id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.020 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190207.4 Arrest- Rolnummer: 20/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-02-08 Raadplegingen: 399 - laatst gezien 2026-06-28 22:44 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de grootouders uitsluit van het recht om een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap door hun zoon ten aanzien van een kind. - Artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Vorderingen - Betwisting vaderschap PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 330 van het Burgerlijk Wetboek en 138bis van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Afstamming - Afstamming van vaderszijde - Erkenning van vaderschap - Overlijden van de persoon die het kind heeft erkend en moeder van het kind die niet in rechte optreedt om de erkenning te betwisten - Vordering tot betwisting door de grootouders van vaderszijde of door het openbaar ministerie - Beperking van het vorderingsrecht. Tekst van de beslissing Rolnummer 6804 Arrest nr. 20/2019 van 7 februari 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 330 van het Burgerlijk Wetboek en 138bis van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 26 december 2017 in zake R.P. tegen A.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 december 2017, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 330 van het Burgerlijk Wetboek en 138bis van het Gerechtelijk Wetboek, afzonderlijk of in samenhang gelezen, in zoverre zij van het recht om de erkenning van het vaderschap te betwisten de grootouders en het openbaar ministerie (tenzij wordt beschouwd (waarover het Hof eveneens wordt verzocht zich uit te spreken) dat dat recht aan het openbaar ministerie is toegekend omdat het noodzakelijkerwijs de openbare orde raakt, in alle geschillen inzake afstamming, dus zelfs buiten de gevallen van bedrog) uitsluiten (wat het eerste artikel betreft) of lijken uit te sluiten (wat het tweede artikel betreft), niet met name de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wetsbepalingen zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met name artikel 8 van dat laatste, hetgeen aldus een belemmering vormt van het recht van het kind om persoonlijk contact te onderhouden met zijn grootouders en omgekeerd (zoals verankerd in artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek), in de welbepaalde feitelijke context van het onderhavige dossier waarin een grootmoeder aanspraak maakt op het recht om persoonlijk contact te onderhouden met haar kleindochter, terwijl haar zoon – de vader en erkenner – overleden is en de moeder beweert dat die laatstgenoemde niet de biologische vader van het kind is, zonder op dat punt in rechte te treden (hetgeen ook moeilijkheden zou doen rijzen gelet op het feit dat zij ertoe gehouden is een wilsgebrek aan te tonen, vereiste die het Hof in zijn arrest van 24 september 2015 niet ongeldig heeft verklaard) ? Met andere woorden, dient, teneinde de voormelde bepalingen niet te schenden, ofwel het openbaar ministerie, ofwel de grootouders (bijvoorbeeld indien het openbaar ministerie dat nalaat te doen) niet te worden toegestaan de erkenning van het vaderschap door de overleden vader te betwisten wanneer omtrent de afstamming onzekerheid heerst die de concrete en daadwerkelijke uitoefening van het in artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek verankerde recht op de in de motieven van de onderhavige beslissing aangehaalde wijze ernstig kan belemmeren ? ». Memories zijn ingediend door : - R.P., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Fadeur, advocaat bij de balie te Namen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. R.P. heeft ook een memorie van antwoord ingediend. 3 Bij beschikking van 14 november 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 december 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 5 december 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In juli 2015 bevalt A.M. van I.P., die zeven dagen na de geboorte, met instemming van A.M., door B.P. is erkend. B.P. overlijdt in november
- Op 16 februari 2017 wordt bij de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, Familiekamer, een verzoekschrift ingediend door R.P., de moeder van wijlen B.P., met toepassing van artikel 357bis van het Burgerlijk Wetboek, teneinde haar recht, als grootmoeder, om persoonlijk contact te onderhouden met I.P. te laten erkennen. Op 28 maart 2017 vordert R.P. de aanstelling van een deskundige teneinde na te gaan of I.P. wel degelijk de biologische dochter van haar zoon is. Voor de Familierechtbank zet zij uiteen dat zij, na het indienen van haar verzoekschrift in verband met de uitoefening van haar recht om persoonlijk contact te onderhouden, meerdere elementen heeft vernomen die doen twijfelen aan het biologische vaderschap van haar zoon B.P. ten aanzien van I.P., en dat zij bijgevolg die twijfel wenst te laten wegnemen teneinde haar recht om persoonlijk contact met het kind te onderhouden daadwerkelijk uit te oefenen. De Familierechtbank te Namen merkt op dat een genetisch deskundigenonderzoek teneinde de afstamming van een kind na te gaan, niet kan worden bevolen buiten een vordering inzake afstamming en is derhalve van mening dat de eiseres de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap bedoeld in artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek uitoefent. Zij stelt vast dat te dezen niet is voldaan aan de voorwaarden inzake de uitoefening van die vordering, daar de grootouders geen houder daarvan zijn. De Rechtbank, die oordeelt dat de feitelijke en normatieve context een spanningsveld creëert tussen het recht van het kind om contact te hebben met zijn grootouders, enerzijds, en het voorbehouden karakter van het recht om een vordering in te stellen tot vernietiging van de erkenning van het vaderschap, anderzijds, beslist om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- R.P., verzoekende partij voor de verwijzende rechter, voert aan dat de expertisemaatregel die de concluante vordert alvorens recht wordt gezegd, noodzakelijk is om het geschil op te lossen, in zoverre het recht om persoonlijk contact te onderhouden alleen kan worden verantwoord indien de biologische afstammingsband tussen wijlen B.P. en het kind I.P. wordt bevestigd. Zij zet uiteen dat het belang van een kind wiens vader is overleden, erin bestaat in contact te blijven met de familie van die laatstgenoemde, hetgeen het onderwerp is van de vordering die zij heeft ingesteld voor de Familierechtbank te Namen. Zij geeft aan dat, zij ertoe gebracht is een voorafgaand genetisch deskundigenonderzoek te vorderen, aangezien onzekerheid heerst omtrent de biologische afstamming van I.P. ten aanzien van haar overleden zoon. 4 A.1.
- De verzoekende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat, door de houders van de vordering tot betwisting van het vaderschap te beperken, artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek zowel het ontdekken van de biologische werkelijkheid als de ontwikkeling van een socioaffectieve werkelijkheid in de weg staat. Zij is eveneens van mening dat artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het het openbaar ministerie belet om een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap, zowel het ontdekken van de biologische werkelijkheid als de ontwikkeling van een socioaffectieve werkelijkheid belet. Zij is van mening dat die twee bepalingen ingaan tegen de wil van de wetgever om de biologische werkelijkheid zo goed mogelijk af te bakenen en verwijst in dat verband naar het arrest nr. 77/2016 van het Hof. Zij voegt eraan toe dat die twee bepalingen de afweging, door de feitenrechter, van de aanwezige belangen belemmert. A.2.
- De Ministerraad zet uiteen dat artikel 330, § 1, van het Burgerlijk Wetboek zijn oorsprong vindt in artikel 38 van de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming. Hij geeft aan dat, zelfs indien op dat ogenblik de vordering tot betwisting openstond voor « iedere belanghebbende », in de parlementaire voorbereiding van de wet reeds werd aangegeven dat de wetgever de mogelijkheid om de erkenning te betwisten, had willen beperken. Hij zet uiteen dat artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek vervolgens is vervangen bij artikel 16 van de wet van 1 juli 2006 « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan », teneinde de voorwaarden inzake de betwisting van het vermoeden van vaderschap en inzake de betwisting van de erkenning te uniformiseren. Bij die gelegenheid heeft de wetgever beslist de houders van de vorderingen die ertoe strekken een vastgestelde afstamming in het geding te brengen, te beperken, teneinde de afstammingsband veilig te stellen, in elk geval wanneer die overeenstemt met de beleefde werkelijkheid. Hij is van mening dat dat doel legitiem is. A.2.
- De Ministerraad is van mening dat de wetgever, door de zorg om in rechte te treden over te laten aan de personen die in hoofdzaak betrokken zijn, namelijk het kind, de moeder, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist, een billijk evenwicht tot stand heeft gebracht tussen de in het geding zijnde rechten en belangen. Hij is van mening dat de grootouders geen deel uitmaken van de personen die « het eerst betrokken zijn » bij de vordering tot betwisting van de erkenning. Hij voert aan dat, te dezen, de erkenning van I.P. door de zoon van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter leek overeen te stemmen met een zekere, misschien biologische of op zijn minst socioaffectieve werkelijkheid, en dat het in het belang van het kind is dat die werkelijkheid in acht wordt genomen en niet door derden wordt betwist. Hij merkt op dat, indien wordt gesteld dat de grootouders het recht zouden hebben om de erkenning te betwisten, zulks erop zou neerkomen hen in staat te stellen de zekerheid van het gezin te verstoren en in te gaan tegen de wil van de ouders wanneer die niet zelf optreden, hetgeen in strijd zou zijn met het belang van het kind. A.2.
- De Ministerraad is van mening dat, in tegenstelling tot hetgeen in de prejudiciële vraag wordt aangegeven, het vorderingsrecht van het openbaar ministerie te dezen niet uitgesloten lijkt. Hij voert in dat verband aan dat het begrip « openbare orde » kan worden gekoppeld aan het begrip « algemeen belang », en dat inzake afstamming de orde van de families rechtstreeks betrokken is, hetgeen onder de openbare orde valt. Het lijkt hem dus niet uitgesloten dat het openbaar ministerie zijn vorderingsrecht uitoefent, op voorwaarde dat wordt aangetoond dat de aan de verwijzende rechter voorgelegde situatie afbreuk doet aan de juridische grondslagen waarop de orde van de families steunt. A.
- R.P. voert aan dat het belang van het kind en de co-existentie van de biologische werkelijkheid en van de socioaffectieve werkelijkheid begrippen zijn die tussen 1984 en 2018 zijn geëvolueerd. Zij merkt overigens op dat artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek, dat het recht instelt van de grootouders om persoonlijk contact te onderhouden met hun kleinkinderen instelt, niet preciseert of voorrang moet worden verleend aan de wettelijke dan wel aan de biologische relatie. Zij leidt hieruit af dat een ontkennend antwoord op de prejudiciële vraag haar zou beletten om het recht uit te oefenen waarvan zij mogelijk houder is, daar eerst moet worden nagegaan of I.P. haar biologische kleindochter is. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek en op artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek. 5 Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
- Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist voor de familierechtbank door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend, de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist. De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde. De erkenning kan niet worden betwist door hen die partij zijn geweest bij de beslissing waarbij de erkenning is toegestaan overeenkomstig artikel 329bis, of bij de beslissing waarbij de krachtens dat artikel gevorderde vernietiging is afgewezen. […] ». Artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « §
- In burgerlijke zaken komt het openbaar ministerie tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of, wanneer het zulks dienstig acht, bij wege van advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt. […] ». B.1.
- Het Hof wordt verzocht na te gaan of die bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de grootouders van vaderszijde (wat de eerste vraag betreft) en het openbaar ministerie (wat de tweede vraag betreft) beletten om een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap wanneer de persoon die het kind heeft erkend, is overleden en de moeder van het kind, die de biologische afstamming in twijfel lijkt te trekken, niet in rechte optreedt om de erkenning te betwisten. 6 B.2.
- De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.2.
- De procedures in verband met de vaststelling of de betwisting van het vaderschap betreffen het privéleven, daar de aangelegenheid van de afstamming belangrijke aspecten van de persoonlijke identiteit van een individu omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49; 21 juni 2011, Krušković t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t. Hongarije, § 28). De in het geding zijnde regeling inzake de betwisting van de erkenning van het vaderschap valt dus onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.2.
- Krachtens artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet is « het belang van het kind […] de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat ». B.3.
- Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek is ingevoerd bij artikel 16 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan. B.3.
- Uit de verantwoording voor het amendement dat tot die bepaling heeft geleid, blijkt dat de wetgever, ten aanzien van de beperking van de personen die de vordering tot betwisting van de erkenning kunnen instellen, die vordering wilde voorbehouden aan de personen « die daadwerkelijk belanghebbenden zijn » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6). In het algemeen wilden de auteurs van de tekst « de gezinscel van het kind zo veel mogelijk […] beschermen » (ibid.). 7 B.3.
- De oorspronkelijke tekst van artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming, maakte het mogelijk dat de erkenning wordt betwist door « iedere belanghebbende ». De wetgever had evenwel, teneinde de stabiliteit van het gezin te verzekeren, erin voorzien dat de betwisting diende te worden verworpen indien het kind bezit van staat had ten aanzien van diegene die het had erkend. In het verslag namens de Commissie voor de Justitie in verband met die bepaling wordt vermeld : « Meerdere leden hadden ernstig bezwaar tegen het feit dat het betwistingsrecht op een absolute wijze zou worden toegestaan. Het principe van de zogenaamde biologische waarheid kan in bepaalde gevallen immers storend zijn voor het kind en indruisen tegen diens belangen. […] Vervolgens ontwikkelde zich een debat omtrent het begrip ‘ belanghebbenden ’. Er moet worden uitgegaan van de filosofie dat een zo groot mogelijk parallellisme dient te worden gerealiseerd ten voordele van het kind, afgezien van de omstandigheid of dit kind binnen of buiten het huwelijk is geboren. De hoofdbekommernis moet zijn de rechtszekerheid van het kind te waarborgen » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, pp. 100 en 102). B.3.
- De hoofdbekommernis van de wetgever bij het invoeren van artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek was bijgevolg het waarborgen van de rechtszekerheid voor het kind. B.
- De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van de erkenning van het vaderschap te verhinderen. B.5.
- Het contact tussen de grootouders en de kleinkinderen valt onder het familieleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 20 januari 2015, Manuello en Nevi t. Italië, § 53), zodat de grootouders in beginsel uit die bepaling een recht halen op het hebben en onderhouden van contact met hun kleinkinderen. Hieruit vloeit evenwel geen verplichting voort, voor de wetgever, om de grootouders van een kind op dezelfde manier te behandelen als de ouders van dat kind, ten aanzien van hun recht om diens afstamming te betwisten. 8 B.5.
- Hoewel de afstamming een wezenlijk element vormt van de identiteit van het kind en van de volwassene ten aanzien van wie zij wordt vastgesteld of die deze te zijnen aanzien opeist, geldt zulks niet voor de grootouders, die niet op gelijkwaardige wijze betrokken kunnen zijn bij de vaststelling van de afstamming van een kind ten aanzien van hun zoon of dochter. De wetgever vermocht dus, gelet op het doel dat erin bestaat de rechtszekerheid voor het kind te waarborgen, het recht om een vordering in te stellen tot betwisting van de vastgestelde afstamming te beperken tot de personen die rechtstreeks belang daarbij hebben en dus de grootouders niet onder die personen te rekenen. Het verschil in behandeling tussen de personen die ertoe gemachtigd zijn een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap en de personen welke die vordering niet kunnen instellen, berust dus op een relevant criterium. B.6.
- In de veronderstelling dat een dergelijke beperking afbreuk zou doen aan het recht op de eerbiediging van het privéleven van de grootouders, zou die inmenging in dat recht dus redelijk verantwoord zijn door het voormelde doel. B.6.
- De beperking van het recht om een vordering tot betwisting van de afstamming in te stellen, tot de personen die werkelijk belang daarbij hebben zoals bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, doet dus evenmin afbreuk aan de vrijwaring van het hoger belang van het kind. Er kan immers worden vermoed dat de persoon die het kind heeft erkend, de persoon die ingestemd heeft met die erkenning, alsook de persoon die, in voorkomend geval, de afstamming opeist in beginsel het meest geschikt zijn om een vordering tot betwisting van de erkenning in te stellen wanneer het belang van het kind een dergelijke vordering vereist. Bovendien beschikt het kind zelf over een recht om een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning die te zijnen aanzien heeft plaatsgehad. Het blijkt dus niet noodzakelijk voor de vrijwaring van het hoger belang van het kind dat ook de grootouders de bij erkenning vastgestelde afstamming ten aanzien van hun kleinkind gerechtelijk kunnen betwisten. B.7.
- Krachtens artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek treedt het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering op « telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt ». Het komt het openbaar ministerie toe na te gaan of de situatie die aan de oorsprong van het voor de verwijzende rechter hangende geschil ligt, behoort tot de hypothesen waarin de openbare orde zijn tussenkomst vergt. 9 B.7.
- Om dezelfde redenen als die welke in B.6 zijn vermeld, is het niet noodzakelijk voor de vrijwaring van het hoger belang van het kind dat het openbaar ministerie een vordering kan instellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap ten aanzien van een kind in andere hypothesen dan die welke onder de openbare orde ressorteren. B.
- Voor het overige doet de onmogelijkheid voor de grootouders om een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap door hun zoon ten aanzien van een kind dat wettelijk als hun kleinkind wordt beschouwd, gekoppeld aan het mogelijke stilzitten van het openbaar ministerie, geen afbreuk aan het recht van de grootouders om persoonlijk contact te onderhouden met het kind. Artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek, waarin het recht op persoonlijk contact met een kind is ingeschreven, bepaalt immers dat dat recht niet alleen aan de grootouders kan worden toegekend, maar ook aan iedere persoon die aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft. Het onderhouden van persoonlijk contact tussen een kind en een persoon met wie het een bijzondere band heeft, ongeacht of het een van zijn grootouders of een andere volwassene is, vereist dus geenszins het aantonen van een biologische band tussen hen. Omgekeerd verplicht artikel 375bis een grootouder die geen persoonlijk contact met zijn kleinkind zou willen onderhouden, geenszins ertoe om dat te doen, ondanks het bestaan van een biologische band tussen hen. B.
- Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek zijn bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de grootouders uitsluit van het recht om een vordering in te stellen tot betwisting van de erkenning van het vaderschap door hun zoon ten aanzien van een kind. - Artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.020 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div