in B.5 vermelde categorieën van personen berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke vervolging voor een inbreuk op de Drugswet. Gelet op de doelstelling van de wetgever zoals zij blijkt uit de wetsgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling, namelijk de drugsgebruiker en drugsverslaafde veeleer te helpen dan te bestraffen, is het pertinent dat de wetgever voor de toepassing van de gunstmaatregel van artikel 9 van de Drugswet vereist dat het gaat om drugsgebruikers die misdrijven plegen waarbij het eigen gebruik centraal staat en wanneer zij effectief worden vervolgd. Door de rechter de mogelijkheid te geven die personen het voordeel te laten genieten van de wet van 29 juni 1964 zelfs indien zij niet aan de voorwaarden hiervan voldoen, zelfs indien zij in beperkte mate ongeoorloofde handel drijven in drugs en zelfs indien ze gemeenrechtelijke misdrijven plegen die ernstiger zijn dan de gepleegde drugsmisdrijven waarmee ze door eenheid van opzet zijn verbonden, staat de wetgever toe dat die personen in een bepaalde mate van effectieve strafsancties gevrijwaard worden. B.
- Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of het niet kennelijk onredelijk is dat het voordeel van artikel 9 van de Drugswet niet zou kunnen worden toegepast in de hypothese beschreven in de prejudiciële vraag, namelijk ten aanzien van de beklaagde die wordt vervolgd, niet voor inbreuken op de Drugswet, maar voor misdrijven van gemeen recht die hij heeft gepleegd met het oog op zijn eigen drugsgebruik. B.9.
- Artikel 9 van de Drugswet moet worden beschouwd als een soepele en ruime toepassing van de wet van 29 juni 1964 ten gunste van één bepaalde categorie van beklaagden, namelijk diegenen die inbreuken op die wet hebben gepleegd waarbij het eigen gebruik centraal staat. Het is bijgevolg niet discriminerend dat de rechter die gunstmaatregel slechts kan toepassen op diegenen die effectief voor dergelijke inbreuken worden vervolgd. 11 Elk ander oordeel zou tot gevolg hebben dat de wet van 29 juni 1964 wordt uitgehold doordat die wet, zonder wettelijke basis, zou kunnen worden toegepast zonder dat aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 3 en 8 van die wet zou moeten zijn voldaan en zonder dat het daarbij om personen moet gaan die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in de in het geding zijnde bepaling. Evenmin kan het de strafrechter worden toegestaan, op straffe van miskenning van het recht op een eerlijk proces, uitspraak te doen over de feiten die niet op regelmatige wijze bij hem aanhangig zijn gemaakt. B.9.
- De vaststelling dat enkel door de beslissing van het openbaar ministerie om niet te vervolgen voor inbreuken op de Drugswet maar enkel voor inbreuken van gemeen recht, aan de betrokkene de gunst van artikel 9 van de Drugswet wordt ontnomen, houdt geen verband met de in het geding zijnde bepaling maar wel met het beginsel neergelegd in artikel 1 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en in artikel 28quater van het Wetboek van Strafvordering dat het openbaar ministerie de strafvordering uitoefent op de wijze bepaald door de wet en oordeelt over de opportuniteit van de vervolging. Het behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof uitspraak te doen over het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie dat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 143quater van het Gerechtelijk Wetboek, zaak is van de Minister van Justitie en het college van procureurs-generaal. B.9.
- De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964 in zoverre zij voorwaarden bepalen voor de toekenning van het uitstel en de opschorting zonder een onderscheid te maken tussen de beklaagden naargelang zij al dan niet misdrijven hebben gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik. B.
- De opschorting van de uitspraak van een veroordeling met toepassing van de wet van 29 juni 1964 vormt een maatregel van individualisering van straffen die de rechter de mogelijkheid verschaft de dader van een misdrijf op proef te stellen gedurende een bepaalde 12 periode, na afloop waarvan, indien zijn gedrag bevredigend is, geen veroordeling wordt uitgesproken, noch een gevangenisstraf wordt opgelegd. Die maatregel, net zoals die van de mogelijkheid om rekening te houden met verzachtende omstandigheden of die van uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf, werd genomen om de onterende gevolgen die aan een strafrechtelijke veroordeling kleven, weg te werken of af te zwakken. Zoals is vermeld in B.9.1, moet artikel 9 van de Drugswet worden beschouwd als een soepele en ruime toepassing van de wet van 29 juni 1964 ten gunste van één bepaalde categorie van beklaagden. Het is de democratisch verkozen wetgever die bevoegd is om, op algemene of specifieke wijze, de voorwaarden te bepalen waaronder een uitstel of een opschorting kan worden toegekend en om de voorwaarden en de procedure voor de intrekking ervan vast te stellen. Het komt hem immers toe het repressief beleid vast te stellen en al dan niet in ruime zin te opteren voor de individualisering van de straffen teneinde de rechter al dan niet tot gestrengheid te dwingen in bepaalde aangelegenheden. Die gestrengheid kan met name betrekking hebben op de maatregelen tot uitstel of opschorting. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn of indien de in het geding zijnde bepaling ertoe zou leiden aan een categorie van rechtsonderhorigen het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige instantie, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te ontzeggen. Het staat de wetgever dus vrij specifieke - ruimere of soepelere - regels in te voeren voor categorieën van feiten of delinquenten die volgens hem een bijzondere regeling verdienen. Hij moet in dat geval erop toezien dat die specifieke regelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden. Aangezien het Hof heeft geoordeeld, in antwoord op de eerste prejudiciële vraag, dat artikel 9, eerste en tweede lid, van de Drugswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, schenden de artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964 evenmin de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij algemene voorwaarden bepalen voor de toekenning van het 13 uitstel en de opschorting zonder een onderscheid te maken tussen de beklaagden naargelang zij al dan niet misdrijven hebben gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik. B.
- De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
- In de derde prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 14, § 1, van de wet van 29 juni 1964, in zoverre het voorziet in het van rechtswege herroepen van het uitstel ingeval gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf gepleegd is dat veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel ten gevolge heeft gehad, zonder een onderscheid te maken tussen de beklaagden naargelang zij al dan niet misdrijven hebben gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik. De verwijzende rechter stelt de derde vraag echter alleen in het geval dat bevestigend zou worden geantwoord op de eerste of op de tweede vraag. B.
- Gelet op het ontkennend antwoord op de eerste en de tweede prejudiciële vraag, behoeft de derde prejudiciële vraag geen antwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zoals vervangen bij artikel 14 van de wet van 3 mei 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 december
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.176 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950405.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div