← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.002

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.002 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190123.2 Arrest- Rolnummer: 2/2019 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-01-25 Raadplegingen: 798 - laatst gezien 2026-06-28 22:48 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De artikelen 32quinquiesdecies en 32septiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat ze het onmogelijk maken om, met toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, in een procedure in rechte de overlegging te doen bevelen van stukken die de preventieadviseur onder zich heeft en die in beginsel onder het beroepsgeheim ressorteren. - Dezelfde bepalingen schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat ze het niet onmogelijk maken om, met toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek en rekening houdend met wat in B.13.3 is vermeld, in een procedure in rechte de overlegging te doen bevelen van stukken die de preventieadviseur onder zich heeft en die in beginsel onder het beroepsgeheim ressorteren. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 32quinquiesdecies en 32septiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - Preventie van psychosociale risico's op het werk - Procedure inzake de analyse van de psychosociale risico's - Preventieadviseur - Mededeling van informatie en toegang tot documenten. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32quinquiesdecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet - 04-08-1996 - 32septiesdecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 6685 Arrest nr. 2/2019 van 23 januari 2019 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 32quinquiesdecies en 32septiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 20 juni 2017 in zake M.S. tegen de vzw « SPMT-ARISTA », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 juni 2017, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schenden de artikelen 32quinquiesdecies en 32septiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in die zin geïnterpreteerd dat zij een persoon op wie een procedure betrekking heeft inzake de analyse van de psychosociale risico’s, uitgevoerd door een erkende externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, niet toelaten toegang te hebben tot het hem betreffende dossier en tot alle documenten die in die procedure worden gebruikt, terwijl een dergelijk recht wordt gewaarborgd aan de personen op wie andere door de overheid ingestelde procedures betrekking hebben en die een opdracht van openbare dienst vervullen, zoals de administratieve of gerechtelijke procedures ? 2. Schenden de artikelen 32quinquiesdecies en 32septiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in die zin geïnterpreteerd dat zij het een persoon op wie een procedure betrekking heeft inzake de analyse van de psychosociale risico’s, die als grondslag heeft gediend voor een ernstige maatregel die met in aanmerkingneming van de persoon is genomen en die als grondslag kan dienen voor eventuele latere tuchtrechtelijke sancties, uitgevoerd door een erkende externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, niet toelaten in het kader van zijn verdediging toegang te hebben tot het hem betreffende dossier en tot alle documenten die in die procedure worden gebruikt, terwijl een dergelijk recht wordt gewaarborgd aan de personen op wie strafrechtelijke, burgerrechtelijke, tuchtrechtelijke of quasi-tuchtrechtelijke procedures betrekking hebben ? ». Memories zijn ingediend door : - M.S., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie te Luik, en Mr. A. Masset, advocaat bij de balie te Verviers; - de vzw « SPMT-ARISTA », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Ceulemans, advocaat bij de balie te Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled, advocaat bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - M.S.; - de Ministerraad. 3 Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 17 oktober 2018 de dag van de terechtzitting bepaald op 14 november 2018. Op de openbare terechtzitting van 14 november 2018 : - zijn verschenen : . Mr. E. Lemmens en Mr. E. Kiehl, advocaat bij de balie te Luik, voor M.S.; . Mr. C. Dierckx, advocaat bij de balie te Luik, loco Mr. B. Ceulemans, voor de vzw « SPMT-ARISTA »; . Mr. N. Bonbled en Mr. D. Pycke, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.S., eisende partij voor de verwijzende rechter, is bij koninklijk besluit van 12 september 2001 aangesteld als korpschef van de lokale politie van de politiezone Dison-Pepinster–Verviers. Zijn ambt wordt hernieuwd bij koninklijk besluit van 19 oktober 2006 en bij koninklijk besluit van 8 juli 2011. In december 2014 ontvangt de vzw « SPMT-ARISTA », externe dienst voor preventie en bescherming, verwerende partij voor de verwijzende rechter, twee verzoeken tot psychosociale interventie met een hoofdzakelijk collectief karakter, ingediend door verschillende personeelsleden van de politiezone. In januari 2015 dient de voorzitter van het politiecollege bij de vzw « SPMT-ARISTA » een verzoek in om dringend een aanvullende analyse te maken van de psychosociale risico’s binnen de politiezone. Op 4 mei 2015 bezorgt de vzw « SPMT-ARISTA » aan de voorzitter van het politiecollege haar analyseverslag. Op 6 mei 2015 hoort het politiecollege de preventieadviseurs van de vzw « SPMT-ARISTA » en beslist het verslag te laten opnemen in het persoonlijke dossier van de eisende partij voor de verwijzende rechter, dat verslag vertrouwelijk mee te delen aan haar en aan haar advocaten, en het te bezorgen aan de minister teneinde een maatregel te overwegen tot voorlopige en bewarende verwijdering van de betrokkene. 4 Bij een schrijven op dezelfde dag verzoekt de raadsman van de eisende partij voor de verwijzende rechter aan de vzw « SPMT-ARISTA » hem een kopie te bezorgen van haar verslag en daarbij alle elementen en verhoren te voegen, of daartoe toegang te geven, waarop de auteurs van het verslag hebben gesteund bij het opstellen ervan. Op 21 mei 2015 antwoordt de vzw « SPMT-ARISTA » aan de raadsman van de eisende partij voor de verwijzende rechter dat zij de elementen of verhoren waarop is gesteund om het verslag op te stellen, onmogelijk kan meedelen, daar de preventieadviseurs tot het beroepsgeheim gehouden zijn. Op 15 juni 2015 beslist het politiecollege de eisende partij voor de verwijzende rechter op voorlopige en bewarende wijze te verwijderen. Bij koninklijk besluit van 10 augustus 2015 wordt het mandaat van M.S. wegens ongeschiktheid vroegtijdig beëindigd. Dat koninklijk besluit wordt nietig verklaard bij een arrest van de Raad van State van 15 september 2016. De eisende partij voor de verwijzende rechter dagvaardt op 20 juni 2016 de vzw « SPMT-ARISTA » teneinde haar aansprakelijkheden vast te stellen, op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, omdat zij « haar verslag zou hebben opgesteld op basis van uiterst betwistbare eenzijdige procedures », hetgeen haar een aanzienlijk nadeel zou hebben berokkend, aangezien het betwiste verslag heeft geleid tot haar voorlopige verwijdering door het politiecollege en daarvan gebruik is gemaakt bij de procedures tot intrekking van haar mandaten. Het is in dat kader dat de prejudiciële vragen worden gesteld. III. In rechte -A– A.1.1. In zijn memorie preciseert de Ministerraad dat de in het geding zijnde bepalingen passen in het kader van de reglementering betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Die aangelegenheid is geregeld bij de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna : de wet van 4 augustus 1996), gewijzigd bij de wet van 11 juni 2002 « betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk », alsook bij de wet van 10 januari 2007 « tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk waaronder deze betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk » (hierna : de wet van 10 januari 2007) en ten slotte bij de wet van 28 februari 2014 « tot aanvulling van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk wat de preventie van psychosociale risico’s op het werk betreft, waaronder inzonderheid geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk ». A.1.2. De Ministerraad voert aan dat, met toepassing van artikel 32/2, § 2, van de wet van 4 augustus 1996, de werknemer die meent schade te ondervinden wegens psychosociale risico’s op het werk, toegang heeft tot twee soorten van bijzondere interne procedures : de informele psychosociale interventie en de formele psychosociale interventie. In het kader van een formele psychosociale interventie, wanneer het verzoek een individueel karakter heeft, zal de preventieadviseur de specifieke werksituatie van de verzoeker op onpartijdige wijze analyseren en, na zijn analyse van de omstandigheden van de zaak, alsook van de informatie die de gehoorde personen hebben meegedeeld, gepaste maatregelen voorstellen. Wanneer het verzoek een hoofdzakelijk collectief karakter vertoont, wordt het bezorgd aan de werkgever, die gepaste preventiemaatregelen moet nemen. Hij kan daartoe aan de preventieadviseur vragen om een risicoanalyse te maken. Bovendien moet hij het comité voor preventie en bescherming op het werk of, wanneer geen comité bestaat, de vakbondsafvaardiging raadplegen over de wijze waarop de situatie moet worden behandeld. De Ministerraad merkt op dat de procedure waaraan de eisende partij voor de verwijzende rechter is onderworpen, behoort tot de tweede hypothese, namelijk een verzoek tot formele interventie met een 5 hoofdzakelijk collectief karakter. Die procedure is dus wel degelijk onderscheiden van elke tucht- of strafprocedure die daaruit mogelijk a posteriori zou kunnen voorvloeien. A.1.3. Ten aanzien van de vermeende schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, herinnert de Ministerraad eraan dat de in die bepaling opgenomen waarborgen alleen dienen te worden toegepast in het kader van een geschil betreffende de betwisting van burgerlijke rechten en plichten of in het kader van een geschil betreffende een beschuldiging in strafzaken. Volgens de Ministerraad heeft de formele procedure inzake de analyse van psychosociale risico’s geen betrekking op een betwisting van burgerlijke rechten en plichten, noch op een beschuldiging in strafzaken. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou te dezen dus niet van toepassing zijn. De Ministerraad onderstreept dat het recht van de persoon die in het geding wordt gesteld in het kader van een formele procedure inzake de analyse van psychosociale risico’s om zijn grieven voor te leggen aan een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank, en zijn recht om het hem betreffende dossier te raadplegen, worden verzekerd in het kader van de eventuele tucht- en/of strafprocedure die later ten aanzien van die persoon zou worden ingesteld. A.1.4. Ten aanzien van de vermeende schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voert de Ministerraad allereerst aan dat de in de prejudiciële vragen beoogde categorieën van personen zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. De Ministerraad merkt op dat het bij de wet van 4 augustus 1996 nagestreefde doel erin bestaat erover te waken dat de nadruk veeleer wordt gelegd op preventie in plaats van op repressie, en dat voorrang wordt verleend aan de interne procedures in plaats van aan de externe procedures. Het doel van een interne procedure bestaat dus erin door middel van verzoening een pragmatische en constructieve oplossing te vinden voor het individuele of collectieve probleem dat zich kan voordoen op de arbeidsplaats. De werkgever kan de preventieadviseur verzoeken een specifieke analyse te maken van de situatie in kwestie en voorstellen voor gepaste maatregelen te formuleren. Op basis van de voorstellen van de preventieadviseur, die de rol heeft van een deskundige ter zake, is de werkgever ermee belast de maatregelen te nemen die nodig zijn om de situatie op de arbeidsplaats op te vangen. De werkgever is niet gebonden door de maatregelen die de preventieadviseur heeft voorgesteld, daar die laatste alleen een advies als deskundige uitbrengt over het bestaan van risico’s in de onderneming voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers. Het is dus op geen enkel ogenblik de bedoeling de persoon te bestraffen voor diens handelingen of gedragingen, maar wel om een constructieve oplossing te zoeken door maatregelen in te voeren die aangepast zijn aan de specifieke situatie in kwestie. De overwogen oplossingen zijn dus geenszins sancties in de zin van het tuchtrecht of het strafrecht. Het doel dat met een tucht- en/of strafprocedure wordt nagestreefd, is fundamenteel verschillend. Het gaat immers erom een eigenlijke sanctie te treffen, die een reactie is vanwege de overheid op de handelingen van de in het geding gestelde persoon. Het met die procedures nagestreefde doel zou een verschillende benadering impliceren van de rechten van de individuen, alsook van de procedurele en materiële regels die van toepassing zijn tijdens die procedures. In zoverre de formele procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s losstaat van elke tucht- en/of strafprocedure, zijn de rechten van verdediging niet van toepassing te dezen of hebben zij op zijn minst niet dezelfde draagwijdte. A.1.5. De Ministerraad voegt vervolgens eraan toe dat de rechten van verdediging van de persoon wiens gedrag in het geding is gesteld in het kader van een collectieve procedure in elk geval voldoende worden verzekerd door artikel 32sexiesdecies van de wet van 4 augustus 1996. De Ministerraad wijst voorts nadrukkelijk op het feit dat, indien het verslag dat is opgesteld in het kader van de formele procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s een element vormt dat een tucht- en/of strafprocedure verantwoordt tegen de persoon wiens gedrag in het geding is gesteld, die laatste, in het kader van die procedure, de rechten van verdediging zal genieten die gelden voor de personen die zich in dezelfde situatie bevinden, en aldus toegang zal kunnen hebben tot het volledige dossier. A.1.6. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling berust op een objectief en relevant criterium. Hij haalt de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2007 aan en wijst erop dat de niet-mededeling van de verklaringen van de personen die zijn gehoord, aan de in het geding gestelde persoon, verantwoord is door het feit dat, indien de door de preventieadviseur gehoorde werknemers weten dat de partijen, en in het bijzonder die persoon, hun identiteit en hun verklaringen zullen kennen, de ingevoerde interne procedure elk nut zal verliezen wegens de vrees voor vergeldingen en omdat het hoogst 6 waarschijnlijk is dat de preventieadviseur de gegevens niet zal ontvangen die bepalend zijn voor zijn analyse. Het verschil in behandeling zou bovendien evenredig zijn. De Ministerraad haalt een advies aan van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, nr. 22/2006 van 12 juli 2006, volgens hetwelk artikel 10, § 1, eerste lid, b), van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens niet aangepast zou zijn aan de interne procedure in het kader van de wet betreffende het welzijn op het werk. De Ministerraad voegt eraan toe dat de persoonsgegevens waartoe de eisende partij voor de verwijzende rechter toegang wenst te hebben, bestaan in subjectieve beoordelingen van derden en niet beperkt zijn tot feiten of gedragingen waarvan zij getuige zouden zijn geweest. De toegang tot dergelijke gegevens zou de verslechtering van de relationele sfeer onoverkomelijk in de hand werken. Het doel van de wetgeving bestaat echter precies erin dat gevolg te voorkomen. A.2.1. In haar memorie voert de eisende partij voor de verwijzende rechter aan dat de in de prejudiciële vragen aangeklaagde verschillen in behandeling geen enkel gewettigd doel nastreven. Zij merkt op dat het opgestelde dossier ter kennis kan worden gebracht van de werkgever, de ambtenaar belast met het toezicht, het openbaar ministerie, alsook de preventieadviseur, de arbeidsgeneesheer, zodat, in de feiten, het vermeende beroepsgeheim van de preventieadviseur alleen geldt ten aanzien van de in het geding gestelde persoon. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter houdt het feit dat de persoon die betrokken is bij een procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s, toegang krijgt tot het verslag dat als basis heeft gediend of moet dienen voor een ernstige maatregel zoals een tuchtsanctie, niet in dat de externe diensten voor preventie en bescherming niet op onafhankelijke wijze kunnen optreden. De eisende partij voor de verwijzende rechter voegt nog eraan toe dat, indien de personen die het voorwerp uitmaken van een analyse van de psychosociale risico’s, wordt geweigerd om toegang te hebben tot de stukken en getuigenissen in de procedure, dit hen in de onmogelijkheid plaatst om toe te zien op de wijze waarop het verslag is opgesteld en hierop te antwoorden of elementen tegen te werpen. A.2.2. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter zou de bekritiseerde maatregel in elk geval niet evenredig zijn met het nagestreefde doel en op discriminerende wijze afbreuk doen aan de rechten van verdediging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien de personen die rechtstreeks worden beoogd in het verslag inzake de risicoanalyse in de absolute onmogelijkheid verkeren om de gegrondheid van de gevoerde procedure na te gaan en de grieven te kennen die tegen hen zijn geformuleerd om die te kunnen tegenspreken of daarop te antwoorden. De personen die betrokken zijn bij die procedures zullen dus niet beschikken over de faciliteiten die nodig zijn om hun verdediging voor te bereiden, of over de mogelijkheid om getuigen à charge en à décharge te ondervragen of te laten ondervragen. De gevolgen van het aangeklaagde verschil in behandeling zouden des te ernstiger zijn daar een individueel dossier gedurende twintig jaar wordt bijgehouden vanaf de datum van het verzoek en op elke ogenblik aan het openbaar ministerie kan worden bezorgd. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert voorts aan dat de personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een ordemaatregel, van een tuchtsanctie of zelfs van een ontslag op grond van een verslag inzake de analyse van psychosociale risico’s niet zullen kunnen aantonen dat de externe diensten voor preventie en bescherming die dat verslag hebben opgesteld, een fout in het kader van hun interventie hebben gepleegd. A.3.1. In haar memorie herinnert de vzw « SPMT-ARISTA », verwerende partij voor de verwijzende rechter, allereerst aan de wetsbepalingen die op haar van toepassing zijn. Zij brengt in herinnering dat de ratio legis van de wet van 4 augustus 1996 erin bestaat de werknemers die een gevoel van onbehagen ervaren op het werk, in staat te stellen die in alle discretie, zonder vrees voor vergeldingsmaatregelen uit te drukken. Zij maakt het de werkgever tevens mogelijk om op de hoogte te worden gebracht door een instelling die volkomen onafhankelijk is en is samengesteld uit beroepsmensen die de aangeklaagde risico’s kunnen analyseren, en om de gepaste maatregelen te nemen teneinde de situatie op te lossen. De externe dienst voor preventie en bescherming op het werk moet volkomen onafhankelijk zijn ten opzichte van de overheden en de werkgevers. Hij is gebonden door het beroepsgeheim om de anonimiteit te waarborgen van de werknemer die in moeilijkheden verkeert. Indien de werkgever aan wie de crisissituatie is voorgelegd, dat wenst, kan de externe dienst voor preventie en bescherming overgaan tot een risicoanalyse. 7 Opdat die analyse volledig en doeltreffend kan zijn, is het noodzakelijk dat de werknemers die in het kader daarvan worden gehoord, het beroepsgeheim genieten. De verwerende partij voor de verwijzende rechter herinnert in dat opzicht eraan dat, luidens artikel 33 van het koninklijk besluit van 10 april 2014, de persoonlijke nota’s van de preventieadviseur niet worden opgenomen in het dossier dat bij de dienst wordt geopend. Het verslag dat vervolgens zal worden opgesteld door de preventieadviseur, wordt meegedeeld aan de werkgever en is niet dwingend. Het kan dus niet de basis vormen voor een individuele beslissing van de werkgever. A.3.2. De verwerende partij voor de verwijzende rechter besluit dat de wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan kennelijk een regeling invoeren die ertoe strekt de werknemer het welzijn op het werk te waarborgen, regeling die niets gemeen heeft met een administratieve, gerechtelijke of tuchtprocedure. Zij herinnert aan de interpretatie die de directeur-generaal van de Federale Overheidsdienst Tewerkstelling, Arbeid en Sociaal Overleg op 3 februari 2016 heeft gegeven in het kader van de toepassing van artikel I.3-4 van de Codex over het welzijn op het werk. A.4.1. In zijn memorie van antwoord merkt de Ministerraad op dat de behandeling van het verzoek tot psychosociale interventie met een hoofdzakelijk individueel karakter zoals beoogd in de artikelen I.3-22 tot I.3-30 van de Codex over het welzijn op het werk, moet worden onderscheiden van de behandeling van het verzoek met een hoofdzakelijk collectief karakter en van de behandeling van de aanvraag voor een risicoanalyse voor een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar wordt vastgesteld, beoogd in de artikelen I.3-4 tot I.3-5 van dezelfde Codex. Die laatste wordt meer bepaald geregeld bij artikel 32/2, § 3, tweede tot vijfde lid, van de wet van 4 augustus 1996. Wanneer een werkgever beslist een risicoanalyse uit te voeren om een dergelijke aanvraag te behandelen, dienen de uitvoeringsvoorwaarden bepaald in artikel I.3-4 van de Codex aldus in acht te worden genomen, overeenkomstig artikel I.3-18, § 1, tweede lid, ervan. Artikel I.3-5 van de Codex, waarnaar wordt verwezen in het advies dat is voorgelegd door de eisende partij voor de verwijzende rechter, is daarentegen niet van toepassing ten aanzien van de mededeling van de resultaten van de analyse in het kader van een verzoek met een hoofdzakelijk collectief karakter. A.4.2. Ten aanzien van de memorie ingediend door de eisende partij voor de verwijzende rechter, stelt de Ministerraad allereerst vast dat daarin niet de kwestie aan bod komt van de toepasbaarheid van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, hetgeen zou bevestigen dat de formele procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s niet de betwisting van burgerlijke rechten en plichten betreft en overigens geenszins betrekking heeft op een beschuldiging in strafzaken. A.4.3. De Ministerraad voert voorts aan dat de memorie van de eisende partij voor de verwijzende rechter benaderingen bevat die ertoe leiden aan de betwiste bepalingen een draagwijdte te geven die zij niet hebben. Enerzijds, ontvangt de werkgever niet de verklaringen van de personen die door de preventieadviseur worden gehoord. Artikel I.3-4 van de Codex over het welzijn op het werk bepaalt dat de preventieadviseur aan de werkgever alleen anonieme gegevens bezorgt die voortvloeien uit de gesprekken. Anderzijds, worden de verklaringen van die personen niet ter kennis gebracht van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer. Die mededeling heeft luidens artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 6°, van de wet van 4 augustus 1996 alleen plaats wanneer de werknemer daarmee heeft ingestemd en wanneer het gaat om de mededeling van gegevens betreffende de individuele situatie van die werknemer. Een en ander is immers alleen uitdrukkelijk bepaald in het kader van een individuele procedure, op grond van artikel I.3-23 van de Codex over het welzijn op het werk. A.4.4. De Ministerraad herinnert ten slotte eraan dat het hoofddoel van de interne procedure erin bestaat een pragmatische en constructieve oplossing te vinden voor het individuele of collectieve probleem dat zich kan voordoen op de arbeidsplaats. Die oplossing kan in de eerste plaats worden gezocht door middel van een verzoening in het kader van een informele interventie. Wanneer dat niet lukt of niet kan worden overwogen, kan de werknemer een verzoek indienen tot formele, individuele en/of collectieve psychosociale interventie. In die gevallen is het nooit de bedoeling een persoon te bestraffen, maar een constructieve oplossing te zoeken en maatregelen in te voeren die aan de situatie in kwestie aangepast zijn. Het met de wet en de in het geding zijnde bepalingen nagestreefde doel valt dus geenszins samen met dat van een tucht- en/of strafprocedure. A.5.1. In haar memorie van antwoord legt de eisende partij voor de verwijzende rechter de nadruk op het feit dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens eveneens van toepassing is op de tuchtprocedures. Een en ander zou voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende het voormelde artikel 6. Echter, te dezen, heeft het onderwerp van de prejudiciële vragen precies betrekking op het geval waarin de procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s de 8 bevoegde overheid ertoe heeft gebracht een procedure van strafrechtelijke, burgerrechtelijke, tuchtrechtelijke of quasi-tuchtrechtelijke aard aan te vatten. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou te dezen dus wel degelijk van toepassing zijn. A.5.2. Ten aanzien van de vergelijkbaarheid van de in het geding zijnde categorieën voert de eisende partij voor de verwijzende rechter aan dat het uitgangspunt van de redenering van de Ministerraad, namelijk dat de formele procedures inzake psychosociale interventie en de tucht- of strafprocedures die daarop volgen, volkomen van elkaar zouden losstaan en noodzakelijkerwijs van elkaar zouden moeten worden onderscheiden, verkeerd is. Zulks zou niet het geval zijn, daar de tucht- of strafprocedures die in de prejudiciële vragen worden beoogd, voor de betrokken categorieën van personen, precies voortvloeien uit een formele psychosociale interventie. In tegenstelling tot wat de Ministerraad schrijft, zal de persoon die aan een tucht- en/of strafprocedure onderworpen is, de algemene beginselen inzake de rechten van verdediging niet op nuttige wijze kunnen aanvoeren, in zoverre die persoon precies geen toegang zal hebben tot het dossier en tot de stukken van het dossier die hebben geleid tot het instellen van die procedure, met toepassing van de bekritiseerde wetsbepalingen. A.5.3. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter maakt artikel 32sexiesdecies van de wet van 4 augustus 1996, aangevoerd door de Ministerraad, het niet mogelijk de correcte inachtneming van de rechten van verdediging te verzekeren, ongeacht wat in de parlementaire voorbereiding wordt vermeld. Alleen een kopie van het advies bedoeld in artikel 2, 2°, c), van die bepaling kan immers worden bezorgd aan de in het geding gestelde werknemer. Dat advies bevat precies niet de informatie die vereist is opdat de in het geding gestelde persoon zijn verdediging op nuttige wijze kan opbouwen. De controle die door de Ministerraad wordt aangevoerd, zou alleen a posteriori kunnen plaatshebben, op een ogenblik waar het kwaad reeds is geschied, daar de procedure is aangevat en de strafrechtelijke of disciplinaire overheid reeds een eerste oordeel heeft geveld en heeft beslist over de noodzaak van de vervolgingen. De controle a posteriori die door de Ministerraad en de verwerende partij voor de verwijzende rechter wordt aangevoerd, zou dus niet bestaan, daar die te laat komt, maar ook in zoverre die niet het hele dossier kan betreffen. A.5.4. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter streven de in het geding zijnde bepalingen niet het gewettigde doel na dat de Ministerraad of de verwerende partij voor de verwijzende rechter hebben geïdentificeerd. Aldus, net als de personen die worden gehoord naar aanleiding van een formele procedure inzake psychosociale analyse, zouden de personen die worden gehoord in het kader van een straf- of tuchtprocedure kunnen vrezen voor vergeldingen vanwege de vervolgde personen of het gevoel hebben zich niet vrij te kunnen uiten, hetgeen niet belet dat hun verklaring toegankelijk is voor de in het geding gestelde derde. In werkelijkheid zou de wetgever kennelijk geen rekening hebben gehouden met het aangeklaagde verschil in behandeling, in het bijzonder voor de personen die het voorwerp uitmaken van ordemaatregelen of sancties volgend op de aanneming van een verslag inzake risicoanalyse. A.5.5. In ondergeschikte orde voert de eisende partij voor de verwijzende rechter aan dat, in elk geval, de bekritiseerde maatregel niet evenredig is met het nagestreefde doel en op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van verdediging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het feit dat de toegang tot bepaalde soorten gegevens vermeendelijk kan doen vrezen voor een verslechtering van de arbeidssfeer, kan een dergelijke aantasting van de rechten van verdediging niet verantwoorden, in het bijzonder voor de personen die het voorwerp uitmaken van ordemaatregelen of sancties volgend op de aanneming van een verslag inzake risicoanalyse. De eisende partij voor de verwijzende rechter steunt op de rechtspraak van het Hof om te herinneren aan het belang van de rechten van verdediging en van tegenspraak. Te dezen kan niet alleen het vertrouwelijke dossier niet het voorwerp uitmaken van enige controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, maar kan ook het nagestreefde doel niet worden vergeleken met de noodzaak om de nationale veiligheid te beschermen. De wetgever beperkt zich immers ertoe een volkomen theoretische mogelijkheid aan te voeren dat de sfeer binnen een onderneming verslechtert. Er zou des te meer afbreuk worden gedaan aan de rechten van verdediging daar de gegevens die niet kunnen worden gecontroleerd door de betrokkenen tal van louter subjectieve verklaringen bevatten. Ten aanzien van het argument volgens hetwelk de verslagen inzake risicoanalyse eenvoudige adviezen vormen, is het toch zo dat de maatregelen worden aangenomen en/of dat tucht- of strafprocedures kunnen worden ingesteld op basis van die adviezen. Daar zij geen toegang kunnen hebben tot de stukken en tot het 9 dossier die aan de basis van het verslag liggen, bevinden de personen die daarin rechtstreeks worden beoogd, zich echter in de absolute onmogelijkheid om de geformuleerde grieven nauwkeurig te kennen, de verklaringen, waarvan zij niets afweten, tegen te spreken of te beantwoorden, getuigen à charge en à décharge te ondervragen of te laten ondervragen, de verklaringen van de personen die zijn gehoord in het geding te brengen, of nog, de context ervan aan te geven, met name in het licht van de mogelijke persoonlijke relaties tussen de betrokkenen. -B- B.1. Aan het Hof worden vragen gesteld over de artikelen 32quinquiesdecies en 32septiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna : de wet van 4 augustus 1996), die bepalen : « Art. 32quinquiesdecies. De preventieadviseur bedoeld in artikel 32sexies, § 1, en de vertrouwenspersonen zijn gehouden door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek. In afwijking van deze verplichting gelden de volgende bepalingen : 1° in het kader van een informele psychosociale interventie delen de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon aan de personen die eraan deelnemen de informatie mee die naar hun mening pertinent is voor het goede verloop van deze interventie; 2° in het kader van het onderzoek van het verzoek van een werknemer tot formele psychosociale interventie :

  1. a)deelt de preventieadviseur, van zodra het verzoek werd aanvaard, de identiteit van de verzoeker mee aan de werkgever, behalve in het kader van de informatie bedoeld in artikel 32/2, § 3, tweede lid;
  2. b)informeert de preventieadviseur, met toepassing van artikel 32/2, § 3, tweede lid, schriftelijk de werkgever over de risico's met een collectief karakter die voortvloeien uit het verzoek en, in voorkomend geval verstrekt hij in toepassing van artikel 32/2, § 3, vijfde lid, schriftelijk aan de werkgever de voorstellen voor individuele maatregelen;
  3. c)overhandigt de preventieadviseur een schriftelijk advies dat handelt over de resultaten van het onpartijdig onderzoek van het verzoek en waarvan de inhoud wordt vastgesteld door de Koning, aan de werkgever en aan de vertrouwenspersoon wanneer hij op informele wijze in dezelfde situatie is tussengekomen;
  4. d)verstrekt de preventieadviseur schriftelijk aan de verzoeker en aan de andere rechtstreeks betrokken persoon de voorstellen van preventiemaatregelen die betrekking hebben op de specifieke arbeidssituatie en die vervat zijn in het advies bedoeld in punt
  5. c)evenals hun verantwoording, waarbij deze laatste moet toelaten de situatie gemakkelijker te begrijpen en de afloop van de procedure gemakkelijker te aanvaarden; 10
  6. e)verstrekt de preventieadviseur die deel uitmaakt van een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, op schriftelijke wijze, aan de preventieadviseur van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, de voorstellen van preventiemaatregelen die betrekking hebben op de specifieke arbeidssituatie, de voorstellen die tot doel hebben elke herhaling van de feiten in andere arbeidssituaties te voorkomen die vervat zijn in het advies bedoeld in punt
  7. c)evenals hun verantwoording, waarbij deze laatste hem moet toelaten zijn coördinatieopdrachten uit te voeren; 3° onverminderd de bepaling van 2° verstrekt de preventieadviseur in het kader van het onderzoek van het verzoek van een werknemer tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de volgende inlichtingen :
  8. a)hij deelt aan de werkgever de identiteit mee van de getuigen bedoeld in artikel 32tredecies, § 1/1, 5°;
  9. b)hij deelt aan de aangeklaagde de feiten mee die hem ten laste worden gelegd;
  10. c)hij deelt aan de werkgever voorstellen voor bewarende maatregelen mee vóór de overhandiging van het advies bedoeld in 2°, c, indien de ernst van de feiten het vereist;
  11. d)hij verstrekt aan ieder die een belang kan aantonen een kopie van het document waarbij de werkgever op de hoogte wordt gebracht van het feit dat een verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk werd ingediend evenals een kopie van het verzoek tot interventie van de met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in artikel 32septies;
  12. e)hij deelt aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en aan het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen het advies mee bedoeld in 2°, c), evenwel zonder dat het Centrum en het Instituut het advies mogen overmaken aan de werknemer, wanneer deze instellingen hierom schriftelijk verzoeken en voor zover de werknemer over dit verzoek schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven; 4° de preventieadviseur houdt het individueel dossier van het verzoek, met inbegrip van de documenten die de verklaringen bevatten van de personen die in het kader van een formele psychosociale interventie werden gehoord door de preventieadviseur, ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar; 5° de preventieadviseur houdt het individueel dossier van het verzoek, met inbegrip van de documenten die de verklaringen bevatten van de personen die in het kader van een formele psychosociale interventie werden gehoord door de preventieadviseur, ter beschikking van het openbaar ministerie, voor zover deze personen in hun verklaring schriftelijk hebben toegestemd met deze overdracht; 6° de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon kunnen met de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer de informatie uitwisselen die naar hun mening noodzakelijk is opdat geschikte maatregelen zouden kunnen genomen worden ten aanzien van de werknemer die meent schade ten gevolge van psychosociale risico's op het werk te ondervinden, op voorwaarde dat de werknemer schriftelijk heeft toegestemd met deze uitwisseling; 11 7° de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon wisselen met elkaar de informatie uit die nodig is voor het vervullen van hun opdrachten ». « Art. 32septiesdecies. In afwijking van artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, heeft de betrokken persoon geen toegang tot de persoonsgegevens en de oorsprong van de gegevens die opgenomen zijn in de volgende documenten : 1° de notities die de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon hebben gemaakt tijdens de gesprekken gevoerd in het kader van een informele psychosociale interventie, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 1°; 2° het verzoek tot formele psychosociale interventie, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 32quaterdecies, eerste lid, en artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 3°, b); 3° de documenten die de verklaringen bevatten van de personen die, tijdens het onderzoek van het verzoek tot formele psychosociale interventie, werden gehoord door de preventieadviseur, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 32quaterdecies, tweede lid; 4° het advies van de preventieadviseur, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 2°, c), d), e), en artikel 32sexiesdecies; 5° de bijzondere gegevens van persoonlijke aard vastgesteld door de preventieadviseur bedoeld in artikel 32sexies, § 1 of de vertrouwenspersoon naar aanleiding van de stappen die zij hebben ondernomen en die uitsluitend aan hen zijn voorbehouden ». B.2.1. De in het geding zijnde bepalingen maken deel uit van hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996, dat « bijzondere bepalingen betreffende de preventie van psychosociale risico’s op het werk, waaronder stress, geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk » bevat. De psychosociale risico’s worden omschreven als « de kans dat een of meerdere werknemers psychische schade ondervinden die al dan niet kan gepaard gaan met lichamelijke schade, ten gevolge van een blootstelling aan de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk, waarop de werkgever een impact heeft en die objectief een gevaar inhouden » (artikel 32/1 van de wet van 4 augustus 1996). Krachtens artikel 32/2, § 2, van de wet van 4 augustus 1996 dient de werkgever, in het kader van de minimaal toepasselijke preventiemaatregelen, interne procedures vast te stellen die rechtstreeks toegankelijk zijn voor de werknemer die meent schade te ondervinden in de zin van het voormelde artikel 32/1. De interne procedure maakt het mogelijk dat de 12 werknemer bij de vertrouwenspersoon of bij de preventieadviseur een verzoek indient tot een informele dan wel een formele psychosociale interventie. Een informele psychosociale interventie bestaat erin op een informele wijze te zoeken naar een oplossing door middel van gesprekken, een interventie bij een derde of een verzoening. Een formele psychosociale interventie houdt in dat de werknemer aan de werkgever vraagt om de gepaste collectieve en individuele maatregelen te nemen op basis van een analyse van de specifieke arbeidssituatie van die werknemer en op basis van de voorstellen van maatregelen, die werden gedaan door de preventieadviseur en die opgenomen zijn in een advies. B.2.2. Bij een verzoek tot formele psychosociale interferentie is de preventieadviseur aldus ermee belast dat verzoek te onderzoeken. Hij kan in het kader van dat onderzoek personen horen en stelt vervolgens een advies op, dat handelt over de resultaten van dat onderzoek en waarbij individuele of collectieve maatregelen worden voorgesteld. Het komt uiteindelijk aan de werkgever toe een beslissing te nemen inzake de nodige preventiemaatregelen. B.3.1. De in het geding zijnde bepalingen regelen de mededeling van informatie en de toegang tot documenten in het kader van de interne procedures inzake de analyse van psychosociale risico’s. B.3.2. Het in het geding zijnde artikel 32quinquiesdecies, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996 bepaalt dat de preventieadviseur gehouden is door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek. Krachtens de laatstgenoemde bepaling zijn strafbaar « alle […] personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken ». De wet van 4 augustus 1996 voorziet zelf in een aantal uitzonderingen op dat beroepsgeheim wat de preventieadviseur betreft, onder meer in het tweede lid van artikel 32quinquiesdecies. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2007 « tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk waaronder deze betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenste 13 seksueel gedrag op het werk » (hierna : de wet van 10 januari 2007), die aan de oorsprong van die bepaling ligt, wordt vermeld : « Het beroepsgeheim maakt het mogelijk het vertrouwen te waarborgen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van deze functies. De personen die door deze preventieadviseur of vertrouwenspersoon worden gehoord zullen zich alleen volledig vrij voelen om vrijuit te spreken indien zij er zeker van zijn dat wat gezegd wordt niet zal worden meegedeeld aan de werkgever of aan andere personen. De uitoefening van deze functies is ondenkbaar indien er geen vertrouwensrelatie wordt opgebouwd. De personen die worden gehoord zullen er tijdens het onderhoud toe gebracht worden gegevens van heel persoonlijke aard mee te delen die hen zouden kunnen schade berokkenen, indien ze zouden worden openbaar gemaakt. De bij de wet bepaalde doelstelling om de aangehaalde problematiek intern te regelen zou niet kunnen bereikt worden zonder deze verplichting. De preventieadviseur en de vertrouwenspersoon zijn dus gehouden door het beroepsgeheim. Bijgevolg, mogen ze datgene wat hen ter kennis wordt gebracht in het kader van de uitoefening van hun functie niet bekend maken tenzij de wet het toelaat. De welzijnswet zelf voorziet in een aantal uitzonderingen […]. Deze verplichting tot beroepsgeheim mag immers geen hindernis vormen voor de uitvoering van hun opdrachten. […] De preventieadviseur en de vertrouwenspersoon zijn dus buiten de elementen die beperkend zijn opgenomen in de artikelen 32septies, 32tredecies, § 6, 32quaterdecies en 32quinquiesdecies en in de andere uitzonderingen voorzien in artikel 458 van het strafwetboek, gehouden door het beroepsgeheim. Het is niet aangewezen het volledige dossier met inbegrip van de met redenen omklede klacht en de verklaringen van de ondervraagde personen mee te delen aan de belanghebbende persoon. Deze gegevens zijn inderdaad vaak emotioneel gekleurd en zo sterk persoonsgebonden dat het openbaar maken ervan de verhoudingen in de onderneming enkel kan schaden en in het slechtste geval elke samenwerking onmogelijk wordt. Het is dan ook van het grootste belang dat op deze gegevens een absolute vertrouwelijkheid van toepassing is » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2686/001, pp. 36-37 en 39). B.3.3. Artikel 32septiesdecies van de wet van 4 augustus 1996, dat eveneens in het geding is in de prejudiciële vragen, voorziet in een uitzondering op het recht van een persoon om kennis te krijgen van de hem betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt vanwege de verantwoordelijke voor de verwerking. Krachtens die bepaling heeft de betrokken persoon geen toegang tot de persoonsgegevens en de oorsprong van de gegevens die zijn opgenomen in, onder meer, de documenten die de verklaringen bevatten van de personen die tijdens het onderzoek van het verzoek tot formele psychosociale interventie werden gehoord door de 14 preventieadviseur, noch tot het advies van de preventieadviseur, onder voorbehoud van de uitzonderingen die zijn opgenomen in artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, en in artikel 32sexiesdecies. Op grond van laatstgenoemde bepaling bezorgt de werkgever een afschrift van het advies van de preventieadviseur aan de werknemer ten aanzien van wie maatregelen worden overwogen die zijn arbeidsvoorwaarden kunnen wijzigen. Die beperking van het recht om kennis te krijgen van persoonsgegevens, in het bijzonder in de documenten die de verklaringen van de personen die werden gehoord door de preventieadviseur bevatten, werd als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2007 : « - De gegevens van persoonlijke aard waartoe de betrokkene toegang zou kunnen hebben bestaan in subjectieve appreciaties door derden. Wat de gehoorde personen zeggen is niet beperkt tot feiten of gedragingen waarvan ze getuigen zouden zijn geweest, maar bevat ook subjectieve appreciaties over de persoon zelf van de betrokkene. De toegang tot dit soort gegevens kan er toe leiden dat het relationeel klimaat verder degradeert. En het is nu precies dat wat de interne procedure wil voorkomen. – De getuigen, die weten dat hun verklaringen toegankelijk zijn voor de partijen, zouden deze verklaringen beperken uit vrees voor represailles, te meer daar de wet op de bescherming van het privé-leven de mogelijkheid biedt aan de betrokkene om toegang te hebben tot de identiteit van de auteur van de gegevens. De kans bestaat dus dat de preventieadviseur informatie die belangrijk is voor zijn analyse niet ontvangt. Uiteraard blijft ieder toegang hebben tot de verklaringen die hij zelf heeft afgelegd, wat voortaan uitdrukkelijk is opgenomen in de wet zelf (artikel 32quaterdecies, tweede lid) » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2686/001, pp. 41-42). De mededeling van het advies van de preventieadviseur aan de werknemers ten aanzien van wie maatregelen worden overwogen die hun arbeidsvoorwaarden kunnen wijzigen, is in dezelfde parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Wanneer de werkgever van plan is maatregelen te treffen die de arbeidsvoorwaarden van de werknemer (aanklager of aangeklaagde) wijzigen […] moeten de betrokken werknemers kunnen beschikken over de nodige informatie die hen in staat stellen hun verdediging op te bouwen of te beoordelen of zij ten opzichte van de werkgever of de aangeklaagde juridische stappen zullen ondernemen » (ibid., p. 39). B.4.1. Hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 heeft het voorwerp uitgemaakt van een belangrijke hervorming bij de wet van 28 februari 2014 « tot aanvulling van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun 15 werk wat de preventie van psychosociale risico’s op het werk betreft, waaronder inzonderheid geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk » (hierna : de wet van 28 februari 2014), om te komen tot de huidige regeling. In het kader van die hervorming is erop gewezen : « Voortaan kan elk probleem van psychosociale aard het voorwerp uitmaken van een verzoek tot formele psychosociale interventie overeenkomstig artikel 32/2, § 2 van de wet (zie commentaar bij artikel 9). Wanneer de werknemer meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, draagt het verzoek de naam ‘ verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk ’. Deze begrippen vervangen het begrip ‘ met redenen omklede klacht ’. Deze wijziging heeft tot doel de terminologie en de realiteit op elkaar af te stemmen. Het is de bedoeling om de rol van de preventieadviseur bij de behandeling van een verzoek te herverduidelijken en te herformuleren, zowel voor de werknemer die beroep doet op deze procedure als voor de werkgever en het geheel van actoren betrokken bij deze problematiek (werkgever, personeelsvertegenwoordigers, advocaten, gerechtelijke instanties). Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk zijn feiten die strafrechtelijk kunnen vervolgd worden en die tuchtrechtelijk kunnen gesanctioneerd worden. Maar het gaat ook om gedragingen die de gezondheid en de veiligheid van de werknemer aantasten. De essentie van de functie van preventieadviseur bestaat niet uit het voeren van een strafonderzoek noch uit het doen van een uitspraak en het voorstellen van een strafsanctie, want deze rol komt toe aan het Openbaar ministerie en de strafrechter. De essentie van zijn functie bestaat evenmin uit het voeren van een intern tuchtonderzoek en het voorstellen van tuchtstraffen, want deze rol komt toe aan de verantwoordelijken van human ressources. De enige opdracht van de preventieadviseur bestaat erin de werkgever, verantwoordelijk voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers, in te lichten over de risico’s die in de onderneming aanwezig zijn en hem advies te verstrekken over de maatregelen die moeten getroffen worden om gezondheidsschade te voorkomen. Het begrip ‘ klacht ’ is ontstaan uit de juridische praktijk en creëert veronderstellingen en verwachtingen omdat het een onderzoek, een uitspraak en het sanctioneren van de schuldige veronderstelt. Daarom werd dit begrip vervangen door ‘ verzoek tot psychosociale interventie ’ wat overeenstemt met het reële werk van de preventieadviseur : het uitvoeren van een risicoanalyse van de specifieke arbeidssituatie en het voorstellen van preventiemaatregelen om het gevaar uit te schakelen, de schade te beperken met het oog op het herstellen van aanvaardbare arbeidsvoorwaarden voor de gezondheid en veiligheid van de werknemer. Wanneer het verzoek betrekking heeft op feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, draagt ze de naam van ‘ verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag ’. Wanneer het verzoek betrekking heeft op andere problemen van psychosociale aard, spreekt men van een ‘ verzoek tot formele psychosociale interventie ’. De woorden ‘ verzoek tot formele psychosociale interventie ’ zijn gemeenschappelijk voor de beide verzoeken. Dit kan worden uitgelegd door het feit dat de rol van de preventieadviseur psychosociale aspecten identiek is ten aanzien van de beide types verzoeken : hij voert een risicoanalyse uit van de situatie en 16 stelt gepaste maatregelen voor aan de werkgever. De behandeling van het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, zoals vastgelegd door de Koning, zal echter rekening moeten houden met het feit dat een persoon wordt aangeklaagd voor onrechtmatige gedragingen en dat dit verzoek, zoals voorheen het geval was bij het indienen van een met redenen omklede klacht, aanleiding geeft tot een ontslagbescherming in het voordeel van de verzoeker en directe getuigen (zie artikel 32tredecies) » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3101/001, pp. 45-47). B.4.2. Artikel 24 van de wet van 28 februari 2014, dat het in het geding zijnde artikel 32quinquiesdecies, dat tot dan van toepassing was, heeft vervangen, heeft twee hypothesen ingevoerd waarin de verklaringen van de door de preventieadviseur gehoorde personen kunnen worden meegedeeld : wanneer hij het dossier ter beschikking houdt van de arbeidsinspectie, enerzijds, en van het openbaar ministerie, anderzijds. Die wijzigingen zijn als volgt verantwoord : « Punt 4°heeft betrekking op de toegang van de inspectie tot het individueel dossier. De belangrijkste wijziging van dit artikel betreft de verklaringen van de personen gehoord door de preventieadviseur psychosociale aspecten. Dit komt tegemoet aan aanbeveling III.A.3.b van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De wet van 10 januari 2007 had de toegang van de inspectie tot de verklaringen uitgesloten om het verzamelen van getuigenissen tijdens de interne procedure niet in gevaar te brengen. De inspectie kon deze verklaringen namelijk doorspelen aan het arbeidsauditoraat waardoor ze in geval van een strafprocedure toegankelijk werden voor alle partijen. Dit kon een negatieve invloed hebben op de interne procedure aangezien personen terughoudend konden zijn om te getuigen uit vrees dat hun getuigenis aan iedereen zou bekend gemaakt worden in geval van een latere vervolging voor de strafrechter. Evenwel stelt men vast dat de inspectie haar opdrachten moeilijker kan uitvoeren door het niet toegankelijk zijn van de verklaringen, in het bijzonder wat betreft het controleren van de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de preventieadviseur psychosociale aspecten. Het controleren van de onafhankelijkheid van de preventieadviseur is bijzonder belangrijk in dossiers die betrekking hebben op relationele problemen waarbij de werkgever, klant bij de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk of werkgever van de interne preventieadviseur psychosociale aspecten, soms rechtstreeks betrokken is. De toegang tot de verklaringen laat de inspectie eveneens toe de door de preventieadviseur voorgestelde maatregelen te evalueren en te oordelen of deze aan de werkgever kunnen opgelegd worden dan wel of andere meer relevant zijn. Bijgevolg werd een tussenoplossing opgenomen in dit ontwerp : de inspectie toegang geven tot de verklaringen en de toegang voor het auditoraat laten afhangen van de schriftelijke toestemming van de gehoorde personen (zie punt 5° en artikel32vicies). Punt °betreft de toegang van het Openbaar ministerie tot het individueel dossier dat door de preventieadviseur wordt bijgehouden, en voldoet aan aanbeveling III.B.1 van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Uit de evaluatie blijkt dat enkel en alleen de toegang tot het advies van de preventieadviseur niet volstaat aangezien het Openbaar ministerie eerder op zoek is naar elementen om de inbreuken te bewijzen. Daarom heeft het Openbaar ministerie voortaan toegang tot de verklaringen van personen die werden gehoord door de 17 preventieadviseur. Deze toegang is evenwel onderworpen aan de voorwaarde dat deze personen in hun verklaring hiermee schriftelijk instemmen. Voor een nadere uitleg over deze beperking, verwijzen wij naar de commentaar bij punt 4° » (ibid., pp. 60 en 61). B.5.1. In de twee prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 32quinquiesdecies en 32septiesdecies in die zin geïnterpreteerd dat zij een persoon die betrokken is bij een procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s uitgevoerd door een preventieadviseur, niet toelaten toegang te hebben tot het hem betreffende dossier en tot alle documenten die in die procedure worden gebruikt. In de eerste prejudiciële vraag wordt die categorie van personen vergeleken met die van de personen die betrokken zijn bij andere door de overheid ingestelde procedures en die een opdracht van openbare dienst vervullen, zoals de administratieve of gerechtelijke procedures. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de betrokken personen te vergelijken met diegenen die betrokken zijn bij strafrechtelijke, burgerrechtelijke, tuchtrechtelijke of quasi-tuchtrechtelijke procedures wanneer de procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s ten grondslag lag aan een ernstige maatregel die ten aanzien van hen is genomen, zoals eventuele tuchtrechtelijke sancties. B.5.2. Daar de twee prejudiciële vragen met elkaar verwant zijn, dienen zij samen te worden onderzocht. B.6. Uit de elementen van het dossier blijkt dat het ingediende verzoek om psychosociale interventie, een formeel en voornamelijk collectief karakter vertoont. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.7.1. De Ministerraad voert aan dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing is op de procedure inzake de analyse van psychosociale risico’s. B.7.2. Zonder dat moet worden nagegaan of artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing is op een interne procedure inzake de analyse van 18 psychosociale risico’s, volstaat het vast te stellen dat de prejudiciële vragen niet tijdens het verloop van die procedure worden gesteld. De vragen worden integendeel gesteld in het kader van een navolgende vordering tot schadeloosstelling op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die door de werknemer die het voorwerp heeft uitgemaakt van een dergelijke interne procedure werd ingesteld tegen de betrokken preventieadviseur, omdat laatstgenoemde « ‘ zijn verslag [zou hebben] opgesteld op basis van uiterst betwistbare eenzijdige procedures ’, hetgeen hem een belangrijk nadeel zou hebben berokkend aangezien het betwiste verslag zou hebben geleid tot zijn voorlopige verwijdering door het politiecollege en systematisch zou zijn gebruikt tijdens procedures tot intrekking van zijn mandaat ». Het is in de procedure betreffende de vordering tot schadeloosstelling dat de betrokken werknemer vraagt dat de rechter op grond van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek de overlegging beveelt, door de preventieadviseur, van de elementen en verklaringen waarop zijn verslag in het kader van de interne procedure steunt, en dat laatstgenoemde zich op het beroepsgeheim beroept om zich tegen die overlegging te verzetten. B.7.3. Vorderingen tot schadeloosstelling wegens foutief handelen of nalatigheid vormen, gelet op hun patrimoniale karakter, betwistingen over burgerlijke rechten die onder het toepassingsgebied van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ressorteren. B.8. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het Hof dient te beoordelen of de in het geding zijnde bepalingen afbreuk doen aan de voormelde verdragsbepaling, indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat zij het onmogelijk maken voor de werknemer die het voorwerp heeft uitgemaakt van een interne procedure inzake de analyse van psychosociale risico’s om, in het kader van een navolgende vordering tot schadeloosstelling tegen de preventieadviseur, op grond van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek de overlegging te doen bevelen van elementen van het hem betreffende dossier dat door de preventieadviseur in het kader van de interne procedure werd opgesteld, die evenwel onder het beroepsgeheim ressorteren. B.9. Het recht op toegang tot de rechter en het beginsel van de wapengelijkheid, die elementen zijn van het ruimere begrip « eerlijk proces » in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, houden de verplichting in om een billijk evenwicht tussen de procespartijen te waarborgen en om aan elke partij de redelijke 19 mogelijkheid te bieden haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten aanzien van haar tegenpartij of tegenpartijen (EHRM, 27 oktober 1993, Dombo t. Nederland, § 33; grote kamer, 12 mei 2005, Öçalan t. Turkije, § 140; 24 april 2003, Yvon t. Frankrijk, § 31; 25 april 2006, Roux t. Frankrijk, § 23; 26 mei 2009, Batsanina t. Rusland, § 22; 11 mei 2010, Versini t. Frankrijk, § 62). B.10.1. Door aan de preventieadviseur het beroepsgeheim op te leggen dat is neergelegd in artikel 458 van het Strafwetboek, wilde de wetgever de doeltreffendheid van de procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s verzekeren door het vertrouwen te versterken dat de partijen bij een dergelijke procedure moeten hebben wanneer zij ertoe worden gebracht aan de preventieadviseur informatie mee te delen die voor hen nadelig zou kunnen zijn. Oorspronkelijk was voorzien in vijf uitzonderingen op het vertrouwelijkheidsbeginsel, opdat die verplichting geen belemmering zou vormen voor de uitvoering van de opdrachten van de preventieadviseur. De parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2007 preciseerde evenwel dat het niet aangewezen was om aan de betrokkenen de verklaringen van de gehoorde personen mee te delen daar die gegevens emotioneel getint konden zijn en dermate sterk persoonsgebonden konden zijn dat een en ander de verhoudingen in de onderneming zou kunnen schaden of zelfs elke samenwerking onmogelijk zou kunnen maken. Een absolute vertrouwelijkheidsplicht moest dus voor die gegevens gelden. Dezelfde verantwoording werd aangevoerd in verband met de vertrouwelijkheid van de nota’s van de preventieadviseur. B.10.2. Bij de wijziging van de in het geding zijnde bepalingen door de wet van 28 februari 2014 heeft de wetgever herinnerd aan het belang van de vertrouwensband die moet bestaan tussen de gehoorde werknemers en de preventieadviseur om het slagen van de interne procedure te bevorderen. Zoals in B.4.2 is vermeld, zijn echter twee wijzigingen aangebracht in de uitzonderingen op de verplichting van het beroepsgeheim waartoe de preventieadviseur is gehouden in verband met de toegankelijkheid van het individuele dossier met inbegrip van de verklaringen van de personen die door de preventieadviseur zijn gehoord, voor de arbeidsinspectie en het openbaar ministerie. 20 B.11. Gelet op het doel dat erin bestond een regeling in te voeren die steunt op het preventieve karakter van de maatregelen die de werkgever moet nemen om het welzijn van de werknemers te verzekeren, in plaats van een repressieve regeling, en de verhoudingen tussen de werknemers te vrijwaren om te voorkomen dat elke samenwerking onmogelijk zou worden, heeft de wetgever een relevante maatregel genomen door toe te laten dat de verklaringen van de betrokkenen bij een procedure inzake de analyse van de psychosociale risico’s die vertrouwelijk zijn afgelegd, in een noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen die personen en de preventieadviseur, gedekt zijn door de verplichting van het beroepsgeheim die geldt voor die adviseur en niet kunnen worden meegedeeld aan personen die wegens die verklaringen represaillemaatregelen tegen de gehoorde personen zouden kunnen nemen. B.12. Zoals zij door de verwijzende rechter worden geïnterpreteerd, zouden de in het geding zijnde bepalingen, in zoverre zij een beroepsgeheim opleggen aan de preventieadviseurs, verbieden dat, behoudens de daarin vastgestelde uitzonderingen, de verklaringen van de door die preventieadviseur gehoorde personen openbaar worden gemaakt, ook in het kader van een burgerlijke procedure tot het verkrijgen van een schadevergoeding, en zouden zij aldus de toepassing kunnen verhinderen van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt : « Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd ». Het Hof moet nog nagaan of, in die interpretatie, niet op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan het recht op een eerlijk proces van de betrokken werknemer op wiens initiatief een dergelijke burgerlijke procedure is ingesteld. B.13.1. Volgens het Hof van Cassatie kan de rechter, wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan, een verzoek tot overlegging van stukken op grond van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek niet afwijzen om de enige reden dat de houder van de stukken in kwestie tot het beroepsgeheim gehouden is en reeds heeft geweigerd die stukken aan een gedingpartij te bezorgen (Cass., 19 december 1994, R.W., 1995-1996, nr. 35, 27 april 1996, p. 1207). 21 Bij een arrest van 2 november 2012 (C.11.0018.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.8) heeft het Hof van Cassatie eveneens geoordeeld : « 1. Overeenkomstig artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. 2. Uit deze regel vloeit voort dat aan de procespartijen de mogelijkheid wordt geboden om tegenspraak te voeren omtrent elk stuk of elk betoog dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden. Het beginsel van de tegenspraak, zoals gewaarborgd door deze verdragsbepaling, heeft betrekking op het geding voor de rechtbank en niet op het door de rechter bevolen deskundigenonderzoek. Het deskundigenonderzoek moet evenwel op zulke wijze verlopen dat de partijen de mogelijkheid hebben voor de rechter op doeltreffende wijze hun opmerkingen te formuleren op het deskundigenverslag dat door de rechter als een essentieel bewijselement wordt aangemerkt. Dit impliceert, mede in acht genomen de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die de tegensprekelijkheid van het gerechtelijk deskundigenonderzoek waarborgen, alsmede deze inzake de mededeling van de stukken, dat de partijen de stukken die zij in het kader van het deskundigenonderzoek willen aanwenden in de regel aan elkaar moeten overleggen en dat zij niet alleen het recht hebben inzage ervan te nemen, maar ook het recht deze af te schrijven of nog afschrift ervan te nemen. 3. Overeenkomstig artikel 8 EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Deze bepaling houdt ook de bescherming in van het zakengeheim en geldt ook voor rechtspersonen. De bescherming van het zakengeheim van een partij is derhalve een belang dat de rechter in aanmerking kan nemen om te oordelen dat niet ieder stuk waarmee de deskundige heeft rekening gehouden wordt meegedeeld aan de tegenpartij. Een dergelijke beoordeling houdt geen schending in van artikel 6 EVRM. Of bij het afwegen van de respectieve belangen de tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek niet zodanig wordt beperkt dat daaruit een schending van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak voortvloeit, moet in concreto en in het licht van de zaak in haar geheel worden beoordeeld. 4. Anders dan waarvan het middel uitgaat, belet de omstandigheid dat een schadelijder de bewijslast draagt van het bestaan en de omvang van zijn schade niet dat de rechter na een belangenafweging oordeelt dat de schadelijder een beroep kan doen op de bescherming van het zakengeheim dat door artikel 8 EVRM is gewaarborgd ». 22 B.13.2. Artikel 878 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis waarbij de overlegging van een origineel document of een afschrift ervan wordt bevolen, de identiteit aangeeft van de partij of van de derde die het document moet overleggen, alsook de voorwaarden en de termijn waarin dat dient te gebeuren. Artikel 882 bepaalt dat de partij of de derde die, zonder wettige reden, nalaten het document of het afschrift ervan over te leggen, volgens de beslissing van de rechter, kunnen worden veroordeeld tot zodanige schadevergoeding als behoort. B.13.3. Uit die bepalingen vloeit voort dat de rechter, die bevoegd is om de voorwaarden vast te stellen waaronder de overlegging van documenten kan worden bevolen, kan verzoeken dat die documenten alleen aan hem worden bezorgd teneinde te kunnen oordelen of zij al dan niet documenten zijn die onmisbaar zijn voor de inachtneming van het beginsel van de tegenspraak in het kader van het geschil dat bij hem aanhangig is gemaakt, zodat die documenten openbaar zouden moeten worden gemaakt, in voorkomend geval, na die te anonimiseren of na de informatie eruit te halen die zou kunnen ingaan tegen de fundamentele rechten die hij meent te moeten beschermen. De rechter kan eveneens oordelen of, in de omstandigheden van de zaak, het beroepsgeheim een wettige reden kan vormen die kan verantwoorden dat sommige documenten niet kunnen worden overgelegd. B.14. In de in B.12 aangegeven interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen kan de rechter er niet over waken dat een billijk evenwicht tot stand wordt gebracht tussen de verplichting voor de preventieadviseur om het beroepsgeheim na te leven en het beginsel van de tegenspraak waarop elke rechtzoekende die partij is in een geding aanspraak kan maken. Die laatstgenoemde kan zich dus bevinden in een situatie die duidelijk nadeliger is dan die van zijn tegenstander wanneer de elementen die niet mogen worden overgelegd, elementen zouden kunnen zijn die onmisbaar zijn om zijn vordering tot een goed einde te brengen. B.15. In die interpretatie dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord. B.16. Gelet op de rechtspraak van het Hof van Cassatie aangehaald in B.13.1, blijken de in het geding zijnde bepalingen anders te kunnen worden geïnterpreteerd, namelijk zo dat zij niet verhinderen dat, met toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, de 23 overlegging wordt bevolen van stukken waarover de preventieadviseur beschikt en die in principe vallen onder het beginsel van het beroepsgeheim, onder de in B.13.3 beschreven voorwaarden. B.17. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord. 24 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De artikelen 32quinquiesdecies en 32septiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat ze het onmogelijk maken om, met toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, in een procedure in rechte de overlegging te doen bevelen van stukken die de preventieadviseur onder zich heeft en die in beginsel onder het beroepsgeheim ressorteren. - Dezelfde bepalingen schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat ze het niet onmogelijk maken om, met toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek en rekening houdend met wat in B.13.3 is vermeld, in een procedure in rechte de overlegging te doen bevelen van stukken die de preventieadviseur onder zich heeft en die in beginsel onder het beroepsgeheim ressorteren. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 januari 2019. De griffier, De voorzitter, P.-Y Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.002 Gerelateerde publicatie(
  13. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.