← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.005 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190123.5 Arrest- Rolnummer: 5/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-25 Raadplegingen: 268 - laatst gezien 2026-06-28 22:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - INTERCOMMUNALES - Waals Gewest Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Intercommunales - Waals Gewest - Fiscaliteit - Uitsluiting van elke vorm van belasting - Jaarlijkse belasting op het lozen van afvalwater. Tekst van de beslissing Rolnummer 6710 Arrest nr. 5/2019 van 23 januari 2019 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 7 juni 2017 in zake de cvba « Intercommunale de Santé Publique du Pays de Charleroi » (I.S.P.P.C.) tegen het Waalse Gewest en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 juli 2017, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het de intercommunales zou vrijstellen van de belasting ingevoerd bij artikel D275 van het Waterwetboek, zoals het van toepassing was voor het aanslagjaar 2010 en dat voorziet in een belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater, terwijl de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belasting wel verschuldigd zijn krachtens artikel D276 van hetzelfde Wetboek ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de cvba « Intercommunale de Santé Publique du Pays de Charleroi », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg en Mr. N. Fortemps, advocaten bij de balie te Brussel; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Tasseroul, advocaat bij de balie te Namen. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Waalse Regering om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 17 oktober 2018 de dag van de terechtzitting bepaald op 14 november

  1. Op de openbare terechtzitting van 14 november 2018 : - zijn verschenen : . Mr. J. Laurent, advocaat bij de balie te Brussel, voor de cvba « Intercommunale de Santé Publique du Pays de Charleroi »; . Mr. A. Tasseroul, voor de Waalse Regering; - hebben voorzitter F. Daoût en rechter T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De cvba « Intercommunale de Santé Publique du Pays de Charleroi » (hierna : de ISPPC) is een intercommunale die de oprichting en de exploitatie beoogt van elke instelling of dienst met een medisch en/of sociaal karakter, zoals al dan niet residentiële diensten om jongeren of ouderen te huisvesten of te helpen, ziekenhuizen, klinieken, enz. Zij exploiteert het « Centre Hospitalier Universitaire de Montignies-le-Tilleul », het « Centre Hospitalier Universitaire de Marchiennes-au-Pont » en het « Centre Hospitalier Universitaire de Charleroi ». De ISPPC vordert de terugbetaling van belastingen op het lozen van industrieel afvalwater die zij aan het Waalse Gewest heeft betaald. Zij is immers van mening dat die belastingen niet moesten worden betaald, om reden dat de ISPPC daarvan zou zijn vrijgesteld met toepassing van artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales. De verwijzende rechter merkt op dat het Waalse Gewest bevoegd is geworden om het stelsel vast te stellen van de belastingen en heffingen inzake water en afvalstoffen, waaronder die welke van toepassing zijn op de intercommunales op de datum van inwerkingtreding van de bijzondere wet van 16 juli 1993 houdende wijziging van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten. Artikel 33 van het Waalse decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales (hierna : het decreet van 5 december 1996), artikel L 1523-25 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie geworden, bepaalt dat het Waalse Gewest de intercommunales kan onderwerpen aan de fiscaliteit voor de gewestelijke aangelegenheden. Artikel 35.2 van hetzelfde decreet van 5 december 1996 heft de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales (hierna : de wet van 22 december 1986) op, met uitzondering van met name artikel 26, dat bepaalt dat onverminderd de bestaande wetsbepalingen, de intercommunales zijn vrijgesteld van alle belastingen ten gunste van de Staat, evenals van alle belastingen ingevoerd door de provincies, de gemeenten of enig andere publiekrechtelijke persoon. Bij een arrest van 5 februari 2009 heeft het Hof van Cassatie beslist dat aangezien dat artikel 26 niet is opgeheven, het van toepassing bleef en dat uit het feit dat die bepaling van kracht bleef, voortvloeide dat het Waalse decreet van 30 april 1990 tot instelling van een belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater (hierna : het decreet van 30 april 1990) van toepassing bleef op de intercommunales. Het is in die context dat de prejudiciële vraag aan het Hof wordt gesteld. III. In rechte -A- A.1.
  2. De Waalse Regering voert aan dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Zij onderstreept dat de belastingvrijstelling waarin het in het geding zijnde artikel 26 van de wet van 22 december 1986 voorziet, reeds was opgenomen in artikel 17 van de wet van 1 maart 1922 omtrent de vereeniging van gemeenten tot nut van ’t algemeen (hierna : de wet van 1 maart 1922), alsook in artikel 14 van de wet van 18 augustus 1907 betreffende de vereenigingen van gemeenten en van particulieren tot het inrichten van waterleidingen. Beide bepalingen stelden de verenigingen van gemeenten gelijk met de gemeenten zelf voor de toepassing van de wetten op de registratie-, zegel-, griffie- en hypotheekrechten en stelden hen vrij van elke heffing of bijdrage. 4 A.1.
  3. Uit artikel D.276 van het Waterwetboek zoals het van toepassing was in het lozingsjaar 2009, zou voortvloeien dat alle belastingschuldigen, of het nu gaat om natuurlijke personen of publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen, aan de belasting kunnen worden onderworpen. De gemeenten worden dus duidelijk beoogd door de belasting waarin is voorzien in de artikelen D.275 en volgende van het Waterwetboek. Die bepalingen zouden de omzetting vormen van het decreet van 30 april
  4. Volgens de Waalse Regering beoogde de decreetgever op het ogenblik van de aanneming van het decreet van 30 april 1990, naast het budgettaire aspect van de belasting, de verontreiniging van water tegen te gaan en de vervuilers op hun verantwoordelijkheidszin te wijzen. Het hoofdzakelijk ecologische doel van de belasting zou evident zijn en een onderscheiden behandeling van de intercommunales zou op die basis niet kunnen worden verantwoord. A.1.
  5. Krachtens artikel 170, § 2, van de Grondwet beschikt het Waalse Gewest over een eigen fiscale bevoegdheid, tenzij de wet uitzonderingen heeft bepaald of later bepaalt waarvan de noodzaak is aangetoond. De Grondwetgever heeft aldus de voorrang van de fiscale wet ten opzichte van het fiscale decreet willen vaststellen en uitzonderingen op de fiscale bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten willen toelaten. Met de aanneming van het in het geding zijnde artikel 26 zou de federale wetgever gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid die artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet hem verleent, om te voorkomen dat het gunstige statuut dat hij aan de intercommunales had toegekend bij de wet van 1 maart 1922 in het gedrang zou komen. Volgens de Waalse Regering zou de noodzaak van die vrijstelling niet meer blijken na de latere wetgevende initiatieven. Sinds 1 januari 1995 is het Waalse Gewest immers als enige bevoegd om de regeling voor de belastingen en heffingen inzake water en afvalstoffen vast te stellen. De federale wetgever zou, door te verzaken aan elke fiscale bevoegdheid inzake de belasting van water, eveneens impliciet hebben verzaakt te oordelen over de noodzaak van die vrijstelling waarin artikel 26 van de wet van 22 december 1996 voorziet in zoverre die van toepassing was op de belasting van water. Dat standpunt zou zijn bevestigd door het Hof in zijn arrest nr. 124/2001 van 16 oktober
  6. A.2.
  7. De ISPPC, de eisende partij voor de verwijzende rechter, merkt op dat het Hof van Cassatie, bij een arrest van 5 februari 2009, heeft geoordeeld dat artikel 26 van de wet van 22 december 1986 van toepassing bleef doordat het niet is opgeheven. Hieruit zou voortvloeien dat het Waalse decreet van 30 april 1990 tot instelling van een belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater niet van toepassing zou blijven op de intercommunales. De eisende partij voor de verwijzende rechter zou dus niet kunnen worden onderworpen aan de belasting op het lozen van industrieel afvalwater voor het aanslagjaar 2010, daar geen enkele decretale bepaling haar aan die belasting onderwerpt. A.2.
  8. Het argument van het Waalse Gewest dat is afgeleid uit de arresten van het Hof nrs. 124/2001 en 14/2004 zou irrelevant zijn daar de Waalse wetgever artikel 26 van de wet van 22 december 1986 niet bewust zou hebben opgeheven en het decreet van 30 april 1990 evenmin zou hebben gewijzigd. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter zou de verwijzing naar het arrest nr. 8/2004 van het Hof evenmin relevant zijn. De vermeende ongrondwettigheid van de vrijstelling waarin artikel 26 van de wet van 22 december 1986 voorziet, ongrondwettigheid die is vastgesteld bij dat arrest, zou immers niet kunnen verantwoorden dat de concluante de betwiste belasting verschuldigd is, aangezien de Waalse wetgever geen bepalingen heeft uitgevaardigd die de intercommunales zouden onderwerpen aan de belasting op het lozen van afvalwater. De eisende partij voor de verwijzende rechter voegt eraan toe dat het ongrondwettige karakter van de vrijstelling het foutieve feit zou zijn waarvoor het Waalse Gewest aansprakelijk zou zijn wegens een schending van het gewettigd vertrouwen. A.2.
  9. Ten aanzien van de prejudiciële vraag wordt aangevoerd dat de niet-onderwerping van de intercommunales aan de belasting op het lozen van afvalwater voor het aanslagjaar 2010 in werkelijkheid voortvloeit uit de gecombineerde toepassing van artikel 26 van de wet van 22 december 1986, van het decreet van 5 december 1996 en ten slotte van artikel D.275 van het Waterwetboek. Sinds de inwerkingtreding van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur beschikken de gewesten over een exclusieve fiscale bevoegdheid inzake water en afvalstoffen en staat het aan hen te beslissen of de intercommunales worden onderworpen aan of vrijgesteld van de belastingen inzake water en afvalstoffen. De Waalse wetgever heeft die bevoegdheden ten uitvoer gelegd bij artikel 33 van 5 het decreet van 5 december
  10. Artikel 35 van hetzelfde decreet heeft de wet van 22 december 1986 opgeheven, met uitzondering van met name en onder voorbehoud van artikel 26 ervan. De Waalse wetgever heeft dus ervoor gekozen een vrijstelling van de intercommunales inzake water en afvalstoffen te behouden. Een en ander zou duidelijk blijken uit de parlementaire voorbereiding van artikel 33 van het decreet van 5 december
  11. Het Hof van Cassatie zou overigens in zijn arrest van 5 februari 2009 hebben onderstreept dat het wel degelijk de instandhouding, door de decreetgever, van dat artikel 26 is die impliceerde dat het Waalse decreet van 30 april 1990 ontoepasbaar bleef op de intercommunales. De eisende partij voor de verwijzende rechter onderstreept voorts dat artikel D.259 van het Waterwetboek slechts door een decreet tot wijziging van het programmadecreet van 12 december 2014 heeft bepaald dat de belasting op het lozen van afvalwater verschuldigd was door « elke natuurlijke of rechtspersoon, publiek- of privaatrechtelijk, incluis de intercommunales, behalve in het kader van de uitoefening van de opdrachten i.v.m. het statuut van […] instelling […] ». A.2.
  12. In ondergeschikte orde wijst de eisende partij voor de verwijzende rechter erop dat de vraag niet relevant is voor de oplossing van het geschil. Het gegeven dat artikel 26 van de wet van 22 december 1986 strijdig zou worden bevonden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan immers niet met zich meebrengen dat de belasting verschuldigd zou zijn voor het in het geding zijnde aanslagjaar. Artikel 170, § 2, van de Grondwet bepaalt immers dat geen belasting ten behoeve van het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet. A.2.
  13. De eisende partij voor de verwijzende rechter geeft aan dat, in elk geval, de vrijstelling verantwoord zou zijn in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Er zij onderstreept dat de belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater een budgettaire doelstelling nastreeft, maar ook past in het kader van een milieubeleid van het Waalse Gewest en uitgaat van de toepassing van het beginsel « de vervuiler betaalt ». Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de federale wetgever, met de aanneming van artikel 26 van de wet van 22 december 1986, wilde voorkomen dat het gunstige statuut dat bij de wet van 1 maart 1922 aan de intercommunales is toegekend, in het gedrang zou komen door belastingen die aan andere belastingheffende overheden verschuldigd zijn. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 5 december 1996 wordt niet uitdrukkelijk aangegeven waarom de wetgever het niet nodig heeft geacht de intercommunales te onderwerpen aan de gewestbelastingen inzake water en afvalstoffen. Er wordt aangevoerd dat de decreetgever, door te voorzien in een vrijstelling van de intercommunales, de opdrachten van openbare dienst van de intercommunales voorrang zou hebben willen geven op de budgettaire en milieudoelstellingen die met de betwiste belasting worden nagestreefd. Het Hof zou overigens rekening hebben gehouden met de inaanmerkingneming van die opdrachten van openbare dienst om de niet-belasting van sommige publiekrechtelijke rechtspersonen te verantwoorden, en dit in zijn arrest nr. 32/2004 van 10 maart 2004 en zijn arrest nr. 113/2005 van 30 juni
  14. A.3.
  15. De Waalse Regering antwoordt dat het programmadecreet van 22 juli 2010 « houdende verschillende maatregelen inzake goed bestuur, bestuurlijke vereenvoudiging, energie, huisvesting fiscaliteit, werkgelegenheid, luchthavenbeleid, economie, leefmilieu, ruimtelijke ordening, plaatselijke besturen, landbouw en openbare werken », in artikel D.276, 1°, 3° en 4°, van het Waterwetboek, na de woorden « alle publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen » de woorden « met inbegrip van de intercommunales, met uitzondering van de opdrachten i.v.m. het statuut van erkende saneringsinstelling » heeft ingevoegd. Het doel van die wijziging bestond erin de onderwerping van de intercommunales aan de jaarlijkse belasting op het lozen van afvalwater te bevestigen. De onderwerping van de intercommunales aan die belasting werd aldus uitdrukkelijk beoogd door de wetsbepaling die van toepassing was op het ogenblik van het belastbare feit, waarbij de latere wijziging van de tekst geenszins een einde aan een vrijstelling heeft gemaakt. Volgens de Waalse Regering moest dus niet worden gewacht tot de decretale wijziging van 22 juli 2010 en a fortiori die van 12 december 2014, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter aanvoerde, om de intercommunales te onderwerpen aan de belasting op het lozen van afvalwater. A.3.
  16. Artikel 26 van de wet van 22 december 1986, zo geïnterpreteerd dat het zou toelaten een vrijstelling van de belasting op het lozen van afvalwater toe te kennen aan de intercommunales, zou een schending inhouden van het gelijkheidsbeginsel in zoverre de opdrachten van openbaar nut, zoals die worden beoogd door de eisende partij voor de verwijzende rechter, ook worden uitgevoerd door andere publiekrechtelijke rechtspersonen die geen intercommunales zijn, zoals de ziekenhuizen, met name de universitaire ziekenhuizen. 6 A.4.
  17. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat het onjuist is, zoals het Waalse Gewest aanvoert, dat de intercommunales vrijgesteld zouden zijn van de in het geding zijnde belasting voor het beschouwde aanslagjaar wegens artikel 26 van de wet van 22 december
  18. De niet-onderwerping van de intercommunales aan de betwiste belasting voor het aanslagjaar 2010 zou immers voortvloeien uit de gecombineerde toepassing van artikel 26 van de wet van 22 december 1986, van het decreet van 5 december 1996 en van artikel D.275 van het Waterwetboek. Het Waalse Gewest zou ervoor hebben gekozen de vrijstelling van de betwiste belasting te behouden, waarbij de onderwerping van de intercommunales aan de belasting op het lozen van afvalwater alleen voortvloeit uit het programmadecreet van 12 december 2014, dat artikel D.259 van het Waterwetboek heeft gewijzigd. A.4.
  19. De eisende partij voor de verwijzende rechter herhaalt dat, volgens haar, de prejudiciële vraag niet relevant is voor de oplossing van het geschil. A.4.
  20. Ten slotte voert zij aan dat het feit dat in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 5 december 1996, alsook in die van het Waterwetboek met geen woord wordt gerept over de motieven die de handhaving van de vrijstelling verantwoorden, niet inhoudt dat de bepaling strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou moeten worden bevonden. De Waalse wetgever zou de opdrachten van de openbare diensten van de betrokken intercommunales impliciet maar op noodzakelijke wijze hebben laten primeren op de andere doelstellingen die met de betwiste belasting worden nagestreefd, met name de invoering van een belasting die uitgaat van het beginsel « de vervuiler betaalt ». -B- B.
  21. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales (hierna : de wet van 22 december 1986). Dat artikel bepaalt : « Onverminderd de bestaande wetsbepalingen zijn de intercommunales vrijgesteld van alle belastingen ten gunste van de Staat, evenals van alle belastingen ingevoerd door de provincies, de gemeenten of enig andere publiekrechtelijke persoon ». B.
  22. De verwijzende rechter interpreteert de in het geding zijnde bepaling zo dat zij de intercommunales vrijstelt van de betaling van de belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater, ingesteld bij artikel D.275 van het Waterwetboek van het Waalse Gewest (hierna : het Waterwetboek) zoals het van toepassing is op het aanslagjaar 2010, terwijl de andere publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen door de belasting worden beoogd krachtens artikel D.276 van hetzelfde Wetboek. B.3.
  23. Zoals zij van toepassing zijn in de zaak voor de verwijzende rechter bepalen de artikelen D.275 en D.276 van het Waterwetboek : 7 « Art. D.
  24. Een jaarlijkse belasting wordt ingevoerd op het lozen van afvalwater. Art. D.
  25. De belasting betreft : 1° alle publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, hierna ‘ ondernemingen ’ genoemd, die industrieel afvalwater lozen in openbare rioleringen, verzamelleidingen voor afvalwater, zuiveringsstations van saneringsinstellingen of in oppervlakte- of grondwater; 2° […]; 3° elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die ander afvalwater dan industrieel afvalwater loost in de ontvangers bedoeld in 1° en die wegens een bevoorrading die niet van de openbare distributie komt, niet bijdraagt in de zuiveringskosten berekend in de reële prijs van het water. Deze bepaling is niet van toepassing op lozingen van landbouwafvalwater gelijkgesteld met huishoudelijk afvalwater uit inrichtingen waar dieren gehouden en gefokt worden en die aan de door de Waalse Regering bepaalde voorwaarden voldoen; 4° elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die ander afvalwater dan industrieel afvalwater loost in de ontvangers bedoeld in 1° wegens een bevoorrading die van de openbare distributie komt, met uitzondering van lozingen van landbouwafvalwater gelijkgesteld met huishoudelijk afvalwater uit inrichtingen waar dieren gehouden en gefokt worden en die aan de door de Waalse Regering bepaalde voorwaarden voldoen ». B.3.
  26. De hiervoor aangehaalde artikelen D.275 en D.276 vinden hun oorsprong in de artikelen 2 en 3 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 1990 tot instelling van een belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater. Met de aanneming van dat decreet wilde de decreetgever het beginsel van « de vervuiler betaalt » toepassen, waarbij alle consumenten, industriële of particulieren, worden opgeroepen om in verhouding tot hun lozingen bij te dragen tot de zuivering van afvalwater (Parl. St., Waals Parlement, 1989-1999, nr. 152/1, p. 4). B.4.
  27. Artikel 26 van de wet van 22 december 1986, dat in de prejudiciële vraag in het geding is, vervangt artikel 17 van de wet van 1 maart 1922 « omtrent de vereeniging van gemeenten tot nut van ’t algemeen », met dien verstande dat de woorden « of enig andere publiekrechtelijke persoon » zijn toegevoegd. 8 Net zoals de bepaling die het heeft vervangen, vindt het zijn oorsprong in artikel 13 van de wet van 18 augustus 1907 « betreffende de vereenigingen van gemeenten en van particulieren tot het inrichten van waterleidingen » (Belgisch Staatsblad van 5 september 1907). B.4.
  28. Tijdens de parlementaire voorbereiding van die wet werd de fiscale vrijstelling van de intercommunales als volgt toegelicht : « De maatschappijen waarop dit wetsontwerp betrekking heeft, zijn opgericht met een doel van algemeen belang; zij nemen de taak op zich een gemeentelijke plicht te vervullen : het lijkt rechtmatig hun het vervullen van die taak te vergemakkelijken door hun de fiscale voordelen toe te kennen die de gemeenten, in wier plaats zij optreden, zouden genieten » (Pasin., 1907, p. 206). Uit die toelichting kan worden afgeleid dat de wetgever de intercommunales wilde vrijstellen van belastingen waaraan de gemeenten niet waren onderworpen. Daar ze activiteiten vervulden die betrekking hadden op de verwezenlijking van doelstellingen van gemeentelijk belang, had de wetgever het rechtmatig geacht de intercommunales aan hetzelfde fiscaalrechtelijke stelsel te onderwerpen als de gemeenten. B.
  29. Sinds de inwerkingtreding van artikel 356 van de gewone wet van16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, dat een artikel 2 heeft toegevoegd aan de wet van 23 januari 1989 betreffende de in artikel [170], §§ 1 en 2, van de Grondwet bedoelde belastingbevoegdheid, zijn enkel de gewesten bevoegd om belastingen te heffen op de materies water en afval, en heeft de federale wetgever verzaakt aan elke bevoegdheid ter zake. B.
  30. Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd bij artikel 2, § 6, van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervolleding van de federale Staatsstructuur, heeft aan de gewesten alle organieke bevoegdheden ten aanzien van de intercommunales toegewezen. Het Waalse Gewest heeft van die bevoegdheid gebruikgemaakt met het decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales. De decreetgever heeft aldus « de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales willen vervangen door een organiek decreet betreffende de intercommunales 9 waarvan het rechtsgebied de grenzen van het Waalse Gewest niet overschrijdt, waarmee het Waalse specifieke karakter wordt bevestigd en praktische lering wordt getrokken uit de toepassing van de voormelde wet teneinde die waar wenselijk te corrigeren en te verbeteren » (Parl. St., Waals Parlement, 1995-1996, nr. 167/1, p. 2). Artikel 35.2 van het decreet van 5 december 1996 heeft aldus de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales opgeheven, met uitzondering evenwel van enkele artikelen, waaronder artikel 26, dat in de onderhavige zaak in het geding is. B.7.
  31. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, heeft het Hof van Cassatie bij een arrest van 5 februari 2009 geoordeeld : « Enerzijds is het Waalse Gewest op 1 januari 1995, datum van de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot wijziging van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten, bevoegd geworden om de regeling vast te stellen voor de belastingen en heffingen inzake water en afval, waaronder die welke op de intercommunales van toepassing zijn. Artikel 356 van de wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur heeft de Staat alle bevoegdheden in deze materie ontnomen. De wijzigingen van de belastingsbevoegdheid van de Staat en het gewest houden evenwel geen impliciete opheffing van de federale belastingwetgeving in. Anderzijds bepaalt artikel 33 van het Waalse decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales dat het Waalse Gewest de intercommunales voor gewestelijke aangelegenheden aan de fiscaliteit kan onderwerpen. Wegens de vaagheid van die bepaling mist zij elke normatieve waarde. Artikel 35.2 van hetzelfde decreet heft de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales op, met uitzondering met name van artikel 26 naar luid waarvan, onverminderd de bestaande wetsbepalingen, de intercommunales vrijgesteld zijn van alle belastingen ten gunste van de Staat, evenals van alle belastingen ingevoerd door de provincies, de gemeenten of enig andere publiekrechtelijke persoon. Aangezien artikel 26 niet is opgeheven, blijft het van toepassing ». B.7.
  32. Zoals het Hof van Cassatie heeft vastgesteld, heeft het Waalse Gewest, hoewel het bevoegd is geworden om de regeling vast te stellen van de belastingen en heffingen inzake water en afval, waaronder die welke op de intercommunales van toepassing zijn, het in het geding zijnde artikel 26 van de wet van 22 december 1986 niet uitdrukkelijk opgeheven. 10 B.
  33. Bij zijn arrest nr. 124/2001 van 16 oktober 2001, gewezen op prejudiciële vraag, heeft het Grondwettelijk Hof evenwel geoordeeld dat, voor zover artikel 26 van de wet van 22 december 1986 de intercommunales, voor de periode na de inwerkingtreding van artikel 356 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur, vrijstelt van de gewestbelastingen op water en afval, het artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet schendt. Het Hof heeft zijn beslissing gegrond op de volgende motieven : « Krachtens [artikel 170, § 2, van de Grondwet] beschikken de gemeenschappen en de gewesten over een eigen fiscale bevoegdheid, behalve wanneer de wet de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt heeft bepaald of nadien bepaalt. B.
  34. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat artikel 170, § 2, van de Grondwet moet worden beschouwd als ‘ een soort verdedigingsmechanisme [van de Staat] […] t.o.v. de verschillende andere bestuurslagen, om een eigen fiscale materie te behouden. ’ (Parl. St., Kamer, B.Z., 1979, 10, nr. 8/4°, p. 4). Amendementen waarbij een lijst van belastbare materies voor de gemeenschappen en de gewesten werd voorgesteld, werden verworpen (Hand., Kamer, 1979-1980, zitting van 22 juli 1980, p. 2705-2713). Verschillende malen werd beklemtoond dat artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet, moest worden beschouwd als een ‘ regulerend mechanisme. […] Het is een noodzakelijk instrument. De wet moet dat regulerend mechanisme zijn en moet kunnen zeggen welke belastbare materie wordt voorbehouden aan de Staat. Indien men dat niet zou doen komt men in een chaos en in alle mogelijke verwikkelingen terecht, die niets meer te maken hebben met een goed georganiseerde federale Staat of een goed georganiseerde Staat ’ (Hand., Kamer, 1979-1980, zitting van 22 juli 1980, p. 2707; zie ook Hand., Senaat, 1979-1980, zitting van 28 juli 1980, pp. 2650-2651). Met artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet heeft de Grondwetgever derhalve de voorrang van de fiscale wet op het fiscale decreet willen vestigen en uitzonderingen op de belastingbevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten verwoord in het eerste lid van artikel 170, § 2, mogelijk willen maken. De federale wetgever kan bijgevolg niet alleen bepaalde belastingmateries onttrekken aan de eigen fiscaliteit van de gemeenschappen en de gewesten maar kan tevens bepalen dat die fiscaliteit niet geldt ten aanzien van bepaalde categorieën van belastingplichtigen. Bovendien kan de wetgever zowel de vestiging van een gewestelijke belasting a priori verbieden, als uitzonderingen bepalen op reeds gevestigde gewestelijke belastingen. B.5.
  35. Luidens de Grondwet is de uitoefening van die bevoegdheid evenwel verbonden aan de voorwaarde dat van ‘ noodzakelijkheid ’ blijk moet worden gegeven. Weliswaar is een amendement waarbij de wet, bepaald in artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet, een wet met een bijzondere meerderheid zou zijn, verworpen (Parl. St., Kamer, B.Z., 1979, 10, nr. 8/20, p. 1; Hand., Kamer, 22 juli 1980, p. 2706); toch werd in de parlementaire voorbereiding beklemtoond dat ‘ de wet, die in artikel 110, § 2, 2e lid, bedoeld wordt, […] een organieke wet [is] en het […] niet gemakkelijk [zal] zijn voor de wetgever om 11 gemeenschappen en gewesten beperkingen op te leggen ’ (Parl. St., Kamer, B.Z., 1979, 10, nr. 8/4°, p. 4). Bij de parlementaire bespreking van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten verklaarde de Minister dat ‘ op grond van het tweede lid van artikel 110, § 2, van de Grondwet […] evenwel aan de nationale wetgever de mogelijkheid [wordt] geboden om op deze algemene en volledige belastingbevoegdheid van de Gemeenschappen en de Gewesten uitzonderingen te maken. Die mogelijkheid is voor de nationale wetgever evenwel beperkt : hij moet de noodzaak van de uitzonderingen kunnen aantonen. Bovendien zij hierbij beklemtoond dat volgens de algemeen aanvaarde interpretatieregels uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd ’ (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 635/17, p. 175). B.5.
  36. De federale wetgever heeft, doordat hij artikel 26 van de wet van 22 december 1986 heeft aangenomen, gebruik gemaakt van de bevoegdheid die hem wordt verleend in artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet om te vermijden dat het gunstige statuut dat hij aan de intercommunales had toegekend door de wet van 1 maart 1922 op de helling zou worden gezet door de belastingen die aan andere belastingheffende overheden verschuldigd zijn. Hij vermocht in 1986 te oordelen dat de noodzakelijkheid om die vrijstelling te handhaven aangetoond was zoals in
  37. B.
  38. Doordat de prejudiciële vraag betrekking heeft op de vrijstelling, ten voordele van de intercommunales, van ‘ alle belastingen of van alle door de gewesten ingevoerde belastingen ’, wordt het Hof tegelijkertijd de vraag gesteld naar de grondwettigheid van het in het geding zijnde artikel 26 voor zover het van toepassing is op de nieuwe belastingen die door de gewesten zijn ingevoerd na de inwerkingtreding van de wet van 22 december
  39. Dat aspect brengt het Hof ertoe te onderzoeken of de federale wetgever, doordat hij nadien wetten heeft aangenomen waarin de fiscaliteit van de gewesten wordt behandeld, niet zelf, op impliciete maar zekere wijze, heeft geoordeeld dat, in bepaalde aangelegenheden, de noodzakelijkheid van die vrijstelling niet langer was aangetoond. B.
  40. De gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur wijzigt het opschrift van de wet van 23 januari 1989 ‘ houdende uitvoering van artikel 110, § 2, tweede lid, van de Grondwet ’ in ‘ wet betreffende de in artikel 110 [thans 170], §§ 1 en 2, van de Grondwet bedoelde belastingsbevoegdheid ’. Zij voegt een artikel 2 eraan toe, dat bepaalt dat de Staat en de gemeenschappen niet gemachtigd zijn om belastingen te heffen ‘ op de […] materies water en afval, noch opcentiemen te heffen op belastingen en heffingen op deze materies, noch kortingen hierop toe te staan ’. Daaruit volgt dat, sinds de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 1993, de federale wetgever, door te verzaken aan elke fiscale bevoegdheid in die materies, impliciet heeft verzaakt te oordelen of die vrijstelling noodzakelijk is ». B.9.
  41. Gelet op het feit dat, om in de in het voormelde arrest van het Hof uiteengezette redenen, de federale wetgever niet meer bevoegd is om de intercommunales vrij te stellen van de gewestbelastingen inzake water en afval, voor de periode na de inwerkingtreding van artikel 356 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale 12 Staatsstructuur, schendt artikel 26 van de wet van 22 december 1986, zo geïnterpreteerd dat het een dergelijke vrijstelling toestaat, artikel 170, § 2, van de Grondwet. B.9.
  42. Hieruit vloeit voort dat de intercommunales door de federale wetgever niet kunnen worden vrijgesteld van de belasting die is gevestigd bij artikel D.275 van het Waterwetboek, zoals het van toepassing is voor het aanslagjaar
  43. B.
  44. In die mate bestaat het in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in behandeling niet, daar de intercommunales, aangezien zij niet kunnen worden vrijgesteld door de federale wetgever, zijn onderworpen aan de jaarlijkse belasting op het lozen van afvalwater waarin artikel D.275 van het Waterwetboek voorziet. B.
  45. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 januari
  46. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.