← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.031

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.031 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190228.2 Arrest- Rolnummer: 31/2019 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-03-01 Raadplegingen: 296 - laatst gezien 2026-06-28 22:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 dient aldus te worden uitgelegd dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd moet verklaren om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten - andere dan die bedoeld in artikel 481 - en de daders van een samenhangend misdrijf, de rechtspleging te regelen en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging te beoordelen overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Andere (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot uitlegging van het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 (prejudiciële vragen betreffende de artikelen 479 junctis 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door het Hof van Beroep te Gent. Strafrechtspleging - Rechtsplegingen van bijzondere aard - Voorrecht van rechtsmacht van de magistraten (en van hun mededaders en medeplichtingen) wegens de misdaden en wanbedrijven gepleegd in de uitoefening van hun ambt - Ontstentenis van een procedure van regeling van de rechtspleging door een onderzoeksgerecht. Tekst van de beslissing Rolnummer 7074 Arrest nr. 31/2019 van 28 februari 2019 In zake : de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 (prejudiciële vragen betreffende de artikelen 479 junctis 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij arrest van 6 december 2018 in zake het openbaar ministerie tegen T.B., J.L. en S. D.V., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 december 2018, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Dient het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 maart 2018 (GwH 35/2018) aldus begrepen te worden dat enkel een initiatief van de wetgever de vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van Strafvordering, vermag te herstellen, dan wel dat de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer het Grondwettelijk Hof van oordeel is dat de vastgestelde lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepalingen toe te passen met inachtneming van de principes van gelijkheid en non- discriminatie, zich bij wijze van grondwetconforme interpretatie bevoegd moet verklaren om de rechtspleging te regelen t.a.v. zaken waarin personen zijn betrokken die onderworpen zijn aan het voorrecht van rechtsmacht, en dit in afwachting van een optreden van de wetgever ? ». Op 19 december 2018 hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - S. D.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. W. Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent; - S. D.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Meese, advocaat bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet en Mr. Y. Peeters, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 9 februari 2016 worden T.B., vrederechter, J.L., vrederechter en plaatsvervangend rechter bij de rechtbank van eerste aanleg, en, met samenhang, S. D.V., hoofdgriffier, door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent voor dat Hof gedagvaard wegens het zich schuldig maken aan knevelarij (strafbaar gesteld bij artikel 243 van het Strafwetboek). Bij arrest van 15 december 2016 stelt het Hof van Beroep te Gent vast dat het misdrijf dat de betrokken magistraten wordt verweten betrekking heeft op handelingen die zijn verricht binnen de uitoefening van hun ambt, zodat de procedure lastens de beklaagden wordt geregeld door de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering. Het Hof van Beroep beslist vervolgens om inzake die bepalingen vier prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 3 Bij zijn arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 heeft het Hof geantwoord dat de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden « in zoverre zij, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, niet voorzien in het optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt ». In navolging van dat arrest heeft het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 21 juni 2018 beslist dat de zaak op onregelmatige wijze aanhangig werd gemaakt, en heeft het de strafvordering onontvankelijk verklaard. Bij vordering van 23 juli 2018 heeft de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent gevorderd dat de kamer van inbeschuldigingstelling van datzelfde Hof, na de raadsheer-onderzoeksrechter te hebben gehoord in zijn verslag, de inverdenkinggestelden zou verwijzen naar het Hof van Beroep te Gent voor de in de vordering omschreven tenlasteleggingen. Het is in dat kader dat de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent de onderhavige vordering tot uitlegging heeft ingesteld. III. In rechte -A- A.

  1. In hun conclusies, opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen de vorderingen van de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent tot uitlegging van het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. De rechters-verslaggevers waren van oordeel het Hof te kunnen voorstellen de vordering tot uitlegging aldus te beantwoorden dat het arrest nr. 35/2018 in die zin dient te worden uitgelegd dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de kamer van inbeschuldigingstelling zich overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging bevoegd moet verklaren om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten andere dan die bedoeld in artikel 481 en de daders van een samenhangend misdrijf, de rechtspleging te regelen en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging te beoordelen. A.2.
  2. S. D.V., derde inverdenkinggestelde voor het verwijzende rechtscollege, benadrukt dat het Hof bij zijn arrest nr. 35/2018 geen grondwetsconforme interpretatie heeft vastgesteld, doch heeft geoordeeld dat de ongrondwettigheid een leemte in de wet betreft die door de wetgever moet worden ingevuld. De rechterlijke macht kan een leemte slechts invullen binnen het kader van de bestaande wettelijke bepalingen. Indien de leemte daarentegen van die aard is dat een volledig andere procesregeling moet worden ingevoerd, kan de rechter zich niet in de plaats van de wetgever stellen. In onderhavig geval kan de leemte op verschillende manieren worden ingevuld. De regeling van de rechtspleging zou immers kunnen plaatsvinden voor het Hof van Cassatie (naar analogie met de hogere magistraten), voor de kamer van inbeschuldigingstelling (zoals gesuggereerd door de Ministerraad) of voor de raadkamer met een beroepsmogelijkheid (overeenkomstig de gemeenrechtelijke regeling). In geval van een regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling, is het bovendien niet vanzelfsprekend welke kamer van inbeschuldigingstelling territoriaal bevoegd is. Om te vermijden dat de controle op de regelmatigheid van de rechtspleging gebeurt door de rechtstreekse collega-raadsheren van de raadsheer-onderzoeksrechter die de leiding had over het onderzoek, zou immers kunnen worden geopteerd voor een regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel of van het hof van beroep in een ander rechtsgebied. Dit zijn belangrijke politieke beleidskeuzes, die aan de wetgever en niet aan het openbaar ministerie of de rechter toekomen. 4 Hierover anders oordelen zou in strijd zijn met de Europese rechtspraak. Een procedureregeling kan namelijk niet « naar analogie » worden toegepast of aan de discretionaire invulling van de gerechtelijke autoriteiten worden overgelaten. Het wettigheidsbeginsel en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereisen dat de procedureregels klaar en duidelijk in de wet zijn ingeschreven. A.2.
  3. In zoverre het Hof zou oordelen dat de vastgestelde leemte kan worden ingevuld door toepassing te maken van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging, vraagt S. D.V. dat het Hof zou verduidelijken dat zulks betekent dat die regels volstrekt analoog moeten worden toegepast. Dit zou impliceren dat de zaak overeenkomstig artikel 127 van het Wetboek van strafvordering bij de raadkamer aanhangig moet worden gemaakt. A.3.
  4. De Ministerraad sluit zich in hoofdzaak aan bij de conclusies van de rechters-verslaggevers. Wat de beoordeling ten gronde betreft, voegt de Ministerraad daaraan toe dat artikel 484 van het Wetboek van strafvordering zo kan worden gelezen dat de zaak, na het beëindigen van het gerechtelijk onderzoek lastens de magistraat bedoeld in artikel 479 van hetzelfde Wetboek en zijn mededaders en medeplichtigen, aanhangig moet worden gemaakt bij de kamer van inbeschuldigingstelling met het oog op de regeling van de rechtspleging. Voorts wijst de Ministerraad op het arrest nr. 9/2018 van het Grondwettelijk Hof, dat betrekking heeft op het toezicht op de regelmatigheid van de rechtspleging tijdens het gerechtelijk onderzoek. In dat arrest oordeelde het Hof dat het, in afwachting van een optreden van de wetgever, aan de kamer van inbeschuldigingstelling toekomt om een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid door de toepassing van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging. De Ministerraad ziet niet in waarom ten aanzien van het arrest nr. 35/2018, dat betrekking heeft op de regeling van de rechtspleging op het einde van het gerechtelijk onderzoek, anders zou moeten worden geoordeeld. Vervolgens verwijst de Ministerraad naar het arrest nr. P.18.0467.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180619.6/1 van 19 juni 2018 van het Hof van Cassatie, waarbij dat Hof zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van een beroep dat werd ingesteld tegen een beschikking van een raadsheer-onderzoeksrechter, belast met een gerechtelijk onderzoek op grond van de artikelen 479 en 480 van het Wetboek van strafvordering, inzake een op grond van artikel 61quater van hetzelfde Wetboek ingediend verzoek tot opheffing van een onderzoeksmaatregel. Dat arrest ligt aldus in de lijn van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof die stelt dat het aan de kamer van inbeschuldigingstelling toekomt om zich bevoegd te verklaren. Tot slot zou de uitlegging in de conclusies van de rechters-verslaggevers overeenstemmen met de ratio legis van de regels betreffende het « voorrecht van rechtsmacht », die zijn ingesteld om redenen van algemeen belang en niet in het persoonlijk belang van diegenen op wie de regeling van toepassing is. In het licht van die ratio legis zou het logisch zijn dat de kamer van inbeschuldigingstelling, ten aanzien van de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten andere dan die bedoeld in artikel 481 en de daders van een samenhangend misdrijf, zowel toezicht houdt op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak doet over de beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat (situatie in het arrest nr. 9/2018), als overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt (situatie in het arrest nr. 35/2018). A.3.
  5. Wat de bewoordingen van het arrest tot uitlegging en zijn dictum betreft, vraagt de Ministerraad dat het Hof duidelijk en ondubbelzinnig zou aangeven dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd moet verklaren om een einde te maken aan de in het arrest nr. 35/2018 vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dat een einde moet worden gemaakt aan die schending via de toepassing van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging. -B- B.
  6. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 35/2018 van 22 maart
  7. Bij dat arrest heeft het Hof uitspraak gedaan over de 5 prejudiciële vragen inzake artikel 479 junctis 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden « in zoverre zij, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, niet voorzien in het optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt ». B.
  8. Met haar vordering tot uitlegging vraagt de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent aan het Hof of het arrest nr. 35/2018 « aldus [dient] begrepen te worden dat enkel een initiatief van de wetgever de vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van Strafvordering, vermag te herstellen, dan wel dat de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer het Grondwettelijk Hof van oordeel is dat de vastgestelde lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepalingen toe te passen met inachtneming van de principes van gelijkheid en non-discriminatie, zich bij wijze van grondwetsconforme interpretatie bevoegd moet verklaren om de rechtspleging te regelen t.a.v. zaken waarin personen zijn betrokken die onderworpen zijn aan het voorrecht van rechtsmacht, en dit in afwachting van een optreden van de wetgever ». B.
  9. Het hogervermelde dictum van het arrest nr. 35/2018 dient in samenhang te worden gelezen met de overwegingen B.11 en B.12 van dat arrest, die de noodzakelijke grondslag vormen voor het dictum en vermelden : « B.
  10. In afwijking van het gemeen strafprocesrecht voorzien de in het geding zijnde bepalingen voor de magistraten niet in het optreden van een onderzoeksgerecht om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, de rechtspleging te regelen. […] B.12.
  11. Wat de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten andere dan die bedoeld in artikel 481 betreft, heeft de wetgever, door het ambt van onderzoeksrechter toe te vertrouwen aan een magistraat die daartoe is aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep en door erin te voorzien dat de betrokken magistraten 6 door de hoogste feitenrechter moeten worden berecht, hun welbepaalde waarborgen willen bieden die een onpartijdige en serene rechtsbedeling kunnen verzekeren, overeenkomstig het in B.6.1 vermelde doel. B.12.
  12. Zoals in B.6.2 wordt vermeld, is de procureur-generaal bij het hof van beroep evenwel als enige bevoegd om bij het afsluiten van het gevorderde gerechtelijk onderzoek te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen. In zoverre er aldus bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, voor de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten andere dan die bedoeld in artikel 481 en de daders van een samenhangend misdrijf, geen optreden is van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, zoals dat het geval is bij het Hof van Cassatie voor de magistraten van de hoven van beroep, doen de in het geding zijnde bepalingen op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen. B.12.
  13. De artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering zijn bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ». B.
  14. Aangezien de in B.12.3 van het arrest nr. 35/2018 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan elke rechter - in afwachting van een optreden van de wetgever - een einde te maken aan de schending van die normen via de toepassing van de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging. Aldus moet de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd verklaren om bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten – andere dan die bedoeld in artikel 481 – en de daders van een samenhangend misdrijf, de rechtspleging te regelen en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging te beoordelen overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging. B.
  15. Anders dan de inverdenkinggestelde voor het verwijzende rechtscollege aanvoert, verzet het wettigheidsbeginsel in strafzaken zich niet ertegen dat het Hof aldus aangeeft dat het, in afwachting van een optreden van de wetgever, aan de rechter staat een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid. De in B.4 vermelde verduidelijking van de vastgestelde lacune geeft immers geen aanleiding tot nieuwe strafbaarstellingen of zwaardere straffen. Die verduidelijking geeft evenmin aanleiding tot een risico van willekeur, waardoor 7 afbreuk zou worden gedaan aan het beginsel van voorspelbaarheid zoals dat voortvloeit uit het wettigheidsbeginsel, doch strekt er enkel toe rechtszekerheid te creëren en de betrokkene de vereiste procedurele waarborgen te bieden. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 dient aldus te worden uitgelegd dat, in afwachting van een optreden van de wetgever, de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd moet verklaren om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vermelde magistraten – andere dan die bedoeld in artikel 481 – en de daders van een samenhangend misdrijf, de rechtspleging te regelen en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging te beoordelen overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 februari
  16. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.031 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180619.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.