id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.017 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190207.1 Arrest- Rolnummer: 17/2019 Rechtsgebied: Familierecht - Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-08 Raadplegingen: 441 - laatst gezien 2026-06-28 22:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 40ter, laatste lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », in samenhang gelezen met artikel 42quater, § 4, 4°, van die wet en zoals van toepassing vóór de wijziging van dezelfde wet bij de wet van 4 mei 2016 « houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (NIEUW) - Gevolgen - Personen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Gezinshereniging Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht - Vreemdelingenrecht - Verblijfsrecht - Gezinshereniging - Scheiding - Slachtoffer van huiselijk geweld - Behoud van het verblijfsrecht - Verschil in behandeling tussen onderdanen van een derde land die uit de echt zijn gescheiden en binnen het huwelijk het slachtoffer zijn geweest van echtelijk geweld, naargelang zij gehuwd waren met een andere onderdaan van een derde land, dan wel met een Belg. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 40ter - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 42quater,§4,4° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 6665 Arrest nr. 17/2019 van 7 februari 2019 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 238.171 van 11 mei 2017 in zake Prisca Digbeu tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 mei 2017, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre er door de minister of zijn gemachtigde, binnen vijf jaar na de erkenning van zijn recht op verblijf, een einde kan worden gesteld aan dat verblijfsrecht voor een niet-Europese vreemdeling die uit de echt is gescheiden van een Belg en die, binnen het huwelijk, het slachtoffer is geweest van geweld zoals bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek, indien die vreemdeling niet aantoont dat hij werkt of over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij ten laste valt van het sociale verzekeringsstelsel van het Rijk en beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt (artikel 42quater, § 4, 4°, van de wet), terwijl het, in dezelfde omstandigheden van echtelijk geweld, de minister of zijn gemachtigde niet is toegestaan een einde te stellen aan het verblijf van een niet-Europese vreemdeling die uit de echt is gescheiden van een andere niet-Europese vreemdeling die tot een verblijf van onbeperkte duur werd toegelaten, zelfs indien die geen werk heeft of niet over voldoende inkomsten noch over een ziektekostenverzekering beschikt (artikel 11, § 2, van de wet) ? ». Memories zijn ingediend door : - Prisca Digbeu, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Andrien, advocaat bij de balie te Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Matray en Mr. S. Matray, advocaten bij de balie te Luik. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 14 september 2013 huwt de verzoekende partij voor de verwijzende rechter met een Belgische onderdaan en op 2 april 2014 krijgt zij in die hoedanigheid een F-kaart uitgereikt. Op 9 april 2014 wijst het parket van Luik de Dienst Vreemdelingenzaken op het bestaan van een proces-verbaal van verhoor van de echtgenoot van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter waarin aangifte wordt gedaan van haar verdwijning, maar ook van een proces-verbaal van verhoor van die laatste waarin melding wordt gemaakt van huiselijk geweld. Op 17 juni 2014 spreekt de Rechtbank van eerste aanleg Luik de echtscheiding van de echtgenoten uit. Op 4 mei 2015 neemt de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing waarbij een einde wordt gemaakt aan het verblijfsrecht, met bevel aan de verzoekende partij voor de verwijzende rechter om het grondgebied te verlaten. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter stelt een beroep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die op 27 mei 2016 het bevel om het grondgebied te verlaten nietig verklaart en het beroep tot nietigverklaring voor het overige verwerpt. Een cassatieberoep wordt ingesteld bij de Raad van State, die de uitspraak aanhoudt en in de thans voorliggende zaak aan het Hof een vraag stelt. III. In rechte -A- A.1.
- In haar memorie verwijst de verzoekende partij voor de verwijzende rechter naar het arrest van het Hof nr. 121/2015 van 17 september
- Zij wijst erop dat in de versie ervan die door het Hof is onderzocht, artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : de wet van 15 december 1980) bepaalde dat in geval van beëindiging van het huwelijksleven, de minister of zijn gemachtigde een einde kon maken aan het verblijf waarbij rekening wordt gehouden met de situatie van de personen die het slachtoffer zijn van geweld in hun gezin, die het huishouden verlaten hebben en die bescherming nodig hebben. Het behoud van het verblijf werd dus overgelaten aan de discretionaire beoordeling door de verantwoordelijke overheid en de echtgenoot-niet-Europese vreemdeling die het recht op gezinshereniging had genoten, kon in voorkomend geval zijn verblijfstitel behouden, ondanks de beëindiging van het huwelijksleven en zelfs indien hij niet over voldoende bestaansmiddelen, noch over een ziektekostenverzekering beschikte. Daarentegen voorzag artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 – en voorziet het nog steeds – in een recht op het behoud van het verblijf in het geval van huiselijk geweld, op voorwaarde evenwel dat de betrokken persoon aantoont dat hij werkt of over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico’s in België dekt. Wanneer niet aan die voorwaarde wordt voldaan, kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijfsrecht. Aldus heeft het Hof geoordeeld dat het verschil in behandeling dat is aangevoerd in de prejudiciële vraag die tot het arrest nr. 121/2015 heeft geleid, onbestaande was. A.1.
- Sinds dat arrest werd gewezen, is artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980 gewijzigd en voorziet het voortaan in een echt recht op het behoud van het verblijf ten gunste van de uit de echt gescheiden echtgenoot van een vreemdeling die is toegelaten tot een verblijf van onbeperkte duur, wanneer die echtgenoot tijdens het huwelijk het slachtoffer is van het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen. Krachtens artikel 42quater van de wet van 15 december 1980, daarentegen, moet de echtgenoot van een Belg die zich in dezelfde situatie bevindt, teneinde het voordeel van een dergelijk recht te genieten, aantonen dat hij werkt of dat hij over voldoende bestaansmiddelen en een onderlinge verzekering beschikt. Indien hij niet aan die voorwaarde voldoet, wordt het behoud van zijn recht op verblijf overgelaten aan de discretionaire beoordeling door de verantwoordelijke overheid, die kan beslissen het verblijfsrecht te handhaven of een einde eraan te maken. 4 Er bestaat dus, sinds de wijziging van artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980, wel degelijk een verschil in behandeling tussen de echtgenoot van een Belg, beoogd in artikel 42quater van de wet, en de echtgenoot van een vreemdeling die is toegelaten tot een verblijf van onbeperkte duur, beoogd in artikel 11, § 2, van de wet. A.1.
- De verzoekende partij voor de verwijzende rechter haalt de arresten nr. 128/2010 van 4 november 2010 en nr. 12/2011 van 27 januari 2011 aan en betoogt dat om dezelfde redenen dient te worden besloten tot de bij het voormelde artikel 42quater ingevoerde discriminatie. A.1.
- Dat zou des te meer het geval zijn omdat België op 14 maart 2016 het Verdrag van de Raad van Europa van 11 mei 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld heeft geratificeerd, dat sinds 1 juli 2016 van toepassing is. Meer in het bijzonder uit de artikelen 4 en 59 van dat Verdrag zou volgen dat er geen discriminatie mag zijn ten aanzien van het verkrijgen, door het slachtoffer van huiselijk geweld, van een eigen status van verblijfhouder wegens de nationaliteit van zijn echtgenoot. A.1.
- De verzoekende partij voor de verwijzende rechter haalt voorts het arrest van het Hof nr. 28/2017 van 23 februari 2017 aan en besluit dat de vraag die aan het Hof is gesteld, bevestigend dient te worden beantwoord. A.2.
- In zijn memorie wijst de Ministerraad erop dat het antwoord dat door het Hof is voorgesteld in zijn arrest nr. 121/2015, sinds de wijziging van artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980 niet langer actueel is. A.2.
- De Ministerraad preciseert dat artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 de familieleden van een Europees burger beoogt en de omzetting, in intern recht, vormt van artikel 13, lid 2, c), van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG. Dat artikel 42quater is bij artikel 40ter, § 2, laatste lid, van de wet van 15 december 1980 van toepassing gemaakt op de familieleden van Belgen. Artikel 42quater, § 4, 4°, van de wet van 15 december 1980 stelt een recht in op het behoud van het verblijf wanneer twee voorwaarden zijn vervuld : enerzijds, het bewijs van een bijzonder schrijnende situatie die onverenigbaar is met het voortzetten van het samenleven en, anderzijds, zolang de betrokken persoon geen duurzaam verblijfsrecht heeft verworven, het aantonen dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt en dat hij niet dreigt ten laste te vallen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland. Die laatste voorwaarde is vastgelegd in de artikelen 7, lid 2, 13, lid 2, tweede alinea, en 14, lid 2, eerste alinea, van de voormelde richtlijn 2004/38/EG. Indien die voorwaarden niet zijn vervuld, beschikt de vreemdeling niet over een recht op het behoud van zijn verblijf maar verliest hij evenwel niet automatisch zijn verblijfsrecht. Het komt immers de minister of zijn gemachtigde toe te bepalen of in dergelijke omstandigheden een einde dient te worden gemaakt aan het verblijfsrecht van de betrokkene, rekening houdend met de in de wet vastgelegde elementen. Artikel 11, § 2, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 vormt een omzetting van artikel 15, lid 3, van de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging. Krachtens artikel 11 van de wet van 15 december 1980 geniet de niet-Europese vreemdeling-echtgenoot van een onderdaan van een derde Staat die tot een verblijf van onbeperkte duur op het Belgisch grondgebied is toegelaten of gemachtigd en die het bestaan aantoont van huiselijk geweld, automatisch het voordeel van het behoud van zijn verblijfstitel. Indien het bewijs van huiselijk geweld niet wordt geleverd, dient de minister of zijn gemachtigde rekening te houden met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld, die niet langer een gezinscel vormen en die het voordeel van het wettig verblijf niet verliezen indien zij een bijzondere bescherming in de zin van de voormelde richtlijn nodig hebben. A.2.
- Volgens de Ministerraad kan de situatie van de Belgische burgers niet worden vergeleken met de situatie van de onderdanen van een derde Staat. Hetzelfde zou gelden voor wat de situatie van hun (voormalige) echtgenoot betreft. In dat opzicht zou de oplossing dienen te worden overgenomen die door het Hof is aangenomen in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013, en meer in het bijzonder in de overweging B.35 van dat arrest. 5 A.2.
- Mocht het Hof van oordeel zijn dat die categorieën van personen vergelijkbaar zijn, quod non, dan zou dienen te worden vastgesteld dat het verschil in behandeling op een objectief en verantwoord, adequaat en redelijk criterium berust. De Ministerraad wijst erop dat de gezinshereniging diepgaand is gewijzigd naar aanleiding van de aanneming van de wet van 8 juli 2011, die met name ten doel had de toekenning van een verblijfsrecht in het kader van de gezinshereniging te reguleren teneinde de migratiestromen en de migratiedruk te beheersen, het binnenkomen van niet-eigen onderdanen op het grondgebied te controleren, de bescherming van de overheidsfinanciën te verzekeren en het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven te beperken teneinde het economische welzijn van het land te verzekeren. Artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 zou beantwoorden aan de bovenvermelde doelstelling van leefbaarheid van de overheidsfinanciën door, aan de niet-Europese burger die wegens huiselijk geweld uit de echt is gescheiden van een Belg, de voorwaarde op te leggen om tijdens het verblijf niet ten laste te vallen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland, opdat het verblijfsrecht automatisch behouden zou blijven. Het verschil in behandeling dat in de te dezen gestelde prejudiciële vraag naar voren wordt gebracht, zou worden verantwoord door het feit dat 70 %. van de gezingsherenigingen in België gezinsherenigingen met Belgen zijn. De wetgever is dus ervan uit kunnen gaan dat wegens het grotere aantal gezinsherenigingen met Belgische burgers, striktere voorwaarden dienden te worden opgelegd aan de echtgenoot van een Belg in vergelijking met de echtgenoot van een niet-Europese burger die tot een onbeperkt verblijf is toegelaten of gemachtigd. A.2.
- De Ministerraad baseert zich op het arrest nr. 121/2013 en onderstreept dat de gezinshereniging van een niet-Europese burger en een onderdaan van een derde Staat die tot een onbeperkt verblijf op het Belgische grondgebied is toegelaten of gemachtigd, over het algemeen de hereniging betreft van personen met een familiale band die bestond vóór de aankomst op het Belgische grondgebied. De gezingshereniging van een niet-Europese burger en een Belg daarentegen is het gevolg van de vorming van een nieuw gezin. De Ministerraad wijst voorts erop dat de ontstentenis van toereikende bestaansmiddelen bij de niet-Europese vreemdeling die uit de echt gescheiden is van een Belg, niet de facto leidt tot het verlies van zijn verblijfsrecht. De minister of zijn gemachtigde beschikt immers over een beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de opportuniteit om het verblijfsrecht te handhaven, zodat het verschil in behandeling niet onevenredig is. A.2.
- De Ministerraad herinnert voorts eraan dat het verschil in behandeling dat bestaat tussen de twee in de vraag beoogde categorieën van personen slechts betrekking heeft op de duur van de tijdelijke machtiging tot verblijf, dat wil zeggen een periode van maximum vijf jaar vanaf de afgifte van de verblijfstitel. Bij het verstrijken van die termijn ontvangt de onderdaan van een derde Staat, echtgenoot van een voor onbeperkte duur tot het verblijf toegelaten of gemachtigde vreemdeling, een onbeperkte verblijfstitel voor zover hij nog steeds voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 van de wet van 15 december
- Zulks is niet het geval wanneer hij de echtelijke woonplaats heeft verlaten wegens huiselijk geweld. In dat geval dient artikel 13 van de wet van 15 december 1980 te worden toegepast. Bijgevolg zou, bij het verstrijken van de termijn van vijf jaar, de vreemdeling die onderdaan is van een derde Staat, echtgenoot van een tot het verblijf op het Belgische grondgebied toegelaten of gemachtigde vreemdeling, teneinde het voordeel van een verblijfstitel te genieten, moeten aantonen dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om niet ten laste te vallen van de overheid, alsook over een ziektekostenverzekering die alle risico’s dekt. Dat zijn de voorwaarden die ook zijn uitgevaardigd in artikel 42quater van de wet van 15 december
- Bijgevolg zijn bij het verstrijken van de termijn van vijf jaar na het uitreiken van een verblijfstitel voor gezinshereniging, de twee in de vraag beoogde categorieën van vreemdelingen aan dezelfde voorwaarden onderworpen, zodat het verschil in behandeling ophoudt te bestaan. Er zou niet kunnen worden besloten tot het discriminerende karakter van het in het geding zijnde artikel 42quater aangezien het verschil in behandeling na die termijn van vijf jaar verdwijnt. A.2.
- In uiterst ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat het verschil in behandeling voortvloeit uit een buiten de getoetste norm gelegen lacune in de wetgeving. Het verschil in behandeling zou zijn oorsprong vinden in het feit dat de wetgever geen extra voorwaarden heeft opgelegd die te maken hebben met voldoende bestaansmiddelen en met het bewijs van een ziektekostenverzekering om het recht op verblijf te handhaven van de voormalige echtgenoot van een vreemdeling die voor onbeperkte duur tot het verblijf in België is gemachtigd of toegelaten. 6 A.2.
- De verwijzing die de verzoekende partij voor de verwijzende rechter maakt naar het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zou irrelevant zijn, aangezien de doelstelling van dat Verdrag erin bestaat geweld ten aanzien van vrouwen wegens hun statuut als vrouw te bestrijden en discriminaties op grond van geslacht op te heffen. De thans voorliggende prejudiciële vraag zou echter niet een discriminatie op grond van geslacht betreffen, maar wel een verschil in behandeling dat berust op de nationaliteit van de gezinshereniger. Het argument zou dus onwerkzaam zijn en losstaan van de thans in het geding zijnde procedure. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van een verschil in behandeling dat voortvloeit uit, enerzijds, artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) en, anderzijds, artikel 11, § 2, van diezelfde wet. Uit de verwijzingsbeslissing en de feiten van het geschil ten gronde blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de in het geding zijnde bepalingen zoals zij van toepassing waren vóór de wijziging van de wet van 15 december 1980 door de wet van 4 mei 2016 « houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen ». B.1.
- Zoals het op het voor de verwijzende rechter hangende geschil van toepassing is, bepaalt artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 : « §
- In de volgende gevallen kan er door de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn en die verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie : 1° er wordt een einde gesteld aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben; 2° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, vertrekt uit het Rijk; 3° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, overlijdt; 7 4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden of nietig verklaard, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer; 5° de familieleden van een burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, vormen een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, teneinde te bepalen of de familieleden van een burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormen, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van hun moeilijkheden, de duur van hun verblijf in het Rijk, hun persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hen uitgekeerde steun. Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong. §
- De in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen zijn niet van toepassing op kinderen van de burger van de Unie die in het Rijk verblijven en aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven alsmede op de ouder die de bewaring heeft van de kinderen, dit tot hun studie voltooid is. §
- Het in § 1, eerste lid, 3°, bedoelde geval is niet van toepassing op de familieleden die ten minste één jaar in het Rijk verbleven hebben in de hoedanigheid van een familielid van de burger van de Unie, en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en te beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid te zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet. §
- Onder voorbehoud van het bepaalde in § 5 is het in § 1, eerste lid, 4°, bedoelde geval niet van toepassing : 1° indien het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk. In geval van nietigverklaring van het huwelijk dient de echtgenoot bovendien te goeder trouw te zijn geweest; 2° of indien het recht van bewaring van de kinderen van de burger van de Unie, die in het Rijk verblijven, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of de partners, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner die geen burger van de Unie is; 3° of indien het omgangsrecht met een minderjarig kind, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of partners als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij 8 gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, die geen burger van de Unie is en de rechter heeft bepaald dat dit recht van bewaring moet uitgeoefend worden in het Rijk en dit zolang het nodig is; 4° of indien bijzonder schrijnende situaties dit rechtvaardigen, bijvoorbeeld indien het familielid aantoont tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2° het slachtoffer te zijn geweest van geweld in de familie alsook van geweld zoals bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405, van het Strafwetboek; en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet. §
- De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan ». B.
- Artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 regelt de situatie van de familieleden van een burger van de Europese Unie die geen Belg is. Die bepaling is derhalve niet rechtstreeks van toepassing op de vreemdelingen, familieleden van een Belg, die in de prejudiciële vraag worden beoogd en wier situatie wordt geregeld in artikel 40ter van de voormelde wet. In de versie zoals van toepassing in de zaak voor de verwijzende rechter bepaalde artikel 40ter, laatste lid : « Onder de voorwaarden vermeld in artikel 42ter en 42quater kan voor het familielid van een Belg eveneens een einde worden gesteld aan het verblijf wanneer niet meer voldaan is aan de in het tweede lid vastgestelde voorwaarden ». De prejudiciële vraag dient derhalve zo te worden begrepen dat het Hof wordt ondervraagd over artikel 40ter, laatste lid, van de wet van 15 december 1980, in samenhang gelezen met artikel 42quater van diezelfde wet. Uit het verwijzingsarrest blijkt dat enkel paragraaf 4, 4°, van het voormelde artikel 42quater in het geding is. B.3.
- Krachtens artikel 42quater, § 1, kan de bevoegde minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het tijdelijk verblijfsrecht van de onderdaan van een Staat die geen lid is van 9 de Europese Unie, die ertoe gemachtigd is op het grondgebied te verblijven als echtgenoot van een Belg, wanneer het huwelijk wordt ontbonden binnen vijf jaar na de erkenning van het recht op verblijf. Het tijdelijk verblijfsrecht kan overeenkomstig artikel 42quater, § 4, 4°, evenwel niet worden beëindigd wanneer de betrokken vreemdeling aantoont dat hij het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld, voor zover hij werknemer of zelfstandige is, en dat hij een ziekteverzekering geniet die alle risico’s in België dekt en hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt voor hem en zijn familieleden teneinde geen last te worden voor het socialebijstandsstelsel in België of dat hij lid is van een reeds in België gevormde familie van een persoon die aan die voorwaarden voldoet. B.3.
- Hieruit vloeit voort dat indien de vreemdeling die geen burger van de Unie is en uit de echt is gescheiden van zijn Belgische echtgenoot wegens het huiselijk geweld dat hij heeft ondergaan, niet beantwoordt aan de voormelde voorwaarden, hij zijn voorlopig verblijfsrecht kan verliezen. Dat verlies is evenwel niet automatisch. Het staat immers aan de bevoegde minister of aan zijn gemachtigde om te bepalen of onder dergelijke voorwaarden een einde moet worden gemaakt aan het verblijfsrecht van de betrokkene (artikel 42quater, § 1). B.3.
- In dezelfde omstandigheden staat artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980 de minister of zijn gemachtigde evenwel niet toe een einde te stellen aan het tijdelijk verblijfsrecht van een vreemdeling die geen EU-burger is en die het bewijs levert dat hij het slachtoffer is van huiselijk geweld en uit de echt is gescheiden van een andere onderdaan van een derde land, zelfs indien het slachtoffer geen werknemer of zelfstandige is of niet over voldoende inkomsten noch over een ziektekostenverzekering beschikt of geen lid is van een in België gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet. B.3.
- Zoals het op het voor de verwijzende rechter hangende geschil van toepassing is, bepaalt het voormelde artikel 11, § 2 : « De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op grond van artikel 10 toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in een van de volgende gevallen niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven : 10 1° de vreemdeling voldoet niet meer aan een van de in artikel 10 bepaalde voorwaarden; 2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd werd, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven; 3° de vreemdeling, die toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van geregistreerde partner op grond van artikel 10, § 1, 4° of 5°, of de vreemdeling die vervoegd werd, is in het huwelijk getreden of heeft een wettelijk geregistreerd partnerschap met een andere persoon; 4° de vreemdeling of de persoon die hij vervoegt, heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de erkenning van het recht op verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. De op het punt 1°, 2° of 3° gebaseerde beslissing mag enkel getroffen worden gedurende de eerste drie jaar na de afgifte van de verblijfstitel of, in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend. De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel
- Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval dat er gegronde vermoedens zijn van fraude of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te verkrijgen. De minister of zijn gemachtigde kan, op basis van het eerste lid, 1°, 2°, of 3° geen einde maken aan het verblijf van de vreemdeling die aantoont het slachtoffer te zijn geweest tijdens het huwelijk of het partnerschap van een feit als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek. In de andere gevallen houdt de minister of zijn gemachtigde in het bijzonder rekening met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die niet langer een gezinscel vormen met de persoon die zij vervoegden en die bescherming nodig hebben. In deze gevallen brengt hij de betrokken persoon op de hoogte van zijn beslissing om geen einde te stellen aan zijn verblijf, op basis van het eerste lid, 1°, 2° of 3°. Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf op basis van het eerste lid, 1°, 2° of 3°, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in het Rijk, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst. Indien de beslissing genomen wordt op basis van het 2° en 4° kunnen de kosten van repatriëring verhaald worden op de vreemdeling of de persoon die hij vervoegd heeft ». B.
- Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling tussen vreemdelingen die geen burger van de Unie zijn die uit de echt zijn gescheiden en binnen het 11 huwelijk het slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld, naargelang zij gehuwd waren met een andere onderdaan van een derde land, dan wel met een Belg. Terwijl aan het tijdelijk verblijfsrecht van de eerstgenoemde categorie van personen geen einde kan worden gesteld (artikel 11, § 2), geldt zulk een verbod voor de laatstgenoemde categorie van personen slechts op voorwaarde dat het slachtoffer het bewijs levert dat hij werkt of over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij ten laste valt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in België dekt of lid is van een in België gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet (artikel 42quater, § 4, 4°). B.5.
- Bij zijn arrest nr. 121/2015 van 17 september 2015 heeft het Hof zich uitgesproken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 42quater, § 4, 4°, van de wet van 15 december 1980, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 11 van diezelfde wet, zoals het van toepassing was op het geschil dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof. B.5.
- In de versie die destijds ter toetsing aan het Hof werd voorgelegd, bepaalde artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980 : « De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op grond van artikel 10 toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in één van de volgende gevallen niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven : 1° de vreemdeling voldoet niet meer aan één van de voorwaarden van artikel 10; 2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd werd, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven; 3° de vreemdeling, die toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van geregistreerde partner op grond van artikel 10, § 1, 4° of 5°, of de vreemdeling die vervoegd werd, is in het huwelijk getreden of heeft een duurzame relatie met een andere persoon; 4° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de erkenning van het recht op verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. 12 De op het punt 1°, 2° of 3° gebaseerde beslissing mag enkel getroffen worden gedurende de periode waarin de vreemdeling toegelaten is tot een verblijf voor beperkte duur. In dit verband vormen de redenen vermeld in het punt 1°, 2° of 3° een voldoende motivering gedurende de eerste twee jaren na de afgifte van de verblijfstitel of, in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend. In de loop van het derde jaar na de afgifte van de verblijfstitel of in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend, volstaat deze motivering enkel indien zij aangevuld wordt met elementen die wijzen op een schijnsituatie. De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel
- Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens van fraude of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen. De minister of zijn gemachtigde houdt in het bijzonder rekening met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die het huishouden verlaten hebben en bescherming nodig hebben. In deze gevallen zal hij de betrokken persoon op de hoogte brengen van zijn beslissing om geen einde te stellen aan zijn verblijf, op basis van het eerste lid, 1°, 2° of 3° ». B.5.
- Het Hof werd verzocht zich uit te spreken over de twee voormelde bepalingen, in die interpretatie dat de echtgenoot of de partner, niet-burger van de Unie die het recht op gezinshereniging met een andere onderdaan van een derde land heeft genoten en slachtoffer van huiselijk geweld, krachtens artikel 11 van de in het geding zijnde wet zijn verblijfsrecht kon behouden, ondanks de beëindiging van de gezamenlijke vestiging en zelfs indien niet meer werd voldaan aan de verblijfsvoorwaarden, terwijl de echtgenoot of de partner onderdaan van een derde land die het recht op gezinshereniging met een Belg of een Europese vreemdeling heeft genoten en slachtoffer van huiselijk geweld, om het behoud van zijn verblijfsrecht in geval van beëindiging van de gezamenlijke vestiging te genieten, moest voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 42quater, §
- B.5.
- Het Hof heeft geoordeeld dat de prejudiciële vraag ontkennend moest worden beantwoord, op grond van de volgende motivering : « B.5.
- […] Zoals in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling wordt opgemerkt, somt paragraaf 1 van artikel 42quater ‘ de gevallen op waarin in principe een einde kan worden gemaakt aan het verblijf ’ van de familieleden van een Europese burger, onderdanen van een Staat die geen lid is van de Unie, waarbij die bepaling ‘ de minister of 13 diens gemachtigde [toestaat] ’ om zulks te doen wanneer het familielid van de Europese burger ‘ niet meer voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn aan zijn verblijf, in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn [2004/38/EG] ’ (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2845/001, pp. 53-54). B.5.
- Door aan de minister of zijn gemachtigde een beoordelingsbevoegdheid te geven, laat de wetgever hem niet toe die op een willekeurige wijze of met overtreding van de grondwettelijke regels uit te oefenen. De bevoegde minister of zijn gemachtigde beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid, bij de uitoefening waarvan hij rekening moet houden met alle elementen die hem ter kennis zijn gebracht en met name met de redenen waarom de in het geding zijnde vreemdeling ertoe is gebracht een einde te maken aan de gezamenlijke vestiging met zijn Belgische echtgenoot. In dat opzicht zal de bevoegde minister of zijn gemachtigde ertoe worden gebracht rekening te houden met het huiselijk geweld dat de betrokken vreemdeling heeft geleden, op dezelfde wijze als hij daarmee rekening houdt op grond van artikel 11 van de in het geding zijnde wet. B.5.
- Hieruit vloeit voort dat het in de prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling niet bestaat ». B.
- Sedert de beslissing die in het geding was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 121/2015 van het Hof, werd het voormelde artikel 11, § 2, vervangen bij artikel 5 van de wet van 8 juli 2011 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging », opdat de minister geen einde kan stellen aan het tijdelijk verblijfsrecht wanneer vaststaat dat de vreemdeling niet-EU-burger die uit de echt is gescheiden van een andere onderdaan van een derde land het slachtoffer is van huiselijk geweld. B.7.
- De wet van 8 juli 2011 heeft de voorwaarden tot gezinshereniging, zoals zij waren opgenomen in de artikelen 10 en volgende en in de artikelen 40 en volgende van de wet van 15 december 1980, gewijzigd. B.7.
- Hoewel in de verschillende wetsvoorstellen die aan de oorsprong van die wet lagen, werd bevestigd dat het recht op de eerbiediging van het gezinsleven een belangrijke maatschappelijke waarde is en dat migratie via gezinshereniging mogelijk zou moeten zijn, beoogden zij het verlenen van een verblijfsrecht in het kader van gezinshereniging beter te reguleren teneinde de migratiestroom en de migratiedruk te beheersen. Voornamelijk strekten ze ertoe bepaalde misbruiken of gevallen van fraude te voorkomen of te ontmoedigen, met 14 name op het vlak van schijnhuwelijken, schijnpartnerschappen en schijnadopties. Het was eveneens de bedoeling te voorkomen dat de gezinsleden die zich in België komen vestigen, ten laste vallen van de overheid of dat de gezinshereniging in mensonwaardige omstandigheden zou plaatsvinden, bijvoorbeeld door het ontbreken van behoorlijke huisvesting. Ten slotte werd in de parlementaire voorbereiding er ook bij herhaling op gewezen dat de wetgever bij het regelen van de voorwaarden voor gezinshereniging, rekening dient te houden met de verplichtingen die volgen uit het Europees Unierecht. B.7.
- Het amendement dat aan de oorsprong van de wijziging van artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980 ligt, werd als volgt verantwoord : « Daarnaast wordt de bepaling die van toepassing is op slachtoffers van huiselijk geweld verder gepreciseerd. De bestaande regeling werd aangepast in die zin dat niet langer uitdrukkelijk wordt vereist dat het slachtoffer het huishouden dient te verlaten. Ook wanneer bvb. [het] slachtoffer in de woning blijft en zijn partner het huishouden verlaat (en de ‘ gezinscel ’ dus wordt doorbroken) zal het verblijfsstatuut kunnen worden toegekend. Daarnaast zal de minister het verblijf niet kunnen [beëindigen] wanneer de betrokkene aantoont dat hij het slachtoffer is geweest van daden vermeld in enkele expliciet opgesomde strafwetsartikelen, loutere aanwijzingen kunnen in dit verband niet volstaan » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/014, p. 31). B.7.
- Artikel 42quater, § 4, 4°, werd eveneens vervangen bij artikel 12 van de wet van 8 juli
- Geen wijziging werd evenwel aangebracht met betrekking tot de voorwaarden die de onderdaan van een derde land die uit de echt is gescheiden van een Belg en die, binnen het huwelijk, het slachtoffer is geweest van geweld, moet in acht nemen om zijn verblijfsrecht te behouden. B.7.
- Zoals de verwijzende rechter in zijn verwijzingsarrest opmerkt, werd het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling niet onderzocht in het arrest nr. 121/2015 van het Hof. Dat arrest had immers betrekking op een vergelijking met de vreemdeling die is bedoeld in artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980, vóór de vervanging van dat artikel bij de wet van 8 juli
- Het is precies die wet die het verschil in behandeling heeft doen ontstaan waarover het Hof wordt verzocht zich te dezen uit te spreken. B.8.
- Met betrekking tot het verblijfsrecht van vreemdelingen die familielid zijn van een Belg, zoals geregeld in artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, dient een onderscheid te worden gemaakt naargelang die Belg al dan niet zijn recht van vrij verkeer heeft 15 uitgeoefend overeenkomstig het Europees Unierecht. In het eerste geval dient bij de regeling van het verblijfsrecht van de familieleden immers rekening te worden gehouden met de verplichtingen die volgen uit het Europees Unierecht inzake vrij verkeer, terwijl het in het tweede geval gaat om een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. B.8.
- Uit de verwijzingsbeslissing en uit het dossier van de rechtspleging voor de Raad van State blijkt niet dat de Belgische gezinshereniger in casu gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepalingen derhalve uitsluitend in zoverre zij van toepassing zijn op familieleden van een Belg die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer. In dat geval volgt de toepassing van de voorwaarden vastgesteld in artikel 42quater, § 4, 4°, van de wet van 15 december 1980 op de familieleden van een Belg niet uit de omzetting van de richtlijn 2004/38/EG maar berust zij op een autonome beslissing van de wetgever. B.9.
- Ervan uitgaan, zoals de Ministerraad voorstelt, dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen onvoldoende vergelijkbaar zouden zijn om de reden dat de wetgever voor een van die categorieën de verplichtingen heeft willen in acht nemen die voortvloeiden uit het Europees Unierecht, zou de toetsing inzake gelijkheid en niet-discriminatie, die zelfs in dat geval in de interne rechtsorde is voorgeschreven door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zinledig maken. B.9.
- Het staat derhalve aan het Hof erop toe te zien dat de regels die de wetgever aanneemt, met inbegrip wanneer hij ten aanzien van sommige categorieën van vreemdelingen dient rekening te houden met het Europees Unierecht, niet ertoe leiden ten aanzien van de familieleden van de eigen onderdanen verschillen in behandeling in het leven te roepen die niet redelijk verantwoord zijn. B.9.
- Wanneer de wetgever de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging regelt die van toepassing zijn op personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, maar waarvan een categorie, in tegenstelling met de andere, onder het Unierecht valt, is hij echter niet verplicht strikt identieke regels in te stellen, gelet op de bij de Unierecht nagestreefde doelstellingen. 16 In het kader van het immigratiebeleid dat tot complexe en ingewikkelde afwegingen noopt en waarbij rekening dient te worden gehouden met de vereisten van het Europees Unierecht, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. B.
- De in het geding zijnde bepalingen van de wet van 15 december 1980 doen een verschil in behandeling ontstaan tussen onderdanen van een derde land die uit de echt zijn gescheiden en die binnen het huwelijk het slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld, naargelang zij gehuwd waren met een andere onderdaan van een derde land, dan wel met een Belg. Het Hof wordt niet gevraagd te onderzoeken of de voorwaarden in artikel 42quater, § 4, 4°, van de wet van 15 december 1980, waarnaar artikel 40ter van die wet verwijst, op zich verantwoord zijn. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof enkel over het voormelde verschil in behandeling. B.11.
- Het criterium van onderscheid, dat berust op de nationaliteit van de persoon bij wie men zich op het Belgische grondgebied voegt, vormt een objectief criterium. Het Hof dient nog te onderzoeken of dat criterium relevant is ten opzichte van de doelstellingen van de wetgever en of niet op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de betrokken vreemdelingen. B.11.
- Volgens de Ministerraad zouden 70 % van de gezinsherenigingen in België gezinsherenigingen met Belgen zijn. Rekening houdend met het doel dat door de wetgever werd nagestreefd met het aannemen van de wet van 8 juli 2011, zou het verschil in behandeling zijn verantwoord door het grotere aantal van die herenigingen en door de omstandigheid dat de vreemdelingen die zich zijn komen voegen bij een uit een derde land afkomstige vreemdeling die tot een verblijf van onbeperkte duur op het grondgebied werd toegelaten, reeds een gezinsband deelden vóór de hereniging, terwijl de hereniging met een Belg heeft geleid tot de vorming van een nieuw gezin. B.11.
- Zoals in B.7.2 is vermeld, wilde de wetgever, met de wet van 8 juli 2011, de migratiestroom en de migratiedruk beheersen en misbruiken of gevallen van fraude, met name 17 schijnhuwelijken of schijnpartnerschappen, voorkomen en ontmoedigen. Hij wilde eveneens vermijden dat de gezinsleden die zich in België komen vestigen, ten laste vallen van de overheid. B.11.
- Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, in samenhang gelezen met artikel 42quater, § 4, 4°, enerzijds, en artikel 11, § 2, van die wet, anderzijds, hebben allebei betrekking op vreemdelingen die een machtiging tot verblijf op het grondgebied hebben verkregen wegens een gezinshereniging en die het bewijs hebben geleverd van het bestaan van huiselijk geweld tijdens hun huwelijk, dat inmiddels is ontbonden. B.11.
- Noch de doelstellingen die door de wetgever zijn nagestreefd met de wet van 8 juli 2011, noch de door de Ministerraad aangevoerde motieven kunnen verantwoorden dat de beide vergeleken categorieën van vreemdelingen, die zich in dezelfde bijzondere schrijnende situaties bevinden en om die reden bijzondere bescherming behoeven, verschillend worden behandeld. B.11.
- De omstandigheid dat het verschil in behandeling enkel de duur van de tijdelijke machtiging tot verblijf dekt, namelijk maximaal vijf jaar vanaf de afgifte van de verblijfstitel, is niet van dien aard dat zij die vaststelling wijzigt. Het verlies van het verblijfsrecht kan immers onomkeerbare gevolgen hebben voor vreemdelingen die zich in een bijzonder schrijnende situatie bevinden, ongeacht of de machtiging tot verblijf al dan niet tijdelijk is. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 40ter, laatste lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », in samenhang gelezen met artikel 42quater, § 4, 4°, van die wet en zoals van toepassing vóór de wijziging van dezelfde wet bij de wet van 4 mei 2016 « houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.017 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div