id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.179 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181206.8 Arrest- Rolnummer: 179/2018 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-01-04 Raadplegingen: 259 - laatst gezien 2026-06-28 22:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is zonder voorwerp. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - GEESTESSTOORNIS - Internering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 22/1 en 27 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, gesteld door de Strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij. Internering van personen met een geestesstoornis - Verlofaanvraag - Geïnterneerden die niet toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk - Vernietiging van de in het geding zijnde bepalingen bij arrest nr. 80/
- Tekst van de beslissing Rolnummer 6897 Arrest nr. 179/2018 van 6 december 2018 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 22/1 en 27 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, gesteld door de Strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 30 maart 2018 in zake S.R., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 april 2018, heeft de Strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 22/1 en 27 van de wet betreffende de internering van 5 mei 2014 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 22 en 191 van de Grondwet, door de geïnterneerden die niet zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf op het grondgebied, op absolute wijze, a priori en zonder individueel onderzoek van hun concrete administratieve, familiale en sociale situatie en van de concrete wettelijke tegenindicaties, uit te sluiten van het voordeel van de meeste strafuitvoeringsmodaliteiten die de verblijfsgerechtigde geïnterneerden en alle veroordeelden onder een aantal voorwaarden kunnen genieten, en aldus een verschil in behandeling te bepalen louter op grond van het administratieve verblijfsstatuut van de niet verblijfsgerechtigde geïnterneerden en op grond van het bestaan van een schulduitsluitingsgrond op het ogenblik van de gepleegde feiten en derhalve zonder te onderzoeken of de niet toekenning van de modaliteiten redelijk evenredig is met het door de betreffende wetsartikelen nagestreefde doel, rekening houdend met de redenen waarom de betrokken uitvoeringsmodaliteiten zijn ingevoerd ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil S.R., die bij beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 november 2001 werd geïnterneerd, verzoekt de Strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen hem verloven toe te kennen met het oog op het verzorgen van zijn moeder. De Strafuitvoeringsrechtbank stelt vast dat S.R. niet gerechtigd is om op het grondgebied van België te verblijven en dat, op grond van de artikelen 22/1 en 27 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, aan geïnterneerde personen die niet toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk, geen uitgaansvergunningen, geen verloven, geen beperkte detentie, geen elektronisch toezicht en geen invrijheidsstelling op proef kunnen worden toegekend. De Rechtbank acht het vervolgens aangewezen bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad stelt vast dat het Hof bij zijn arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 bepalingen heeft vernietigd die gelijksoortig waren aan de in het geding zijnde bepalingen. Om die reden gedraagt hij zich in de voorliggende zaak naar de wijsheid van het Hof. A.
- De Ministerraad deelt mee dat initiatieven worden voorbereid met het oog op het opheffen van de in het geding zijnde bepalingen. -B- B.
- Op de datum van het vonnis waarbij de prejudiciële vraag is gesteld, was bij artikel 163 van de wet van 4 mei 2016 « houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie » in de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering een nieuw artikel 22/1 ingevoegd, dat bepaalde : « De uitgaansvergunning zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 3°, en het verlof kunnen niet worden toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de geïnterneerde persoon niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk ». Artikel 167 van de voormelde wet van 4 mei 2016 had artikel 27 van de wet van 5 mei 2014 vervangen als volgt : « De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidsstelling op proef kunnen niet worden toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de geïnterneerde persoon niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk ». B.
- Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de voormelde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 22 en 191 van de Grondwet, doordat de geïnterneerden die niet toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf op het grondgebied, worden uitgesloten van het voordeel van de meeste strafuitvoeringsmodaliteiten, en doordat aldus een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen geïnterneerden, op grond van hun administratieve 4 verblijfsstatuut, en tussen geïnterneerden en gedetineerden, op grond van het al dan niet bestaan van een schulduitsluitingsgrond op het ogenblik van het plegen van de feiten. B.
- Bij zijn arrest nr. 80/2018 van 28 juni 2018 heeft het Hof de in het geding zijnde bepalingen vernietigd. De prejudiciële vraag is derhalve zonder voorwerp geworden. 5 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is zonder voorwerp. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 december
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div