id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.021 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190207.5 Arrest- Rolnummer: 21/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-02-08 Raadplegingen: 400 - laatst gezien 2026-06-29 03:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 335, § 3, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 335, § 1, eerste en tweede lid, van hetzelfde Wetboek, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Vaststelling vaderschap - Erkenning door vader BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Naam - Familienaam PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Burgerlijk recht - Personen - Afstamming - Familienaam - Afstamming die later ten aanzien van een van beide ouders wordt vastgesteld - Onenigheid. Tekst van de beslissing Rolnummer 6856 Arrest nr. 21/2019 van 7 februari 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 8 februari 2018 in zake S.I. tegen N.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2018, heeft de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 335, § 3, van het burgerlijk wetboek in samenhang gelezen met artikel 335, § 1, lid 1 en 2 van het burgerlijk wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre artikel 335, § 3 van het burgerlijk wetboek niet toestaat dat kinderen van wie de vaderlijke afstamming laattijdig komt vast te staan bij onenigheid tussen de ouders over de familienaam geen dubbele familienaam in alfabetische volgorde kunnen verkrijgen (en dus de familienaam van de moeder behouden) terwijl kinderen van wie de afstamming van vaderszijde en de afstamming van moederszijde tegelijkertijd vaststaan, bij onenigheid wel automatisch de dubbele familienaam in alfabetische volgorde verkrijgen ? ». Memories zijn ingediend door : - S.I., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I. Jaques, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. D. Smets, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 5 december 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 december 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 19 december 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.D. werd geboren op 16 februari
- Aangezien op dat ogenblik enkel de afstamming van moederszijde werd vastgesteld, verkreeg M.D. de naam van zijn moeder, N.D. Bij vonnis van 11 december 2015 werd S.I., vader van M.D., ertoe gemachtigd zijn zoon te erkennen. Die erkenning is gebeurd op 30 maart
- Bij verzoekschrift van 30 juni 2016 vordert de vader, eisende partij voor de verwijzende rechter, dat de naam van zijn zoon met toepassing van artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek zou worden gewijzigd door 3 toekenning van de naam van de moeder gevolgd door de naam van de vader. Er anders over oordelen, betekent volgens de vader dat de moeder het alleenbeslissingsrecht heeft inzake de familienaam, hetgeen een schending inhoudt van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. In het geval van onenigheid tussen de ouders is er immers wel automatisch sprake van een dubbele familienaam wanneer de moederlijke en de vaderlijke afstamming gelijktijdig worden vastgesteld, terwijl dat niet het geval is wanneer de vaderlijke afstamming later dan de moederlijke afstamming wordt vastgesteld. De familierechtbank oordeelt dat de vordering tot het verkrijgen van een dubbele naam tijdig werd ingesteld, met name binnen het jaar na de erkenning van M.D., en dat die vordering tot haar bevoegdheid behoort. Zij stelt voorts vast dat, wanneer de afstamming langs vaderszijde komt vast te staan na de afstamming langs moederszijde, zoals te dezen het geval is, het kind in principe de naam van de moeder behoudt. De familienaam kan worden gewijzigd in de naam van de vader of in een dubbele familienaam, doch zulks vereist een gemeenschappelijke verklaring van de ouders in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte (artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek). De familierechtbank stelt vast dat het Grondwettelijk Hof zich, sedert de wijziging van artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek bij de wet van 8 mei 2014 en bij de wet van 25 december 2016, nog niet heeft uitgesproken over paragraaf 3, eerste lid, van die bepaling, en meer in het bijzonder over de regeling in geval van onenigheid tussen de ouders inzake een dubbele naamgeving. De rechtbank beslist in die omstandigheden de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter is van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Zij stelt vast dat de wetgever, bij gelijktijdige vaststelling van de moederlijke en de vaderlijke afstamming, heeft voorzien in een dwingende oplossing in geval van onenigheid tussen de ouders inzake de naam van het kind. Aldus voorziet artikel 335, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, in dat geval in een dubbele familienaam in alfabetische volgorde. Die regeling kwam tot stand na het arrest nr. 2/2016 van 14 januari 2016, waarbij het Hof de initiële regeling - die bepaalde dat het kind de naam van de vader draagt in geval van onenigheid - vernietigde omdat die niet verenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het in het geding zijnde artikel 335, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bevat volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter eenzelfde discriminatie, in zoverre het niet voorziet in eenzelfde oplossing in geval van onenigheid over de familienaam bij niet tijdige vaststelling van de vaderlijke afstamming. In dat geval heeft de vader geen enkele mogelijkheid om het kind zijn familienaam te laten dragen, zelfs niet via de dubbele naamdracht. Het doorgeven van de familienaam is nochtans een essentieel recht dat aan beide ouders toekomt. Dit blijkt ook uit de evolutie in de wetgeving, die oorspronkelijk enkel voorzag in het toekennen van de familienaam van de vader, terwijl thans tal van mogelijkheden worden geboden. Ook uit het voormelde arrest nr. 2/2016 blijkt dat het doorgeven van de familienaam een essentieel recht is. Het feit dat de vader, bij niet tijdige vaststelling van de vaderlijke afstamming, krachtens de in het geding zijnde bepaling volledig afhangt van de beslissing van de moeder om het kind een dubbele familienaam toe te kennen, is volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.2.
- De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.2.
- In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de categorieën van personen die in de prejudiciële vraag worden vergeleken, met name de ouders ten aanzien van wie de afstammingsband gelijktijdig dan wel niet gelijktijdig is komen vast te staan, zich in een fundamenteel verschillende situatie bevinden, zodat het 4 verantwoord is dat zij verschillend worden behandeld. Het onderscheid tussen die categorieën van personen dient vanuit het oogpunt van het kind te worden benaderd. Wat de eerste categorie van personen betreft, komt de afstammingsband ten aanzien van beide ouders gelijktijdig vast te staan op het ogenblik van de geboorte van het kind. Aangezien er op dat ogenblik nog geen afstammingsband ten aanzien van het kind vaststaat, kan de wetgever een regeling in geval van onenigheid vooropstellen zonder dat het kind hiervan enige hinder ondervindt. Wat de tweede categorie van personen betreft, komt de afstammingsband ten aanzien van een van beide ouders slechts vast te staan op een later tijdstip. Aangezien het kind op dat ogenblik reeds enige tijd een welbepaalde familienaam heeft gedragen, dient een mogelijke aanpassing met de nodige omzichtigheid te worden benaderd. Een dergelijke aanpassing vormt immers een verregaande inbreuk op het privéleven van het kind. De wetgever heeft de beslissingsmacht in dat geval bij de ouders gelegd, die immers als enigen het belang van het kind juist kunnen inschatten. Hij vond het essentieel dat een wijziging van de familienaam van het kind op dat ogenblik enkel in onderling overleg kan gebeuren. Indien er geen akkoord tussen de ouders kan worden bereikt, kan worden gesteld dat zij niet meer handelen in het belang van het kind naar hun individueel belang laten primeren. Aangezien beide categorieën van personen zich aldus in een fundamenteel verschillende situatie bevinden, gelet op het verschillend ogenblik van de vaststelling van de afstammingsband, dienen zij op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet op een verschillende manier te worden behandeld. A.2.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, met name het ogenblik van de vaststelling van de afstamming. Bovendien is het geviseerde onderscheid redelijk verantwoord. De regeling in artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek streeft een dubbel doel na : enerzijds, het voorzien in een eenvoudige en eenvormige regeling voor het bepalen van de familienaam en, anderzijds, het toekennen van een zekere onveranderlijkheid aan de familienaam. Daar het toekennen van zijn familienaam aan zijn kind geen grondrecht uitmaakt, beschikt de wetgever ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De wetgever heeft geoordeeld dat een naamsverandering van een kind ten gevolge van het feit dat de afstamming ten aanzien van een van beide ouders later is komen vast te staan, in strijd kan zijn met het belang van het kind. Rekening houdend met het maatschappelijk belang om een zekere onveranderlijkheid toe te kennen aan de familienaam, vermocht de wetgever te oordelen dat een naamsverandering van een kind in die omstandigheid enkel mogelijk is in geval van een akkoord tussen de ouders. Zij zijn immers meest geschikt om te oordelen of hun kind al dan niet zou worden geschaad door een naamswijziging. Daarbij benadrukt de Ministerraad nogmaals dat het recht om zijn familienaam door te geven geen grondrecht uitmaakt, zodat dit nooit kan primeren op het belang van het kind. De Ministerraad merkt ter zake nog op dat het niet onlogisch is dat bij een gelijktijdige vaststelling van de moederlijke en de vaderlijke afstamming wordt voorzien in een regeling in geval van onenigheid tussen de ouders over de familienaam. Op dat ogenblik is er nog geen familienaam aan het kind toegekend. De betrokken regeling strekt alsdan net ertoe een familienaam toe te kennen. De wetgever oordeelde dat het hoger belang van het kind bezwaarlijk geschaad kan worden door een eventuele discussie over de familienaam die plaatsvindt vóór zijn geboorte. Anders is het wanneer het kind reeds een bepaalde tijd door het leven gaat met een welbepaalde familienaam, zoals dat het geval is in de zaak voor de verwijzende rechter. Om die reden heeft de wetgever, ondanks de verschillende wetswijzigingen, geen wijziging doorgevoerd in artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan de familienaam behouden blijft in geval van onenigheid tussen de ouders bij niet tijdige vaststelling van de vaderlijke afstamming. A.2.
- In zijn memorie van antwoord voegt de Ministerraad daar nog aan toe dat de in het geding zijnde bepaling niet noodzakelijk de moeder bevoordeelt. Indien de afstammingsband eerst ten aanzien van de vader komt vast te staan, zal het kind immers zijn naam dragen. Voorts merkt de Ministerraad op dat de wetgever een eenvoudige en eenvormige regeling voor de vaststelling van de familienaam heeft nagestreefd. Dit kadert geheel in het belang van het kind, dat geen baat erbij heeft om, in geval van onenigheid, gedurende onbepaalde tijd zonder naam door het leven te gaan. 5 -B- B.1.
- In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 335, § 3, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre die bepaling niet erin voorziet dat de kinderen wier vaderlijke afstamming komt vast te staan na de moederlijke afstamming, bij onenigheid tussen de ouders over de familienaam, een dubbele naam in alfabetische volgorde toegekend krijgen, terwijl artikel 335, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wel in de toekenning van een dubbele naam in alfabetische volgorde voorziet voor de kinderen wier vaderlijke en moederlijke afstamming gelijktijdig komt vast te staan indien de ouders het oneens zijn over de familienaam. B.1.
- Artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
- Het kind wiens afstamming van vaderszijde en afstamming van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. De ouders kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. In geval van onenigheid draagt het kind de naam van de vader en de naam van de moeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Wanneer de vader en de moeder, of een van hen, een dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het deel van de naam dat aan het kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt het deel van de dubbele naam dat wordt doorgegeven bepaald op basis van de alfabetische volgorde. De weigering om een keuze te maken wordt beschouwd als een geval van onenigheid. Indien de ouders samen de geboorte van het kind aangeven, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede lid, de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, vast. Indien een ouder alleen de geboorte van het kind aangeeft, geeft deze de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan. §
- Het kind wiens afstamming alleen van moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn moeder. Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde vaststaat, draagt de naam van zijn vader. 6 §
- Indien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, blijft de naam van het kind onveranderd. Hetzelfde geldt indien de afstamming van moederszijde komt vast te staan na de afstamming van vaderszijde. Evenwel kunnen de ouders samen, of kan een van hen indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind ofwel de naam van de persoon ten aanzien van wie de afstamming als tweede komt vast te staan zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Deze verklaring wordt afgelegd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van vaderszijde of van moederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in de artikelen 313, § 3, tweede lid, 319bis, tweede lid, of 322, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening. Bij wijziging van de afstamming van vaderszijde of van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die in voorkomend geval door de ouders is gekozen, met inachtneming van de in § 1 of artikel 335ter bedoelde regels. Van de in het tweede lid bedoelde verklaring of van het beschikkend gedeelte van het in het vierde lid bedoelde vonnis wordt melding gemaakt op de kant van de akte van geboorte en van de andere akten betreffende het kind. §
- Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht ». B.2.
- Artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek maakt deel uit van het hoofdstuk met betrekking tot de gevolgen van de afstamming. Het stelt op algemene wijze de regels van de naamgeving als gevolg van de afstamming vast. Die regels werden ingrijpend gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde » (hierna : de wet van 8 mei 2014). Uit het opschrift en de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht heeft willen invoeren (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3145/001, p. 10). 7 B.2.
- Om die doelstelling van gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bereiken, heeft de wetgever in artikel 335, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat de ouders een dubbele naam kunnen kiezen, bestaande uit de naam van de vader en de naam van de moeder in de door hen bepaalde volgorde, of kunnen kiezen voor de naam van de vader of voor die van de moeder. De wetgever heeft dus gekozen voor de wilsautonomie van de ouders, binnen de door de wet bepaalde grenzen, veeleer dan voor een bij wet vastgelegd systeem voor het toekennen van de naam. De wetgever heeft de keuze van de ouders beperkt om te waarborgen dat « kinderen van dezelfde ouders dezelfde naam zullen dragen. De naam van broers en zussen kan bijgevolg niet verschillen waardoor [de orde der families gevrijwaard kan blijven] » (ibid., p. 14). B.2.
- De wetgever heeft ook het geval bekeken van de onenigheid tussen de ouders en van de afwezigheid van keuze. Zoals het was vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014 bepaalde artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek aanvankelijk dat in dat geval, voor de kinderen wier afstamming van vaders- en moederszijde tegelijkertijd is komen vast te staan, de naam van de vader wordt toegekend. Bij zijn arrest nr. 2/2016 van 14 januari 2016 heeft het Hof die bepaling vernietigd : « B.8.
- Nu hij voor de keuze van de familienaam de voorrang geeft aan de wilsautonomie van de ouders, dient de wetgever ook de wijze te bepalen waarop de familienaam wordt toegekend voor het geval dat de ouders het oneens zijn of geen keuze maken, ook al heeft hij voor het overige erop toegezien de gevallen van onenigheid te beperken door de ouders de mogelijkheid te bieden te kiezen voor de ene of de andere familienaam of voor de twee namen in de door hen bepaalde volgorde. Het kan worden verantwoord dat hij zelf de naam vastlegt die het kind zal dragen wanneer er onenigheid of afwezigheid van keuze is, veeleer dan dienaangaande aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid te verlenen. Het is immers in die aangelegenheid van belang de naam van een kind vanaf zijn geboorte op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen. Artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dienaangaande dat het kind onmiddellijk na de geboorte wordt ingeschreven en vanaf de geboorte het recht op een naam heeft. B.8.
- Personen die zich in soortgelijke situaties bevinden, namelijk de vader en de moeder van een kind, worden door de bestreden bepaling echter verschillend behandeld aangezien in geval van onenigheid tussen de ouders of in geval van afwezigheid van keuze, het kind verplicht de naam van de vader alleen draagt. In hun recht om hun familienaam over te dragen aan hun kind worden de moeders aldus anders behandeld dan de vaders. 8 B.8.
- Het verschil in behandeling vervat in de bestreden bepaling is gegrond op het criterium van het geslacht van de ouders. Alleen zeer sterke overwegingen kunnen een verschil in behandeling verantwoorden dat uitsluitend op het geslacht is gegrond. Uit de in B.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de keuze voor de naam van de vader heeft verantwoord door de traditie en de wil om de hervorming geleidelijk tot een goed einde te brengen. Noch de traditie, noch de wil om geleidelijk vooruitgang te boeken kunnen worden geacht zeer sterke overwegingen te zijn die een verschil tussen de vaders en de moeders verantwoorden wanneer er onenigheid tussen de ouders of afwezigheid van keuze is, terwijl de doelstelling van de wet erin bestaat de gelijkheid van mannen en vrouwen te verwezenlijken. De bestreden bepaling kan overigens tot gevolg hebben dat aan de vader van een kind een vetorecht gegeven wordt in het geval dat de moeder van het kind de wil te kennen geeft aan dat kind haar eigen naam of een dubbele naam te geven en de vader het met die keuze niet eens is. B.
- Artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014, schendt de artikelen 10, 11 en 11bis, eerste lid, van de Grondwet en dient derhalve te worden vernietigd. Teneinde rechtsonzekerheid te vermijden, inzonderheid gelet op de noodzaak om de naam van het kind vanaf zijn geboorte te bepalen, en om de wetgever toe te laten een nieuwe regeling aan te nemen, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling tot 31 december 2016 te worden gehandhaafd ». B.2.
- Ingevolge dat arrest heeft de wetgever bij de wet van 25 december 2016 « tot wijziging van de artikelen 335 en 335ter van het Burgerlijk Wetboek betreffende de wijze van naamsoverdracht aan het kind » voorzien in een nieuwe regeling bij onenigheid tussen de ouders of bij afwezigheid van een keuze, voor de kinderen wier afstamming van vaders- en moederszijde tegelijkertijd is komen vast te staan. Overeenkomstig het huidige artikel 335, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek draagt het kind in dat geval de naam van de vader en de naam van de moeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. B.3.
- Het in het geding zijnde artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014, regelt de gevolgen van de wijziging van de afstamming van een persoon voor zijn naam. Zoals ook benadrukt tijdens de parlementaire voorbereiding, is de bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde regeling « overgenomen van de regeling die momenteel van kracht is, rekening houdende met het gelijkheidsprincipe tussen de partijen » en met « invoeging van het beginsel van de wilsautonomie binnen de door de wet bepaalde grenzen » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3145/001, pp. 14 en 19-20). 9 B.3.
- Aldus voorziet de in het geding zijnde bepaling erin dat, wanneer de afstamming van het kind ten aanzien van een van beide ouders komt vast te staan na de afstamming ten aanzien van de andere ouder, de naam in beginsel ongewijzigd blijft. De wetgever heeft evenwel de mogelijkheid behouden, die reeds was neergelegd in het vroegere artikel 335, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, om alsnog de naam van het kind te wijzigen, door te kiezen hetzij voor de naam van de persoon ten aanzien van wie de afstamming als tweede komt vast te staan, hetzij voor een dubbele naam. Voor die naamswijziging dient een verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te worden afgelegd door de beide ouders samen, of door een van hen wanneer de andere overleden is, en dit binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van vaderszijde of van moederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en vóór de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. B.
- De prejudiciële vraag noopt tot een vergelijking van de situatie van een kind wiens vaderlijke en moederlijke afstamming gelijktijdig komt vast te staan, met de situatie van een kind wiens afstamming ten aanzien van een van beide ouders is komen vast te staan na de afstamming ten aanzien van de andere ouder. De eerste categorie verkrijgt, bij onenigheid tussen de ouders over de naam, de dubbele naam in alfabetische volgorde. De tweede categorie behoudt in dat geval de naam van de ouder ten aanzien van wie de afstamming eerst is komen vast te staan, nu de naamswijziging een gemeenschappelijke verklaring van de ouders bij de ambtenaar van de burgerlijke stand vereist. B.
- In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen voldoende vergelijkbaar, in zoverre het in beide gevallen een kind betreft wiens ouders het oneens zijn over de naamgeving. B.
- De toekenning van een familienaam berust in hoofdzaak op overwegingen van sociaal nut. In tegenstelling tot de toekenning van de voornaam wordt zij door de wet bepaald. Die wet strekt ertoe, enerzijds, de familienaam op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen en, anderzijds, aan die familienaam een zekere onveranderlijkheid te geven. B.7.
- Anders dan het recht om een naam te dragen, kan het recht om zijn familienaam aan zijn kind te geven niet als een grondrecht worden beschouwd. Wat de regeling van de 10 naamgeving betreft, beschikt de wetgever derhalve over een ruime beoordelingsbevoegdheid, voor zover hij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, in acht neemt. B.7.
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld : « Artikel 8 van het Verdrag [bevat] geen uitdrukkelijke bepaling inzake de naam, maar […] als bepalend middel tot identificatie van een persoon (Johansson t. Finland, nr. 10163/02, § 37, 6 september 2007, en Daróczy t. Hongarije, nr. 44378/05, § 26, 1 juli 2008) en tot uitdrukking van een band met een gezin, [betreft] de naam van een persoon niettemin zijn of haar privéleven en gezinsleven […]. Dat de Staat en de samenleving belang erbij hebben het gebruik ervan te regelen volstaat niet om de kwestie van de naam van personen uit te sluiten van het domein van het privé- en gezinsleven, in die zin opgevat dat het in zekere mate het recht van het individu om met zijn naasten betrekkingen aan te knopen omvat (Burghartz, voormeld, § 24; Stjerna, voormeld, § 37; Ünal Tekeli, voormeld, § 42, EHRM 2004-X; Losonci Rose en Rose t. Zwitserland, nr. 664/06, § 26, 9 november 2010; Garnaga t. Oekraïne, nr. 20390/07, § 36, 16 mei 2013) » (EHRM, 7 januari 2014, Cusan en Fazzo t. Italië, § 55). B.7.
- Ook al kan het recht om zijn familienaam te geven niet als een grondrecht worden beschouwd, toch hebben de ouders een duidelijk en persoonlijk belang erbij om zeggenschap te hebben in het proces om de familienaam van hun kind te bepalen. B.8.
- Het Hof heeft zich reeds meermaals uitgesproken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 2 van de wet van 8 mei
- Zoals in de huidige versie ervan voorzag die bepaling erin dat, wanneer de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, de naam van het kind in beginsel onveranderd blijft, behoudens wanneer de ouders samen, of een van hen indien de andere overleden is, een verklaring tot naamswijziging afleggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Bij zijn arrest nr. 64/96 van 7 november 1996 heeft het Hof met betrekking tot het toenmalige artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek geoordeeld : « B.3.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de wetgever heeft overwogen dat de wijziging van de naam van het kind wiens afstamming van vaderszijde na die van moederszijde wordt vastgesteld, strijdig kan zijn met het belang van dat kind (Gedr. St., Kamer, 1983-1984, nr. 305/1, pp. 17-18, en Gedr. St., 11 Senaat, 1984-1985, nr. 904-2, pp. 125-126). Op grond daarvan heeft hij bepaald dat de naam van het kind wiens afstamming reeds van moederszijde vaststaat, in beginsel onveranderd blijft wanneer nadien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan. De wetgever heeft niettemin voorzien in de mogelijkheid om een naamswijziging door te voeren, door het afleggen van een verklaring voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. B.3.
- Gebruik makend van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, heeft de wetgever in het raam van de afstamming de naamgeving geregeld met inachtneming van zowel het sociale nut om aan die naam een zekere onveranderlijkheid te geven als het belang van degene die de naam draagt. Het is niet onredelijk te bepalen dat, wanneer het kind de naam van zijn moeder draagt omdat de afstamming van moederszijde eerst werd vastgesteld, de vervanging van die naam door die van de vader enkel nog mogelijk is op voorwaarde dat zowel de vader als de moeder, of een van hen indien de andere overleden is, daartoe een verklaring afleggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. De wetgever mocht ervan uitgaan dat de ouders het best het belang van het kind kunnen beoordelen, tot diens meerderjarigheid of ontvoogding. Het is evenmin onredelijk dat de wetgever, rekening houdend met het maatschappelijk nut van de bestendigheid van de naam, erin heeft voorzien dat in geval van onenigheid (tussen de vader en de moeder) de reeds aan het kind toegekende naam onveranderd zou blijven, veeleer dan de rechter te laten oordelen. B.
- Er blijkt niet dat de wetgever met de bepalingen van artikel 335, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek een maatregel zou hebben genomen die niet aan een objectief criterium zou beantwoorden en die niet adequaat zou zijn. Er blijkt evenmin dat op onevenredige wijze de rechten van de betrokkenen zouden worden aangetast ». Het Hof heeft in dezelfde zin geoordeeld bij zijn arresten nrs. 79/95 van 28 november 1995, 68/97 van 6 november 1997, 82/2004 van 12 mei 2004 en 114/2010 van 21 oktober
- In zijn arrest nr. 82/2004 vermeldt het Hof daarbij nog : « B.
- De gevolgen van de in het geding zijnde regel kunnen des te minder onevenredig zijn daar de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen het mogelijk maakt een naamsverandering te verkrijgen en daar de overheid die met die verandering belast is, niet anders zou kunnen dan het verzoek dat iemand tot haar richt om de naam van zijn vader te dragen, als ernstig te beschouwen ». Bij zijn arrest nr. 50/2017 van 27 april 2017 heeft het Hof eveneens geoordeeld dat die keuze van de wetgever « niet onredelijk [is], daar de wetgever vermocht ervan uit te gaan dat beide ouders het meest geschikt zijn om het belang van het kind te beoordelen ». B.8.
- De redenen die het Hof ertoe gebracht hebben in de hiervoor vermelde zin te oordelen, gelden eveneens voor het huidige artikel 335, § 3, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat - zoals in de vorige versie ervan - bepaalt dat de naam van het kind in 12 beginsel ongewijzigd blijft bij een latere vaststelling van de afstamming ten aanzien van een van beide ouders, tenzij indien de ouders een gezamenlijke verklaring tot naamswijziging afleggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Gelet op de keuzevrijheid die de ouders thans krachtens artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek hebben om de naam van de moeder, die van de vader of een dubbele naam toe te kennen, heeft de wetgever uitdrukkelijk voorzien dat die regeling zowel bij een latere afstamming van moederszijde als bij een latere vaststelling van vaderszijde geldt. B.8.
- Het feit dat de wetgeving inzake de naamgeving sedert die vroegere rechtspraak is gewijzigd, waarbij de wetgever bij gelijktijdige vaststelling van de vaderlijke en de moederlijk afstamming voorrang heeft gegeven aan de wilsautonomie van de ouders, doch in geval van onenigheid heeft bepaald dat het kind een dubbele naam in alfabetische volgorde toegekend krijgt, leidt niet tot een ander besluit. In dat geval doet de onenigheid over de naamgeving zich immers voor op het ogenblik dat aan het kind nog geen naam werd toegekend. Het is in die aangelegenheid van belang de naam van een kind vanaf zijn geboorte op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen. Artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dienaangaande dat het kind onmiddellijk na de geboorte wordt ingeschreven en vanaf de geboorte het recht op een naam heeft. Het kan dan ook worden verantwoord dat de wetgever, bij onenigheid tussen de ouders inzake de naam van het kind op het ogenblik dat nog geen naam is toegekend, zelf de naam heeft vastgesteld die het kind zal dragen. Rekening houdend met het bij de wet van 8 mei 2014 nagestreefde doel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht en met het in B.2.3 vermelde arrest nr. 2/2016, vermocht de wetgever erin te voorzien dat het kind in dat geval de dubbele naam in alfabetische volgorde krijgt toegekend. B.8.
- Anders is het voor het kind wiens afstamming eerst ten aanzien van een van beide ouders vaststaat en pas nadien ten aanzien van de andere ouder komt vast te staan. In dat geval werd aan het kind reeds de naam van de eerste ouder toegekend en doet de onenigheid over de naam zich slechts later voor, wanneer de afstamming ten aanzien van de tweede ouder wordt vastgesteld. Het kind kan in dat geval reeds geruime tijd de naam hebben gedragen van de ouder ten aanzien van wie de afstamming eerst werd vastgesteld. Het is redelijk verantwoord dat de wetgever, rekening houdend met het maatschappelijk nut van de bestendigheid van de naam en met het belang van het kind, erin heeft voorzien dat de reeds 13 toegekende naam in dat geval slechts kan worden gewijzigd met instemming van beide ouders, die samen het meest geschikt kunnen worden geacht om het belang van het kind te kunnen beoordelen, zodat die naam bij onenigheid onveranderd blijft. Overigens is de in het geding zijnde bepaling op gelijke wijze op de moeder en de vader van toepassing. In hun recht om hun familienaam over te dragen aan hun kind worden zij door de in het geding zijnde bepaling dan ook gelijk behandeld. Rekening houdend hetgeen voorafgaat, is het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 335, § 3, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 335, § 1, eerste en tweede lid, van hetzelfde Wetboek, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.021 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.089 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div