id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.025 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190214.7 Arrest- Rolnummer: 25/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-10-04 Raadplegingen: 251 - laatst gezien 2026-06-28 22:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 433terdecies van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Strafrecht - Misbruik van andermans bijzonder kwetsbare positie door de verkoop, verhuur of terbeschikkingstelling van goederen met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren - Bijzondere verbeurdverklaring. Tekst van de beslissing Rolnummer 6780 Arrest nr. 25/2019 van 14 februari 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 433terdecies van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 21 november 2017 in zake het openbaar ministerie tegen P.S., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 november 2017, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 433terdecies van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het de strafrechter verplicht om de bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek, uit te spreken, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft niet het eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan doen aan de rechten van de derden op de goederen die verbeurd zouden kunnen worden verklaard, te dezen het onroerend goed, wanneer de straf van verbeurdverklaring de financiële situatie van de persoon aan wie zij wordt opgelegd dermate kan aantasten dat zij een maatregel zou kunnen vormen die onevenredig is ten opzichte van het legitieme doel dat de wet nastreeft en dat zij een schending zou kunnen inhouden van het recht op het ongestoord genot van eigendom dat is gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 14 november 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 december 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 5 december 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een beklaagde is veroordeeld door de Correctionele Rechtbank te Luik wegens het ter beschikking stellen van een onroerend goed aan acht huurders in de omstandigheden die zijn bepaald bij artikel 433decies van het Strafwetboek, met andere woorden het misdrijf van misbruik van andermans kwetsbare toestand door de verkoop, verhuur of terbeschikkingstelling van goederen met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren. De Correctionele Rechtbank heeft krachtens de in het geding zijnde bepaling de verbeurdverklaring van het betwiste onroerend goed uitgesproken. 3 De beklaagde heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis, onder meer wat die verbeurdverklaring betreft. Hij voert daarbij aan dat de Rechtbank geen rekening had gehouden met de verbouwingen die hij heeft uitgevoerd. Volgens hem heeft de verbeurdverklaring tot doel te voorkomen dat het misdrijf wordt voortgezet, maar dat zou in casu onmogelijk zijn, gelet op die renovatiewerken. De beklaagde betwist bovendien de grondwettigheid van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek. Hij baseert zich op het arrest nr. 12/2017 van 9 februari 2017, waarbij het Hof voor recht heeft gezegd dat die bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doch enkel in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de zaak die heeft gediend om een misdaad of een wanbedrijf te plegen, wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een schending van het eigendomsrecht inhoudt. Hij voert aan dat dit arrest ook kan worden toegepast op de verbeurdverklaring bedoeld in artikel 433terdecies van hetzelfde Wetboek, maar het openbaar ministerie betwist die stelling. Om die redenen stelt het Hof van Beroep te Luik aan het Hof de bovenvermelde vraag. III. In rechte -A- In zijn memorie voert de Ministerraad aan dat het arrest nr. 12/2017 van het Hof reeds een antwoord biedt op de problematiek die in de prejudiciële vraag aan de orde is. Hij gedraagt zich bijgevolg naar de wijsheid van het Hof voor het antwoord dat op de onderhavige prejudiciële vraag moet worden gegeven. De Ministerraad stelt het Hof ook ervan in kennis dat een ontwerp van wet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2753/001) aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter bespreking werd voorgelegd om tegemoet te komen aan het voormelde arrest van het Hof, waarbij dat laatste artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek ongrondwettig heeft verklaard. -B- B.
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.