← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.035

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.035 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190228.6 Arrest- Rolnummer: 35/2019 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-03-01 Raadplegingen: 320 - laatst gezien 2026-06-28 22:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Gezondheidszorg - Verzorgingsinstellingen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 6, 7 en 17 tot 21 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 februari 2017 betreffende de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent en van artikel 32 van het bijzonder decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 februari 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen, ingesteld door de medische raad van het Universitair Ziekenhuis Gent en anderen. Ziekenhuizen - Reïntegratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent - Statuut van de ziekenhuisartsen en overlegstructuren binnen het UZ Gent. Tekst van de beslissing Rolnummer 6719 Arrest nr. 35/2019 van 28 februari 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 6, 7 en 17 tot 21 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 februari 2017 betreffende de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent en van artikel 32 van het bijzonder decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 februari 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen, ingesteld door de medische raad van het Universitair Ziekenhuis Gent en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 augustus 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 augustus 2017, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, 7 en 17 tot 21 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 februari 2017 betreffende de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 februari 2017) en van artikel 32 van het bijzonder decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 februari 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2017) door de medische raad van het Universitair Ziekenhuis Gent, Dirk Vogelaers, Sabine Van daele, Dominique Benoit, Anita Vantilborgh, Wouter Bauters, Steven Callens, Peter De Paepe, Wouter Degrève, Catherina Dhooge, Giorgio Hallaert, Ingrid Herck, Gilbert Lemmens, Isabel Leroux-Roels, Nele Van den Noortgate, Hans Van Vlierberghe, Steven Weyers, Rita Cauwels en Nancy Van Den Eynde, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Tack en Mr. E. Delbeke, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. W. Van der Gucht, advocaat bij de balie te Gent; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo en Mr. T. Souverijns, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 14 november 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en J.-P. Snappe te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 december 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 5 december 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het eerste middel A.

  1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet en artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De verzoekende partijen voeren aan dat de artikelen 7, 17, 18, 19, 20 en 21 van het bestreden gewone decreet tot de « organieke wetgeving » inzake de zorgverstrekking behoren, die is uitgezonderd van de gemeenschapsbevoegdheid inzake het gezondheidsbeleid. Het bestreden artikel 7 regelt immers het statuut van de ziekenhuisartsen. De artikelen 17 tot 21 regelen de besluitvorming in de ziekenhuizen, de organisatie van de medische activiteiten en de mededeling van gegevens. Al die aspecten zouden tot de organieke wetgeving behoren en bijgevolg een aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid betreffen. A.
  2. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het bestreden decreet betrekking heeft op de onderwijsbevoegdheid van de gemeenschappen, die een ruime invulling krijgt in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Zij verwijst inzonderheid naar het arrest nr. 34/2005 van 9 februari
  3. Volgens de Vlaamse Regering moet aan het begrip « organieke wetgeving » een limitatieve invulling gegeven worden. Enkel een aantal in de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk opgesomde bevoegdheden, zoals het statuut van de ziekenhuisarts en de regels inzake het beheer en de besluitvorming in de ziekenhuizen vallen volgens haar onder het voormelde begrip. Daarenboven is de hoofddoelstelling van de organieke wetgeving het waarborgen van de minimale samenhang tussen de programmatie, erkenning en financiering. Bijgevolg gaat het volgens de Vlaamse Regering niet om een autonome bevoegdheidsgrond, maar moet het bevoegdheidsvoorbehoud in het licht van die doelstellingen worden ingevuld. Voorts meent de Vlaamse Regering dat de gemeenschappen op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met hun onderwijsbevoegdheid, bevoegd zijn voor het aannemen van regels inzake het splitsen van universitaire ziekenhuizen en universiteiten, en naar analogie dus ook voor het integreren van beide. Ten slotte stelt zij vast dat de bestreden artikelen elk afzonderlijk betrekking hebben op het regelen van « onderwijs » en dus onder de gemeenschapsbevoegdheid inzake onderwijs vallen. In elk geval zouden de bestreden bepalingen een nauwere band hebben met de onderwijsbevoegdheid van de gemeenschappen dan met de federale bevoegdheid inzake de organieke wetgeving en maken zij de uitoefening van de federale bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk. A.
  4. De verzoekende partijen betwisten de interpretatie door de Vlaamse Regering van het arrest nr. 34/
  5. Het louter mogen afsplitsen of oprichten van instellingen die onder de gemeenschapsbevoegdheid vallen, houdt niet in dat de decreetgever ook inhoudelijke regels kan uitwerken voor die instelling. De verzoekende partijen stellen dat het hier gaat om het regelen van de kernactiviteit van het ziekenhuis, zijnde het organiseren en verstrekken van gezondheidszorg. De decreetgever kan die aangelegenheid niet op een afwijkende wijze regelen in een onderwijsdecreet. Voorts merken de verzoekende partijen op dat het doel van de re-integratie het verwerven is van toegang tot de federale investeringssubsidies voor de uitbouw van de infrastructuur en gebouwen van het ziekenhuis, en dat er dus geen onderwijsdoelstellingen zijn. A.
  6. De Vlaamse Regering repliceert dat de decreten aangenomen zijn op grond van de instrumentele bevoegdheden, voortvloeiend uit artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, om de door de Grondwet toebedeelde bevoegdheden inzake onderwijs daadwerkelijk te kunnen uitoefenen. Een bijzondere wetsbepaling zou buiten toepassing moeten worden gelaten wanneer ze een uitdrukkelijke beperking van de onderwijsbevoegdheid van de gemeenschappen inhoudt. De Vlaamse Regering verwijst naar het arrest nr. 55/2016 van 28 april 2016 dat naar analogie zou kunnen worden toegepast. Daarenboven stelt ze dat sinds de zesde staatshervorming de federale wetgever uitsluitend bevoegd is voor de « basisregels » van de Ziekenhuiswet. De decreetgever is bijgevolg bevoegd om aanvullende regels inzake de organieke wetgeving aan te nemen. Hij kan ook door middel van instrumentele bevoegdheden afwijken van bepalingen die betrekking hebben op de materiële bevoegdheid van de federale wetgever. De Vlaamse Regering meent dat de stelling van de verzoekende partijen met betrekking tot het doel van de re-integratie niet relevant en niet correct is. Het wordt immers algemeen aangenomen dat het doel van een norm niet bepalend is voor de kwalificatie binnen een bevoegdheidsdomein. De bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten zijn niet in termen van doelstellingen, maar in termen van aangelegenheden 4 bepaald. Daarenboven stelt de Vlaamse Regering dat sinds de zesde staatshervorming de gemeenschappen volledig bevoegd gemaakt zijn voor de financiering van de infrastructuur van ziekenhuizen en van de medisch- technische diensten, waardoor er geen sprake meer is van « federale investeringssubsidies voor de uitbouw van de infrastructuur en gebouwen van het ziekenhuis ». Daarnaast acht ze het ook incorrect om te stellen dat dit het enige doel zou zijn van de re-integratie. Het bestreden decreet is immers daadwerkelijk gericht op het bevorderen van de werking van de universiteit en dus de effectieve uitoefening van de onderwijsbevoegdheid. In ondergeschikte orde betoogt de Vlaamse Regering dat op grond van de impliciete bevoegdheden, zoals bepaald in artikel 10 van de voormelde bijzondere wet, tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap kan worden besloten. De bestreden decreten zouden noodzakelijk zijn voor de zinvolle uitoefening van een uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheid. Het regelen van verschillende aspecten die ook in de federale ziekenhuiswetgeving voorkomen, zoals de organen en het bestuur van de instelling, het toezicht erop, de rechten en verplichtingen en statuut van het personeel, zijn noodzakelijk om de integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent op een efficiënte wijze te kunnen realiseren. Voorts zouden de voormelde aspecten zich tot een gedifferentieerde regeling lenen en zouden de bestreden decreten slechts een marginale impact hebben op de federale regeling. A.
  7. De Ministerraad sluit zich aan bij de standpunten van de verzoekende partijen. Ten aanzien van het tweede middel A.
  8. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet door de artikelen 7, 17, 18, 19, 20 en 21 van het bestreden gewone decreet en artikel 32 van het bestreden bijzonder decreet. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden artikelen in specifieke beperkingen voorzien inzake het statuut en de vergoedingsregeling van de ziekenhuisartsen van het Universitair Ziekenhuis Gent en de onderhandelingen daaromtrent, terwijl die regels niet gelden voor ziekenhuisartsen van de andere universitaire ziekenhuizen in Vlaanderen. Hun bezwaar is tweeledig. Enerzijds kunnen de artsen die vanaf 1 januari 2018 hun medische activiteiten combineren met een academische aanstelling in de Universiteit Gent, slechts een maximale aanstelling van 100 % hebben. Die beperking zou ook ingaan tegen artikel V.13, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs. Anderzijds wordt een specifieke syndicale onderhandelingskamer opgericht die bevoegd is voor de onderhandelingen over het statuut van de ziekenhuisartsen. De loutere vaststelling dat het Universitair Ziekenhuis Gent een publiekrechtelijke instelling is en de andere universitaire ziekenhuizen privaatrechtelijke instellingen zijn, zou op zich niet kunnen verantwoorden dat enkel voor de eerstgenoemde een onderhandelingskamer bestaat. A.
  9. De Vlaamse Regering merkt op dat artikel V.13 van de Codex Hoger Onderwijs een cumulatieverbod bevat voor ziekenhuisartsen die hun academische activiteiten wensen te combineren met een medische activiteit waarvoor zij zelf - en niet het ziekenhuis - een vergoeding ontvangen. Het bestreden artikel 7 is een bevestiging van die bepaling, zodat er geen verschil in behandeling is tussen ziekenhuisartsen in het Universitair Ziekenhuis Gent en ziekenhuisartsen in andere universitaire ziekenhuizen in Vlaanderen. Wat het tweede aspect betreft, wijst de Vlaamse Regering op het verschil tussen het publiekrechtelijke en privaatrechtelijke statuut van universitaire ziekenhuizen. Het publiekrechtelijke statuut van de Universitair Ziekenhuis Gent bracht met zich mee dat de wet van 19 december 1974 van toepassing was. Die wet voorziet in de oprichting van specifieke onderhandelingscomités waarin representatieve vakorganisaties onderhandelingen voeren over het statuut van de personeelsleden. Aangezien de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent ertoe leidt dat de wet van 19 december 1974 niet meer van toepassing is, heeft het bestreden gewone decreet de specifieke onderhandelingskamer ingericht. Het gaat niet om een autonoom beslissingsorgaan, maar om een aanvullend overleginstrument binnen het Vlaams Onderhandelingscomité. Het nieuwe overlegmodel raakt niet aan de bevoegdheden van de medische raad en de andere commissies binnen het ziekenhuis. A.
  10. Indien artikel 7 van het bestreden gewone decreet louter een bevestiging is van artikel V.13 van de Codex Hoger Onderwijs, redeneren de verzoekende partijen dat die regeling enkel een cumulatieverbod, na 31 december 2017, zal inhouden voor zelfstandige artsen. Die interpretatie strookt evenwel niet met het protocol nr. 70 van het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs. Daarin staat expliciet dat alle personeelsleden na de re-integratie van de Universiteit Gent slechts een aanstelling van 100 % kunnen krijgen. 5 Wat de syndicale onderhandelingskamer betreft, wijzen de verzoekende partijen op het gevaar van de ondervertegenwoordiging van de ziekenhuisartsen in de onderhandelingskamer. Ze zijn immers enkel vertegenwoordigd door de hoofdarts, wiens belangen niet altijd overeenstemmen met die van de andere artsen. Daarenboven stellen ze dat het Vlaams Onderhandelingscomité enkel bevoegd is voor universiteiten en niet voor universitaire ziekenhuizen. Hiervoor verwijzen ze naar artikel V.231 van de Codex Hoger Onderwijs. A.
  11. Volgens de Vlaamse Regering geldt het cumulatieverbod voor alle artsen, ongeacht hun statuut. De zinsnede « in uitvoering van een arbeidsovereenkomst of van een reglement » in artikel V.13 van de Codex Hoger Onderwijs doet geen afbreuk aan het algemeen geformuleerde cumulatieverbod. Daarnaast wijst de Vlaamse Regering op de gewaarborgde vertegenwoordiging van de ziekenhuisartsen in de syndicale onderhandelingskamer. Voor elk overleg inzake de rechtspositie van de ziekenhuisartsen kunnen immers leden van de medische raad als technische experts met raadgevende stem worden uitgenodigd. Ten aanzien van het derde middel A.
  12. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet door artikel 7 van het bestreden gewone decreet en artikel 32 van het bestreden bijzonder decreet. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden artikelen uitsluitend voor de personeelsleden die op 31 december 2017 een functie cumuleerden aan de Universiteit Gent en het Universitair Ziekenhuis Gent in het behoud van hun huidige vergoedingsregeling voorzien, terwijl niet in een dergelijke garantie wordt voorzien voor de ziekenhuisartsen die dezelfde activiteiten pas vanaf 1 januari 2018 cumuleren. A.
  13. Volgens de Vlaamse Regering beoogde de decreetgever de verworven rechten te vrijwaren van de ziekenhuisartsen. De keuze om de overgangsregeling tot 31 december 2017 te laten lopen en niet tot een latere datum behoort tot de beoordelingsvrijheid van de decreetgever en maakt de regeling op zich niet ongrondwettig. Ziekenhuisartsen zouden niet kunnen verwachten dat zij blijvend een onbeperkte cumulatieregeling kunnen genieten. De Vlaamse Regering preciseert voorts dat reeds een modulatie heeft plaatsgevonden van het cumulatieverbod, door middel van een intern protocol van 12 oktober 2017 dat werd afgesloten tussen de raad van bestuur van het Universitair Ziekenhuis Gent en de medische raad. In het protocol verbinden de partijen zich ertoe een parallel vergoedingssysteem uit te werken voor de ziekenhuisartsen die vanaf 1 januari 2018 verschillende activiteiten zullen cumuleren. Dit houdt in dat de Universiteit Gent de vermindering van het tewerkstellingspercentage zal compenseren met een aanvullende academische vergoeding binnen het stelsel van de kliniekvergoeding. Ten aanzien van het vierde middel A.
  14. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet door artikel 19 van het bestreden gewone decreet. De verzoekende partijen betwisten de samenstelling van de syndicale onderhandelingskamer inzake de rechtspositie van de personeelsleden en ziekenhuisartsen van het Universitair Ziekenhuis Gent. Die bestaat uit een aantal gemandateerden van het ziekenhuisbestuur en minstens evenveel afgevaardigden van het ziekenhuispersoneel, terwijl niet in een soortgelijke vertegenwoordiging voor de ziekenhuisartsen is voorzien, die binnen de delegatie van het ziekenhuisbestuur enkel worden vertegenwoordigd door de hoofdarts of zijn afgevaardigde. A.
  15. De Vlaamse Regering betoogt dat de decreetgever het bestaande status-quo op het vlak van de sociale vertegenwoordiging wenste te behouden. Zij verwijst voorts naar de reeds vermelde bijstand door technische raadslieden en wijst erop dat het universitair ziekenhuis door middel van een intern protocol de procedure inzake het collectief overlegmodel verder mag verfijnen. Ten aanzien van het vijfde middel A.
  16. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 6 van het bestreden gewone decreet. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepaling enkel voorziet 6 in een overname van het ziekenhuispersoneel met een ambtenaren- of werknemersstatuut, maar niet voorziet in een regeling voor de overname van de contracten met zelfstandige ziekenhuisartsen en paramedici. A.
  17. Volgens de Vlaamse Regering blijkt uit de memorie van toelichting dat ook de regelgeving inzake de artsen-specialisten die als zelfstandige zijn tewerkgesteld in het Universitair Ziekenhuis Gent van toepassing blijft op lopende aannemingscontracten. Daarenboven geldt het algemeen vermoeden dat bij een integratie van een publieke rechtspersoon in een andere, alle bestaande contracten worden overgenomen. Ten slotte verwijst de Vlaamse Regering naar artikel 31 van het bestreden bijzonder decreet, dat bepaalt dat de Universiteit Gent in de rechten en plichten van het Universitair Ziekenhuis Gent zal treden die vóór 1 januari 2018 zijn ontstaan. Die bepaling zou ook de contracten van de zelfstandige ziekenhuisartsen omvatten. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging B.1.
  18. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 32 van het bijzonder decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 februari 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen (hierna : het bijzonder decreet van 3 februari 2017) en van de artikelen 6, 7 en 17 tot 21 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 februari 2017 betreffende de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent (hierna : het gewone decreet van 3 februari 2017). B.1.
  19. De Universiteit Gent is een gemeenschapsuniversiteit ingericht door de Vlaamse Gemeenschap. In 1987 werd het Universitair Ziekenhuis Gent (hierna : het UZ Gent) afgesplitst van de toenmalige Rijksuniversiteit Gent. Het bijzonder decreet van 3 februari 2017 beoogt de Vlaamse openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opnieuw te integreren in de Universiteit Gent. Die inbedding moet toelaten dat het UZ Gent, als deel van de rechtspersoon van de Universiteit Gent, « zijn statuut van ziekenhuis ten volle valoriseert binnen het Vlaamse en het federale ziekenhuisbeleid » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 914/1, p. 3). Het gewone decreet van dezelfde datum bevat een aantal maatregelen om de re-integratie te begeleiden op het vlak van het personeelsbeleid, de financiering en de overdracht van gebouwen en gronden. 7 De grieven van de verzoekende partijen zijn niet gericht tegen de re-integratie als zodanig; zij zijn uitsluitend gericht tegen een aantal bepalingen van de voormelde decreten die aan het statuut van de ziekenhuisartsen en de overlegstructuren binnen het UZ Gent zouden raken. B.1.
  20. Artikel 32 van het bijzonder decreet van 3 februari 2017 voegt in het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen een artikel 48ter in, dat bepaalt : « De personeelsleden die uiterlijk op 31 december 2017 belast zijn met een mandaat in het UZ Gent en de Universiteit Gent, kunnen dat mandaat verder uitoefenen overeenkomstig de regelgeving die op 31 december 2017 op hen van toepassing is ». B.1.
  21. Artikel 6 van het gewone decreet van 3 februari 2017 bepaalt : « De personeelsleden die op 31 december 2017 met een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld in het UZ Gent, worden door de Universiteit Gent op 1 januari 2018 overgenomen, binnen de voorwaarden van hun arbeidsovereenkomst en de op hen toepasselijke rechtspositieregelingen. De bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985, algemeen verbindend verklaard door het koninklijk besluit van 25 juli 1985, zoals van toepassing op werknemers van de private sector, zijn naar analogie van toepassing op de overgenomen personeelsleden. De personeelsleden die op 31 december 2017 benoemd zijn bij het UZ Gent, worden op 1 januari 2018 door de Universiteit Gent overgenomen als personeelsleden die benoemd zijn overeenkomstig de op 31 december 2017 geldende regelgeving. De personeelsleden die op 31 december 2017 tot de stage zijn toegelaten bij het UZ Gent, worden op 1 januari 2018 door de Universiteit Gent overgenomen als personeelsleden die overeenkomstig de op 31 december 2017 geldende regelgeving tot de stage zijn toegelaten ». B.1.
  22. Artikel 7 van hetzelfde decreet bepaalt : « De personeelsleden van de Universiteit Gent die op 31 december 2017 in het UZ Gent een medische of paramedische activiteit uitoefenen, die in toepassing van artikel V.13, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs, niet wordt beschouwd als een andere beroepsactiviteit of andere bezoldigde activiteit, kunnen deze activiteit verder uitoefenen, met behoud van hun specifieke vergoedingsregeling ». B.1.
  23. Artikel 17 van hetzelfde decreet voegt aan artikel V.231, 3°, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 een punt e) toe. Het aldus gewijzigde artikel V.231 bepaalt : 8 « Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° onderhandelen : het gezamenlijk vergaderen met het oog op het afsluiten van een overeenkomst, geformaliseerd in een protocol; 2° overleggen : het gezamenlijk vergaderen met het oog op het uitbrengen van een gemotiveerd advies; 3° personeel : a) het academisch personeel bedoeld in titel 1, hoofdstuk 1, van dit deel; b) het onderwijzend personeel bedoeld in titel 2, hoofdstuk 2, van dit deel; c) de wetenschappelijke medewerkers en de bursalen werkzaam binnen een instelling, ongeacht de aard van de tewerkstelling of de herkomst van de bezoldiging; d) de beleidsondersteunende en technische personeelsleden van een instelling, ongeacht de aard van de tewerkstelling of de herkomst van de bezoldiging; e) het personeel van het UZ Gent ». B.1.
  24. Artikel 18 van hetzelfde decreet voegt in artikel V.232, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs, tussen de woorden « hoger onderwijs » en de woorden « dat bestaat uit », de woorden « en het Universitair Ziekenhuis Gent » in. Het aldus gewijzigde artikel V.232 bepaalt : « Er is binnen het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs en het Universitair Ziekenhuis Gent dat bestaat uit : 1° een afvaardiging van de Vlaamse Regering; 2° afvaardigingen van de representatieve vakorganisaties die het personeel vertegenwoordigen; 3° een afvaardiging die de besturen van de universiteiten, hogescholen en associaties vertegenwoordigt. De afvaardiging van de Vlaamse Regering bestaat uit maximaal 12 leden. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde treedt op als voorzitter van het Vlaams Onderhandelingscomité. Elke representatieve vakorganisatie stelt vrij haar afvaardiging samen die uit maximaal 4 leden bestaat. De besturen van de universiteiten, hogescholen en associaties stellen vrij hun afvaardiging samen die uit maximaal 12 leden bestaat. 9 Elke afvaardiging kan zich laten bijstaan door technici, die niet stemgerechtigd zijn ». B.1.
  25. Artikel 19 van hetzelfde decreet voegt aan artikel V.239 van de Codex Hoger Onderwijs een paragraaf 3 toe, die bepaalt : « De Universiteit Gent richt, binnen het centraal onderhandelingscomité, een aparte kamer op om te onderhandelen over de rechtspositie van de personeelsleden en de ziekenhuisartsen van het UZ Gent. De kamer bestaat uit een aantal gemandateerde vertegenwoordigers van het ziekenhuisbestuur, aangewezen door het Directiecomité van het UZ Gent, en uit ten minste evenveel afgevaardigden van het ziekenhuispersoneel. Er zijn evenveel plaatsvervangers als effectieve afgevaardigden. Binnen de delegatie van het ziekenhuisbestuur worden de ziekenhuisartsen vertegenwoordigd door de hoofdgeneesheer of zijn afgevaardigde. De afgevaardigden van het personeel worden aangewezen door de representatieve vakorganisaties. Het aantal effectieve afgevaardigden bedraagt ten hoogste drie per representatieve vakorganisatie. Elke delegatie kan een beroep doen op technici ». B.1.
  26. Artikel 20 van hetzelfde decreet voegt in artikel V.240 van de Codex Hoger Onderwijs een paragraaf 1bis in, die bepaalt : « De kamer, bevoegd voor het Universitair Ziekenhuis Gent, onderhandelt over de volgende aangelegenheden, als ze betrekking hebben op het ziekenhuis : 1° de grondregelingen in verband met het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling; 2° de grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling; 3° het kliniekkader en de erop van toepassing zijnde regelingen, en dit onverminderd de bevoegdheden die in deze toegewezen zijn aan het HR Rail- en Remuneratiecomité; 4° de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen; 5° de organisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsorganisatie of de organisatie van het werk; 6° alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie en bescherming op het werk ». 10 B.1.
  27. Artikel 21 van hetzelfde decreet voegt aan artikel V.241 van de Codex Hoger Onderwijs, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, een paragraaf 2 toe, die bepaalt : « Het Directiecomité van het UZ Gent bezorgt de documenten en gegevens, vermeld in paragraaf 1, aan de kamer, bevoegd voor het UZ Gent, als die van toepassing zijn op het UZ Gent en neemt de bepalingen van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinstellingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 hierbij in acht ». De in paragraaf 1 bedoelde documenten en gegevens betreffen :

(1)algemene informatie over de werking en de organisatie;
(2)het organigram van de universiteit, met de interne organisatiestructuur, de bestuursstructuur, de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
(3)de statuten;
(4)de begroting;
(5)de meerjarenbegroting;
(6)de jaarrekening;
(7)het jaarverslag;
(8)een overzicht van de inkomsten van welke aard ook;
(9)de personeelsformatie;
(10)de evolutie van het aantal personeelsleden en de vooruitzichten met betrekking tot de tewerkstelling;
(11)de evolutie van studentenaantallen en van de slaagcijfers per opleiding;
(12)de fysische inventaris van de onroerende goederen;
(13)de programmatieplannen en de rationalisatieplannen met betrekking tot studiegebieden, opleidingen en opties;
(14)de inlichtingen over het nascholingsbeleid, het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek en de maatschappelijke dienstverlening;
(15)de sociale voorzieningen voor de studenten;
(16)de prioriteiten inzake de uitrusting;
(17)de accommodatiemogelijkheden;
(18)de adviezen van de studentenraad en van andere raden van de universiteit. B.2.1. Het beroep is ingesteld door de medische raad van het UZ Gent en door achttien ziekenhuisartsen die als bediende of als ambtenaar in het voormelde ziekenhuis zijn tewerkgesteld. B.2.2. De bestreden bepalingen hebben betrekking op de rechtspositie van de personeelsleden en van de ziekenhuisartsen van het UZ Gent, dat voortaan deel uitmaakt van de Universiteit Gent. De tweede tot en met de negentiende verzoekende partij doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van die bepalingen. Nu het belang van de verzoekende partijen die ziekenhuisartsen zijn vaststaat, dient niet te worden onderzocht of het beroep ontvankelijk is wat de medische raad betreft. 11 Ten gronde Wat betreft de toetsing aan de bevoegdheidverdelende regels B.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 1°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De verzoekende partijen voeren aan dat de artikelen 7 en 17 tot 21 van het gewone decreet van 3 februari 2017 behoren tot de « organieke wetgeving » inzake de zorgverstrekking in en buiten de verplegingsinrichtingen, die is uitgezonderd van de gemeenschapsbevoegdheid inzake het gezondheidsbeleid en tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoort. B.4.1. Artikel 5, § 1, I, eerste lid, 1°, a), van de voormelde bijzondere wet bepaalt : « De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet, zijn : I. Wat het gezondheidsbeleid betreft : 1° onverminderd datgene wat bepaald is in het eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5° en 6°, het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in en buiten de verplegingsinrichtingen met uitzondering van :
  1. a)de organieke wetgeving, met uitzondering van de investeringskost van de infrastructuur en de medisch-technische diensten; ». B.4.2. Krachtens artikel 5, § 1, I, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gemeenschappen wat het gezondheidsbeleid betreft, bevoegd inzake « het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in en buiten de verplegingsinrichtingen » met uitzondering van de materies opgesomd onder
  2. a)tot d). Onder die uitzonderingen bevindt zich « de organieke wetgeving ». Die materie behoort, met uitzondering van de investeringskosten van de infrastructuur en de medisch-technische diensten, uitsluitend tot de bevoegdheid van de federale overheid. 12 Naar luid van de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, betreft de organieke wetgeving « de basisregels en de krachtlijnen van het ziekenhuisbeleid, zoals deze onder meer vervat zitten in de ziekenhuiswet ». Die basisregels en krachtlijnen « strekken ertoe de minimale samenhang te waarborgen die per definitie noodzakelijk is tussen de programmatie, de erkenning en de financiering, wil men op de verschillende niveaus op een werkbare manier een beleid kunnen voeren » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232/1, p. 35). De voormelde « ziekenhuiswet » is de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. B.4.3. Met betrekking tot het begrip « organieke wetgeving » vermeldt de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 nog : « 1) Organiek zijn :
  3. a)de basiskenmerken van de :
  4. i)ziekenhuizen (onder meer wat betreft de ziekenhuisgebonden prestaties, uitsplitsing over verschillende vestigingsplaatsen, minimaal activiteitsniveau), psychiatrische ziekenhuizen, universitaire ziekenhuizen;
  5. ii)ziekenhuisdiensten, afdelingen, ziekenhuisfuncties, medische en medisch-technische diensten, zorgprogramma's, zware apparaten, netwerken en zorgcircuits. Zo kunnen basiskenmerken vernoemd worden die een direct verband vertonen met de programmatie en/of financiering alsook een structureel karakter vertonen (bijvoorbeeld noodzakelijke apparatuur, de aard van de verleende zorg binnen een ziekenhuis of ziekenhuisdienst of de doelgroep, het minimale personeelskader); iii) samenwerkingsverbanden tussen ziekenhuizen.
  6. b)de regelen met betrekking tot het beheer en de besluitvorming in de ziekenhuizen, met inbegrip van de interne adviesorganen;
  7. c)het statuut van de ziekenhuisarts en de betrokkenheid bij de besluitvorming van ziekenhuisartsen en andere gezondheidszorgberoepen;
  8. d)de algemene regelen met betrekking tot de structurering van de verpleegkundige en medische activiteiten;
  9. e)de regelen inzake de boekhouding, de financiële controle en de mededeling van gegevens; 13
  10. f)de implicaties van het al dan niet voldoen aan de basisregelen inzake programmatie of maximum aantal diensten, functies, enz., of aan de bepalingen van de organieke wetgeving;
  11. g)de algemene regelen inzake de gevolgen van het al dan niet voldoen aan de erkenningsnormen van de diensten, functies, …, of de toelatingen tot het opstellen van zware apparaten, (dit betreft bijvoorbeeld de regel ‘ intrekking erkenning = geen financiering ’) » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232/1, pp. 35-36). B.4.4. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt aldus dat de basisregels van het statuut van de ziekenhuisarts alsook de basisregels met betrekking tot het beheer en de besluitvorming in de ziekenhuizen tot de « organieke wetgeving » behoren, die aan de federale overheid is voorbehouden. B.5.1. Het bestreden artikel 7 van het gewone decreet van 3 februari 2017 waarborgt de personeelsleden van de Universiteit Gent die op 31 december 2017 in het UZ Gent een medische of paramedische activiteit uitoefenen, dat zij die cumulatie kunnen voortzetten, met behoud van hun vergoedingsregeling, rekening houdende met de regeling die vervat is in artikel V.13, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs. B.5.2. De bestreden artikelen 17 tot 21 van hetzelfde decreet maken deel uit van hoofdstuk 5, met als titel « Wijzigingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 ». Artikel 17 van het gewone decreet van 3 februari 2017 bepaalt dat onder de term « personeel » in de Codex Hoger Onderwijs ook het personeel van het UZ Gent valt. Artikel 18 van hetzelfde decreet breidt het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs dat binnen het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming is opgericht uit tot het UZ Gent. Dat Vlaams Onderhandelingscomité onderhandelt krachtens artikel V.é van de Codex Hoger Onderwijs over de voorontwerpen van decreet en de ontwerpen van besluit met betrekking tot, onder meer, de grondregelen van de rechtspositieregeling van het personeel. 14 Artikel 19 van het gewone decreet van 3 februari 2017 regelt de oprichting, binnen het centraal onderhandelingscomité van de Universiteit Gent, van een aparte kamer om te onderhandelen over de rechtspositie van de personeelsleden en de ziekenhuisartsen van het UZ Gent. Artikel 20 van hetzelfde decreet bepaalt dat die aparte kamer bevoegd is voor een aantal aangelegenheden, als ze betrekking hebben op het ziekenhuis, waaronder de grondregelingen in verband met het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling, en de grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling. Artikel 21 van hetzelfde decreet vermeldt de documenten en gegevens die het Directiecomité van het UZ Gent aan de aparte kamer, binnen het centraal onderhandelingscomité, moet bezorgen. B.6. Artikel 7 van het gewone decreet van 3 februari 2017 voorziet in de toelating voor de personeelsleden die op 31 december 2017 in het UZ Gent een medische of paramedische activiteit uitoefenden, om die activiteit binnen de Universiteit Gent verder uit te oefenen, met behoud van hun specifieke vergoedingsregeling. De overige bestreden bepalingen regelen de onderhandelingen over de rechtspositie van de personeelsleden en de ziekenhuisartsen van het UZ Gent binnen de structuren van de Vlaamse Gemeenschap en van de Universiteit Gent. Het UZ Gent, dat als universitair ziekenhuis voortaan deel uitmaakt van de Universiteit Gent, « heeft een in essentie klinische opdracht, maar bezit daarnaast een universitaire functie die verbonden is aan de universiteit » (artikel 2, tweede lid, van het bijzonder decreet van 3 februari 2017). B.7.1. Krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet zijn de gemeenschappen bevoegd inzake onderwijs, behoudens de daarin uitdrukkelijk vermelde uitzonderingen. Krachtens artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kunnen de gemeenschappen, in de materies die tot hun bevoegdheid behoren, gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen oprichten, zonder daarbij gebonden te zijn aan vooraf bestaande organisatievormen. De decreetgever heeft zijn bevoegdheden uitgeoefend door het « Universitair Ziekenhuis Gent » opnieuw op te nemen in de « Universiteit Gent ». 15 B.7.2. De gemeenschappen hebben, krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet, de volheid van bevoegdheid tot het regelen van onderwijs in de ruimste zin van het woord, behalve voor de daarin uitdrukkelijk vermelde uitzonderingen. Die bevoegdheid omvat de vaststelling van de regels betreffende de rechtspositie van het onderwijspersoneel in het algemeen en van het onderwijspersoneel van het gemeenschapsonderwijs in het bijzonder. B.8.1. Met betrekking tot de dubbele functie van het UZ Gent vermeld in B.6, vermeldt de parlementaire voorbereiding van het gewone decreet van 3 februari 2017 : « De universitaire ziekenhuizen in Vlaanderen kennen twee organisatiemodellen. In model 1 maakt het ziekenhuis deel uit van de rechtspersoon van de universiteit, weliswaar met bijzondere schotten tussen universiteit en het ziekenhuis. Het Universitair Ziekenhuis Leuven en het Universitair Ziekenhuis Brussel fungeren binnen dit model. In model 2 is het ziekenhuis een aparte vzw. Het Universitair Ziekenhuis Antwerpen hanteert dit model. Het UZ Gent daarentegen is tot nog toe een sui generis overheidsinstelling gebleven met de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs als voogdijminister. Deze bijzondere situatie bemoeilijkt de integratie van het UZ Gent in het generieke ziekenhuisbeleid van de federale en Vlaamse overheid. Met voorliggende tekst kiest de Vlaamse decreetgever voor het eerste organisatiemodel en wordt het UZ Gent een onderdeel van de rechtspersoon van de Universiteit Gent. Deze verankering zal ervoor zorgen dat het UZ zijn opdracht als universitair ziekenhuis in een universitaire context ten volle kan waarmaken. Het universiteitsbestuur zal een autonoom geïntegreerd beleid kunnen voeren binnen de instelling, waardoor gelijkheid, uniformiteit, duidelijkheid en maximale interactie kunnen worden gecreëerd. Het zorgt tevens voor een grotere slagkracht voor het ziekenhuis omdat het de hele universiteit achter zich heeft. De universiteit krijgt, binnen zijn organisatiestructuur, zijn doelstellingen en missie het voeren van een ziekenhuisactiviteit erbij. Dit betekent dat er geen opponenten zijn met tegengestelde belangen, maar collega’s met gelijklopende belangen. Overleg wordt gevoerd op basis van gelijkheid en niet op basis van afhankelijkheid. De samenwerking zal ook vlotter verlopen omdat samenwerking inherent is aan de structuur. Er moeten geen aparte overeenkomsten worden opgesteld voor de verrekening van de opdrachten, wetenschappelijk onderzoek tussen verschillende rechtspersonen, dus minder administratieve planlast. 16 Bovendien is er door de concentratie van onderwijs, onderzoek en patiëntenzorg op één plaats, in één ‘ hand ’, een maximale interactie tussen deze domeinen, wat elk van deze domeinen ten goede komt en zeker ook de patiënt. - Het beheer van het UZ Gent Het beheer van het UZ Gent wordt gedelegeerd aan een nieuw op te richten orgaan, het Bestuurscomité UZ Gent. Op deze manier behoudt het UZ Gent een eigen beheer. Het UZ Gent blijft tevens een aparte boekhouding voeren. De Universiteit Gent is de ziekenhuisuitbater. Op deze wijze respecteert de decreetgever de federale ziekenhuisregelgeving » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 914/1, pp. 3-4). B.8.2. De dubbele functie van het UZ Gent heeft tot gevolg dat de rechtspositie van dat ziekenhuis en van de ziekenhuisartsen die er werkzaam zijn, twee aspecten vertoont. De basisregels met betrekking tot het beheer en de besluitvorming in de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisartsen en hun betrokkenheid bij de besluitvorming in het ziekenhuis behoren tot de organieke wetgeving en bijgevolg tot de bevoegdheid van de federale wetgever op grond van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 1°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. B.8.3. In zoverre de bestreden bepalingen uitsluitend de voorwaarden bepalen voor de cumulatie van een universitair mandaat binnen de Universiteit Gent met een medische activiteit binnen het UZ Gent (artikel 7) en zij de oprichting en de bevoegdheden regelen van de inspraakorganen met betrekking tot de rechtspositie van de personeelsleden en de ziekenhuisartsen van het UZ Gent, vanaf het ogenblik dat dat ziekenhuis deel uitmaakt van de universiteit (artikelen 17 tot 21), behoren die bepalingen evenwel tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap inzake onderwijs, zoals bedoeld in artikel 127 van de Grondwet. Die grondwetsbepaling wijst aan de gemeenschappen de bevoegdheid toe om het administratief en geldelijk statuut van het personeel, met uitzondering van de pensioenregeling, alsook de collectieve arbeidsverhoudingen te regelen. B.9.1. Het evenredigheidsbeginsel, dat eigen is aan de uitoefening van elke bevoegdheid, houdt evenwel in dat geen enkele overheid bij het voeren van een beleid dat haar is toevertrouwd, zo verregaande maatregelen mag nemen dat het voor een andere overheid onmogelijk of overdreven moeilijk wordt om het beleid dat haar is toevertrouwd doelmatig uit te voeren. 17 B.9.2. De parlementaire voorbereiding van het bijzonder decreet van 3 februari 2017 vermeldt : « Bij de uittekening van de nieuwe bestuursorganen en van de vernieuwing van de bestaande bestuursorganen, zowel van universiteit als van ziekenhuis, worden de bepalingen van de Ziekenhuiswet uiteraard gerespecteerd. Zo wordt het beheer van het ziekenhuis gedelegeerd aan het Bestuurscomité van het UZ Gent in uitvoering van deze wet, die een splitsing van het ziekenhuisbeheer van de ziekenhuisuitbater oplegt. Dit Bestuurscomité zal het beleid van het ziekenhuis bepalen en de cruciale beslissingen nemen, vaak na advies van de medische raad van het UZ Gent. De medische raad kan de rol die hem wettelijk via de Ziekenhuiswet is toebedeeld ten volle blijven spelen. In het Bestuurscomité zetelt daarenboven een grote delegatie van de ziekenhuisartsen, waardoor ze een reële inbreng zullen hebben bij het bepalen en het voeren van ziekenhuisbeleid. […] […] Het nieuwe overlegmodel raakt niet aan de bevoegdheden van de medische raad en de andere commissies binnen het ziekenhuis, bevoegd voor diverse aspecten van de rechtspositie van de ziekenhuisartsen, zoals het Hr- en Remuneratiecomité en de adviescommissie Kliniekvergoeding. Voor dat alles worden de zaken behouden zoals ze zijn » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 915/3, pp. 5-6). B.9.3. Het blijkt niet dat de decreetgever met de bestreden bepalingen het de federale wetgever onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken om de bevoegdheid uit te oefenen inzake de organieke wetgeving die hem door artikel 5, § 1, I, eerste lid, 1°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is voorbehouden inzake het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in en buiten de verplegingsinrichtingen. De bevoegdheden die door de decreetgever worden toegekend aan de organen bedoeld in de artikelen 18 tot 21 van het gewone decreet van 3 februari 2017 kunnen niet zo worden begrepen dat zij hun zouden toelaten de bevoegdheidsregels te schenden. B.10. Het eerste middel is niet gegrond. 18 Wat betreft de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie B.11.1. Het eerste onderdeel van het tweede middel en het derde middel zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet door artikel 7 van het gewone decreet van 3 februari 2017 en door artikel 32 van het bijzonder decreet van 3 februari 2017. B.11.2. Krachtens artikel 32 van het bijzonder decreet van 3 februari 2017 kunnen de personeelsleden die uiterlijk op 31 december 2017 belast waren met een mandaat in het UZ Gent en in de Universiteit Gent, dat mandaat verder uitoefenen overeenkomstig de regelgeving die op 31 december 2017 op hen van toepassing was. Krachtens artikel 7 van het gewone decreet van 3 februari 2017 kunnen de personeelsleden van de Universiteit Gent die op 31 december 2017 in het UZ Gent een medische of paramedische activiteit uitoefenden die activiteit verder uitoefenen met behoud van hun specifieke vergoedingsregeling. B.11.3. Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen de artsen die vanaf 1 januari 2018 hun medische activiteit in het UZ Gent willen cumuleren met een academische opdracht aan de Universiteit Gent in een dubbel opzicht discrimineren. In de eerste plaats zouden de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling tot gevolg hebben tussen artsen, naargelang zij hun medische activiteiten reeds vóór dan wel vanaf 1 januari 2018 willen cumuleren met een academische opdracht. In de tweede plaats zouden zij de artsen van het UZ Gent die vanaf 1 januari 2018 die beide activiteiten willen cumuleren anders behandelen dan de artsen van andere universitaire ziekenhuizen. B.12.1. De beide bestreden artikelen zijn overgangsbepalingen die beogen de verkregen rechten te vrijwaren van de personeelsleden zoals die bestonden vóór de re-integratie van het UZ Gent in de Universiteit Gent. In het licht van die doelstelling is het niet zonder redelijke verantwoording dat zij slechts van toepassing zijn op de personeelsleden die op 31 december 2017, zijnde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de bestreden decreten, reeds een activiteit aan de Universiteit Gent combineerden met hun medische activiteit in het UZ Gent. 19 B.12.2. Ten tijde van de totstandkoming van de bestreden bepalingen werd een dergelijke cumulatie van beroepsactiviteiten geregeld in artikel V.13, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, dat bepaalde : « Voor de toepassing van het bepaalde in artikel V.12 en V.13 worden de medische en paramedische activiteiten uitgeoefend door een lid van het academisch personeel in uitvoering van een arbeidsovereenkomst of van een reglement inzake kliniekvergoedingen niet beschouwd als zijnde andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten indien ze uitsluitend worden uitgeoefend in het Universitair Ziekenhuis Gent voor wat de Universiteit Gent betreft, of, voor wat de andere universiteiten vermeld in artikel II.2 betreft, in het universitair ziekenhuis, deel uitmakend van de eigen universiteit of hiervan afgesplitst en omgevormd in een autonome rechtspersoon ». B.12.3. Bij artikel 99 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 juni 2018 betreffende het onderwijs XXVIII werd de regeling inzake de cumulatie van de bedoelde beroepsactiviteiten opgenomen in artikel V.17, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs, dat bepaalt : « Voor de toepassing van artikel V.15 en V.16 worden de medische en paramedische activiteiten die worden uitgeoefend door een lid van het academisch personeel ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of van een reglement over kliniekvergoedingen, niet beschouwd als andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten, als ze uitsluitend worden uitgeoefend in het universitair ziekenhuis dat deel uitmaakt van de eigen universiteit of daarvan afgesplitst is en omgevormd is tot een autonome rechtspersoon ». B.12.4. Met betrekking tot die bepaling vermeldt de parlementaire voorbereiding van het decreet van 15 juni 2018 : « Het tweede lid in artikel V.17 is een overname van de huidige regeling in artikel V.13, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs waarbij de opdracht aan een academisch ziekenhuis dat aan de universiteit verbonden is en de academische opdracht als één gezamenlijke opdracht beschouwd worden wanneer de arts de opdracht aan het ziekenhuis niet als zelfstandige uitoefent » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1574/1, p 35). B.12.5. Uit het voorgaande blijkt derhalve niet dat de artsen van het UZ Gent die hun beroepsactiviteit combineren met een academische opdracht aan de Universiteit Gent anders worden behandeld dan de personeelsleden van de andere universitaire ziekenhuizen. B.13. Het tweede middel, in zijn eerste onderdeel, en het derde middel zijn niet gegrond. 20 B.14. Het tweede middel, in zijn tweede onderdeel, en het vierde middel zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet door de artikelen 17 tot 21 van het gewone decreet van 3 februari 2017, die binnen het centraal onderhandelingscomité van de Universiteit Gent een aparte kamer oprichten om te onderhandelen over de rechtspositie van de personeelsleden en de ziekenhuisartsen van het UZ Gent. Die bepalingen zouden een niet-verantwoord verschil in behandeling instellen tussen de artsen van het UZ Gent en die van andere universitaire ziekenhuizen, waar niet een dergelijke aparte onderhandelingskamer bestaat. De verzoekende partijen betwisten voorts ook de samenstelling van de onderhandelingskamer. B.15.1. Met betrekking tot de oprichting van de aparte kamer binnen het centraal onderhandelingscomité vermeldt de parlementaire voorbereiding van het gewone decreet van 3 februari 2017 : « Wat het collectief overleg betreft, was het UZ Gent onderworpen aan de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Het collectief overlegmodel in de vrije universiteiten is vastgelegd in de Cao-wet van 1968. Het verschil in behandeling wordt verantwoord door het verschil in karakter van de ziekenhuizen : publiekrechtelijk versus privaatrechtelijk. Bij de uittekening van het nieuwe model dat zal gelden na de inwerkingtreding koos de decreetgever ervoor zo dicht mogelijk bij de door het UZ Gent gekende regelgeving te blijven » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 914/1, pp. 6-7). B.15.2. De parlementaire voorbereiding van het bijzonder decreet van 3 februari 2017 vermeldt voorts : « Op het lokale, interne vlak kiest men met de voorliggende ontwerpregeling voor een status quo en behoudt men de bestaande interne medezeggenschapsorganen met hun huidige bevoegdheden. Ook dit is een bewuste keuze, die aansluit bij de zorgen die geuit werden door de medische raad. In overleg met de directie is er gezocht naar een oplossing die de bestaande sociale vrede zowel met de representatieve vakorganisaties als met de artsen moet verzekeren. […] […] Het voorliggende rechtskader moet kans bieden op hervorming met behoud van de huidige stabiliteit en rust die er op dit moment in het ziekenhuis leven bij het personeel en de medezeggenschapsorganen en de bestaande commissies. Voor de werving van nieuwe personeelsleden blijft om die reden ook de regel behouden dat de werving statutair blijft en 21 dat een contractuele werving de uitzondering blijft » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 915/3, p. 6). B.15.3. De re-integratie van het UZ Gent in de Universiteit Gent heeft tot gevolg dat de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel niet meer van toepassing is. Met de oprichting van een aparte kamer binnen het centraal onderhandelingscomité van de Universiteit Gent beoogt de decreetgever voor de personeelsleden van het UZ Gent een structuur van sociale bescherming te organiseren die zo nauw mogelijk aansluit bij dat van de voormelde wet, teneinde de sociale vrede te handhaven. Volgens artikel V.232, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs is de aparte kamer ook slechts een aanvullend overlegorgaan binnen het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs, dat voor alle universitaire ziekenhuizen bevoegd is. B.15.4. Rekening houdend met het bovenstaande is het niet zonder redelijke verantwoording dat de bestreden regeling enkel van toepassing is op de personeelsleden van het UZ Gent en niet op die van de andere universitaire ziekenhuizen, waar een ander model van sociale bescherming geldt. B.15.5. Het tweede middel, in zijn tweede onderdeel, is niet gegrond. B.16.1. De verzoekende partijen zien ook een discriminatie in de samenstelling van de aparte kamer die wordt opgericht binnen het centraal onderhandelingscomité van de Universiteit Gent. Zij bekritiseren het feit dat die kamer bestaat uit een aantal gemandateerden van het ziekenhuisbestuur en minstens evenveel afgevaardigden van het ziekenhuispersoneel, terwijl niet in een soortgelijke vertegenwoordiging voor de ziekenhuisartsen is voorzien, die binnen de delegatie van het ziekenhuisbestuur enkel worden vertegenwoordigd door de hoofdarts of zijn afgevaardigde. B.16.2. De onderhandelingskamer is bevoegd voor een aantal aangelegenheden die betrekking hebben op het UZ Gent, waaronder de grondregelingen in verband met het 22 administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling, en de grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling. Het is niet zonder redelijke verantwoording dat de ziekenhuisartsen, binnen de delegatie van het ziekenhuisbestuur, worden vertegenwoordigd door de hoofdarts of zijn afgevaardigde. De decreetgever heeft er bovendien in voorzien dat elke delegatie een beroep kan doen op technici. In de parlementaire voorbereiding heeft de bevoegde minister daarover verklaard : « Het staat het universitair ziekenhuis bovendien vrij om door middel van het afsluiten van een intern protocol de procedure van het collectief overlegmodel verder te verfijnen. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan over de aanwezigheid van artsen van de medische raad, als technici in de onderhandelingskamer, bij overleg over de rechtspositie van de ziekenhuisartsen. Daarnaast staat het het UZ Gent ook vrij deze af te stemmen op de bestaande procedures. Dienaangaande heeft de minister overigens al vernomen dat binnen het UZ Gent, op vraag van de medische raad, een dergelijk protocol met de raad van bestuur zal worden afgesloten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 915/3, p. 6). B.17. Het vierde middel is niet gegrond. B.18. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 6 van het gewone decreet enkel voorziet in een overname van het ziekenhuispersoneel met een ambtenaren- of werknemersstatuut, maar niet voorziet in een regeling voor de overname van de contracten met zelfstandige ziekenhuisartsen en paramedici. B.19. Krachtens artikel 45bis van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen, zoals ingevoegd bij artikel 31 van het bestreden bijzonder decreet, treedt de Universiteit Gent op het ogenblik van de re-integratie van het UZ Gent in de rechten en verplichtingen van het UZ Gent, die vóór 1 januari 2018 voor het UZ Gent zijn ontstaan krachtens de activiteiten van dat ziekenhuis. In die overdracht zijn alle rechten en verplichtingen begrepen die verbonden zijn aan hangende en toekomstige procedures. In de parlementaire voorbereiding van het gewone decreet wordt bevestigd dat « de regelgeving met betrekking tot artsen-specialisten die als zelfstandigen zijn tewerkgesteld in 23 het UZ Gent, […] van toepassing [blijft] op de lopende aannemingscontracten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 914/1, p. 7). De overdracht geldt dus zowel voor het ziekenhuispersoneel met een ambtenaren- of werknemersstatuut als voor de contracten met de zelfstandige ziekenhuisartsen en paramedici. B.20. Het vijfde middel is niet gegrond. 24 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 februari 2019. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.