id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.023 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190214.5 Arrest- Rolnummer: 23/2019 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-10-04 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-06-28 22:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 31bis, § 2, 3°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de occasionele redder die hulp heeft geboden aan een slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad en die zich burgerlijke partij heeft gesteld teneinde een vergoeding te krijgen van de schade die voortvloeit uit het misdrijf, zijn verzoek tot hulp bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders moet indienen binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van de opzettelijke gewelddaad en niet vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarbij over zijn burgerlijke vordering uitspraak wordt gedaan. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Slachtoffergeweld PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 31bis, § 2, 3°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, gesteld door de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden - Occasionele redder - Wettelijke termijn voor het indienen van een verzoek om financiële hulp - Startpunt - Vergelijking met de wettelijke termijn voor de rechtstreekse slachtoffers. Tekst van de beslissing Rolnummer 6763 Arrest nr. 23/2019 van 14 februari 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 31bis, § 2, 3°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, gesteld door de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beslissing van 31 oktober 2017 in zake M.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 november 2017, heeft de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 31bis, § 2, 3° van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu de wettelijke termijn voor het indienen van het verzoek tot hulp drie jaar is te rekenen vanaf de daden of de ontploffing zoals bedoeld in lid 2° terwijl de termijn voor rechtstreekse slachtoffers ingevolge artikel 31bis, § 1, 4° drie jaar is te rekenen, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet en Mr. Y. Peeters, advocaten bij de balie te Brugge, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 14 november 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Derycke en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 december 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 5 december 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 23 januari 2009 was M.D. werkzaam bij de instelling voor voor- en naschoolse opvang « De Rakkertjes », grenzend aan het kinderdagverblijf « Fabeltjesland » te Dendermonde. Op die dag heeft Kim De Gelder een aantal mensen en kinderen vermoord en verwond. M.D. heeft nooit oog in oog gestaan met de beschuldigde, maar heeft wel schade geleden door zijn daden. Ten gevolge van de aangrijpende gebeurtenissen is M.D. een lange periode niet kunnen gaan werken en werd er bij haar een posttraumatisch stresssyndroom vastgesteld, dit gepaard gaande met een acute depressie. Bij arrest van 22 maart 2013 van het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen werd Kim De Gelder veroordeeld tot een levenslange opsluiting. M.D. was burgerlijke partij in die zaak. Bij arrest van 30 september 2013 gewezen betreffende de burgerlijke belangen, werd Kim De Gelder door datzelfde Hof veroordeeld tot de betaling aan M.D. van 2 000 euro morele schadevergoeding, vermeerderd met 3 interesten, alsook van een rechtsplegingsvergoeding van 50 euro, om reden dat ze werd geconfronteerd met de bloedende slachtoffers en heeft geholpen om de kindjes te evacueren. Op 16 juni 2016 dient M.D., gelet op de insolvabiliteit van de veroordeelde, bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders een verzoek in teneinde financiële hulp ten belope van 2 050 euro te verkrijgen. De Commissie oordeelt dat M.D. niet kan worden beschouwd als een rechtstreeks slachtoffer, noch als een « rechtstreekse getuige » voor een opzettelijke gewelddaad die met een rechtstreeks slachtoffer wordt gelijkgesteld, in de zin van artikel 31, 1°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. Zij stelt vast dat wanneer M.D. zich beroept op haar hoedanigheid van « occasionele redder », de vervaltermijn bedoeld in artikel 31bis, § 2, 3°, van dezelfde wet voor het instellen van een verzoek tot het verkrijgen van financiële hulp in die hoedanigheid reeds verstreken is. De Commissie stelt evenwel vast dat de door slachtoffers ingediende verzoeken zelden kunnen worden behandeld binnen een termijn van drie jaar na de feiten en dat slechts weinig mensen met succes een beroep hebben gedaan op het vergoedingsmechanisme in de hoedanigheid van occasionele redder. Zij merkt tevens op dat sommige verzoekers de hoedanigheid van slachtoffer en van occasionele redder in zich verenigen, dat beide categorieën van personen schade kunnen oplopen uit dezelfde feiten of samenhang van feiten en dat zij mogelijk samen voorafgaandelijk als burgerlijke partij dezelfde gerechtelijke weg hebben afgelegd. Op verzoek van M.D. stelt de Commissie vervolgens bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. In de eerste plaats merkt de Ministerraad op dat de Commissie vaststelt dat M.D. niet voldoet aan de voorwaarden om te worden beschouwd als een rechtstreeks slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad. Omdat de prejudiciële vraag een algemeen en hypothetisch karakter heeft, gelet op het feit dat de vraag is ingegeven door de overweging dat de hoedanigheid van rechtstreekse slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders soms samenvallen en dat de verzoekers om financiële hulp, de beide hoedanigheden in zich kunnen verenigen, meent de Ministerraad dat het beantwoorden van de vraag niet bijdraagt tot de oplossing van het geschil, waardoor de vraag onontvankelijk is. A.2.1. Ten gronde meent de Ministerraad dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Rechtstreekse slachtoffers van opzettelijke gewelddaden zijn enkel zij die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad, terwijl occasionele redders degenen zijn die vrijwillig hulp bieden aan slachtoffers en schade ondervinden door toedoen van hun reddingsdaad. A.2.2. Subsidiair merkt de Ministerraad op dat artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, aan rechtstreekse slachtoffers de verplichting oplegt om een schadevergoeding na te streven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank. Overeenkomstig voormeld artikel kan een verzoek om financiële hulp enkel bij de Commissie worden ingediend na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. De Ministerraad merkt op dat, ingevolge artikel 31bis, § 1, 6°, de rechtstreekse slachtoffers slechts in uitzonderlijke omstandigheden van deze verplichting worden uitgesloten. Volgens de Ministerraad is geen voorafgaande in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke of burgerrechtelijke beslissing vereist voor de verzoeken om financiële hulp die worden ingediend door een persoon in de hoedanigheid van occasionele redder. De Ministerraad meent dat de wet aan occasionele redders de mogelijkheid biedt om een verzoek om financiële hulp vanaf de reddingsdaad in te dienen, wat verklaart dat de termijn vanaf dan reeds begint te lopen. 4 A.2.3. De Ministerraad betoogt vervolgens dat de regeling van de slachtoffers en van de occasionele redders duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn en elk een eigen finaliteit hebben. Volgens hem beogen artikel 31, 1° tot 4°, en artikel 31, 5°, een verschillende schade te dekken. -B- B.1. De Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna : de Commissie) vraagt het Hof of artikel 31bis, § 2, 3°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen (hierna : de wet van 1 augustus 1985), bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu de wettelijke termijn voor het indienen van een verzoek om financiële hulp voor « occasionele redders » drie jaar is te rekenen vanaf de opzettelijke gewelddaad, de ontploffing van een oorlogstuig of een valstriktuig of de daad gesteld om personen te redden van wie het leven in gevaar was, terwijl de termijn voor « rechtstreekse slachtoffers » drie jaar is te rekenen vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop de strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade (artikel 31bis, § 1, 4°). B.2. De Commissie kent financiële hulp toe aan « rechtstreekse slachtoffers » en hun erfgerechtigden en aan « occasionele redders » en hun erfgerechtigden (artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985). « Rechtstreekse slachtoffers » zijn personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad (artikel 31, 1°, van de wet van 1 augustus 1985). In bepaalde gevallen stelt de Commissie de « [rechtstreekse] getuigen van een opzettelijke gewelddaad » gelijk met de « rechtstreekse slachtoffers van een opzettelijke gewelddaad », waardoor ook zij onder de toepassing vallen van artikel 31, 1°. 5 Onder « occasionele redder » dient te worden verstaan, hij die vrijwillig hulp biedt aan slachtoffers, niet in het kader van de uitoefening van een beroepsactiviteit in verband met de veiligheid en niet in het kader van een deelname aan eender welke gestructureerde vereniging teneinde hulp en bijstand te verlenen aan derden (artikel 31, 5°, van de wet van 1 augustus 1985). B.3.1. Artikel 31bis, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt : « De financiële hulp als bedoeld in artikel 31, 1° tot 4°, wordt toegekend onder de volgende voorwaarden : 1° De gewelddaad is in België gepleegd. […] 2° […] 3° […] 4° Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank. Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. 5° De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier. 6° Wanneer de verzoeker door omstandigheden volledig buiten zijn wil om geen klacht kon indienen, de hoedanigheid van benadeelde partij niet kon aannemen, zich geen burgerlijke partij kon stellen, geen vordering kon instellen of geen vonnis kon bekomen of wanneer het instellen van een vordering of het bekomen van een vonnis gelet op de insolvabiliteit van de dader kennelijk onredelijk lijkt, kan de commissie oordelen dat de door 6 de verzoeker aangehaalde redenen voldoende zijn om hem te ontslaan van de in 3° en 4° voorziene voorwaarden ». B.3.2. Artikel 31bis, § 2, van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt : « De financiële hulp bedoeld in artikel 31, 5°, wordt toegekend wanneer de occasionele redders aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° op het Belgisch grondgebied geïntervenieerd hebben; 2° een schade ondervonden hebben :
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.