← België

ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.180

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.180 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20181206.9 Arrest- Rolnummer: 180/2018 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-01-04 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-06-28 22:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Overlijden PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 14, § 1ter en § 3, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Veurne. Strafrecht - Opschorting, uitstel en probatie - Overlijden van de beklaagde - Verval van de strafvordering. Tekst van de beslissing Rolnummer 6995 Arrest nr. 180/2018 van 6 december 2018 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 14, § 1ter en § 3, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Veurne. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 19 maart 2018 in zake het openbaar ministerie tegen K.M. heeft de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Veurne, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1) Schendt het artikel 14 § 1ter van de Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin dat in dit artikel 14 § 1ter bepaald wordt dat het gewoon uitstel en het probatie-uitstel kunnen herroepen worden indien diegene voor wie de maatregel is genomen wegens

(1)een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten of
(2)tegelijkertijd wegens een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten en wegens een overtreding van de artikelen 419 of 420 van het Strafwetboek, gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf heeft gepleegd dat veroordeling krachtens de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer tot gevolg heeft gehad, en dit zonder enig onderscheid wat betreft de aard van het misdrijf of de zwaarte van de veroordeling, terwijl in het geval dat de maatregel genomen is wegens andere misdrijven dan deze vermeld in artikel 14 § 1ter van de Wet van 29 juni 1964, het uitstel overeenkomstig artikel 14 § 1bis van deze Wet pas kan herroepen worden indien gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf gepleegd is dat veroordeling tot een effectieve hoofdgevangenisstraf van ten minste één maand en ten hoogste zes maanden of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, ten gevolge heeft gehad ? 2) Schendt het artikel 14 § 3 van de Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin dat in dit artikel 14 § 3 bepaald wordt dat de vordering tot herroeping van het uitstel wegens niet- naleving van de opgelegde voorwaarden moet worden ingesteld uiterlijk binnen een jaar na het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 8 van deze wet, terwijl in het geval van herroeping van het gewoon uitstel of het probatie-uitstel wegens het plegen van een nieuw misdrijf gedurende de proeftijd overeenkomstig artikel 14 § 1ter van deze wet, deze (verval-)termijn van 1 jaar bepaald in artikel 14 § 3 van deze wet niet geldt ? ». Bij vonnis van 20 augustus 2018 heeft de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Veurne, de strafvordering ten laste van K.M. vervallen verklaard wegens het overlijden van de beklaagde. Bij beschikking van 17 oktober 2018 heeft het Hof beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, en dat de debatten worden gesloten en de zaak op 17 oktober 2018 in beraad zal worden genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte 1. Bij vonnis van 20 augustus 2018 stelt de verwijzende rechter vast dat de beklaagde op 13 juli 2018 is overleden, en verklaart hij de strafvordering vervallen. 2. Gelet op het verval van de strafvordering, behoeven de prejudiciële vragen geen antwoord. 4 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 december 2018. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.180 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.