id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.033 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190228.4 Arrest- Rolnummer: 33/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-01 Raadplegingen: 966 - laatst gezien 2026-06-29 11:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - wijst de afstand toe in zoverre het beroep betrekking heeft op artikel D.IV.11 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling; - verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest - Plan ruimtelijke ordening Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen D.II.28, tweede lid, D.II.36, § 2, tweede lid, D.II.37, § 1, zesde lid, en D.IV.11 vervat in artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling », ingesteld door Patrice d'Oultremont en anderen. Bestuursrecht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest - Bestemming en algemene voorschriften van de gebieden - Toepassing op de op datum van inwerkingtreding van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling geldende gewestplannen - Wetgevende procedure - Niet-toepassing van de regels betreffende de voorafgaande beoordeling van de effecten op het milieu. Tekst van de beslissing Rolnummer 6662 Arrest nr. 33/2019 van 28 februari 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen D.II.28, tweede lid, D.II.36, § 2, tweede lid, D.II.37, § 1, zesde lid, en D.IV.11 vervat in artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling », ingesteld door Patrice d’Oultremont en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 mei 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 mei 2017, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen D.II.28, tweede lid, D.II.36, § 2, tweede lid, D.II.37, § 1, zesde lid, en D.IV.11 vervat in artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 november 2016) door Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Eoliennes à tout prix ? », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Fédération de l’Energie d’Origine Renouvelable et Alternative » (EDORA), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Moërynck, advocaat bij de balie te Brussel; - de nv « Electrabel », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Vandenput, Mr. V. Eloy en Mr. G. Werquin, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet en Mr. Y. Peeters, advocaten bij de balie te Brugge; - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. De Muynck, advocaat bij de balie te Brussel; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Van Damme, advocaat bij de balie te Luik. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 5 december 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet, ter vervanging van rechter J.-P. Moerman, wettig verhinderd, en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 december 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Waalse Regering om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 19 december 2018 de dag van de terechtzitting bepaald op 16 januari
- Op de openbare terechtzitting van 16 januari 2019 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sambon, voor de verzoekende partijen; 3 . Mr. P. Moërynck, voor de vzw « Fédération de l’Energie d’Origine Renouvelable et Alternative » (EDORA) (tussenkomende partij); . Mr. T. Vandenput, voor de nv « Electrabel » (tussenkomende partij); . Mr. J. Vanpraet, voor de Vlaamse Regering; . Mr. Y. Mossoux, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. F. De Muynck, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; . Mr. N. Van Damme, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep Wat het onderwerp van het beroep tot vernietiging betreft A.
- De Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de vzw « EDORA – Fédération de l’Énergie d’Origine Renouvelable et Alternative » en de nv « Electrabel » voeren om diverse redenen aan dat het beroep tot vernietiging niet ontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op artikel D.IV.11 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, vervat in artikel 1 van het decreet van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling » (hierna : het decreet van 20 juli 2016). A.
- Gelet op de door die partijen uiteengezette argumenten verklaren Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Éoliennes à tout prix ? » afstand te doen van het beroep tot vernietiging in zoverre het betrekking heeft op die bepaling van het Wetboek. Wat de bevoegdheid van het Hof betreft A.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het Hof wordt verzocht bepalingen te vernietigen om reden dat de aanneming ervan had moeten zijn voorafgegaan door een « milieubeoordeling » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 « betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s » (hierna : de richtlijn 2001/42/EG). 4 De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert eraan dat het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld dat zijn bevoegdheid beperkt was tot de toetsing van de inhoud van wetskrachtige bepalingen, zodat het niet bevoegd is om na te gaan of, voorafgaand aan de aanneming van die bepalingen, de vereiste formaliteiten zijn vervuld. Zij voegt eraan toe dat de nuances die het Hof dienaangaande aan zijn rechtspraak heeft aangebracht bij de arresten nrs. 144/2012 van 22 november 2012, 11/2013 van 21 februari 2013 en 29/2014 van 13 februari 2014, te dezen niet pertinent zijn omdat die arresten betrekking hadden op de wettelijke bekrachtiging van bestuurshandelingen die zijn aangenomen zonder dat voorafgaande formaliteiten in acht werden genomen. A.4.
- De Vlaamse Regering is ook van mening dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over het ontbreken van een « milieubeoordeling » voorafgaand aan de aanneming van de bestreden bepalingen. Zij citeert het arrest van het Hof nr. 82/2017 van 22 juni 2017 en herinnert eraan dat, behalve wat de inachtneming van bepaalde bevoegdheidverdelende regels betreft, het Hof niet bevoegd is om de wijze of de nadere regels van totstandkoming van een wet te toetsen en dat het niet zelf kan nagaan, zonder zijn bevoegdheden zoals bepaald in de Grondwet en in de wet te overschrijden, of procedureregels inzake milieubescherming wel degelijk in acht zijn genomen vóór de aanneming van een wetskrachtige bepaling. A.4.
- De Vlaamse Regering is ook van mening dat het Hof niet bevoegd is om zich over het beroep uit te spreken omdat het « werkelijk en rechtstreeks voorwerp » van het beroep het onderzoek is van de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met de richtlijn 2001/42/EG en niet het onderzoek van de bestaanbaarheid van die bepalingen met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet. Zij merkt in dat verband op dat in het verzoekschrift slechts zeer summier wordt ingegaan op de vraag of die artikelen in acht zijn genomen, maar daarentegen uitvoerig word ingegaan op de draagwijdte van de voormelde richtlijn. A.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de bevoegdheid waarover het Hof beschikt om kennis te nemen van het beroep tot vernietiging blijkt uit zijn arrest nr. 82/2017 van 22 juni
- Zij voegen eraan toe dat elke lidstaat van de Europese Unie, krachtens artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 19, lid 1, van hetzelfde Verdrag en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in rechtsmiddelen moet voorzien die het mogelijk maken om een correcte toepassing van de in de richtlijn 2001/42/EG vastgestelde procedureregels te controleren. Wat betreft het belang van Patrice d’Oultrement, van François Boitte en van de vzw « Éoliennes à tout prix ? » A.6.
- Patrice d’Oultremont en François Boitte zijn van mening dat zij doen blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen D.II.28, tweede lid, D.II.36, § 2, tweede lid, en D.II.37, § 1, zesde lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling omdat die bepalingen, doordat zij voorwaarden voor de installatie van windturbines in gebieden bepalen waarover het gewestplan niet expliciet in de aanwezigheid ervan voorzag, hun leefomstandigheden kunnen wijzigen. Patrice d’Oultremont en François Boitte voegen eraan toe, met verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr. 227.137 van 16 april 2014, dat de eerstgenoemde eigenaar is van een terrein dat grenst aan een windturbinepark dat gepland is in de buurt van de laatstgenoemde. A.6.
- De vzw « Éoliennes à tout prix ? » is ook van mening dat zij doet blijken van een belang om de vernietiging van dezelfde bepalingen te vorderen. Zij leidt argumenten af uit haar statutair doel, uit het feit dat zij een actieve rol heeft gespeeld in het debat over de installatie van windturbines op het grondgebied van de gemeente Leuze-en-Hainaut, uit haar ongerustheid over de toename van het aantal windturbines die blijkt uit de algemene informatie die zij heeft gepubliceerd, en uit de erkenning, door de Raad van State, van haar belang om de nietigverklaring te vorderen, niet alleen van een ministerieel besluit waarbij één unieke vergunning is toegekend voor de bouw en exploitatie van een windturbinepark op het grondgebied van die gemeente (RvSt, nr. 227.137, 16 april 2014), maar ook van een besluit van de Waalse Regering houdende « sectorale voorwaarden » voor windturbineparken (RvSt, nr. 231.425, 2 juni 2015). A.
- De Waalse Regering, de Vlaamse Regering en de nv « Electrabel » betwisten het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging te vorderen van de eerste zin van artikel D.II.28, tweede lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, in zoverre die partijen niet uiteenzetten in welk opzicht die zin, die betrekking heeft op de ontwikkeling van de « circulaire economie », hun situatie zou kunnen raken. 5 De vzw « EDORA », de Vlaamse Regering en de nv « Electrabel » betwisten het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging te vorderen van de tweede zin van artikel D.II.28, tweede lid, van datzelfde Wetboek, omdat die bepaling de verplichting zou opleggen dat een bijkomende voorwaarde wordt in acht genomen voor de installatie van windturbines, terwijl voordien, voor een vergunning om zulke turbines te installeren, geen afwijking van het gewestplan moest worden verkregen. De vzw « EDORA », de Vlaamse Regering en de nv « Electrabel » betwisten daarnaast het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging te vorderen van artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van dat Wetboek, omdat de verzoekende partijen niet in de nabijheid wonen van een hoofdverkeersinfrastructuur of een bedrijfsruimte. De vzw « EDORA », de Vlaamse Regering en de nv « Electrabel » betwisten bovendien het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging te vorderen van artikel D.II.36, § 2, tweede lid, en van artikel D.II.37, § 1, zesde lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, omdat alleen de besluiten van de Waalse Regering die onontbeerlijk zijn om uitwerking te verlenen aan de voormelde bepalingen, de situatie van de verzoekers kunnen raken. De Waalse Regering, de Vlaamse Regering en de nv « Electrabel » betwisten ten slotte het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging te vorderen van artikel D.II.37, § 1, zesde lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, dat de activiteiten van een bosgebied aangeeft. Zij merken op dat het project voor een windturbinepark dat ten grondslag ligt aan het beroep van de verzoekende partijen niet gepland is in een gebied van dat type, en dat die laatsten niet uiteenzetten in welk opzicht die bepaling hun situatie zou kunnen raken. A.
- De Waalse Regering, de Vlaamse Regering en de nv « Electrabel » zetten daarnaast uiteen dat de verzoekende vereniging slechts belang kan hebben bij het beroep tot vernietiging in zoverre de bestreden bepalingen de situatie van de andere verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig kunnen raken omdat die vereniging haar statutaire doel enkel nastreeft om zich te verzetten tegen het geplande windturbinepark van Leuze-en-Hainaut nabij de onroerende goederen die aan die natuurlijke personen toebehoren. De Waalse Regering merkt in dat verband op dat de verzoekende vereniging nooit een jurisdictioneel beroep heeft ingesteld zonder Patrice d’Oultremont en dat het grootste gedeelte van de informatie over windturbines die zij heeft gepubliceerd, betrekking heeft op het windturbinepark van Leuze-en-Hainaut. De Waalse Regering doet opmerken dat de tien windturbines die het voorwerp uitmaakten van twee unieke vergunningen die werden nietigverklaard bij de arresten van de Raad van State nr. 227.137 van 16 april 2014 en nr. 237.159 van 25 januari 2017, en vervolgens van een derde vergunning die werd verleend op 6 juni 2017, gebouwd zijn en geëxploiteerd worden. Zij voegt eraan toe dat de elfde windturbine, die werd vergund bij een ministerieel besluit van 20 oktober 2016 dat niet werd aangevochten, nog niet gebouwd is. A.
- De nv « Electrabel » en de Vlaamse Regering oordelen dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen D.II.28, D.II.36 en D.II.37 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling. De nv « Electrabel » merkt in dat verband op dat een vernietiging van die bepalingen niet tot gevolg zal hebben de aflevering van een vergunning voor de installatie van windturbines in bedrijfsruimten, in landbouwgebieden of in bosgebieden te verbieden omdat, zelfs indien de definitie van die gebieden zulke turbines niet meer zou toelaten, een dergelijke vergunning zou kunnen worden verleend met toepassing van de artikelen D.IV.11 en D.IV.13 van het Wetboek die, onder bepaalde voorwaarden, afwijkingen van het gewestplan toestaan voor dat type van installaties. Zij merkt ook op dat, bij een vernietiging van de drie bestreden bepalingen, het gemakkelijker zou zijn om een vergunning te verkrijgen voor de installatie van een windturbine, omdat de aflevering van die vergunning niet meer afhankelijk zal zijn van de inachtneming van de bijzondere voorwaarden vermeld in die drie bepalingen en gepreciseerd in de artikelen R.II.36-2 en R.II.37-2 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, maar enkel onderworpen zal zijn aan de – soepelere – voorwaarden vermeld in artikel D.IV.13 van dat Wetboek. Wat de ontvankelijkheid van het eerste middel betreft A.
- De vzw « EDORA » voert aan dat het eerste middel niet ontvankelijk is omdat het niet uiteenzet in welk opzicht artikel 23 van de Grondwet geschonden zou zijn. 6 Zij merkt op dat de uiteenzetting van het middel enkel betrekking heeft op de aangevoerde schending van de richtlijn 2001/42/EG, zonder aan te geven in welk opzicht de bestreden bepalingen het beschermingsniveau van het leefmilieu aanzienlijk zouden verminderen en zonder « toepasselijke wetgeving » te preciseren waarmee de bestreden bepalingen moeten worden vergeleken om het bestaan van een eventueel verminderd beschermingsniveau te beoordelen. Ten aanzien van het eerste middel A.
- Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Éoliennes à tout prix ? » zetten uiteen dat de artikelen D.II.28, tweede lid, D.II.36, § 2, tweede lid, en D.II.37, §1, zesde lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, vervat in artikel 1 van het decreet van 20 juli 2016, artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 tot 10 van de richtlijn 2001/42/EG, schenden, doordat zij alle bestaande gewestplannen wijzigen zonder dat die wijziging is voorafgegaan door een « milieubeoordeling » in de zin van die richtlijn. De verzoekende partijen onderstrepen dat de milieubeoordelingsprocedures waarin die richtlijn voorziet ertoe bijdragen de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en een goede ruimtelijke ordening te verzekeren. De verzoekende partijen tonen aan dat een gewestplan een « plan » is in de zin van de richtlijn 2001/42/EG, omdat het gaat om een plan met een ruimtelijke dimensie dat ertoe strekt de bestemming van verschillende gebieden van het grondgebied te bepalen. Zij herinneren eraan dat elke wijziging van een « plan » in de zin van die richtlijn in principe moet worden onderworpen aan een « milieubeoordeling ». A.12.
- De Waalse Regering zet uiteen dat de bestreden bepalingen geen « plan » of « programma » zijn in de zin van artikel 2, a), van de richtlijn 2001/42/EG. Zij leidt af uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat als een « plan » of « programma » in de zin van die Europese bepaling wordt beschouwd, iedere handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een heel pakket criteria en nadere regels vaststelt met het oog op de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Volgens de Regering vormen de bestreden bepalingen die bijdragen tot de algemene en abstracte definitie van gebieden, niet zulk een pakket. De erin vervatte algemene voorwaarden aangaande de vergunning tot inplanting van windturbines zouden des te minder de lokalisatie van die turbines mogelijk maken daar sommige van die voorwaarden door de uitvoerende macht moeten worden gepreciseerd. De normen die uit de bestreden bepalingen voortvloeien zouden niet dezelfde draagwijdte hebben als die welke vervat zijn in het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 « houdende sectorale voorwaarden voor windmolenparken met een totaalvermogen van 0,5 MW of meer, tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten » (hierna : het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014), dat door het Hof van Justitie van de Europese Unie als een « plan » of « programma » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG werd gekwalificeerd. De Waalse Regering voert aan dat de bekritiseerde bepalingen, die gebieden definiëren die door de gewestplannen moeten worden afgebakend, deel uitmaken van de « wetgeving inzake ruimtelijke ordening ». Zij herinnert in dat verband eraan dat zowel de Raad van State als de auteurs van de hervorming, in 1997, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium een duidelijk onderscheid maken tussen dat soort bepalingen en de gewestplannen zelf. De Waalse Regering zet ook uiteen dat de bestreden bepalingen niet de ruimtelijke ordening van een bepaald gebied tot doel hebben, en dat zij niet de gewestplannen wijzigen. Zij preciseert dat alleen een administratieve procedure voor de aanneming of wijziging van een gewestplan een verband kan vaststellen tussen de decretale lijst van de bestemmingsgebieden en een bepaald gebied. De Waalse Regering merkt daarnaast op dat de bestreden bepalingen niet zijn opgesteld door een « instantie » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG, alvorens te worden vastgesteld door de wetgevende macht. 7 Zij onderstreept dat alleen die laatste macht die bepalingen heeft opgesteld en aangenomen, zonder voorafgaande voorbereiding vanwege een andere instantie. De Waalse Regering zet ten slotte uiteen dat, in tegenstelling tot hetgeen artikel 2, a), van de richtlijn 2001/42/EG vereist, de bestreden bepalingen niet « door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven ». Zij onderstreept dat de bepalingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen die aan de gewesten de bevoegdheid toewijzen om de ruimtelijke ordening te regelen en die de werking van de instellingen van het Waalse Gewest regelen, grondwettelijke normen zijn in de materiële betekenis van het woord en niet in die zin kunnen worden beschouwd dat zij de aanneming van de bestreden bepalingen voorschrijven. A.12.
- De Waalse Regering zet vervolgens uiteen dat, gesteld dat de bestreden bepalingen kunnen worden gekwalificeerd als « plan » of « programma » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG, de aanneming ervan niet moest worden voorafgegaan door een « milieubeoordeling » omdat zij niet het kader vormen voor de toekenning van vergunningen voor projecten bedoeld in artikel 3, lid 2, a), van de richtlijn 2001/42/EG. Zij wijst in de eerste plaats erop dat de bestreden bepalingen niet overgaan tot de lokalisatie van de windturbineprojecten en niet de voorwaarden voor de werking ervan regelen, maar enkel bepalen dat windturbines kunnen worden toegelaten in gebieden die uitsluitend door het gewestplan worden gelokaliseerd. De Waalse Regering merkt vervolgens op dat de inachtneming van de in de bestreden bepalingen vervatte voorwaarden niet de toekenning garandeert van een individuele vergunning tot inplanting van een windturbine. A.12.
- De Waalse Regering zet ook uiteen dat het ondenkbaar zou zijn een milieurapport op te stellen overeenkomstig artikel 5, lid 1, en bijlage I van de richtlijn 2001/42/EG over teksten zoals de bestreden bepalingen, omdat een dergelijk rapport veronderstelt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het beoordeelde « plan » of « programma » en een bepaald grondgebied. Zij is van mening dat die onmogelijkheid bevestigt dat die bepalingen niet het voorwerp moesten uitmaken van een « milieubeoordeling » met toepassing van die richtlijn. A.12.
- De Waalse Regering verzoekt het Hof ten slotte aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zeven prejudiciële vragen te stellen over de interpretatie van artikel 2, a), van de richtlijn 2001/42/EG, en één prejudiciële vraag over de interpretatie van artikel 3, lid 2, a), van dezelfde richtlijn. A.13.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering zet uiteen dat de richtlijn 2001/42/EG niet in die zin mag worden geïnterpreteerd dat zij een « milieubeoordeling » eist vóór de aanneming van elke wetskrachtige bepaling waarvan de toepassing een gevolg kan hebben voor de vergunning of de uitvoering van een project dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat de manier waarop het Hof van Justitie van de Europese Unie het toepassingsgebied van de richtlijn 2001/42/EG interpreteert niet toelaat ervan uit te gaan dat een « milieubeoordeling » in de zin van die richtlijn zou moeten plaatsvinden voor elke norm die moet worden toegepast door de instanties die belast zijn met het verlenen van een administratieve vergunning voor een project dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. A.13.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt in de eerste plaats op dat de begrippen « plan » en « programma », die het toepassingsgebied van de richtlijn 2011/42/EG mee bepalen, niet het geheel omvatten van de regels betreffende het voorwerp of de redenen van de beslissingen tot vergunning of uitvoering van projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft kritiek op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016 (C-290/15) en voert aan dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen « plannen » en « programma’s », enerzijds, en « algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels » in de zin van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998, anderzijds. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering leidt uit hetzelfde arrest van het Hof van Justitie af dat een « plan » of « programma » in de zin van die richtlijn nauw verband moet houden met een grondgebied, wat veronderstelt dat de voorschriften van zulk een document worden bepaald op basis van de verschillende soorten bestemmingen van de betrokken geografische gebieden. 8 De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voegt eraan toe dat het milieurapport dat wordt vereist door artikel 5, lid 1, van de richtlijn 2001/42/EG in geval van een « milieubeoordeling », wordt opgevat als een nauwkeurig, concreet en zo volledig mogelijk document. Het kan dus geen betrekking hebben op wetskrachtige normen die in aanzienlijke mate algemeen en abstract zijn, zonder dat de auteur ervan uiterst speculatieve en abstracte redeneringen erop nahoudt waardoor de beoordeling oppervlakkig en ondoeltreffend zou zijn. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt ook op dat een uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn 2001/42/EG tot het geheel van de wetskrachtige bepalingen die de administratieve politie regelen die van toepassing is op de projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, tot gevolg zou hebben dat de grondslagen van de parlementaire en representatieve democratie, de nationale identiteit die inherent is aan de basisstructuren van de grondwettelijke bescherming, alsook de discretionaire bevoegdheid van de in de lidstaten van de Europese Unie verkozen parlementen ter discussie worden gesteld, door met name die vergaderingen te onderwerpen aan de verplichting om elke weigering tot het volgen van de adviezen die zijn uitgebracht zowel tijdens het openbaar onderzoek als tijdens de verplichte raadpleging van diverse andere instanties uitdrukkelijk te motiveren. A.13.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt vervolgens op dat, om redenen die identiek zijn aan of vergelijkbaar met die welke voorafgaan, de begrippen « plan » en « programma », die het toepassingsgebied van de richtlijn 2001/42/EG mee bepalen, evenmin de wetskrachtige regels omvatten die de instanties bepalen die bevoegd zijn om uitspraak te doen over de aanvragen tot vergunning of tot uitvoering van projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en die de procedure organiseren die moet worden gevolgd door de aanvragers van zulke vergunningen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering onderstreept dat die regels duidelijk niet tot doel hebben een grondgebied in te richten waarmee zij een nauw verband vertonen. Zij verwijst ook naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 maart 2012 (C-567/10) en naar het arrest van het Hof nr. 95/2012 van 19 juli
- A.13.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering leidt daarnaast af uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat een wetskrachtige norm slechts als « plan » of « programma » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG kan worden gekwalificeerd indien zij een « kader » vaststelt voor de vergunning van projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Zij is van mening dat een wetskrachtige bepaling die het verlenen van een administratieve vergunning aan inhoudelijke voorwaarden onderwerpt, niet zulk een kader vormt indien zij op zichzelf staat en dermate algemeen geformuleerd is dat de draagwijdte ervan moet worden gepreciseerd door de uitvoerende macht want zij stelt niet een heel pakket criteria en nadere regels vast voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. A.13.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert ten slotte eraan dat, gesteld dat een wetskrachtige bepaling kan worden gekwalificeerd als « plan » of « programma » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG, zij slechts aan een « milieubeoordeling » moet worden onderworpen indien zij, naar gelang van het geval, het ene of het andere criterium vervult dat voortvloeit uit de leden 2 tot 4 van artikel 3 van die richtlijn. Zij is van mening dat die voorwaarde de praktische draagwijdte van de verplichting om een wetskrachtige bepaling aan zulk een beoordeling te onderwerpen, inperkt. A.13.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt in uiterst ondergeschikte orde voor dat het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie twee prejudiciële vragen stelt over de interpretatie van artikel 2, a), van de richtlijn 2001/42/EG, en één prejudiciële vraag over de interpretatie van die bepaling en van artikel 3, lid 2, a), van dezelfde richtlijn. A.14.
- De Vlaamse Regering zet in de eerste plaats uiteen dat de bestreden bepalingen artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, niet schenden. 9 Zij herinnert eraan dat een toetsing van de inachtneming van de standstill-verplichting die uit die bepaling van de Grondwet voortvloeit, veronderstelt dat twee opeenvolgende algemene reglementeringen met een vergelijkbare inhoud worden vergeleken. Zij merkt op dat het beroep evenwel ertoe strekt twee opeenvolgende reglementeringen met een volkomen verschillende inhoud te vergelijken, namelijk, enerzijds, de regels die van toepassing waren op de wijziging van een gewestplan vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling en, anderzijds, bepalingen van dat Wetboek die in algemene bewoordingen de bestemming en de voorschriften met betrekking tot bepaalde in een gewestplan op te nemen gebieden beschrijven. De Vlaamse Regering merkt bovendien op dat het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling geenszins het beschermingsniveau van het leefmilieu heeft verminderd dat geboden werd door de regelgeving die vóór de inwerkingtreding van dat Wetboek van toepassing was op de wijziging van een gewestplan. Zij merkt daarnaast op dat, zowel voor als na die inwerkingtreding, de aanneming van wetskrachtige bepalingen tot vaststelling van de gebieden in een gewestplan of van algemene voorschriften voor die gebieden, niet moest worden voorafgegaan door een « milieubeoordeling » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG. Zij leidt eruit af dat, zoals in het arrest nr. 133/2010 van 25 november 2010, het Hof in dat verband geen vermindering van het beschermingsniveau van het leefmilieu kan vaststellen. De Vlaamse Regering voert aan dat, zelfs indien zou worden geoordeeld dat de bestreden bepalingen een vermindering van het beschermingsniveau van het leefmilieu inhouden, zou moeten worden vastgesteld dat de aanneming ervan is ingegeven door de redenen van algemeen belang die zijn uiteengezet met betrekking tot het tweede middel. A.14.
- De Vlaamse Regering is ook van mening dat, zoals dat impliciet blijkt uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over de bestreden bepalingen, de aanneming van die bepalingen niet moest worden voorafgegaan door een « milieubeoordeling » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG. Zij wijst in de eerste plaats erop dat de bestreden bepalingen niet kunnen worden beschouwd als een « plan » in de zin van die richtlijn - omdat zij niet beschrijven op welke manier een bepaald project of beleid zou kunnen worden uitgevoerd of in werking gesteld - noch als een « programma » in de zin van diezelfde richtlijn - omdat zij geen plan vormen waarin een reeks projecten in een bepaald domein aan de orde komt. Zij merkt ook op dat die bepalingen geen samenhangend en gestructureerd stelsel voor windturbineprojecten vormen, noch een programma voor de ontwikkeling van energiewinning uit windkracht. De Vlaamse Regering zet vervolgens uiteen dat de bestreden bepalingen niet kunnen worden omschreven als « plan » of « programma » in de zin van artikel 2, a), van de richtlijn 2001/42/EG omdat er geen enkele bepaling is die de Waalse wetgevende macht verplicht om de bestemming te regelen van bedrijfsruimten, landbouwgebieden en bosgebieden of om algemene voorschriften voor die gebieden aan te nemen. De Vlaamse Regering onderstreept ook dat de bestreden bepalingen geen voldoende compleet kader bevatten voor de exploitatie van windturbines, aangezien de artikelen D.II.36 en D.II.37 de Waalse Regering machtigen om de voorwaarden vast te stellen voor installatie van die turbines in landbouwgebieden en bosgebieden. De Vlaamse Regering merkt daarnaast op dat de bestreden bepalingen geenszins een heel pakket criteria en nadere regels vaststellen voor de installatie van windturbines, omdat zij slechts tot doel hebben het installeren van die turbines in bepaalde gebieden toe te laten en omdat zij als zodanig geen grotere draagwijdte hebben dan vele andere bepalingen van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling waarvan de aanneming zeker niet moest worden voorafgegaan door een milieubeoordeling. A.14.
- De Vlaamse Regering oordeelt dat de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie die door sommige partijen worden voorgesteld, niet pertinent zijn voor het onderzoek van het beroep tot vernietiging dat bij het Hof is ingesteld. Zij is van mening dat het Hof zich kan uitspreken over de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met artikel 23 van de Grondwet zonder voorafgaandelijk aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen. De Vlaamse Regering onderstreept dat aan de hand van al die vragen getracht wordt vast te stellen of de aanneming van de bestreden bepalingen had moet zijn voorafgegaan door een « milieubeoordeling » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG, terwijl het Hof niet bevoegd is om na te gaan of de in die richtlijn bepaalde regels in acht zijn genomen tijdens de procedure tot aanneming van de wetskrachtige bepalingen en dat het Hof die bepalingen hoe dan ook niet zou kunnen vernietigen om de enkele reden dat die regels van toepassing waren en 10 dat zij niet in acht zijn genomen. De Vlaamse Regering herinnert in dat verband eraan dat een eventuele vaststelling van schending van die richtlijn niet noodzakelijk een vaststelling van schending van artikel 23 van de Grondwet tot gevolg zou hebben. A.15.
- De vzw « EDORA » zet in de eerste plaats uiteen dat de wijziging die de bestreden bepalingen aanbrengen aan de vroegere bepalingen, een « kleine wijziging » is in de zin van artikel 3, lid 3, van de richtlijn 2001/42/EG. De vereniging merkt op dat de bestreden bepalingen niet ertoe strekken een gewestplan in het bijzonder te herzien, noch de bestemming van de gebieden van een gewestplan of de omtrek ervan wijzigen. Zij voegt eraan toe dat de situatie die door de bestreden bepalingen wordt gecreëerd, niet fundamenteel verschilt van die welke voortvloeide uit de toepassing van de regels die golden vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling. Zij doet in dat verband opmerken dat de nieuwe regels niet de hoofdbestemming van de gebieden wijzigen, niet tot doel hebben de bebouwing ervan te vergemakkelijken, de installatie van windturbines in die gebieden aan strikte voorwaarden onderwerpen en niet verhinderen dat gebruik wordt gemaakt van het mechanisme tot afwijking van het gewestplan om windturbines in te planten in andere gebieden. De vzw « EDORA » onderstreept ook dat elke milieuvergunningsaanvraag betreffende de installatie van een windturbine in de door de bestreden bepalingen beoogde gebieden aanleiding zal geven tot een milieubeoordeling voorafgaand aan de afgifte van de gevraagde vergunning. A.15.
- De vzw « EDORA » zet vervolgens uiteen dat, door de inplanting van windturbines te vergemakkelijken, de bestreden bepalingen een doel van algemeen belang nastreven, te weten een toename van de productie van hernieuwbare energie die, onder andere, door de Europese Unie wordt gestimuleerd. Zij voegt eraan toe dat die productie het beschermingsniveau van het leefmilieu verhoogt, een sociaal-economisch belang heeft en van belang is op het gebied van energie. A.15.
- De vzw « EDORA » voert ook aan dat de bestreden bepalingen niet als « plan » of « programma » in de zin van artikel 2, a), van de richtlijn 2001/42/EG kunnen worden gekwalificeerd omdat zij niet « door wettelijke […] bepalingen zijn voorgeschreven ». Zij merkt op dat noch de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, noch enige andere wettelijke bepaling de aanneming, door de Waalse wetgevende macht, van regels betreffende de bijzondere administratieve politie van de ruimtelijke ordening oplegt of omlijst. Zij voegt eraan toe dat de artikelen D.II.28, D.II.36 en D.II.37 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling slechts kunnen worden toegepast via de aanneming van een besluit van de Waalse Regering. A.15.
- De VZW « EDORA » zet daarnaast uiteen dat de aanneming van de bestreden bepalingen is voorafgegaan door een « milieubeoordeling » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG. Zij merkt op dat het grootste gedeelte van de milieubeoordeling heeft plaatsgevonden vóór de indiening, bij het Waals Parlement, van het ontwerp van decreet dat ten grondslag ligt aan de bestreden bepalingen, en dat de omstandigheid dat sommige gedeelten van die beoordeling plaatsvonden aan het begin van het wetgevingsproces, de verwezenlijking van het doel ervan niet in het gedrang brengt. De vzw « EDORA » voert aan dat de « milieubeoordeling » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG heeft plaatsgevonden via de beoordeling van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie die werd gerealiseerd vóór de aanneming van het decreet van 24 april 2014 « tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling », via de talrijke hoorzittingen over die beoordeling die in het Waals Parlement werden georganiseerd tijdens de parlementaire voorbereiding van dat decreet, via de talrijke adviezen die tijdens die voorbereiding werden bijeengebracht, via de parlementaire besprekingen die zij hebben veroorzaakt, via de milieubeoordeling die in 2013 werd gerealiseerd met betrekking tot de positieve referentiekaart die het geactualiseerd referentiekader per kavel schetst van wat minimum produceerbaar is om toe te laten dat grote windmolens tegen 2020 3800 GWh produceren (Parl. St., Waals Parlement, 2013-2014, nr. 1040/1), via de beoordeling van het decreet van 24 april 2014 alsook via de talrijke adviezen over het voorontwerp van decreet dat ten grondslag ligt aan het decreet van 20 juli 2016, via de hoorzittingen die in het Waals Parlement werden georganiseerd tijdens de parlementaire 11 voorbereiding van dat decreet en via de parlementaire besprekingen voorafgaand aan de aanneming ervan, en ten slotte via de studies die werden gerealiseerd door de gewestelijke administratie en door de projectontwikkelaars inzake windenergie. De vereniging preciseert dat het publiek de mogelijkheid heeft gehad om zijn mening te geven tijdens het openbaar onderzoek betreffende de voormelde positieve referentiekaart alsook via de gebruikelijke vormen van communicatie tussen de burgers en het Waals Parlement. A.16.
- De nv « Electrabel » zet uiteen dat de bestreden bepalingen artikel 23 van de Grondwet niet schenden. Zij merkt in de eerste plaats op dat geen enkele bestreden bepaling het beschermingsniveau van het leefmilieu dat voortvloeide uit de vroegere regels aanzienlijk vermindert. Zij merkt in dat verband op dat artikel D.II.28 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling dat niveau zelfs niet wijzigt door de installatie van windturbines in bedrijfsruimten toe te staan, omdat het louter een mogelijkheid bevestigt waarin voor dat soort gebieden reeds was voorzien door de artikelen 30, 30bis, 32 en 33 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie. De nv « Electrabel » wijst vervolgens erop dat een eventuele vermindering van het beschermingsniveau van het leefmilieu door de bestreden bepalingen hoe dan ook zou berusten op de redenen van algemeen belang die werden geformuleerd in het Referentiekader voor de inplanting van windturbines in het Waalse Gewest, aangenomen door de Waalse Regering op 21 februari 2013 en gewijzigd op 11 juli daaropvolgend, vervolgens in het « Klimaatdecreet » van 20 februari 2014 en in het « Plan Lucht Klimaat Energie » dat op 21 april 2016 door de Waalse Regering werd aangenomen. De nv « Electrabel » merkt op dat dit laatste document preciseert dat de bestreden bepalingen deel uitmaken van de maatregelen die het Waalse Gewest heeft genomen om zijn verbintenissen inzake vermindering van broeikasgasemissies na te komen. Zij is van mening dat de aanneming van wetskrachtige bepalingen die de inplanting van windturbines toestaan in gebieden van het grondgebied waarop die turbines voordien niet konden worden geplaatst, des te meer verantwoord is door redenen die verband houden met het leefmilieu en door economische redenen daar die toelating gekoppeld is aan bijzondere voorwaarden. De nv « Electrabel » leidt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen ook af dat een eventuele aantasting van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu redelijk en evenredig blijft rekening houdend met, onder andere, het beperkte aantal windturbines in landbouwgebieden, de wil om de administratieve verplichtingen van de afwijkingen die voordien werden toegekend te vermijden, de vastgelegde voorwaarden en het behoud van de vroegere procedurele vereisten. De nv « Electrabel » merkt in dat verband op dat de bestreden bepalingen de aanvrager van een vergunning tot installatie van een windturbine niet ervan vrijstellen zijn project te onderwerpen aan een door het Milieuwetboek georganiseerde beoordeling van de gevolgen ervan van het leefmilieu. De nv « Electrabel » voegt eraan toe dat de bestreden bepalingen slechts kleine wijzigingen zijn van de regeling die van toepassing is op de windturbines en dat de toepassing ervan omlijst is in de artikelen R.II.36-2 en R.II.37-2 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, in de bepalingen van het Milieuwetboek betreffende de milieubeoordeling die in acht moeten worden genomen bij het onderzoek van een vergunningsaanvraag, in de sectorale voorwaarden vervat in het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 « houdende sectorale voorwaarden voor windmolenparken met een totaalvermogen van 0,5 MW of meer, tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten », in de algemene exploitatievoorwaarden en in het « Referentiekader voor de inplanting van windturbines in het Waalse Gewest ». A.16.
- Op dezelfde manier als de Waalse Regering en de vzw « EDORA », voert de nv « Electrabel » niet alleen aan dat de bestreden bepalingen niet kunnen worden beschouwd als een « plan » of een « programma » waarvan de aanneming had moeten zijn voorafgegaan door een « milieubeoordeling » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG, maar ook dat die bepalingen hoe dan ook het voorwerp hebben uitgemaakt van een dergelijke beoordeling. A.16.
- De nv « Electrabel » stelt in ondergeschikte orde voor dat het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie drie prejudiciële vragen stelt over de interpretatie van de artikelen 2 tot 10 van de richtlijn 2001/42/EG. 12 A.17.
- Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Éoliennes à tout prix ? » antwoorden dat de bepalingen van het Verdrag ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 niet toelaten een interpretatie van de begrippen « plan » en « programma » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG staande te houden en dat het niet pertinent is een onderscheid te maken tussen « wetgeving inzake ruimtelijke ordening » en « planificatie van het grondgebied », a fortiori wanneer een wetskrachtige bepaling een reeds bestaand plan wijzigt. De verzoekende partijen merken ook op dat zowel wetskrachtige bepalingen die geen « compleet kader » vastleggen als maatregelen die door de wetgevende macht worden uitgewerkt alvorens deze ze aanneemt, kunnen worden gekwalificeerd als « plan » of « programma ». Zij oordelen verder dat de bestreden bepalingen « vereist » zijn door de bijzondere wet van 8 augustus
- Zij wijzen in dat verband niet alleen op het onlosmakelijk verband tussen de decretale definitie van de gebieden en het tracé ervan door het gewestplan, maar ook op het bestaan, in het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, van bepalingen die voorzien in een regeling voor de aanneming en herziening van gewestplannen. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden bepalingen, voor de uitvoering van projecten van ruimtelijke ordening, een « kader » vormen in de zin van artikel 3, lid 2, a), van de richtlijn 2001/42/EG, ook al stellen zij geen heel pakket criteria en nadere regels vast voor het verlenen van stedenbouwkundige vergunningen en ook al stellen zij niet zelf regels en controleprocedures vast die toepasselijk zijn op de betrokken sector. De verzoekende partijen voeren aan dat de door de bestreden bepalingen doorgevoerde wijzigingen van de gewestplannen niet als kleine wijzigingen kunnen worden beschouwd en dat zij niet het gebruik bepalen van « kleine gebieden op lokaal niveau » in de zin van artikel 3, lid 3, a), van de richtlijn 2001/42/EG. A.17.
- Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Éoliennes à tout prix ? » antwoorden ook dat het milieurapport van de positieve referentiekaart die het geactualiseerd referentiekader per kavel schetst van wat minimum produceerbaar is om toe te laten dat grote windmolens tegen 2020 3800 GWh produceren dat werd opgesteld in juli 2013 en het openbaar onderzoek dat werd gehouden in september en oktober 2013 niet toelaten ervan uit te gaan dat de aanneming van de bestreden bepalingen is voorafgegaan door een « milieubeoordeling » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG. Zij merken op dat het ontwerpdecreet van 27 maart 2014 betreffende de inplanting van windturbines in Wallonië, dat na dat openbaar onderzoek werd ingediend, uiteindelijk niet werd aangenomen. A.17.
- Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Éoliennes à tout prix ? » zijn van mening dat de prejudiciële vragen die zijn voorgesteld door de Waalse Regering en door de nv « Electrabel » niet dienen te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verzoekende partijen oordelen dat sommige van die vragen niet ontvankelijk zijn omdat zij de te interpreteren bepalingen van de richtlijn 2001/42/EG niet identificeren. Andere vragen zouden niet nuttig of niet pertinent zijn omdat het Hof van Justitie reeds heeft gepreciseerd dat een wetskrachtige bepaling en een plan van ruimtelijke ordening konden worden beschouwd als « plannen » in de zin van de richtlijn 2001/42/EG of omdat zij zouden berusten op een betwistbaar onderscheid tussen « wetgeving inzake ruimtelijke ordening » en « planificatie ». In dat verband stellen de verzoekende partijen in ondergeschikte orde voor om een andere prejudiciële vraag te stellen over het toepassingsgebied van de richtlijn 2001/42/EG, waarvan de Waalse Regering de pertinentie betwist wegens het feit dat de bestreden bepalingen niet kunnen worden beschouwd als een wijziging van de gewestplannen. Ten aanzien van het tweede middel A.
- Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Éoliennes à tout prix ? » zetten uiteen dat de artikelen D.II.28, tweede lid, D.II.36, § 2, tweede lid, en D.II.37, § 1, zesde lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden doordat zij de omwonenden van een bedrijfsruimte, een landbouwgebied of een bosgebied anders zouden behandelen dan de omwonenden die te maken hebben met de gewone herziening van een gewestplan, met de uitwerking of wijziging van een plan van ruimtelijke ordening of van een plan of programma in verband met het leefmilieu omdat, in tegenstelling tot die laatstgenoemden, aan de eerstgenoemden, op onverantwoorde wijze, het recht zou worden ontzegd om hun mening te geven over de wijziging van het gewestplan dat op hen betrekking heeft, in het kader van een milieubeoordelingsprocedure. 13 A.
- De Waalse Regering citeert het arrest van het Hof nr. 72/2017 van 15 juni 2017 en antwoordt dat de twee categorieën van personen die door de verzoekende partijen zijn geïdentificeerd, niet vergelijkbaar zijn omdat de bestreden bepalingen geen gewestplannen wijzigen, maar alleen de omschrijving van enkele gebieden licht wijzigen. A.20.
- De Vlaamse Regering is in hoofdorde van mening dat de twee in het middel geïdentificeerde categorieën van omwonenden niet vergelijkbaar zijn omdat het middel twee volkomen verschillende decretale regelingen beoogt. Zij merkt enerzijds op dat de bestreden bepalingen niet vergelijkbaar zijn met de regels die betrekking hebben op een gewestplan, een ontwikkelingsplan en milieuplannen en –programma’s en, anderzijds, dat die bepalingen een algemene draagwijdte hebben die ver afstaat van de concrete draagwijdte van een bestemmingsplan. De Vlaamse Regering is van mening dat het niet opportuun is om de totstandkomingsprocedure van de bestreden bepalingen, die worden aangenomen door de wetgevende macht, te vergelijken met de totstandkomingsprocedure van een bestemmingsplan, dat wordt aangenomen door de uitvoerende macht. Zij verwijst in dat verband naar artikel 2, lid 2, van het Verdrag dat op 25 juni 1998 te Aarhus werd ondertekend en naar artikel 1, lid 4, van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten », dat thans is opgeheven. A.20.
- De Vlaamse Regering is van mening, in ondergeschikte orde, dat het door de verzoekende partijen aangeklaagde verschil in behandeling redelijk verantwoord is omdat het voortvloeit uit het verschil tussen een algemeen wetgevend optreden en een concreet optreden van een uitvoerend orgaan bij de totstandkoming van een bestemmingsplan. Zij is ook van mening dat dit verschil in behandeling redelijk verantwoord is in het licht van de nagestreefde doelstelling, te weten het stimuleren van de productie van hernieuwbare energie, en in het licht van de verbintenissen die het Waalse Gewest op dat gebied heeft aangegaan om de doelstellingen te bereiken die zijn overeengekomen tussen het Koninkrijk België en de andere lidstaten van de Europese Unie. De uitvoering van een « milieubeoordeling » voorafgaand aan de aanneming van de bestreden bepalingen zou het nakomen van die verbintenissen alsook de bevoorradingszekerheid van energie in het gedrang brengen. A.20.
- De Vlaamse Regering oordeelt dat de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie die door sommige partijen worden voorgesteld, niet pertinent zijn voor het onderzoek van het beroep tot vernietiging dat bij het Hof is ingesteld. Zij is van mening, om redenen die vergelijkbaar zijn met die welke zijn uiteengezet met betrekking tot het eerste middel, dat het Hof zich kan uitspreken over de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zonder voorafgaandelijk de prejudiciële vragen te moeten stellen aan het Hof van Justitie. A.
- De vzw « EDORA » leidt af uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen dat de toelating om windturbines in landbouwgebieden, bosgebieden en bedrijfsruimten in te planten op redelijke en pertinente motieven berust. A.
- De nv « Electrabel » is van mening dat de twee in het middel geïdentificeerde categorieën van omwonenden zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden. Zij onderstreept dat de herziening van een bepaald gewestplan met het oog op een wijziging van de hoofdbestemming van een gebied van het grondgebied moet worden onderscheiden van de wijziging van minder belangrijke aanduidingen van een hoofdgebied die wordt opgenomen in alle gewestplannen. Zij merkt op dat de bestreden bepalingen niet tot doel hebben de hoofdbestemming te wijzigen van de gebieden omschreven in de artikelen D.II.28, D.II.36 en D.II.37 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, maar enkel die gebieden open te stellen voor de inplanting van windturbines mits voldaan is aan bijzondere voorwaarden teneinde met name de bestemming van die gebieden niet aan te tasten. 14 Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen in geval van een vernietiging A.
- De Waalse Regering is van mening dat, indien de bestreden bepalingen geheel of gedeeltelijk zouden worden vernietigd, het Hof, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, zou moeten beslissen de gevolgen ervan te handhaven gedurende een periode van vijftig maanden vanaf de uitspraak van het vernietigingsarrest. Zij zet uiteen dat de vernietiging van de bestreden bepalingen de rechtszekerheid zal aantasten en dat de handhaving in de tijd van de gevolgen ervan beantwoordt aan de voorwaarden die werden gesteld door het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de beperking in de tijd van een ongrondwettigverklaring die voortvloeit uit een niet-inachtneming van de richtlijn 2001/42/EG. De Regering wijst in dat verband erop dat de bestreden bepalingen maatregelen zijn ter omzetting van het recht van de Europese Unie inzake milieubescherming, omdat zij ertoe strekken de door de Unie bepaalde doelstellingen inzake productie van hernieuwbare energie te bereiken. Zij onderstreept ook dat een vernietiging zonder meer van die bepalingen door het Hof, in zoverre zij het Waalse Gewest verhindert die doelstellingen te bereiken, nadelige gevolgen zou hebben voor de bescherming van het leefmilieu die niet zouden kunnen worden voorkomen met de aanneming van nieuwe bepalingen. De Regering voegt eraan toe dat zulk een vernietiging van de bestreden bepalingen een juridisch vacuüm zou creëren dat nadelig is voor het leefmilieu omdat zij de aflevering van het grootste deel van de vergunningsaanvragen voor de installatie van windturbines, die nochtans onontbeerlijk is om de voormelde Europese doelstellingen te verwezenlijken, in het gedrang zou brengen. De Waalse Regering preciseert ten slotte dat een periode van vijftig maanden noodzakelijk zou zijn om de wetgevende macht in staat te stellen een aannemingsprocedure voor decreten uit te werken die in overeenstemming is met de richtlijn 2001/42/EG, en vervolgens een « milieubeoordeling », in de zin van die richtlijn, uit te voeren voorafgaand aan een tweede stemming over de door het Hof vernietigde bepalingen. A.
- In ondergeschikte orde vraagt de vzw « EDORA » ook de gevolgen te handhaven van de bestreden bepalingen indien zij zouden worden vernietigd, teneinde de Waalse wetgevende macht de tijd te laten die nodig is voor de aanneming van nieuwe bepalingen. Zij is van mening dat een vernietiging van de bestreden bepalingen onevenredige gevolgen zou hebben rekening houdend met, onder andere, de verstoring van het juridische kader van de installatie van windturbines waartoe zij zou leiden, en met de weerslag ervan op de verwezenlijking van de Europese doelstellingen inzake productie van hernieuwbare energie. Om redenen die vergelijkbaar zijn met die welke de Waalse Regering heeft uiteengezet, oordeelt de vzw « EDORA » dat een handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen in geval van een eventuele vernietiging ervan ook zou beantwoorden aan de voorwaarden die zijn gesteld door het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.
- In uiterst ondergeschikte orde en om redenen die vergelijkbaar zijn met die welke zijn uiteengezet door de Waalse Regering en de vzw « EDORA », verdedigt de nv « Electrabel » ook een handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen bij een eventuele vernietiging ervan door het Hof, voor een periode van vijftig maanden vanaf het vernietigingsarrest. Zij vraagt, in nog meer ondergeschikte orde, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de bevoegdheid van het Hof om te beslissen over een handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen bij een eventuele vernietiging ervan wegens niet-inachtneming van de regels van de richtlijn 2001/42/EG. A.
- Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Éoliennes à tout prix ? » zijn van mening dat de gevolgen van de bestreden bepalingen niet moeten worden gehandhaafd na de vernietiging ervan. De verzoekende partijen oordelen dat de Waalse Regering niet aantoont dat de door het Hof van Justitie van de Europese Unie strikte gestelde voorwaarden zijn vervuld. De verzoekende partijen wijzen in de eerste plaats erop dat de bestreden bepalingen geen maatregel vormen tot omzetting van het recht van de Europese Unie. Zij merken in de tweede plaats op dat een vernietiging van die bepalingen geen vacuüm, noch rechtsonzekerheid zou creëren en dat het, bij ontstentenis van een milieubeoordeling, niet mogelijk is de milieueffecten van die vernietiging te beoordelen. Zij wijzen in dat verband erop dat een dergelijke vernietiging de inplanting van nieuwe windturbines niet zou verhinderen en dat het Waalse Gewest zich niet zou kunnen beroepen op zijn eigen roekeloosheid. 15 De verzoekende partijen wijzen ten slotte erop dat de noodzaak om de vernietigde bepalingen te vervangen door andere bepalingen niet wordt aangetoond en dat, zelfs indien dat het geval zou zijn, de gevraagde duur van de handhaving van de gevolgen buitensporig lang is. De verzoekende partijen zijn bovendien van mening dat de prejudiciële vraag die is voorgesteld door de nv « Electrabel » niet ontvankelijk is omdat zij geen rekening houdt met de door het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde voorwaarden voor een handhaving van de gevolgen. -B- Ten aanzien van de afstand met betrekking tot artikel D.IV.11 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling B.
- Patrice d’Oultremont, François Boitte en de vzw « Éoliennes à tout prix ? » verklaren afstand te doen van het beroep tot vernietiging in zoverre het betrekking heeft op artikel D.IV.11 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling. B.
- Niets verzet zich er te dezen tegen dat het Hof die afstand toewijst. Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
- Artikel 1 van het decreet van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling » (hierna : het decreet van 20 juli 2016) bevat het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling. Volgens artikel D.II.18, eerste lid, van dat Wetboek, waarmee titel II (« Gewestplannen ») van boek II (« Planificatie ») ervan aanvangt, « [bepaalt] het gewestplan […] de inrichting van het grondgebied dat erdoor afgedekt wordt ». Het gewestplan is ingedeeld in gebieden (artikel D.II.23 van het Wetboek). 16 B.4.
- De artikelen D.II.28, D.II.36 en D.II.37 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling maken deel uit van afdeling 2 (« Bestemming en algemene voorschriften van de gebieden ») van hoofdstuk II (« Inhoud ») van titel II van dat Wetboek. B.4.
- Artikel D.II.28, met als opschrift « Bedrijfsruimtes », bepaalt : « Onder bedrijfsruimtes worden verstaan : gemengde bedrijfsruimtes, industriële bedrijfsruimtes, specifieke bedrijfsruimtes, gebieden met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en gebieden van aanhorigheden van ontginningen. Elke activiteit die in die gebieden bijdraagt tot de ontwikkeling van de circulaire economie wordt er toegelaten. Een bedrijfsruimte kan eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover de ontwikkeling van het bestaand gebied er niet door verhinderd wordt. […] ». B.4.
- Artikel D.II.36, met als opschrift « Landbouwgebieden », bepaalt : « §
- Landbouwgebieden zijn bestemd om landbouwactiviteiten te ontvangen, namelijk teelt, fokkerij of akker- en tuinbouw, met inbegrip van het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de instandhouding van een landbouwareaal in een staat die het geschikt maakt voor weiden of akkerbouw zonder verdere voorbereiding dan gewone landbouwpraktijken of de inzet van gewone landbouwmachines. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw, alsook tot het behoud van het ecologische evenwicht. In landbouwgebieden mogen enkel gebouwen en installaties opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn. Ze kunnen eveneens diversifiërende activiteiten bevatten ter aanvulling van de landbouwactiviteit van de exploitanten. §
- In de landbouwgebieden worden de modules voor elektriciteit- of warmteproductie die elk bouwwerk, installatie of gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed rechtstreeks bevoorraden, uitzonderlijk toegelaten voor zover ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten. Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover : 1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering; 2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten. […] ». 17 B.4.
- Artikel D.II.37, met als opschrift « Bosgebieden », bepaalt : « §
- Bosgebieden zijn bestemd voor de bosbouw en het behoud van het ecologische evenwicht. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw. De kerstbomenteelt wordt er toegelaten onder de voorwaarden, bepaald door de Regering. In bosgebieden mogen alleen bouwwerken opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor de exploitatie, de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid en het toezicht op de bossen. De elektriciteits- en warmteproductie en -benutting uit de biomassa die hoofdzakelijk afkomstig is van de resten van het bosbeheer en van de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid worden er toegelaten als aanvullende activiteit op activiteiten van bosbeheer. Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover : 1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering; 2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten. […] ». B.
- De voormelde bepalingen zijn, net zoals alle andere bepalingen van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, in werking getreden op 1 juni 2017 (artikel 34, 1°, van het besluit van de Waalse Regering van 22 december 2016 « tot vorming van het reglementair deel van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling »). B.
- Artikel D.II.63 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling bepaalt : « In de gewestplannen die in werking waren op datum van inwerkingtreding van dit Wetboek, blijven van toepassing : […] 7° op het gebied voor ambachten of kleine en middelgrote ondernemingen, op het uitbreidingsgebied voor ambachten of kleine en middelgrote ondernemingen, op het onderzoeksindustriegebied, op het dienstengebied en op het dienstenuitbreidingsgebied, de in de artikel[en] D.II.28 en […] bedoelde voorschriften; 8° op het industriegebied, de in de artikelen D.II.28 en […] bedoelde voorschriften […]; 18 9° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk ‘ A.E. ’, de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en […]; 10° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk ‘ G.D. ’, de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en […]; 11° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk ‘ R.M. ’, de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en […]; 12° op het industrie-uitbreidingsgebied en het gebied met een industrieel karakter waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg onderworpen is, de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en […]; 13° op het ontginningsgebied, de in de artikelen D.II.28 en […] bedoelde voorschriften; 14° op het ontginningsuitbreidingsgebied, de in de artikelen D.II.28 en […] bedoelde voorschriften; 15° op het landelijk gebied en op het landbouwgebied, het in artikel D.II.36 bedoelde voorschrift; 16° op het bosgebied, het in artikel D.II.37 bedoelde voorschrift; […] ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging Wat betreft het belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen B.7.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.7.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. 19 B.
- Volgens het uittreksel uit haar statuten dat werd bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 20 juni 2008 heeft de vzw « Éoliennes à tout prix ? » tot doel, « met alle passende middelen, onder meer, het milieu en de kwaliteit van het landschap te beschermen, in stand te houden en te verbeteren, in de verschillende entiteiten van de stad Leuze en Hainaut ». B.
- De tweede zin van artikel D.II.28, tweede lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling preciseert dat windturbines kunnen worden geïnstalleerd in een door een gewestplan afgebakende bedrijfsruimte voor zover « de ontwikkeling van het […] gebied […] niet door [die turbines] verhinderd wordt ». Het zesde lid van artikel D.II.37 van hetzelfde Wetboek preciseert dat windturbines kunnen worden geïnstalleerd in een door een gewestplan afgebakend bosgebied voor zover die turbines « in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren » en zij « de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten ». Het tweede lid van artikel D.II.36 van hetzelfde Wetboek bepaalt dat windturbines eveneens zijn toegestaan in een landbouwgebied onder dezelfde voorwaarden, met dit verschil dat die turbines ook gelegen mogen zijn in de nabijheid van een bedrijfsruimte. B.
- De installatie van een windturbine kan de kwaliteit van het landschap waarvan de verzoekende vereniging de bescherming, instandhouding en verbetering nastreeft, aantasten. Uit de arresten van de Raad van State waarnaar die vereniging verwijst blijkt dat het grondgebied van de gemeente Leuze-en-Hainaut zich leent tot de installatie van windturbines (RvSt, 16 april 2014, nr. 227.137; 25 januari 2017, nr. 237.159). Uit een uittreksel van het gewestplan van Tournai-Leuze-Peruwelz, overgelegd door de Waalse Regering, blijkt dat er op dat grondgebied bedrijfsruimten, bosgebieden en landbouwgebieden zijn. Bovendien blijkt niet dat de verzoekende vereniging haar doel niet meer daadwerkelijk nastreeft. Zij heeft onder meer bij de Raad van State een beroep ingesteld tot nietigverklaring dat is gericht tegen het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 « houdende sectorale voorwaarden voor windmolenparken met een totaalvermogen van 0,5 MW of meer, tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure 20 en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten » (RvSt, 2 juni 2015, nr. 231.425; 16 november 2017, nr. 239.886). B.
- De omstandigheid dat een vernietiging van de bestreden bepalingen en van de erin vermelde voorwaarden voor de installatie van windturbines een versoepeling tot gevolg zou hebben van de voorwaarden voor het verkrijgen van de noodzakelijke vergunning voor de installatie van die turbines, doet geen afbreuk aan het feit dat de bestreden bepalingen het door de verzoekende vereniging nagestreefde doel rechtstreeks en ongunstig kunnen raken. B.
- Die laatste doet blijken van het vereiste belang. Aangezien een van de verzoekende partijen doet blijken van een belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen, is het niet noodzakelijk te onderzoeken of dat ook geldt voor de andere verzoekende partijen. Wat de bevoegdheid van het Hof betreft B.
- Het enig middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2 tot 10 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (hierna : de richtlijn 2001/42/EG). De verzoekende partijen voeren meer bepaald aan dat de bestreden bepalingen de toegelaten bestemmingen in de zones voor bedrijfsruimtes, landbouwgebieden en bosgebieden wijzigen zonder dat die wijzigingen het voorwerp hebben uitgemaakt van een milieubeoordeling in de zin van die richtlijn. De bestreden bepalingen zouden artikel 23 van de Grondwet schenden, in samenhang gelezen met de voormelde richtlijnbepalingen, en een verschil in behandeling teweegbrengen dat strijdig is met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, omdat die bestemmingen zijn vastgesteld zonder dat een procedure van milieubeoordeling is gevolgd die een procedure van inspraak van het publiek omvat. 21 B.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de Vlaamse Regering werpen op dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de wijze van aanneming van het decreet van 20 juli
- Ten aanzien van het middel stellen zij immers vast dat het beroep niet is gericht tegen de inhoud van de bestreden bepalingen, maar tegen het feit dat het decreet van 20 juli 2016 niet is voorafgegaan door een milieueffectrapportering en een raadpleging van het publiek. B.15.
- Krachtens artikel 142 van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om, bij wege van arrest, uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging waarbij de overeenstemming in het geding wordt gebracht van wetskrachtige normen met de regels die de bevoegdheden verdelen tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, alsmede de bestaanbaarheid ervan met de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet, alsook met artikel 143, § 1, van de Grondwet. Daaruit volgt dat het Hof met name bevoegd is om te onderzoeken of de wetgever de waarborgen vervat zowel in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in verband met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, als in artikel 23, derde lid, 4°, ervan, dat het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu erkent, heeft geschonden. Het Hof is eveneens bevoegd om bij zijn toetsing van wetskrachtige normen aan de voormelde referentienormen te onderzoeken of de ter toetsing voorgelegde bepalingen bestaanbaar zijn met voor België bindende normen van internationaal recht en van het recht van de Europese Unie waarvan de schending in samenhang met de voormelde grondwetsbepalingen wordt aangevoerd, zoals te dezen de richtlijn 2001/42/EG. B.15.
- Krachtens artikel 30bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, worden « het overleg, de betrokkenheid, het geven van inlichtingen, de adviezen, de eensluidende adviezen, de akkoorden, de gemeenschappelijke akkoorden en de voorstellen waarvan sprake is in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de samenwerkingsakkoorden bedoeld in artikel 92bis van voornoemde wet uitgezonderd, alsook in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten of in elke andere wet genomen ter uitvoering van de artikelen 39, 127, § 1, 128, § 1, 129, § 1, 130, § 1, 135, 136, 137, 140, 166, 175, 176 en 177 22 van de Grondwet » gelijkgesteld met bevoegdheidverdelende regels in de zin van artikel 1, 1°, van dezelfde bijzondere wet. B.16.
- Luidens de voormelde bepalingen is het Hof bevoegd om de bestaanbaarheid te toetsen van de inhoud van een bepaling van wetgevende aard met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de in het middel bedoelde richtlijn. Behalve ten aanzien van de voormelde mechanismen van samenwerkingsfederalisme, bedoeld in het voormelde artikel 30bis, is het Hof niet bevoegd om de wijze of de nadere regels van totstandkoming van een decreet te toetsen. Het Hof heeft zich bijgevolg onbevoegd verklaard voor het toetsen van de niet-raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State (zie de arresten nrs. 73/95 van 9 november 1995, 97/99 van 15 september 1999, 153/2015 van 29 oktober 2015 en 58/2016 van 28 april 2016), het niet raadplegen van het beheerscomité van de sociale zekerheid (arrest nr. 97/99), het gebrek aan voorafgaand vakbondsoverleg (zie de arresten nrs. 45/92 van 18 juni 1992 en 64/2009 van 2 april 2009) of nog het feit dat een wet is aangenomen tijdens de periode van lopende zaken (arrest nr. 70/2013 van 22 mei 2013). B.16.
- Daaruit vloeit voort dat het Hof, zoals het in de arresten nr. 144/2012 van 22 november 2012, nr. 29/2014 van 13 februari 2014 en nr. 82/2017 van 22 juni 2017 in herinnering heeft gebracht, niet bevoegd is om een exhaustieve materiële en formele toetsing uit te voeren van de handelingen die voorafgaan aan de bekrachtiging of de aanneming van een wetskrachtige norm, zelfs niet ten aanzien van regels van Europees recht die zijn vervat in de richtlijnen 2011/92/EU, 92/43/EEG en 2009/147/EG. Hetzelfde geldt voor de richtlijn 2001/42/EG. B.16.
- Hoewel het Hof, bij de voormelde arresten nr. 144/2012 van 22 november 2012, en nr. 29/2014 van 13 februari 2014, met betrekking tot de wettelijke bekrachtiging van vergunningen, heeft aanvaard om de parlementaire procedure tot aanneming van wettelijke bepalingen ter bekrachtiging van die vergunningen te toetsen, heeft het Hof dat gedaan binnen de perken die het heeft gepreciseerd, enkel met de bedoeling om de werkingssfeer te bepalen van de vermelde vereisten van het recht van de Europese Unie, en meer bepaald om te bepalen of de bestreden wet kon worden beschouwd als een « specifieke nationale wet » in de 23 zin van artikel 1, lid 4, van de richtlijn 2011/92/EU (dat sindsdien is opgeheven bij de richtlijn 2014/52/EU), die van de in die richtlijn gestelde vereisten is uitgezonderd : « Hoewel het Hof in beginsel niet bevoegd is om, al was het maar via zijn toetsing van de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de parlementaire procedure te controleren aan het eind waarvan een wetgevingshandeling werd aangenomen, dient te worden vastgesteld dat in het onderhavige geval de bevoegdheid om rekening te houden ‘ zowel met de inhoud van de wetgevingshandeling als met de volledige wetgevingsprocedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, in het bijzonder met de voorbereidende handelingen en de parlementaire debatten ’ (HvJ, 16 februari 2012, C-182/10, Solvay e.a., punt 41) voortvloeit uit de noodzaak de werkingssfeer van de in B.9.1 en B.9.2 vermelde vereisten van het recht van de Europese Unie te bepalen. Die controle kan dus noch met een materiële toetsing, noch met een procedurele toetsing van de grondwettigheid van wetskrachtige bepalingen worden gelijkgesteld, maar vormt een voorafgaand onderzoek, opgelegd bij het recht van de Europese Unie, van de kwalificatie van de bestreden wetgevingshandeling » (arrest nr. 144/2012, B.13; zie eveneens het arrest nr. 29/2014, B.9). B.
- Uit de formulering van het verzoekschrift blijkt dat het middel is gericht tegen het niet uitvoeren van een milieueffectrapportering en tegen de ontstentenis van een procedure die inspraak van het publiek mogelijk maakt, die aan het aannemen van de bestreden bepalingen hadden moeten voorafgaan. Hoewel het kan lijken dat die kritiek niet tegen de inhoud van de bestreden bepalingen is gericht, heeft zij toch een substantiële draagwijdte, aangezien zij vereist dat de draagwijdte van de bestreden bepalingen wordt bepaald en dat, met name, wordt bepaald of de bestreden bepalingen, ten aanzien van de gevolgen ervan, binnen de werkingssfeer van de voormelde richtlijn kunnen vallen. B.
- Het onderzoek van de bevoegdheid van het Hof valt bijgevolg samen met dat van de grond van de zaak. Ten aanzien van de draagwijdte van de bestreden bepalingen B.
- De verzoekende partijen houden voor dat de bestreden bepalingen een plan of programma zijn in de zin van de voormelde richtlijn 2001/42/EG. Luidens artikel 2, a), wordt in die richtlijn verstaan onder : « plannen en programma's » : 24 « plannen en programma's, met inbegrip van die welke door de Gemeenschap worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan, - die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of die door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld en - die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven ». Artikel 3, tweede lid, van de richtlijn bepaalt : « Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma's a) die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of b) waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG ». B.20.
- Het Hof van Justitie heeft bij herhaling de werkingssfeer van de bedoelde richtlijn nader gepreciseerd. B.20.
- Het Hof van Justitie, oordeelde bij zijn arrest van 17 juni 2010 (C-105/09 en C-110/09, Terre wallonne en Inter-Environnement Wallonie), in antwoord op prejudiciële vragen gesteld door de Raad van State naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Waalse Regering van 15 februari 2007 tot wijziging van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, voor wat betreft het duurzaam beheer van stikstof in de landbouw : « Een actieprogramma dat is vastgesteld krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, is in beginsel een plan of een programma als bedoeld in artikel 3, lid 2, sub a, van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, wanneer het een ‘ plan ’ of een ‘ programma ’ vormt in de zin van artikel 2, sub a, van deze laatste richtlijn en maatregelen bevat waarvan de nakoming een voorwaarde is voor de toekenning van de vergunning die kan worden verleend voor de verwezenlijking van de projecten die zijn vermeld in de bijlagen I en II bij richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling 25 van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 ». Het Hof van Justitie kwam tot dit besluit op grond van de volgende redengeving : «
- Teneinde vast te stellen of de ter uitvoering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/676 opgestelde actieprogramma’s (hierna : ‘ actieprogramma’s ’) onder artikel 3, lid 2, sub a, van richtlijn 2001/42 vallen, moet in de eerste plaats worden onderzocht of die actieprogramma’s ‘ plannen en programma’s ’ in de zin van artikel 2, lid 1, sub a, van deze richtlijn zijn en, in de tweede plaats, of zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, sub a, ervan. De toepassing van artikel 2 van richtlijn 2001/42
- Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de actieprogramma’s, enerzijds, worden opgesteld en/of vastgesteld door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau of worden opgesteld door een instantie om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld en, anderzijds, door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven.
- Vervolgens moet worden opgemerkt dat richtlijn 91/676 verlangt dat dergelijke actieprogramma’s worden opgesteld voor alle door de lidstaten op grond van deze richtlijn aangewezen ‘ kwetsbare zones ’, en dat die programma’s moeten voorzien in de maatregelen en acties zoals bedoeld in artikel 5 ervan, ter bestrijding van de verontreiniging door nitraten, die door de lidstaten ten uitvoer moeten worden gelegd en waarop zij moeten toezien. De bevoegde instanties moeten tevens op geregelde tijdstippen controleren of de maatregelen en acties nog relevant zijn, en in voorkomend geval de actieprogramma’s herzien.
- Overigens vindt een dergelijke vaststelling, zoals de advocaat-generaal in de punten 25 tot en met 28 van haar conclusie heeft opgemerkt, steun in punt 10 van de considerans van richtlijn 2003/35, alsook in artikel 2, lid 5, van, en bijlage I bij deze richtlijn.
- In dat verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 2003/35 voorziet in de inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu teneinde de Uniewetgeving in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Aarhus.
- Uit punt 10 van de considerans van richtlijn 2003/35 blijkt dat in bepaalde communautaire wetgeving reeds bepalingen waren opgenomen in verband met de inspraak van het publiek in de opstelling van plannen en programma’s, welke bepalingen in overeenstemming waren met het Verdrag van Aarhus. Dientengevolge sluit artikel 2, lid 5, van deze richtlijn de in bijlage I bij die richtlijn vermelde ‘ plannen en programma’s ’ waarvoor dergelijke bepalingen ten uitvoer waren gelegd krachtens richtlijn 2001/42, van de werkingssfeer van dit artikel uit. Tot die plannen en programma’s behoren de in artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/676 bedoelde actieprogramma’s. 26
- Het is juist dat artikel 2, lid 5, van richtlijn 2003/35 is vastgesteld in het kader van bepalingen betreffende de inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu. Het zou echter tegenstrijdig zijn om te aanvaarden dat de actieprogramma’s binnen de werkingssfeer van artikel 2 van richtlijn 2001/42 vallen wanneer zij verband houden met bepalingen betreffende de inspraak van het publiek in de opstelling van het plan of van het programma, maar dat dezelfde actieprogramma’s niet langer binnen de werkingssfeer van die bepaling vallen wanneer zij de beoordeling van de effecten voor het milieu betreffen.
- Ten slotte moet worden gepreciseerd dat ofschoon niet elke wetgevende maatregel betreffende de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen een ‘ plan ’ of een ‘ programma ’ in de zin van richtlijn 2001/42 is, de loutere omstandigheid dat een dergelijke maatregel door de wetgever wordt vastgesteld deze niet buiten de werkingssfeer van deze richtlijn doet vallen wanneer hij de in punt 36 van het onderhavige arrest vermelde kenmerken vertoont.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de actieprogramma’s zowel door de kenmerken ervan als ingevolge de wil van de Uniewetgever ‘ plannen ’ en ‘ programma’s ’ in de zin van richtlijn 2001/42 zijn ». B.20.
- In antwoord op prejudiciële vragen gesteld door het Hof naar aanleiding van een beroep tot vernietiging van een aantal bepalingen van de ordonnantie van 14 mei 2009 « tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening » oordeelde het Hof van Justitie bij zijn arrest van 22 maart 2012 (C-567/10, Inter-Environnement Bruxelles ASBL e.a.) : «
- Geoordeeld moet worden dat een uitlegging die tot gevolg heeft dat alle plannen en programma’s, de bestemmingsplannen in het bijzonder, waarvan de vaststelling in de verschillende nationale wetgevingen wordt geregeld door juridische bepalingen, van de werkingssfeer van richtlijn 2001/42 worden uitgesloten om de enkele reden dat die vaststelling niet in alle omstandigheden verplicht is, niet kan worden aanvaard.
- De door voornoemde regeringen aan artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/42 gegeven uitlegging brengt namelijk mee dat de draagwijdte van de door deze richtlijn ingevoerde beoordeling van de milieueffecten van plannen en programma’s van de lidstaten inzake ruimtelijke ordening aanzienlijk wordt beperkt.
- Een dergelijke uitlegging van artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/42, die de werkingssfeer van dit artikel aanzienlijk beperkt, doet dan ook, gelet op het feit dat deze richtlijn ertoe strekt een hoog milieubeschermingsniveau te verzekeren, gedeeltelijk afbreuk aan de nuttige werking ervan (zie in die zin arrest van 22 september 2011, Valčiukienė e.a., C-295/10, Jurispr. blz. I-8819, punt 42). Deze uitlegging strookt dan ook niet met het doel van deze richtlijn, namelijk het tot stand brengen van een toezichtprocedure voor besluiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, welke besluiten de criteria en de regels in verband met de ruimtelijke ordening vaststellen en gewoonlijk betrekking hebben op verschillende projecten die moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de regels en procedures waarin deze besluiten voorzien. 27
- Hieruit volgt dat de plannen en programma’s waarvan de vaststelling is geregeld in nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen waarin de voor de vaststelling van deze plannen en programma’s bevoegde autoriteiten zijn aangegeven en de procedure voor de opstelling ervan is bepaald, voor de toepassing van richtlijn 2001/42 als ‘ voorgeschreven ’ in de zin van deze richtlijn moeten worden aangemerkt, en bijgevolg overeenkomstig de voorwaarden van deze richtlijn aan een milieubeoordeling moeten worden onderworpen.
- Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het begrip plannen en programma’s ‘ die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven ’ in artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/42 aldus moet worden uitgelegd dat het ook ziet op de in de betrokken nationale wettelijke regeling in het hoofdgeding bedoelde bijzondere bestemmingsplannen ». B.20.
- Het Hof van Justitie, bij zijn arrest van 11 september 2012 (C-43/10, Nomarchiaki Aftodioikisi Aitoloakarnanias e.a.), oordeelde in antwoord op prejudiciële vragen gesteld door de Symvoulio tis Epikrateias : «
- Om te bepalen of een project onder richtlijn 2001/42 valt, moet worden nagegaan of dat project een plan of programma in de zin van artikel 2, sub a, van die richtlijn is.
- Blijkens artikel 2, sub a, tweede streepje, van richtlijn 2001/42 worden slechts als ‘ plannen en programma’s ’ in de zin van die richtlijn aangemerkt, plannen en programma’s die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven.
- Het blijkt niet dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde project een besluit is dat de criteria en de regels in verband met de ruimtelijke ordening vaststelt en voorziet in toezichtregels en -procedures die bij de uitvoering van een of meer projecten in acht moeten worden genomen (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C-567/10, punt 30).
- Derhalve moet op de zevende vraag worden geantwoord dat een project voor het gedeeltelijk omleiden van een rivier zoals dat in het hoofdgeding, geen onder richtlijn 2001/42 vallend plan of programma is ». B.20.
- In antwoord op prejudiciële vragen gesteld door de Symvoulio tis Epikrateias naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring van het presidentieel besluit nr. 187/2011 van 14 juni 2011, waarbij maatregelen zijn vastgesteld voor de bescherming van het bergmassief van Imittos en van de hoofdstedelijke parken van Goudi en Ilisia, oordeelde het Hof van Justitie bij zijn arrest van 10 september 2015 (C-473/14, Dimos Kropias Attikis) : «
- Met zijn eerste twee vragen, die tezamen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 2, onder a), en 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus moeten worden uitgelegd dat bij de vaststelling van een besluit dat een 28 onder richtlijn 2001/42 vallend plan of programma met betrekking tot ruimtelijke ordening of grondgebruik inhoudt en dat een bestaand plan of programma wijzigt, de in artikel 3 van die richtlijn neergelegde verplichting om een milieubeoordeling uit te voeren vervalt op grond van het feit dat dat besluit strekt tot precisering en uitvoering van een bestemmingsplan dat is vastgesteld bij een hiërarchisch hoger besluit dat zelf geen voorwerp is geweest van een dergelijke milieubeoordeling.
- Dienaangaande volgt uit punt 42 van het arrest Inter-Environnement Bruxelles e.a. (C-567/10, EU:C:2012:159) dat de doelstellingen van richtlijn 2001/42 en de noodzaak om het nuttig effect daarvan te waarborgen, zich in beginsel niet verzetten tegen de zienswijze dat een besluit tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een onder die richtlijn vallend plan of programma is uitgesloten van de werkingssfeer daarvan, indien het ingetrokken besluit tot een hiërarchische orde van besluiten van ruimtelijke ordening behoort, wanneer deze besluiten bepalingen bevatten die het gebruik van de grond voldoende duidelijk aangeven, deze besluiten zelf het voorwerp van een milieueffectbeoordeling zijn geweest, en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat in dit verband voldoende rekening is gehouden met de belangen die richtlijn 2001/42 beoogt te beschermen.
- Anders dan het geval is met intrekkingsbesluiten, omvat de werkingssfeer van richtlijn 2001/42, inzonderheid ingevolge artikel 2, onder a) ervan, evenwel - zoals het Hof overigens in punt 36 van het arrest Inter-Environnement Bruxelles e.a. (C-567/10, EU:C:2012:159) in herinnering heeft gebracht - uitdrukkelijk besluiten tot wijziging van plannen en programma’s - zoals, met name, het litigieuze besluit.
- Aangezien het in het hoofdgeding gaat om een besluit tot wijziging van plannen en programma’s, dat uitdrukkelijk binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/42 valt, kan dus niet worden betoogd dat, gelet op de doelstellingen van richtlijn 2001/42 en de noodzaak om het nuttig effect daarvan te waarborgen, dit besluit desalniettemin kan worden uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn.
- Voorts staat vast dat de plannen en programma’s die het litigieuze besluit omvat, in beginsel vallen onder artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42, aangezien zij voornamelijk betrekking hebben op de ruimtelijke ordening van stad en platteland, alsmede op het grondgebruik.
- Bovendien volgt uit die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/42, dat deze aldus moet worden uitgelegd dat zij de verplichting om een bepaald plan of programma te onderwerpen aan een milieubeoordeling afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het plan of project aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu, of, anders gezegd, een significant effect kan hebben op het betrokken gebied. Het onderzoek dat moet worden uitgevoerd om na te gaan of deze voorwaarde is vervuld, is noodzakelijkerwijs beperkt tot de vraag of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat dit plan of project significante gevolgen heeft voor het betrokken gebied (zie naar analogie arrest Syllogos Ellinon Poleodomon kai chorotakton, C-177/11, EU:C:2012:378).
- In elk geval heeft de beperking van de werkingssfeer van richtlijn 2001/42 waarnaar het Hof verwijst in punt 42 van het arrest Inter-Environnement Bruxelles e.a. (C-567/10, EU:C:2012:159) betrekking op een situatie die fundamenteel verschilt van die welke aan de orde is in het hoofdgeding. 29
- Deze beperking had immers betrekking op intrekkingsbesluiten, en kan niet aldus worden uitgebreid dat daaronder mede worden begrepen besluiten tot wijziging van plannen en programma’s zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.
- De bepalingen die de werkingssfeer van deze richtlijn afbakenen, en met name de bepalingen waarin de door deze richtlijn bedoelde besluiten zijn gedefinieerd, moeten, gelet op het feit dat richtlijn 2001/42 tot doel heeft een hoog milieubeschermingsniveau te verzekeren, ruim worden uitgelegd (arrest Inter-Environnement Bruxelles e.a., C-567/10, EU:C:2012:159, punt 37). Elke uitzondering op of beperking van deze bepalingen moet dan ook strikt worden uitgelegd.
- Bovendien wijzigen besluiten tot wijziging van plannen en programma’s hoe dan ook het bestaande wettelijke referentiekader en kunnen zij derhalve, in voorkomend geval aanzienlijke, milieueffecten hebben die nog geen voorwerp van een ‘ milieubeoordeling ’ zijn geweest in de zin van richtlijn 2001/42 (zie in die zin arrest Inter-Environnement Bruxelles e.a., C-567/10, EU:C:2012:159, punt 39).
- Het enkele feit dat de door het litigieuze besluit aangebrachte wijzigingen strekten tot precisering en uitvoering van een bestemmingsplan dat een hiërarchisch hogere normatieve positie inneemt, kan niet rechtvaardigen dat de vaststelling van dergelijke besluiten niet aan een dergelijke beoordeling wordt onderworpen.
- Een uitlegging in die zin zou immers onverenigbaar zijn met de doelstellingen van richtlijn 2001/42 en afbreuk doen aan het nuttig effect daarvan, aangezien zij zou inhouden dat een mogelijk grote categorie van besluiten tot wijziging van plannen en programma’s die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, in beginsel zou zijn uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn, terwijl zij toch uitdrukkelijk vallen onder de bewoordingen van de artikelen 2, onder a), en 3, lid 2, onder a), van die richtlijn.
- Dit geldt temeer voor een besluit als het litigieuze, aangezien vaststaat dat de daarbij aangebrachte wijzigingen substantieel zijn, en het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bestemmingsplan, te weten het BPA dat betrekking heeft op de regio Groot-Athene, gesteld al dat het bepalingen bevat die het gebruik van de grond voldoende duidelijk aangeven, zelf in elk geval geen voorwerp is geweest van een milieubeoordeling in de zin van richtlijn 2001/
- De bestaansreden van de beperking van de werkingssfeer van richtlijn 2001/42 waarnaar het Hof verwijst in punt 42 van het arrest Inter-Environnement Bruxelles e.a. (C-567/10, EU:C:2012:159), is erin gelegen te voorkomen dat eenzelfde plan wordt onderworpen aan meerdere milieubeoordelingen die alle voorwaarden van die richtlijn dekken.
- De omstandigheid dat deze richtlijn nog niet in werking was getreden toen het bestemmingsplan werd vastgesteld, is in dit verband irrelevant, gelet op het feit dat deze zonder uitzondering van toepassing is op alle wijzigingsbesluiten die zijn vastgesteld na de inwerkingtreding van die richtlijn.
- Wat voorts in het hoofdgeding nog meer van belang is, is het feit dat het plan dat het litigieuze besluit specifiek beoogt te wijzigen, te weten het plan dat is ingevoerd bij het presidentieel besluit van 31 augustus 1978, duidelijk geen voorwerp is geweest van een milieubeoordeling die vergelijkbaar is met die welke wordt vereist door richtlijn 2001/
- 30
- Ten slotte staat het, gesteld al dat de door het litigieuze besluit gewijzigde plannen en programma’s reeds voorwerp zouden zijn geweest van een milieueffectbeoordeling uit hoofde van richtlijn 85/337 of een ‘ andere regel van het Gemeenschapsrecht ’ in de zin van artikel 11, lid 1, van richtlijn 2001/42, hetgeen aan de hand van het aan het Hof overgelegde dossier niet kan worden bepaald, in elk geval aan de verwijzende rechterlijke instantie om na te gaan of een dergelijke beoordeling kan worden aangemerkt als de uitdrukking van een gecoördineerde of gezamenlijke procedure in de zin van artikel 11, lid 2, van die richtlijn, en of deze reeds alle voorschriften van richtlijn 2001/42 dekt, in welk geval er geen verplichting meer bestaat om een nieuwe beoordeling uit te voeren in de zin van die richtlijn (arrest Valčiukienė e.a., C-295/10, EU:C:2011:608, punt 62).
- Gelet op het voorgaande moet op de eerste twee vragen worden geantwoord dat de artikelen 2, onder a), en 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus moeten worden uitgelegd dat bij de vaststelling van een besluit dat een onder richtlijn 2001/42 vallend plan of programma met betrekking tot ruimtelijke ordening of grondgebruik inhoudt en dat een bestaand plan of programma wijzigt, de in die richtlijn neergelegde verplichting om een milieubeoordeling uit te voeren niet vervalt op grond van het feit dat dat besluit strekt tot precisering en uitvoering van een bestemmingsplan dat is vastgesteld bij een hiërarchisch hoger besluit dat zelf geen voorwerp is geweest van een dergelijke milieubeoordeling ». B.20.
- In antwoord op prejudiciële vragen gesteld door de Raad van State naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 « houdende sectorale voorwaarden voor windmolenparken met een totaalvermogen van 0,5 MW of meer, tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten » oordeelde het Hof van Justitie bij zijn arrest van 27 oktober 2016 (C-290/15, D'Oultremont e.a.) : «
- Op 21 februari 2013 heeft de Waalse regering een ‘ referentiekader ’ vastgesteld, dat vervolgens in juli van datzelfde jaar werd gewijzigd, met aanbevelingen betreffende de bouw van windmolens in het Waalse Gewest. Dit instrument werd vervolledigd door een cartografisch document dat beoogde een planologisch kader te bieden voor de tenuitvoerlegging van het windmolenprogramma in het Waalse Gewest ‘ voor 2020 ’ en dat de naam ‘ referentiekaart ’ droeg. Voor deze kaart werd een milieueffectrapport opgesteld.
- Van 16 september tot 30 oktober 2013 werd in alle Waalse gemeenten een openbaar onderzoek georganiseerd. Onder de tijdens dit onderzoek aan het publiek ter beschikking gestelde stukken bevonden zich onder meer de in het vorige punt van dit arrest vermelde documenten, namelijk het referentiekader, de referentiekaart en het milieueffectrapport. 31
- Noch het referentiekader, noch de referentiekaart werd echter definitief vastgesteld.
- Inmiddels heeft de Waalse regering het besluit van 13 februari 2014 vastgesteld. […]
- Volgens de verwijzende rechter schuilt een bijzondere moeilijkheid in de omstandigheid dat de bepalingen van dat besluit losgekoppeld zijn van het referentiekader en de cartografie van de gebieden voor de bouw van windmolens, vermeld in punt 24 van het onderhavige arrest, en berooft deze omstandigheid die bepalingen minstens gedeeltelijk van een programmatische inhoud voor de ontwikkeling van energiewinning uit windkracht.
- Volgens deze zienswijze voorziet het besluit van 13 februari 2014 niet in een ‘ volledig kader ’, een geheel van gecoördineerde maatregelen betreffende de exploitatie van windmolenparken ter bescherming van het milieu. Volgens de verwijzende rechter neemt dit evenwel niet weg dat doordat bij de afgifte van vergunningen normen van dat besluit in aanmerking worden genomen met name betreffende het geluid en de gevolgen van de stroboscopische schaduwen die door de werking van de windmolens worden voortgebracht, dit noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat zij bepalend zijn voor de locatie van de windmolens ten aanzien van de woningen. […]
- Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus moeten worden uitgelegd dat een regelgevend besluit als dat in het hoofdgeding, dat verschillende bepalingen voor de installatie van windmolens bevat die moeten worden nageleefd bij de afgifte van administratieve vergunningen voor de aanleg en exploitatie van dergelijke installaties, onder het begrip ‘ plannen en programma’s ’ in de zin van deze richtlijn valt.
- Allereerst zij eraan herinnerd dat uit overweging 4 van richtlijn 2001/42 blijkt dat de milieueffectbeoordeling een belangrijk instrument is voor de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en goedkeuring van bepaalde plannen en programma’s.
- Voorts moet, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 34 van haar conclusie, bij de afbakening van het begrip ‘ plannen en programma’s ’ ten opzichte van andere maatregelen die niet binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 2001/42 vallen, worden uitgegaan van het in artikel 1 van deze richtlijn neergelegde wezenlijke doel, dat plannen en programma’s die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben aan een milieubeoordeling worden onderworpen (zie in deze zin arrest van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne, C-41/11, EU:C:2012:103, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Bijgevolg moeten de bepalingen die de werkingssfeer van deze richtlijn afbakenen, en met name de bepalingen waarin de door deze richtlijn bedoelde besluiten zijn gedefinieerd, gelet op het feit dat deze richtlijn tot doel heeft een hoog milieubeschermingsniveau te verzekeren, ruim worden uitgelegd (zie in deze zin arresten van 22 maart 2012, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C-567/10, EU:C:2012:159, punt 37, en 10 september 2015, Dimos Kropias Attikis, C-473/14, EU:C:2015:582, punt 50). 32
- Met betrekking tot artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 stipuleert de definitie van het in deze bepaling opgenomen begrip ‘ plannen en programma’s ’ de cumulatieve voorwaarde dat zij door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld, én dat zij door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven.
- Uit de vaststellingen van de verwijzende rechter blijkt dat het besluit van 13 februari 2014 werd opgesteld en vastgesteld door een regionale instantie, in casu de Waalse regering, en dat dit besluit is voorgeschreven door de bepalingen van het decreet van 11 maart
- Artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 bepaalt, onverminderd lid 3 van dit artikel, dat een milieubeoordeling wordt gemaakt van alle plannen en programma’s die worden voorbereid, onder meer, met betrekking tot energie, en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij richtlijn 2011/92 genoemde projecten.
- Het staat eveneens vast dat het besluit van 13 februari 2014 betrekking heeft op de energiesector en bijdraagt tot de vaststelling van het kader voor de uitvoering, in het Waalse Gewest, voor windmolenparkprojecten die deel uitmaken van de in bijlage II bij richtlijn 2011/92 genoemde projecten.
- Hoewel het begrip ‘ plannen en programma’s ’ inderdaad betrekking moet hebben op een bepaald grondgebied, neemt dit niet weg dat noch uit de bewoordingen van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42, noch uit die van artikel 3, lid 2, onder a), van dezelfde richtlijn blijkt dat deze plannen en programma’s betrekking moeten hebben op de ruimtelijke ordening van een specifiek gebied. Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt immers dat zij in breder opzicht zijn gericht op de ruimtelijke ordening van gebieden of zones in het algemeen.
- Volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter heeft het besluit van 13 februari 2014 betrekking op het grondgebied van het volledige Waalse Gewest en vertonen de daarin bepaalde grenswaarden inzake geluid een nauwe band met dit grondgebied, aangezien deze grenswaarden zijn vastgesteld naargelang de verschillende soorten bestemmingen van de betrokken geografische gebieden.
- Wat betreft de omstandigheid dat het besluit van 13 februari 2014 geen voldoende compleet kader zou vaststellen voor de windkrachtsector, dient eraan te worden herinnerd dat het onderzoek van de criteria die in artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 zijn opgesomd om te kunnen vaststellen of een besluit als in het hoofdgeding onder dat begrip kan vallen, moet worden uitgevoerd rekening houdend met het doel van deze richtlijn dat, zoals blijkt uit punt 39 van het onderhavige arrest, erin bestaat beslissingen die een aanzienlijke invloed op het milieu kunnen hebben, te onderwerpen aan een milieubeoordeling.
- Bovendien moet, zoals de advocaat-generaal in punt 55 van haar conclusie heeft benadrukt, een halt worden toegeroepen aan mogelijke ontwijkingsstrategieën inzake de in richtlijn 2001/42 neergelegde verplichtingen, die de vorm kunnen aannemen van een fragmentering van de maatregelen, waardoor aan de nuttige werking van deze richtlijn 33 afbreuk wordt gedaan (zie in deze zin arrest van 22 maart 2012, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C-567/10, EU:C:2012:159, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Gelet op deze doelstelling dient te worden opgemerkt dat het begrip ‘ plannen en programma’s ’ betrekking heeft op iedere handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een heel pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben (zie in deze zin arrest van 11 september 2012, Nomarchiaki Aftodioikisi Aitoloakarnanias e.a., C-43/10, EU:C:2012:560, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- In casu dient in herinnering te worden gebracht dat het besluit van 13 februari 2014 in het bijzonder betrekking heeft op de technische normen, de exploitatievoorwaarden (met name de stroboscopische schaduwen), de voorkoming van ongevallen en brand (onder meer de stopzetting van de windmolen), de geluidsnormen, het herstel van de locatie in de oorspronkelijke toestand en de zekerheidstelling voor de windmolens. Het belang en de reikwijdte van dergelijke normen zijn voldoende groot voor de bepaling van de op de betrokken sector toepasselijke voorwaarden en de keuzes die via deze normen worden gemaakt in het bijzonder met betrekking tot het milieu, dienen ertoe de voorwaarden vast te stellen waaronder toekomstige concrete projecten voor de bouw en exploitatie van windmolenparken kunnen worden vergund.
- Tot slot stelt de Franse regering, onder verwijzing naar het verdrag van Aarhus en het protocol van Kiev, voor om een onderscheid te maken tussen het begrip ‘ plannen en programma’s ’ en het begrip ‘ algemene regeling ’, waaronder het besluit van 13 februari 2014 zou vallen, zodat dit besluit niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/42 zou vallen.
- Ten eerste dient dienaangaande te worden benadrukt dat reeds uit de bewoordingen van artikel 2, onder a), eerste streepje, van deze richtlijn blijkt, hetgeen steun vindt in de in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, dat het begrip ‘ plannen en programma’s ’ betrekking kan hebben op normatieve handelingen die bij wet of besluit zijn vastgesteld.
- Ten tweede verschilt richtlijn 2001/42, zoals de advocaat-generaal in punt 70 van haar conclusie heeft opgemerkt, van het verdrag van Aarhus en het protocol van Kiev aangezien deze richtlijn juist geen bijzondere bepalingen voor beleid of algemene regelingen bevat die een afbakening ten opzichte van ‘ plannen en programma’s ’ zouden vereisen.
- Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus moeten worden uitgelegd dat een regelgevend besluit als dat in het hoofdgeding, dat verschillende bepalingen voor de installatie van windmolens bevat die moeten worden nageleefd bij de afgifte van administratieve vergunningen voor de aanleg en exploitatie van dergelijke installaties, onder het begrip ‘ plannen en programma’s ’ in de zin van deze richtlijn valt ». B.20.
- In antwoord op prejudiciële vragen gesteld door de Raad van State naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 december 2013 « tot goedkeuring van de gezoneerde 34 gewestelijke stedenbouwkundige verordening en de samenstelling van het aanvraagdossier voor een stedenbouwkundig attest en vergunning voor de perimeter van de Wetstraat en haar omgeving » oordeelde het Hof van Justitie bij zijn arrest van 7 juni 2018 (C-671/16, Inter-Environnement Bruxelles ASBL e.a.) : « Artikel 2, onder a), van de SMB-richtlijn
- Artikel 2, onder a), van de SMB-richtlijn omschrijft de daarin bedoelde ‘ plannen en programma’s ’ als die welke voldoen aan twee cumulatieve voorwaarden, te weten, ten eerste, dat zij door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld, en, ten tweede, dat zij door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven.
- Het Hof heeft deze bepaling aldus uitgelegd dat plannen en programma’s waarvan de vaststelling is geregeld in nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen waarin de voor de vaststelling van deze plannen en programma’s bevoegde autoriteiten zijn aangegeven en de procedure voor de opstelling ervan is bepaald, voor de toepassing van de SMB-richtlijn als ‘ voorgeschreven ’ in de zin van deze richtlijn moeten worden aangemerkt, en bijgevolg overeenkomstig de voorwaarden van deze richtlijn aan een milieubeoordeling moeten worden onderworpen (arrest van 22 maart 2012, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C-567/10, EU:C:2012:159, punt 31).
- Indien plannen en programma’s waarvan de vaststelling niet verplicht is, worden uitgesloten van de werkingssfeer van de SMB-richtlijn, zou, gelet op het feit dat deze richtlijn ertoe strekt een hoog milieubeschermingsniveau te verzekeren, immers afbreuk worden gedaan aan de nuttige werking ervan (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C-567/10, EU:C:2012:159, punten 28 en 30).
- In casu blijkt uit de vaststellingen van de verwijzende rechter dat het bestreden besluit door een regionale overheid is vastgesteld op grond van de artikelen 88 en volgende van het BWRO.
- Hieruit volgt dat de in punt 36 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden zijn vervuld. Artikel 3 van de SMB-richtlijn
- Krachtens artikel 3, lid 2, onder a), van de SMB-richtlijn wordt een systematische milieubeoordeling gemaakt van de plannen en programma’s die, ten eerste, worden voorbereid met betrekking tot bepaalde sectoren en, ten tweede, het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in de bijlagen I en II bij de MEB-richtlijn genoemde projecten (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Terre wallonne en Inter-Environnement Wallonie, C-105/09 en C-110/09, EU:C:2010:355, punt 43).
- Met betrekking tot de eerste voorwaarde volgt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 2, onder a), van de SMB-richtlijn dat deze bepaling met name de sector van ‘ ruimtelijke ordening of grondgebruik ’ betreft. 35
- Zoals de Europese Commissie betoogt, duidt de omstandigheid dat deze bepaling niet alleen naar ‘ ruimtelijke ordening ’ maar ook naar ‘ grondgebruik ’ verwijst, er duidelijk op dat de betrokken sector niet beperkt is tot grondgebruik in de enge betekenis, te weten de afbakening van het grondgebied in zones en de omschrijving van de in die zones toegelaten activiteiten, maar dat deze sector noodzakelijkerwijze een ruimer domein bestrijkt.
- Uit artikel 88 van het BWRO volgt dat een gewestelijke stedenbouwkundige verordening met name de bouwwerken en hun omgeving betreft, onder meer op het gebied van de wegen, de instandhouding, de veiligheid, de gezondheid, de energieprestatie, de akoestiek, het afvalbeheer en de esthetiek.
- Een dergelijke handeling valt dus onder de sector ‘ ruimtelijke ordening of grondgebruik ’ in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van de SMB-richtlijn.
- Wat de tweede voorwaarde betreft, verlangt de vaststelling of een gewestelijke stedenbouwkundige verordening zoals aan de orde in het hoofdgeding het kader vormt voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in de bijlagen I en II bij de MEB-richtlijn genoemde projecten, de inhoud en de doelstelling van die verordening worden onderzocht, waarbij rekening wordt gehouden met de omvang van de milieubeoordeling van de projecten, zoals deze in voornoemde richtlijn is vastgesteld (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Terre wallonne en Inter-Environnement Wallonie, C-105/09 en C-110/09, EU:C:2010:355, punt 45).
- Wat, ten eerste, de in de bijlagen I en II bij de MEB-richtlijn opgesomde projecten betreft, moet eraan worden herinnerd dat punt 10 van de laatstgenoemde bijlage infrastructuurprojecten bevat, waaronder, onder b) van dat punt, stadsontwikkelingsprojecten.
- Het is van belang op te merken dat de bestreden handeling regels bevat die toepasselijk zijn op alle bouwwerken, te weten op de gebouwen, van welke aard zij ook zijn en op hun omgeving, met inbegrip van de ‘ zones voor open ruimte ’ en de ‘ doorgangsgebieden ’ ongeacht of zij privaat zijn dan wel toegankelijk voor het publiek.
- Dienaangaande bevat deze verordening een kaart die zich niet beperkt tot de vaststelling van de perimeter waarbinnen zij wordt toegepast maar die verschillende huizenblokken afbakent waarop verschillende regels van toepassing zijn inzake de inplanting en de hoogte van de bouwwerken.
- Meer bepaald bevat voornoemde verordening bepalingen over het aantal, de inplanting en de omvang van de gebouwen, alsook hun grondinname; de vrije ruimten, met inbegrip van beplantingen in die ruimten, de regenwateropvang, met inbegrip van stormbekkens en hergebruiktanks, het ontwerp van de gebouwen in relatie tot hun mogelijke bestemmingen, hun levensduur en hun ontmanteling; de biotoopcoëfficiënt, te weten de verhouding tussen de oppervlakten die biologisch worden aangelegd en de oppervlakte van het terrein; de inrichting van de daken, met name vanuit de invalshoek van de landschappelijke integratie en de beplanting ervan.
- Wat de doelstelling van de bestreden verordening betreft: de verordening beoogt een transformatie van deze wijk in een ‘ dichte en gemengde stadswijk ’ en beoogt de ‘ herontwikkeling van de Europese wijk in zijn geheel ’. Meer bepaald bevat voornoemde 36 verordening een hoofdstuk met als opschrift ‘ Bepalingen betreffende de samenstelling van het aanvraagdossier voor een stedenbouwkundig attest en vergunning ’, dat niet alleen voorziet in basisregels die moeten worden toegepast in geval van afgifte van vergunningen maar ook procedureregels met betrekking tot de samenstelling van aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen en attesten.
- Hieruit volgt dat een besluit zoals aan de orde in het hoofdgeding, door de inhoud en de doelstelling ervan, bijdraagt tot de uitvoering van projecten die in voornoemde bijlage worden opgesomd.
- Ten tweede, wat betreft de vraag of de bestreden verordening het kader omschrijft waarbinnen de toekomstige uitvoering van dergelijke projecten kan worden gerealiseerd, heeft het Hof al voor recht gezegd dat het begrip ‘ plannen en programma’s ’ betrekking heeft op elke handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een groot pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben (arrest van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., C-290/15, EU:C:2016:816, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Deze uitlegging van het begrip ‘ plannen en programma’s ’ is erop gericht, zoals de advocaat-generaal in punt 23 van haar conclusie heeft opgemerkt, te waarborgen dat de voorschriften die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben aan een milieubeoordeling worden onderworpen.
- Zoals de advocaat-generaal in de punten 25 en 26 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet het begrip ‘ groot pakket van criteria en