← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.036

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.036 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190228.7 Arrest- Rolnummer: 36/2019 Rechtsgebied: Familierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-03-01 Raadplegingen: 492 - laatst gezien 2026-06-28 22:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling voor wat betreft de rechterlijke beslissingen die zijn uitgesproken tot de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad; - verwerpt voor het overige het beroep onder voorbehoud van wat is vermeld in B.23.1. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Ouderlijk gezag PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers, of, in ondergeschikte orde, van de artikelen 8, 9 (gedeeltelijk) en 10 (in zijn geheel) ervan, ingesteld door R.M. en anderen. Burgerlijk recht - Pleegzorg - Statuut - 1. Recht op persoonlijk contact met het kind voor de ouders of de voogd - 2. Delegatie van het ouderlijke gezag. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 387octies - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet - 19-03-2017 - 10 - 08 ELI link Pub nr 2017030192 Tekst van de beslissing Rolnummer 6721 Arrest nr. 36/2019 van 28 februari 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers, of, in ondergeschikte orde, van de artikelen 8, 9 (gedeeltelijk) en 10 (in zijn geheel) ervan, ingesteld door R.M. en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 augustus 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 augustus 2017, is een beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 april 2017), of, in ondergeschikte orde, van de artikelen 8, 9 (gedeeltelijk) en 10 (in zijn geheel) ervan, door R.M., I.H., A.M. en de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fierens en Mr. M. Genot, advocaten bij de balie te Brussel. De vordering tot schorsing van dezelfde wetsbepalingen, ingesteld door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 126/2017 van 19 oktober 2017, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 januari 2018. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « ATD Vierde Wereld België », de vzw « Luttes Solidarités Travail », de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding », de vzw « Réseau wallon de Lutte contre la Pauvreté » en de vzw « Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep en van het verzoek tot tussenkomst A.1.1. De eerste twee verzoekende partijen zijn de ouders van de derde verzoekende partij, die een minderjarig kind is. Zij stellen het beroep in hun eigen naam en in naam van hun minderjarig kind in, dat zij vertegenwoordigen. De derde verzoekende partij is bij een vertrouwenspersoon geplaatst bij beschikking van de Jeugdrechtbank te Brussel. De verzoekende partijen doen gelden dat de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers, in werking getreden op 1 september 2017, duidelijke gevolgen heeft voor hun gezinsleven. De vierde verzoekende partij, de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) », doet gelden dat de bestreden bepalingen een direct gevolg hebben voor de doelen die zij krachtens haar statuten nastreeft. A.1.2. De Ministerraad betwist niet de ontvankelijkheid van het beroep. De Vlaamse Regering is evenwel van mening dat het beroep slechts ontvankelijk is in zoverre daarbij bepalingen worden beoogd waartegen grieven worden geformuleerd. A.1.3. De tussenkomende partijen zetten uiteen dat zij vzw’s zijn die zich ten doel hebben gesteld armoede te bestrijden en, meer in het bijzonder, gezinnen die zich in een kwetsbare situatie bevinden, te ondersteunen. Zij zijn van mening dat zij belang erbij hebben de vernietiging te vorderen van de bestreden bepalingen, die de doelstellingen die zij ten aanzien van die bevolkingsgroepen nastreven, in het gedrang brengen. A.1.4. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van de tussenkomst omdat de door de tussenkomende partijen geformuleerde grieven verschillen van die welke door de verzoekende partijen zijn uiteengezet, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat zij een nieuw middel afleiden of op zijn minst dat zij de draagwijdte van het middel zoals het in het verzoekschrift is uitgedrukt, proberen te wijzigen. Ten aanzien van het eerste middel A.2.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de bestreden wet, van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, 1° en 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij doen gelden dat de bestreden wet in talrijke opzichten een inmenging vormt in de bevoegdheid van de gemeenschappen op het stuk van de organisatie van de voorlopige plaatsing van kinderen. Zij zetten uiteen dat de bestreden wet een zeer belangrijke weerslag heeft op het leven van het geplaatste kind, voor de rechten en plichten van zijn ouders en van de pleegzorgers, en dus voor de nadere regels van de plaatsing. Zij zijn van mening dat de wet tot gevolg heeft de aard zelf van de plaatsingsmaatregel te veranderen omdat die voortaan dezelfde gevolgen heeft als een ontzetting uit de ouderlijke macht. Zij merken echter op dat de ontzetting een beschermende maatregel is en dat de gevolgen ervan ontegenzeggelijk onder de bevoegdheid van de gemeenschappen vallen. Zij merken dienaangaande op dat de artikelen 8 en 9 van de bestreden wet klaarblijkelijk de plaatsing in haar essentiële aspecten organiseren, door te voorzien in het sluiten van overeenkomsten tussen de ouders van het geplaatste kind en de pleegzorgers, door een gemeenschapsorgaan ertoe te verplichten in die organisatie op te treden en door het met een nieuwe rol te belasten. Zij wijzen bovendien erop dat artikel 20 van de bestreden wet de jeugdrechtbank bevoegd maakt voor alle maatregelen inzake ouderlijk gezag, voor zover die samenhangen met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen, hetgeen erop wijst dat de federale wetgever zich bewust is geweest van het feit dat de maatregelen inzake ouderlijk gezag de jeugdbeschermingsmaatregelen, die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen ressorteren, rechtstreeks raken. A.2.2. De Franse Gemeenschapsregering treedt zonder enig voorbehoud het standpunt van de verzoekende partijen bij. Zij zet uiteen dat inzake jeugdbijstand de bevoegdheid van de gemeenschappen de regel is, terwijl er slechts enkele federale uitzonderingen zijn. Zij is van mening dat het ten onrechte is dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen klaarblijkelijke inbreuk op de gemeenschapsbevoegdheden heeft vastgesteld en zij gaat ervan uit dat uit het nieuwe artikel 387quater van het Burgerlijk Wetboek, ingevoerd bij de bestreden wet, uitdrukkelijk blijkt dat die ten doel heeft een gemeenschapsaangelegenheid te regelen. 4 Zij doet gelden dat de samenhang tussen de bestreden wet en de gemeenschapsregelgeving op twee manieren in het gedrang wordt gebracht. Ten eerste, in zoverre de artikelen 387sexies, 387septies en 387octies van het Burgerlijk Wetboek aan de familierechtbank de bevoegdheid toewijzen om de tussen de ouders en de pleegzorgers gesloten overeenkomsten te homologeren alsook de bevoegdheid om uitspraak te doen over het door de pleegzorgers geformuleerde verzoek om delegatie van componenten van het ouderlijk gezag, zijn zij verstoten van samenhang met de gemeenschapswetgeving, waarbij aan de jeugdrechtbank de bevoegdheid wordt toevertrouwd om, vooraf, elke maatregel van bijstand of bescherming van het kind te bevelen. De Franse Gemeenschapsregering is in dat opzicht niet overtuigd door de erkenning van de subsidiaire bevoegdheid van de jeugdrechtbank in de gevallen van samenhang met de vooraf genomen beschermingsmaatregelen. Ten tweede, in zoverre de artikelen 387sexies en 387septies voorzien in de tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg in het kader van het sluiten van de overeenkomst tussen de ouders en de pleegzorgers, wijzen zij bevoegdheden toe aan organen die onder de gemeenschappen ressorteren en doen zij bovendien moeilijkheden ontstaan die de uitoefening, door de gemeenschappen, van hun bevoegdheden overdreven moeilijk kunnen maken. Zij preciseert dat ondanks het verzoek van de Franse Gemeenschap in die zin, geen enkel echt voorafgaand overleg heeft plaatsgehad, terwijl de regelgevingen op zijn minst sterk met elkaar verweven zijn. A.2.3. De Vlaamse Regering wijst erop dat uit het verzoekschrift blijkt dat dat middel enkel gericht is tegen de artikelen 387sexies en 387septies van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre in die bepalingen wordt voorzien in de tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, en tegen artikel 20 van de bestreden wet. Zij is van oordeel dat de bestreden wet, in haar geheel genomen, binnen de grenzen van de materiële bevoegdheid van de federale overheid blijft. Zij zet uiteen dat de aangenomen regeling ressorteert onder de residuaire bevoegdheid van de federale overheid inzake burgerlijk en gerechtelijk recht en onder de bevoegdheid die zij haalt uit artikel 5, § 1, II, 6°,

  1. a)en c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij voegt eraan toe dat noch uit de tekst van de wet, noch uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de federale wetgever de bedoeling zou hebben gehad afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de gemeenschappen inzake de organisatie van de pleegzorg en dat hij integendeel het advies van de gemeenschappen over het wetsvoorstel heeft ingewonnen. Zij doet gelden dat de aangenomen maatregelen betrekking hebben op de burgerrechtelijke aspecten van de uitoefening van het ouderlijk gezag en dat de omstandigheid dat die maatregelen worden genomen in het kader van de plaatsing van kinderen daaraan geenszins afbreuk doet. Zij wijst erop dat door te voorzien in de tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, de federale overheid de organen van de gemeenschappen geen verplichting oplegt maar een bepaling aanneemt die verband houdt met de rechtspleging voor de familierechtbank, hetgeen onder haar bevoegdheden ressorteert. Tot slot herinnert zij eraan dat de ontzetting uit de ouderlijke macht een maatregel is waarvoor de federale overheid bevoegd is. A.2.4. De Ministerraad haalt het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State aan en is van mening dat daaruit duidelijk blijkt dat de bestreden wet niet het gezinsbeleid en de jeugdbescherming regelt en dat zij niet de plaatsing van kinderen in een pleeggezin organiseert, maar zich ertoe beperkt het statuut van de pleeggezinnen op te stellen door de rechten en plichten van de pleegzorgers alsook van de ouders te bepalen en zich ertoe beperkt procedureregels in te stellen. Hij is van mening dat het niet is omdat de bestreden wet een weerslag heeft op de instelling van het pleeggezin dat die wet noodzakelijkerwijs in strijd zou zijn met de bevoegdheidverdelende regels. Hij voegt eraan toe dat de bestreden wet niet wijst op enige wil van de federale wetgever om inzake jeugdbescherming wetgevend op te treden. Hij zet dienaangaande uiteen dat artikel 7/1 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming in geval van samenhang van een burgerlijke en een protectionele zaak het beginsel volgens hetwelk « le protectionnel tient le civil en état » in het wetgevend instrumentarium integreert. Hij wijst erop dat de federale wetgever met de bestreden wet de bevoegdheid en de rechtspleging voor de jeugdrechtbank heeft geregeld, hetgeen tot zijn exclusieve bevoegdheid behoort. Tot slot gaat hij ervan uit dat de link die de verzoekende partijen leggen met de ontzetting uit het ouderlijk gezag niet relevant is, aangezien de bestreden wet niets te maken heeft met die instelling, daar de plaatsing in een pleeggezin niet de ontzetting uit het ouderlijk gezag met zich meebrengt. A.2.5. De verzoekende partijen zijn van mening dat de Ministerraad en de Vlaamse Regering zich ertoe beperken theoretische beschouwingen in herinnering te brengen, zonder de concrete en duidelijke gevolgen van de bestreden wet te bekijken. 5 A.2.6. De Franse Gemeenschapsregering betwist dat de nieuwe artikelen 7 en 7/1 van de Jeugdbeschermingswet een beginsel instellen volgens hetwelk « le protectionnel tient le civil en état », omdat het protectionele optreden niet noodzakelijk het instellen van een burgerlijke procedure in de weg staat en omgekeerd. Zij doet gelden dat die bepalingen enkel tot gevolg hebben dat de maatregelen genomen in het kader van de jeugdbijstand voorrang hebben op de burgerrechtelijke bepalingen, in geval van onverenigbaarheid. Zij is, fundamenteel, van mening dat niet staande kan worden gehouden dat die nieuwe mechanismen voldoende waarborgen bieden op het vlak van samenhang en harmonie met de gemeenschapswetgeving, in het bijzonder in de Franse Gemeenschap. Zo wordt in artikel 7/1 niet aangegeven wie oordeelt of de maatregelen die op protectioneel vlak zijn genomen en de maatregelen die op burgerlijk vlak zijn genomen onverenigbaar zijn. De aanwezigheid van de band van samenhang behoort, in elk concreet geval, tot de uitsluitende beoordelingsbevoegdheid van de rechter zodat een onduidelijke zone ontstaat waarin twee rechterlijke instanties gelijktijdig bevoegd zijn om dezelfde kwestie te beslechten. Tot slot doet zij voorts opmerken dat de bestreden bepalingen helemaal niet zijn aangepast aan de specifieke kenmerken van de in de Franse Gemeenschap van toepassing zijnde wetgeving, die bepaalt dat de opdracht van de jeugdrechtbank beperkt is tot de beoordeling van de toestand van gevaar, van de weigering of van de nalatigheid van de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd om de vrijwillige hulpverlening in werking te stellen alsook van de noodzaak om een beroep te doen op dwang en het opleggen van een maatregel, terwijl in de andere gemeenschappen de rechterlijke instantie ook met de opvolging van de beschermingsmaatregel belast is. Bovendien berust de algemene economie van het decreet van 4 maart 1991 in de Franse Gemeenschap op het onderscheid tussen twee vormen van ingrijpen, namelijk de vrijwillige hulpverlening en de hulpverlening die het gevolg is van opgelegde maatregelen. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat het onmogelijk is de wijze te bepalen waarop het nieuwe artikel 7 van de Jeugdbeschermingswet verondersteld wordt in overeenstemming te zijn met die specifieke kenmerken van het decreet. A.2.7. De Ministerraad is, in zijn memorie van antwoord, van mening dat de verzoekende partijen en de Franse Gemeenschapsregering niet aantonen in welk opzicht de bestreden bepalingen de uitoefening, door de Franse Gemeenschap, van haar eigen bevoegdheden onmogelijk of overdreven moeilijk zouden maken. Hij wijst erop dat het loutere feit dat een bevoegdheid wordt toegewezen aan een door een andere gemeenschap georganiseerde overheid, te dezen aan het bevoegde orgaan voor pleegzorg, op zich geen bevoegdheidsoverschrijding vormt en hij preciseert nogmaals dat de federale wetgever aan dat orgaan geen enkele verplichting oplegt. Ten aanzien van het tweede middel A.3. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Dat middel is verdeeld in twee onderdelen. A.4.1. In het eerste onderdeel van dat middel doen de verzoekende partijen gelden dat krachtens de artikelen 387sexies en 387septies van het Burgerlijk Wetboek, respectievelijk ingevoegd bij de artikelen 8 en 9 van de bestreden wet, de familierechtbank slechts kan weigeren de overeenkomst tussen de ouders van het geplaatste kind en de pleegzorgers te homologeren indien ze in strijd is met het belang van het kind. Zij zijn van mening dat de in het middel beoogde bepalingen niet in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat de hoven en rechtbanken slechts exclusief met dat belang rekening kunnen of moeten houden. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en in het bijzonder uit het arrest Barnea en Caldararu t. Italië van 22 juni 2017, leiden zij af dat hoewel het belang van het kind de eerste overweging is, bij de belangenafweging inzake bescherming van het gezinsleven ook steeds rekening dient te worden gehouden met het belang van de ouders en de openbare orde. Zij besluiten daaruit dat de woorden « De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind », vermeld in artikel 387sexies, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en de woorden « De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind », vermeld in artikel 387septies, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek de in het middel aangevoerde bepalingen schenden. A.4.2. De tussenkomende partijen verwijzen naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en leiden daaruit af dat de Staat de verplichting heeft juridische waarborgen in werking te stellen die bedoeld zijn om de daadwerkelijke bescherming van het recht van de ouders en van hun kinderen op eerbiediging van het gezinsleven te verzekeren. Zij herinneren eraan dat de positieve verplichting om de eerbiediging van het gezinsleven te waarborgen ook is verankerd in artikel 22, tweede lid, van de Grondwet. 6 Zij doen gelden dat de bestreden bepalingen het beginsel van de contractualisering van de nadere regels voor de uitoefening van het ouderlijk gezag en dus van de mogelijkheid om het fundamenteel recht op gezinsleven uit te oefenen, verankeren. Zij gaan ervan uit dat hoewel het ondubbelzinnige karakter van de verzaking wordt gewaarborgd door de vereiste van een schriftelijk stuk, er vragen kunnen worden gesteld bij de vrijheid van de instemming van de ouders en het geïnformeerde karakter van die instemming, te meer omdat er tussen grote armoede en plaatsing van kinderen een correlatie bestaat, die leidt tot een bijzonder ongelijke verhouding tussen de partijen. Zij zijn dienaangaande van mening dat het optreden van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, die het mogelijk maakt het risico van dwang te beperken en de informatie van de ouders te verzekeren, niet voldoende is om tegemoet te komen aan de vereisten van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met name in zoverre die bepalingen de Staat de verplichting opleggen maatregelen te nemen om het evenwicht te verzekeren tussen het belang van het kind en dat van de ouder die zijn grondrechten moet uitoefenen, en om de continuïteit te waarborgen van het persoonlijk contact tussen het kind en zijn ouders. Zij wijzen erop dat het rechterlijk toezicht op de overeenkomst tussen de ouders en de pleegzorgers slechts facultatief is, zodat de ouders, maar ook het kind, een beschermingsmaatregel wordt ontzegd die de Staat nochtans in werking dient te stellen op grond van zijn positieve verplichting om het daadwerkelijke karakter van het recht op gezinsleven te waarborgen. Zij zijn van mening dat het tweede onderdeel van het tweede middel op zijn minst een verzoenende interpretatie vergt, volgens welke de homologatie waarin is voorzien in artikel 387sexies van het Burgerlijk Wetboek in alle gevallen vereist en niet louter facultatief is. A.4.3. De Franse Gemeenschapsregering treedt zonder enig voorbehoud het standpunt van de verzoekende partijen bij. A.4.4. De Vlaamse Regering is van mening dat de verzoekende partijen ervan lijken uit te gaan dat ouderlijk gezag louter het gevolg is van afstamming en dat nooit afbreuk mag worden gedaan aan de band tussen afstamming en ouderlijk gezag. Zij zet uiteen dat het concept van de pleegzorg daarentegen uitgaat van de noodzaak om te zorgen voor de feitelijke opvoeding, zodat het belang van het kind in die aangelegenheid de eerste overweging vormt. Zij brengt de internationale teksten in herinnering die vereisen dat prioritair rekening wordt gehouden met het belang van het kind. Zij leidt daaruit af dat het niet hoeft te verbazen dat de wetgever in die aangelegenheid heeft beslist dat de homologatie van de overeenkomst tussen de ouders en de pleegzorgers enkel kan worden geweigerd als dat akkoord in strijd is met het belang van het kind. Zij doet gelden dat zulks niet betekent dat het belang van de ouders niet in overweging wordt genomen, omdat de belangen van de ouders, de pleegzorgers en het kind in die aangelegenheid als onlosmakelijk met elkaar verbonden moeten worden beschouwd, zodat bij het beoordelen van het belang van het kind noodzakelijkerwijs rekening zal dienen te worden gehouden met het standpunt van de ouders. Zij voegt eraan toe dat het noodzakelijkerwijs om een tijdelijke overeenkomst gaat en dat de ouders zich steeds tot de rechtbank kunnen wenden om, in het belang van het kind, die overeenkomst te laten herzien. A.4.5. De Ministerraad preciseert eerst dat de bestreden wet verscheidene bepalingen omvat die waarborgen dat het belang van de ouders in overweging wordt genomen, teneinde een algemeen evenwicht te bereiken tussen de verschillende doelstellingen, namelijk meer rechtszekerheid verlenen aan de relatie tussen de pleegzorgers en het kind, het nemen van beslissingen door de pleegzorgers in het kader van de langetermijnpleegzorg vergemakkelijken en de rechten van de ouders vrijwaren, dat alles met inachtneming van het hoger belang van het kind. Hij wijst erop dat de rechtbank de bewoordingen van de overeenkomst niet kan wijzigen; zij kan alleen ze al dan niet homologeren. De Ministerraad merkt op dat in de overeenkomst per definitie rekening wordt gehouden met het belang van de ouders, aangezien zij partij zijn. Hij is dan ook van mening dat het logisch is dat de rechtbank de homologatie slechts kan weigeren indien het belang van het kind niet samenvalt met dat van de ouders, zoals uitgedrukt in de overeenkomst. Hij herinnert eraan dat artikel 22bis van de Grondwet en artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind de verplichting opleggen om in de eerste plaats het belang van het kind in overweging te nemen en leidt daaruit af dat in dat onderdeel van het middel in werkelijkheid ofwel die grondwetsbepaling, ofwel de door de rechter gemaakte concrete analyse van het belang van het kind wordt bekritiseerd. A.4.6. De verzoekende partijen wijzen erop dat het bij artikel 387quinquies van het Burgerlijk Wetboek ingestelde onderscheid tussen de dagdagelijkse beslissingen en de belangrijke beslissingen omtrent de gezondheid, de opvoeding en de opleiding alsook de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes vaag is en dat daarbij geen billijk evenwicht tussen de rechten van eenieder tot stand wordt gebracht. Zij leiden daaruit af dat de homologatieprocedure, waarbij enkel rekening wordt gehouden met het belang van het 7 kind, onaangepast is. Zij zijn ook van mening dat de aan de pleegzorgers opgelegde verplichting om « zoveel mogelijk » de door de ouders gekozen beginselen in acht te nemen, de belangen van eenieder niet voldoende beschermt. Zij preciseren dat zij uiteraard noch artikel 22bis van de Grondwet, noch artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind bekritiseren, maar herinneren eraan dat die bepalingen geenszins uitsluiten dat rekening wordt gehouden met andere belangen, naast het belang van het kind. A.4.7. De tussenkomende partijen zijn van mening dat de Ministerraad de vragen met betrekking tot de situatie van de ouders, die zich in een zwakke en dus onevenwichtige positie bevinden tegenover de pleegzorgers, ontwijkt in zoverre hij ervan uitgaat dat de belangen van de ouders noodzakelijkerwijs in de overeenkomst zijn beschermd. Zij herinneren eraan dat hun voornaamste grief precies de ontstentenis van ambtshalve controle door de rechter is en dat zij het totale ontbreken van waarborgen met betrekking tot de bij de bestreden wet georganiseerde delegatiemechanismen bekritiseren, aangezien het weinig waarschijnlijk is dat een zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt door de zwakke partij, te weten de ouders. A.4.8. De Vlaamse Regering antwoordt dat de wetgever wel degelijk rekening heeft gehouden met de eventuele kwetsbare positie van de ouders. Zo heeft hij, in artikel 387septies van het Burgerlijk Wetboek, voorzien in het optreden van de rechtbank, wanneer bepaalde aspecten van de uitoefening van het ouderlijk gezag worden gedelegeerd, aangezien in dat geval de homologatie door de familierechtbank verplicht is. Zij ziet daarentegen niet in waarom in een dergelijke verplichte homologatie had moeten worden voorzien wanneer de overeenkomst betrekking heeft op de wijze waarop de ouders hun recht op persoonlijk contact zullen uitoefenen. Zij herinnert eraan dat elke partij zich steeds vrijwillig tot de rechtbank kan wenden. Zij wijst bovendien erop dat artikel 387sexies van het Burgerlijk Wetboek de verplichting oplegt rekening te houden met de mogelijkheden en leefomstandigheden van de ouders en dat het voorziet in de tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, hetgeen ook een waarborg vormt wat betreft de rechten en de belangen van de ouders. A.4.9. De Ministerraad herinnert eraan dat het belang van het kind primordiaal is want het kind is de zwakke partij in de familiale relatie. De Ministerraad wijst echter erop dat het belang van de ouders heel vaak aansluit bij dat van het kind en hij ziet dus niet in waarin een tegenstelling tussen het belang van het kind en dat van diens ouders, in die hoedanigheid van ouders, concreet zou kunnen bestaan. A.5.1. In het tweede onderdeel van dat middel doen de verzoekende partijen gelden dat de delegatie van alle rechten van het ouderlijk gezag, met uitzondering van de rechten en de plichten omtrent de staat van de persoon van het kind, die de familierechtbank krachtens artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 10 van de bestreden wet, op hun verzoek aan de pleegzorgers kan toekennen, vanzelfsprekend een bijzonder ernstige inmenging in het gezinsleven van het betrokken kind en zijn ouders vormt. Zij gaan ervan uit dat het klaarblijkelijk onevenredig is de mogelijkheid van een dergelijk verzoek tot delegatie voor de pleegzorgers open te stellen onder de enige voorwaarde van een, overigens korte, plaatsingsduur van één jaar en zonder voorwaarde van absolute noodzaak die te maken heeft met de openbare orde, of van uitzonderlijke omstandigheden. Zij doen gelden dat de gevolgen van de bestreden wet uiteraard gelijkwaardig zijn met die van de ontzetting uit het ouderlijk gezag en wijzen erop dat die ontzetting een uitzonderlijke, bijzonder ernstige, maatregel is die enkel kan worden verantwoord op grond van het zeer erge gedrag van de ouders. Zij zijn van mening dat het onverantwoord is dat ouders die niet zijn ontzet, hun fundamentele rechten als ouders, zij het tijdelijk, kunnen worden ontnomen wegens de loutere duur van de plaatsing van hun kind. Zij merken voorts op dat sinds de instelling van de ontzetting, de bevoegdheid om te verzoeken om de overdracht van het ouderlijk gezag is voorbehouden aan het openbaar ministerie, terwijl de bestreden wet de pleegzorgers de mogelijkheid biedt om die overdracht te verzoeken, hetgeen tot een confrontatie met de ouders dreigt te leiden. Zij halen de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan en inzonderheid het arrest Soares de Melo t. Portugal van 16 februari 2016, en het arrest Gnahoré t. Frankrijk van 19 september 2000, waaruit volgt dat bij artikel 8 van het Verdrag positieve verplichtingen ten laste van de Staten worden gelegd. A.5.2. De Franse Gemeenschapsregering treedt zonder enig voorbehoud het standpunt van de verzoekende partijen bij. A.5.3. De Vlaamse Regering is van mening dat de verzoekende partijen artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek ten onrechte interpreteren alsof het zou gaan om een maatregel van ontzetting uit de ouderlijke macht, terwijl het slechts gaat om een delegatie van bepaalde bevoegdheden, waarbij de ouders titularis blijven van het ouderlijk gezag. Zij gaat bovendien ervan uit dat de delegatie aan de pleegzorgers van bepaalde beslissingen die onder het ouderlijk gezag ressorteren, wordt verantwoord door het doel van de wetgever, namelijk de pleegzorgers de mogelijkheid bieden bepaalde rechten en plichten uit te oefenen, teneinde de ontplooiing van het kind te verzekeren. Zij merkt op dat artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek in een 8 uitzonderingsregeling voorziet, aangezien het principe van gedeeld ouderschap blijft, waarbij de ouders kunnen beslissen hun beslissingsbevoegdheid aan de pleegzorgers te delegeren. Zij preciseert tot slot dat die bepaling pas van toepassing is nadat het kind gedurende één jaar bij de pleegzorgers heeft verbleven, hetgeen een extra waarborg vormt. A.5.4. De Ministerraad preciseert dat het kader van de delegatie waarin is voorzien bij artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek gepaard gaat met verscheidene strikte beperkingen. Ten eerste is hij van mening dat de plaatsingsduur van één jaar niet kort is maar dat hierdoor integendeel het ontstaan van socio-affectieve banden tussen het kind en de pleegzorgers mogelijk wordt gemaakt. Ten tweede herinnert hij eraan dat het onderwerp van de prerogatieven van het ouderlijk gezag die kunnen worden gedelegeerd, beperkt is, aangezien de bepaling de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind uitdrukkelijk uitsluit. De delegatie moet daarenboven de door de ouders gekozen beginselen in acht nemen (artikel 387decies van het Burgerlijk Wetboek) en mag geen afbreuk doen aan de rechten op toezicht, informatie en persoonlijk contact van de ouders (artikel 387undecies van het Burgerlijk Wetboek). Ten derde voorziet de procedure in een concreet nazicht, door de rechtbank, inzonderheid van het belang van het kind en wordt zij op tegenspraak gevoerd, hetgeen verzekert dat alle belangen worden uiteengezet aan de rechter, die een concreet en nauwkeurig onderzoek moet voeren. Tot slot heeft de bestreden bepaling niet ten doel of tot gevolg de ouders en de kinderen te beletten samen te zijn, aangezien zij past in een context waarin reeds een beslissing tot scheiding is genomen. Hij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling slechts voorziet in een delegatie en niet in een overdracht van prerogatieven van het ouderlijk gezag, delegatie die wordt verricht onder het toezicht van de rechter (art. 387duodecies van het Burgerlijk Wetboek). A.5.5. De verzoekende partijen gaan ervan uit dat de minimalistische voorwaarden van de delegatie bij vonnis maken dat na slechts één jaar plaatsing, door de pleegzorgers om een echte ontzetting uit de ouderlijke macht, alleen beoordeeld in het belang van het kind, kan worden verzocht. Zij leiden daaruit af dat de vergelijking met de ontzetting volstrekt relevant is. A.5.6. De Ministerraad is van mening dat de tussenkomende partijen een hypothetische kritiek formuleren wanneer zij doen gelden dat de ouders niet in staat zouden zijn om in het kader van een contractuele onderhandeling hun eigen belang te doen gelden. Hij wijst erop dat het om die reden is dat de overeenkomst facultatief is en dat de rechtbank uitspraak kan doen indien geen enkele overeenkomst wordt bereikt. In ondergeschikte orde suggereert hij dat, mocht het Hof van oordeel zijn dat de waarborg waarin is voorzien bij artikel 387sexies van het Burgerlijk Wetboek onvoldoende is wegens het facultatieve karakter van de homologatie door de rechtbank, zou op dat punt een intrinsieke lacune in de wet moeten worden vastgesteld. Ten aanzien van het nieuwe middel dat is afgeleid door de Franse Gemeenschapsregering A.6.1. Overeenkomstig artikel 85, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, leidt de Franse Gemeenschapsregering een nieuw middel af uit de schending van artikel 143, § 1, van de Grondwet en van het beginsel van de federale loyauteit. Zij zet uiteen dat gedurende heel de wetgevingsprocedure die tot de aanneming van de bestreden wet heeft geleid, de Franse Gemeenschap weliswaar haar belang heeft aangetoond, maar zij heeft ook haar vrees geformuleerd met betrekking tot de ontworpen tekst en herhaaldelijk verzocht een echt overleg tussen de federale overheid en de gemeenschappen te organiseren. Zij voegt eraan toe dat de Franse Gemeenschap ook had gesignaleerd dat geen enkele van de actoren uit de sector van de hulpverlening aan de jeugd en de rechten van het kind zich gunstig had uitgesproken ten aanzien van de bestreden wet en dat de Gemeenschapsraad voor hulpverlening aan de jeugd had verklaard ertegen te zijn en een groot aantal aanbevelingen had geformuleerd. Zij stelt vast dat, tegen het advies van de Raad van State in die zin en niettegenstaande de herhaalde verzoeken, de gemeenschapsinstanties niet dienstig bij het wetgevingsproces zijn betrokken. Zij is van mening dat de vergadering die heeft plaatsgehad na de aanneming van de bestreden wet er veel te laat is gekomen en dat daaruit is gebleken dat er zich zeer aanzienlijke toepassingsmoeilijkheden gingen voordoen, zowel voor de gerechtelijke autoriteiten als voor de instanties van de Franse Gemeenschap. Zij is van mening dat sinds het opnemen van artikel 143, § 1, van de Grondwet bij de bepalingen waarvan het Hof de inachtneming controleert, de federale loyauteit moet worden geïnterpreteerd als een algemeen beginsel van grondwettelijk recht, dat wordt begrepen als een autonome referentienorm en niet als een accessorium van de proportionaliteit. Zij gaat ervan uit dat zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat de 9 federale wetgever zijn bevoegdheden niet heeft overschreden, vastgesteld zou dienen te worden dat de federale overheid niet met inachtneming van de federale loyauteit heeft gehandeld, doordat zij alle negatieve adviezen uitgebracht door de voornaamste actoren van de jeugdbijstand heeft genegeerd en doordat zij zich ervan heeft onthouden de Franse Gemeenschap en de verenigingen die eruit voortkomen werkelijk bij de totstandkoming van de tekst te betrekken. A.6.2. De Vlaamse Regering wijst er eerst op dat de bijzondere wetgever te dezen geen formele overlegverplichting heeft opgelegd. Zij legt vervolgens de nadruk op het feit dat het overleg aan de bevoegde overheid, te dezen de federale wetgever, de vrijheid laat om de wetgeving van haar keuze aan te nemen. Zij erkent dat, los van een overlegverplichting, het wenselijk is dat er overleg wordt gepleegd wanneer de aangelegenheden met elkaar verweven zijn. Zij wijst erop dat te dezen het overleg heeft plaatsgehad, aangezien de ontworpen teksten het voorwerp hebben uitgemaakt van besprekingen tussen het kabinet van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en het kabinet van de federale minister van Justitie, meer bepaald op 8 april en 1 juli 2016. Zij preciseert dat de leden van het bevoegde kabinet van de Franse Gemeenschap bij die vergaderingen aanwezig waren. De tweede van die vergaderingen werd georganiseerd met het oog op de bespreking van de amendementen ingediend nadat de Raad van State zijn advies had uitgebracht, en heeft dus plaatsgevonden vooraleer de teksten werden aangenomen. Zij gaat ervan uit dat het, om een schending van het beginsel van de federale loyauteit aan te tonen, niet volstaat dat de federale wetgever geen of onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de aanbevelingen van de Franse Gemeenschap. Zij is van mening dat de Franse Gemeenschapsregering te dezen niet aantoont in welk opzicht de bestreden wet de uitoefening van haar bevoegdheden onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken. De loutere omstandigheid dat de bestreden bepalingen een rechtstreekse of onrechtstreekse weerslag zouden hebben op het door de gemeenschappen gevoerde beleid betekent niet ipso facto dat de federale wetgever het beginsel van de federale loyauteit zou hebben geschonden. A.6.3. De Ministerraad herinnert eraan dat een overleg met de bevoegde autoriteiten van de gemeenschappen heeft plaatsgehad en dat het wetsontwerp in overleg met hen op bepaalde punten is gewijzigd. Hij gaat bovendien ervan uit dat de federale loyauteit niet gebiedt dat een bevoegde overheid, te dezen de federale wetgever, zich ervan moet onthouden een tekst aan te nemen om de reden dat geraadpleegde autoriteiten negatieve opmerkingen over het ontwerp hebben uitgebracht. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers (hierna : de wet van 19 maart 2017) of, in ondergeschikte orde, de vernietiging : - van de woorden « De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind » vermeld in artikel 387sexies, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 19 maart 2017; 10 - van de woorden « De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind » vermeld in artikel 387septies, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 19 maart 2017; - van artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 19 maart 2017. B.1.2. Artikel 8 van de wet van 19 maart 2017 voegt in het Burgerlijk Wetboek een artikel 387sexies in, dat bepaalt : « De ouders of de voogd en de pleegzorgers komen, met tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, schriftelijk overeen op welke wijze de ouders of de voogd, hun recht op persoonlijk contact, bepaald in artikel 387undecies, kunnen uitoefenen, rekening houdend met de mogelijkheden en leefomstandigheden van de ouders. De overeenkomst kan ter homologatie worden voorgelegd aan de familierechtbank, overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek. De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind. Indien de ouders of de voogd en de pleegzorgers geen akkoord kunnen bereiken, doet de rechter uitspraak op verzoek van de meest gerede partij ». B.1.3. Artikel 9 van de wet van 19 maart 2017 voegt in het Burgerlijk Wetboek een artikel 387septies in, dat bepaalt : « § 1. De ouders of de voogd en de pleegzorgers kunnen schriftelijk, met tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, overeenkomen om ook de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, ook buiten het geval van dringende noodzakelijkheid volledig of gedeeltelijk te delegeren aan de pleegzorgers, met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind. Ook de rechten en plichten omtrent het beheer van de goederen van het kind kunnen bij overeenkomst aan de pleegzorgers worden gedelegeerd. De overeenkomst vermeldt uitdrukkelijk de rechten en plichten die ter uitoefening van het ouderlijk gezag worden gedelegeerd aan de pleegzorgers. De overeenkomst bepaalt de modaliteiten van uitoefening tussen de ouders en de pleegzorgers van de gedelegeerde bevoegdheden. § 2. De overeenkomst wordt ter homologatie voorgelegd aan de familierechtbank, overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek. De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind. 11 De gehomologeerde overeenkomst kan geen afbreuk doen aan de door de bevoegde organen voor pleegzorg bepaalde duurtijd van de pleegzorg ». B.1.4. Artikel 10 van de wet van 19 maart 2017 voegt in het Burgerlijk Wetboek een artikel 387octies in, dat bepaalt : « § 1. Bij gebrek aan een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 387septies en op voorwaarde dat het kind gedurende ten minste één jaar voorafgaand aan het verzoek voortdurend was geplaatst in het gezin van de pleegzorgers, kunnen de pleegzorgers de familierechtbank verzoeken om ook buiten het geval van dringende noodzakelijkheid, de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, volledig of gedeeltelijk, aan hen te delegeren, met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind. Ook de rechten en plichten omtrent het beheer van de goederen van het kind kunnen aan de pleegzorgers worden gedelegeerd. Het verzoek wordt ingesteld overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 tot 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek. Het vonnis kan geen afbreuk doen aan de door de bevoegde organen voor pleegzorg bepaalde duurtijd van de pleegzorg. Zij stellen hun vordering al naar gelang het geval in tegen beide ouders, de enige ouder of de voogd van het kind. § 2. Het vonnis of arrest vermeldt uitdrukkelijk de rechten en plichten die ter uitoefening van het ouderlijk gezag worden gedelegeerd aan de pleegzorgers ». B.1.5. Daarenboven herstelt artikel 20 van de wet van 19 maart 2017 artikel 7 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », als volgt : « De jeugdrechtbank kan uitspraak doen over alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag bedoeld in boek I, titel IX van het Burgerlijk Wetboek, voor zover deze samenhangen met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen ». B.2.1. Met de wet van 19 maart 2017 wenst de wetgever een statuut voor pleegzorgers in het leven te roepen teneinde de rechtszekerheid te waarborgen van de relaties tussen het pleegkind, zijn ouders of zijn voogd en de pleegzorgers, en teneinde een einde te maken aan 12 « het feit dat er onduidelijkheid bestaat omtrent de rechten en plichten van pleegouders en [aan] het gebrek aan inspraakmogelijkheid » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0697/001, p. 7). B.2.2. Artikel 7 van de wet van 19 maart 2017, waartegen geen enkele grief wordt geformuleerd, voegt in het Burgerlijk Wetboek een artikel 387quinquies in, dat de verdeling van bepaalde attributen van het ouderlijk gezag tussen de ouders of de voogd en de pleegzorgers gedurende de periode van plaatsing van het kind organiseert. Die bepaling voorziet erin dat de pleegzorgers het verblijfsrecht en het recht om alle dagdagelijkse beslissingen over het kind te nemen, uitoefenen en dat de ouders of de voogd, behalve in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid, de bevoegdheid behouden om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige en levensbeschouwelijke keuzes van het kind. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.1. De Vlaamse Regering doet gelden dat het beroep slechts gedeeltelijk ontvankelijk is, in zoverre de in het verzoekschrift uiteengezette grieven enkel betrekking hebben op de artikelen 8, 9, 10 en 20 van de wet van 19 maart 2017. Zij is bovendien van mening dat het verzoek tot tussenkomst niet-ontvankelijk is, aangezien de door de tussenkomende partijen uiteengezette grieven verschillen van de door de verzoekende partijen uiteengezette grieven. B.3.2. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen van de wet van 19 maart 2017 waartegen daadwerkelijk grieven worden geformuleerd. B.3.3. De door de tussenkomende vzw’s geformuleerde grieven kunnen enkel worden onderzocht in zoverre zij overeenstemmen met de in het verzoekschrift geformuleerde middelen. Artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof laat immers, in tegenstelling tot artikel 85 van dezelfde bijzondere wet, niet toe dat in een memorie van tussenkomst nieuwe middelen worden geformuleerd. 13 Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels Wat betreft het eerste middel van de verzoekende partijen B.4. De verzoekende partijen, daarin bijgetreden door de Franse Gemeenschapsregering, leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, 1° en 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij zijn van mening dat de bestreden wet en in het bijzonder de artikelen 8, 9 en 20 ervan afbreuk doen aan de gemeenschapsbevoegdheid om de voorlopige plaatsing van kinderen te organiseren. B.5.1. Krachtens artikel 128, § 1, van de Grondwet zijn de gemeenschappen bevoegd voor de persoonsgebonden aangelegenheden. Artikel 5, § 1, II, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt dat de persoonsgebonden aangelegenheden zijn, wat de bijstand aan personen betreft : « 1° Het gezinsbeleid met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen; […] 6° De jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming, maar met uitzondering van :
  2. a)de burgerrechtelijke regels met betrekking tot het statuut van de minderjarigen en van de familie, zoals die vastgesteld zijn door het Burgerlijk Wetboek en de wetten tot aanvulling ervan;
  3. b)de strafrechtelijke regels waarbij gedragingen die inbreuk plegen op de jeugdbescherming, als misdrijf worden omschreven en waarbij op die inbreuken straffen worden gesteld, met inbegrip van de bepalingen die betrekking hebben op de vervolgingen, onverminderd artikel 11 en artikel 11bis;
  4. c)de organisatie van de jeugdgerechten, hun territoriale bevoegdheid en de rechtspleging voor die gerechten; 14
  5. d)de uitvoering van de straffen uitgesproken ten aanzien van minderjarigen die een als een misdrijf omschreven feit hebben gepleegd die uit handen zijn gegeven, behalve voor het beheer van centra die bestemd zijn voor de opvang van deze jongeren tot de leeftijd van drieëntwintig jaar;
  6. e)de ontzetting uit de ouderlijke macht en het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen. […] ». B.5.2. De bevoegdheid van de gemeenschappen inzake jeugdbescherming gaat dus gepaard met uitzonderingen met betrekking inzonderheid tot de burgerrechtelijke regels betreffende het statuut van de minderjarigen en van de familie, de organisatie van de jeugdgerechten en de ontzetting uit de ouderlijke macht. B.6. In het advies dat door de afdeling wetgeving van de Raad van State over het wetsvoorstel is uitgebracht, wordt vermeld : « Voor het aannemen van de burgerrechtelijke en procesrechtelijke bepalingen die het wetsvoorstel bevat, is de bevoegdheidsrechtelijke grondslag te vinden in de residuaire bevoegdheid van de federale overheid inzake burgerlijk en gerechtelijk recht en tevens, in zoverre het wetsvoorstel ook de plaatsingen in pleeggezinnen in het raam van de jeugdbescherming betreft, in artikel 5, § 1, II, 6°,
  7. a)en c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, […]. De tekst die in de commissie aangenomen is en de voorliggende amendementen blijven binnen de bevoegdheid van de federale overheid inzake burgerlijk recht, maar dat geldt niet voor amendement nr. 28, dat een inmenging vormt in de bevoegdheid van de gemeenschappen op het stuk van de organisatie van de voorlopige plaatsing van het kind; dat amendement gaat de bevoegdheid van de federale overheid dus te buiten » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-0697/008, p. 4). B.7.1. De artikelen 8 en 9 van de wet van 19 maart 2017 hebben ten doel te bepalen hoe de respectieve rechten en plichten worden bepaald, enerzijds, van de ouders of van de voogd van het kind en, anderzijds, van de pleegzorgers, wat betreft de uitoefening van het recht op persoonlijk contact en de uitoefening van bepaalde attributen van het ouderlijk gezag. Zij bepalen dat, met betrekking tot die twee doelen, de ouders of de voogd en de pleegzorgers een schriftelijke overeenkomst kunnen sluiten. Zodoende regelen zij het statuut van de pleegzorgers en de verdeling van bepaalde aspecten van het ouderlijk gezag en vallen zij bijgevolg onder de bevoegdheid van de federale wetgever inzake burgerlijk recht. 15 B.7.2. Het is evident dat de federale wetgever, door zijn bevoegdheid inzake « burgerrechtelijke regels met betrekking tot het statuut van de minderjarigen en van de familie » uit te oefenen teneinde een statuut in het leven te roepen voor pleegzorgers, de respectieve rechten en plichten van de ouders of van de voogd van het kind en van de personen die het opvangen, vastlegt wat betreft de uitoefening van bepaalde attributen van het ouderlijk gezag, en bijgevolg bepalingen aanneemt die een weerslag hebben op de rechtsfiguur van de plaatsing van een kind in een pleeggezin, die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen valt. Uit die vaststelling alleen vloeit echter niet voort dat de federale wetgever zich zou hebben gemengd in de bevoegdheid van de gemeenschappen. B.7.3. Bovendien, zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan, zoals de verzoekende partijen betogen, dat de bepalingen van de bestreden wet tot gevolg hebben dat een verhulde vorm van ontzetting uit de ouderlijke macht in het leven wordt geroepen, zou moeten worden vastgesteld dat krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, e), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de ontzetting uit de ouderlijke macht een aangelegenheid is die ook onder de bevoegdheden van de federale overheid valt. B.8.1. In tegenstelling tot de teksten die voor advies aan de Raad van State waren voorgelegd, voorzien de artikelen 8 en 9 van de wet van 19 maart 2017 echter elk in de tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg voor het sluiten van de overeenkomst met betrekking tot de uitoefening, door de ouders of door de voogd, van hun recht op persoonlijk contact, en van de overeenkomst met betrekking tot de delegatie aan de pleegzorgers van bepaalde attributen van het ouderlijk gezag. De federale wetgever legt dus nieuwe opdrachten ten laste van de bevoegde organen voor pleegzorg, die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen vallen. Uit de tekst van de bestreden bepalingen blijkt niet dat die opdrachten, zoals de Ministerraad betoogt, facultatief zouden zijn. Integendeel blijkt dat de bevoegde gemeenschapsorganen ertoe gehouden zijn tussen te komen in de onderhandeling die leidt tot het sluiten van de door de ouders of door de voogd van het kind en door de pleegzorgers gesloten overeenkomsten. 16 B.8.2. De autonomie waarover de federale overheid en de gemeenschappen of de gewesten in het kader van hun eigen bevoegdheidssfeer beschikken, staat in beginsel eraan in de weg dat een overheid een dienst die onder een andere overheid ressorteert, zonder het akkoord van die laatste, ertoe dwingt zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van het beleid van de eerste overheid. B.8.3. Daaruit vloeit voort dat het in beginsel niet aan de federale wetgever staat opdrachten toe te vertrouwen aan organen die onder de bevoegdheden van de gemeenschappen vallen of verplichtingen te hunnen laste te leggen. Te dezen, echter, vermocht de federale wetgever, nu hij de mogelijkheid instelde van het sluiten van overeenkomsten tussen de ouders van het geplaatste kind en de pleegzorgers, redelijkerwijs te oordelen dat het voor de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake het statuut van de pleegzorgers, noodzakelijk was te voorzien in de tussenkomst van de bevoegde gemeenschapsorganen voor pleegzorg. Die tussenkomst vormt immers een waarborg voor de bescherming van de rechten van de ouders en van het hoger belang van het kind. Overigens tonen de verzoekende partijen en de Franse Gemeenschap niet voldoende aan dat de weerslag van die opdrachten op de werking en de organisatie van de betrokken diensten meer dan marginaal zou zijn. Het blijkt niet dat de uitoefening, door de gemeenschappen, van hun bevoegdheden inzake jeugdbescherming en gezinsbeleid daardoor op onevenredige wijze wordt geraakt, des te meer nu het aan de gemeenschappen toekomt de nadere regels voor het optreden van hun diensten te bepalen. B.9.1. Voor het overige maken de bestreden artikelen 8 en 9 de uitoefening, door de gemeenschappen, van hun bevoegdheden inzake jeugdbijstand en plaatsing in een gezin niet onmogelijk of overdreven moeilijk. Het nieuwe artikel 387sexies van het Burgerlijk Wetboek legt niet de verplichting op dat de overeenkomst met betrekking tot de nadere regels voor de uitoefening, door de ouders of de voogd, van hun recht om persoonlijk contact te onderhouden met het kind wordt onderworpen aan de homologatie door de familierechtbank; dat kan op vrijwillige basis gebeuren. Bovendien lijkt uit de verantwoording van het amendement dat aan de oorsprong ligt van die bepaling te kunnen worden afgeleid dat, indien een akkoord met betrekking tot de uitoefening van het recht om persoonlijk contact te onderhouden moet worden gesloten, de ouders of de voogd en de pleegzorgers « ook schriftelijk » de nadere regels van dat 17 persoonlijk contact « kunnen overeenkomen » en dat « indien er geen akkoord kan worden bereikt, […] de betrokken partijen de mogelijkheid [hebben] om de familierechtbank te vatten en de concrete regels van het recht op persoonlijk contact vast te leggen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-0697/009, pp. 36-37), hetgeen de gemeenschappen niet belet de plaatsing van het kind en de begeleiding van de ouders of van de voogd, en van de pleegzorgers te organiseren. Het nieuwe artikel 387septies van het Burgerlijk Wetboek legt niet het sluiten van een overeenkomst houdende delegatie van bepaalde attributen van het ouderlijk gezag op. Die bepaling laat de gemeenschappen bijgevolg voldoende mogelijkheden om ter zake het beleid van hun keuze te voeren, in het kader van het door de federale wetgever vastgelegde statuut van de pleegzorgers, dat ten aanzien van het geplaatste kind in rechten en plichten voorziet. B.9.2. Bovendien heeft artikel 20 van de wet van 19 maart 2017, dat artikel 7 van de wet van 8 april 1965 herstelt, ten doel de jeugdrechtbank de mogelijkheid te bieden uitspraak te doen over alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag wanneer zij jeugdbeschermingsmaatregelen neemt ten aanzien van een minderjarige, zodat de samenhang wordt gewaarborgd van de beschermingsmaatregelen die met betrekking tot die minderjarige zijn ingevoerd. B.9.3. Krachtens artikel 146 van de Grondwet is de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in beginsel een aangelegenheid die onder de bevoegdheden van de federale wetgever valt. De bestreden bepaling overschrijdt dus niet de grenzen van zijn bevoegdheden. Bovendien toont de omstandigheid dat de federale wetgever zich bewust is geweest van het feit dat het statuut dat hij aan de pleegzorgers toekende, een weerslag kon hebben op de maatregelen waartoe door de jeugdrechtbank is beslist, met toepassing van de bepalingen die door de gemeenschappen zijn genomen inzake hulpverlening aan en bescherming van de jeugd, waarop artikel 20 van de wet van 19 maart 2017 wijst, niet aan dat hij zodoende inbreuk zou hebben gemaakt op de bevoegdheden van de gemeenschappen. B.10. Het middel is niet gegrond. 18 Wat betreft het nieuwe middel afgeleid door de Franse Gemeenschapsregering B.11.1. De Franse Gemeenschapsregering leidt een nieuw middel af uit de schending van artikel 143, § 1, van de Grondwet en van het beginsel van federale loyauteit. Zij doet gelden dat niettegenstaande de herhaalde verzoeken in die zin van de Franse Gemeenschap en van de verenigingen die eronder ressorteren en die rechtstreeks door de bestreden wet worden geraakt, de gemeenschappen niet dienstig bij het wetgevingsproces zijn betrokken. B.11.2. De Vlaamse Regering doet, harerzijds, gelden dat hoewel er te dezen geen enkele formele verplichting tot overleg is, een dergelijk overleg wel degelijk heeft plaatsgevonden tussen het kabinet van de federale minister van Justitie en de kabinetten van de bevoegde gemeenschapsministers. B.12. Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ». De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.13. Zelfs in de aangelegenheden waarin de bijzondere wetgever een vorm van overleg of van samenwerking tussen de verschillende overheden niet voorschrijft, kan de inachtneming van de federale loyauteit vereisen dat er een overleg plaatsheeft wanneer de respectieve bevoegdheden van die overheden met elkaar verweven zijn en wanneer de door hen, elk in haar eigen bevoegdheden, genomen maatregelen een weerslag kunnen hebben op het door de anderen gevoerde beleid. 19 B.14.1. Zoals is vastgesteld bij het onderzoek van het eerste middel dat is afgeleid door de verzoekende partijen, heeft de federale wetgever, door een statuut voor pleegzorgers in het leven te roepen, door de verdeling van de uitoefening van bepaalde attributen van het ouderlijk gezag tussen de pleegzorgers en de ouders of de voogd van het kind en door daartoe bepaalde procedureregels uit te vaardigen, de uitoefening, door de gemeenschappen, van hun bevoegdheden inzake hulpverlening aan of bescherming van de jeugd niet onmogelijk of overdreven moeilijk gemaakt. B.14.2. Voor het overige blijkt uit de verklaringen van de Ministerraad, van de Franse Gemeenschapsregering en van de Vlaamse Regering dat tijdens het wetgevingsproces tussen de betrokken ministeriële kabinetten een overleg heeft plaatsgehad. In het verslag van de eerste lezing in de Kamercommissie voor de Justitie wordt ook vermeld dat « het advies van de gemeenschappen […] al op 9 juni 2015 [werd] verkregen, onder meer in verband met de bevoegdheden van de gemeenschappen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-0697/005, p. 14). De loutere omstandigheid dat dat overleg het niet mogelijk heeft gemaakt tussen de verschillende actoren een consensus te bereiken, kan niet leiden tot de conclusie dat de federale wetgever het beginsel van de federale loyauteit heeft geschonden. B.15. Het door de Franse Gemeenschapsregering aangevoerde nieuwe middel is niet gegrond. Ten aanzien van het middel dat is afgeleid uit de schending van grondrechten B.16.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. B.16.2. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : 20 « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». De draagwijdte van de voormelde verdragsbepaling is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.16.3. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.16.4. Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : « 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. 21 2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. 3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht ». B.16.5. Artikel 7 van hetzelfde Verdrag bepaalt : « 1. Het kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte het recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd. 2. De Staten die partij zijn, waarborgen de verwezenlijking van deze rechten in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn ». Wat betreft de artikelen 387sexies en 387septies van het Burgerlijk Wetboek (eerste onderdeel van het middel) B.17.1. De verzoekende partijen klagen aan dat de bestreden bepalingen, aangehaald in B.1.2 en B.1.3, de familierechtbank enkel de mogelijkheid bieden te weigeren de overeenkomsten waarin zij voorzien, te homologeren indien die overeenkomsten in strijd zijn met het belang van het kind. Zij interpreteren die bepalingen in die zin dat zij de rechtbank verbieden een belangenafweging te maken waarbij, naast het belang van het kind, dat de eerste overweging moet zijn, rekening zou worden gehouden met dat van de ouders of van de voogd. Zij vorderen de vernietiging van de woorden « De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind » vermeld in artikel 387sexies, tweede lid, en van de woorden « De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind » vermeld in artikel 387septies, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. 22 B.17.2. In zoverre de tussenkomende partijen bovendien de omstandigheid bekritiseren dat de homologatie door de rechtbank waarin is voorzien bij artikel 387sexies, tweede lid, slechts facultatief is, terwijl die waarin is voorzien bij artikel 387septies, § 2, steeds dient te gebeuren, formuleren zij een grief die niet is aangevoerd in het verzoekschrift. Zoals in B.3.3 is vermeld, kunnen de door de tussenkomende vzw’s geformuleerde grieven slechts worden onderzocht in zoverre zij overeenstemmen met de in het verzoekschrift geformuleerde middelen. B.18.1. Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Artikel 22bis, vijfde lid, van de Grondwet geeft de bevoegde wetgever overigens de opdracht te waarborgen dat het belang van het kind de eerste overweging is. B.18.2. Hoewel het belang van het kind een primordiaal karakter heeft, heeft het daarom nog geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie. Die bijzondere plaats maakt het evenwel niet mogelijk om niet eveneens rekening te houden met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen. B.18.3. De wetgever dient bij het uitwerken van een wettelijk statuut voor pleegzorgers de bevoegde overheden de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen. Er dient echter rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat plaatsing in een gezin een maatregel is waarvan het doel precies de bescherming van het kind is, zodat bij het afwegen van alle in het geding zijnde belangen, het belang van het kind noodzakelijkerwijs en in alle gevallen een voorrangspositie inneemt. 23 B.19.1. De overeenkomsten die in de bestreden bepalingen worden beoogd, hebben betrekking, wat de ene betreft, op de wijze waarop de ouders of de voogd hun recht op het onderhouden van persoonlijk contact met het kind behouden en, wat de andere betreft, op de eventuele delegatie aan de pleegzorgers van de bevoegdheid om andere beslissingen te nemen dan die welke het dagelijks leven van het kind betreffen of dan die welke bij uiterst dringende noodzakelijkheid moeten worden genomen. B.19.2. In het recht op persoonlijk contact is voorzien bij artikel 387undecies, in het Burgerlijk Wetboek ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 19 maart 2017. Dat artikel bepaalt dat « de ouders of de voogd […] eveneens het recht [behouden] op persoonlijk contact met het kind » en dat « dit persoonlijk contact […] enkel om bijzonder ernstige redenen [kan] worden geweigerd ». De overeenkomst met betrekking tot de uitoefening van het recht op persoonlijk contact kan ter homologatie worden voorgelegd aan de familierechtbank. B.19.3. De bevoegdheid om de beslissingen met betrekking tot de huisvesting, de dagdagelijkse beslissingen en de bij dringende noodzakelijkheid te nemen beslissingen voor het kind te nemen, is bij artikel 387quinquies van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege gedelegeerd aan de pleegzorgers. De overeenkomst met betrekking tot de delegatie van andere attributen van het ouderlijk gezag, die tussen de pleegzorgers en de ouders of de voogd kan worden gesloten, moet ter homologatie worden voorgelegd aan de familierechtbank. B.20.1. De plaatsing van een kind buiten zijn gezin kan slechts worden opgevat als een uitzonderlijke maatregel, die ondergeschikt is aan andere vormen van hulpverlening en die van zo kort mogelijke duur moet zijn. Tijdens de parlementaire voorbereiding met betrekking tot de bestreden wet is in herinnering gebracht dat « in beginsel […] de pleegzorg immers een tijdelijke situatie [is] » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-0697/009, p. 36). In het licht van dat gegeven is het belangrijk om gedurende de periode dat het kind in de pleegzorg verblijft het contact met zijn ouders in stand te houden. 24 B.20.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft ten aanzien van het tijdelijke karakter van de plaatsing van een kind en van het behoud van de band tussen het kind en zijn ouders geoordeeld : « Hoewel artikel 8 [van het Verdrag] hoofdzakelijk ertoe strekt het individu te beschermen tegen de willekeurige inmenging van de overheid, het aan de Staat ook positieve verplichtingen oplegt die inherent zijn aan een werkelijke ‘ eerbiediging ’ van het gezinsleven. Daar waar een familieband blijkt te bestaan, dient de Staat in beginsel zodanig te handelen dat die band kan worden ontwikkeld en de geëigende maatregelen te nemen om de betrokken ouder en kind te herenigen » (EHRM, 26 februari 2002, Kutzner t. Duitsland, § 61; 16 februari 2016, Soares de Melo t. Portugal, § 89). « De tenlasteneming van een kind moet in beginsel als een tijdelijke maatregel worden beschouwd, die dient te worden opgeschort zodra de omstandigheden zich daartoe lenen, en […] elke daad van tenuitvoerlegging moet in overeenstemming zijn met een ultiem doel : de biologische ouder en het kind opnieuw verenigen (zie, in het bijzonder, Olsson t. Zweden (nr. 1), [24 maart 1988, reeks A nr. 130,] pp. 36-37, § 81). De positieve verplichting om maatregelen te nemen teneinde de gezinshereniging te vergemakkelijken zodra dat echt mogelijk zal zijn, is aan de bevoegde autoriteiten opgelegd vanaf het begin van de periode van tenlasteneming en met steeds meer aandrang, maar moet steeds worden afgewogen tegen de plicht om het hoger belang van het kind in overweging te nemen (K. en T. t. Finland [GK], [nr. 25702/94,] § 178) » (EHRM, 26 februari 2002, Kutzner t. Duitsland, § 76). « Enerzijds is het zeker dat kinderen een ontwikkeling in een gezonde omgeving waarborgen tot het belang van het kind behoort en dat artikel 8 van het Verdrag een ouder niet kan toestaan maatregelen te doen nemen die nadelig zijn voor de gezondheid en de ontplooiing van zijn kinderen […]. Anderzijds is het duidelijk dat het evenzeer in het belang van het kind is dat de banden tussen hem en zijn familie worden gehandhaafd, behalve in de gevallen waarin die zich bijzonder onwaardig heeft getoond : die band verbreken komt erop neer het kind van zijn wortels af te snijden. Daaruit volgt dat het belang van het kind gebiedt dat alleen heel uitzonderlijke omstandigheden kunnen leiden tot een verbreking van de familiale band en dat alles in het werk wordt gesteld om het persoonlijk contact in stand te houden en, in voorkomend geval, op het gepaste ogenblik, het gezin ‘ opnieuw samen te stellen ’ » (EHRM, 16 februari 2016, Soares de Melo t. Portugal, § 93). « Dienaangaande en wat betreft de verplichting voor de Staat om positieve maatregelen te nemen, heeft het Hof steeds gezegd dat artikel 8 impliceert dat een ouder recht heeft op maatregelen die bedoeld zijn om hem met zijn kind te herenigen en de nationale autoriteiten de verplichting hebben dergelijke maatregelen te nemen […] » (EHRM, 22 juni 2017, Barnea en Caldararu t. Italië, § 66). B.20.3. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaardt evenwel ook dat de verplichting om te trachten de ouders en het kind zo snel mogelijk te herenigen niet absoluut is, dat wanneer de belangen van de ouders en het kind niet samenvallen naar een evenwicht moet worden gezocht en dat het belang van het kind kan primeren op dat van de ouders : 25 « Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat artikel 8 het recht impliceert van een ouder op specifieke maatregelen om hem te herenigen met zijn kind, alsook de verplichting, voor de nationale overheden, om die te nemen (zie, bijvoorbeeld, Ignaccolo-Zenide t. Roemenië, voormeld, § 94, en Nuutinen t. Finland, nr. 32842/96, § 127, EHRM 2000-VIII). Die verplichting is evenwel niet absoluut. De aard en de omvang ervan hangen af van de omstandigheden van elke zaak, maar het begrip en de samenwerking van alle betrokkenen vormen daarvan steeds een belangrijke factor. In de hypothese dat contacten met de ouders de hogere belangen van het kind dreigen in het gedrang te brengen of afbreuk te doen aan diens rechten, staat het aan de nationale overheden te waken over een billijk evenwicht daartussen (Ignaccolo-Zenide, voormeld, § 94) » (EHRM, 21 oktober 2008, Clemeno en anderen t. Italië, § 48; 24 februari 2009, Errico t. Italië, § 46). « In het bijzonder dient […] het billijke evenwicht dat tot stand moet worden gebracht tussen de tegenstrijdige belangen - die van het kind, die van beide ouders en die van de openbare orde (Maumousseau en Washington t. Frankrijk, nr. 39388/05, § 62, EHRM 2007-XIII) - in acht te worden genomen, waarbij evenwel een doorslaggevend belang wordt gehecht aan het hoger belang van het kind (zie, in die zin, Gnahoré, voormeld, § 59), en waarbij dat belang, naar gelang van de aard en de ernst ervan, kan primeren op dat van de ouders (Sahin t. Duitsland [GC], nr. 30943/96, § 66, EHRM 2003-VIII) » (EHRM, 22 juni 2017, Barnea en Caldararu t. Italië, § 64). B.21. De overeenkomst met betrekking tot de uitoefening van het recht op persoonlijk contact waarin is voorzien in artikel 387sexies van het Burgerlijk Wetboek heeft precies ten doel om, tijdens de periode van pleegzorg, het behoud van de band tussen het kind en zijn ouders of zijn voogd te waarborgen. In dat verband is het belangrijk dat de overeenkomst wordt gesloten met tussenkomst van de bevoegde organen voor pleegzorg, die in het bijzonder oog dienen te hebben voor het evenwicht tussen de onderscheiden belangen die in het geding zijn, en dus met name ook voor het belang van de ouders of van de voogd. Het belang van het kind waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de homologatie van die overeenkomst bestaat erin, in de mate van het mogelijke, het daadwerkelijke karakter van de band van het kind met zijn ouders of zijn voogd bij de uitoefening van zijn recht op persoonlijk contact te behouden, ermee rekening houdende dat het hoger belang van het kind, naar gelang van de aard en de ernst ervan, kan primeren op dat van de ouders. B.22. De in artikel 387septies van het Burgerlijk Wetboek bepaalde overeenkomst met betrekking tot de eventuele delegatie aan de pleegzorgers van de bevoegdheid om, buiten het 26 geval van dringende noodzakelijkheid, bepaalde belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, strekt ertoe de pleegzorgers de mogelijkheid te bieden om, met de instemming van de ouders of van de voogd van het kind, vanuit de bekommernis om de pleegzorg en het dagelijks leven van het kind te vergemakkelijken, de beslissingen te nemen waarvan het belang dat van de dagdagelijkse beslissingen overstijgt. In dat verband is het ook in dit geval belangrijk dat de overeenkomst wordt gesloten met tussenkomst van de bevoegde organen voor pleegzorg, die met name ook over het belang van de ouders of van de voogd dienen te waken. Het belang van het kind waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de homologatie van die overeenkomst bestaat erin, in de mate van het mogelijke, het daadwerkelijke karakter van de band van het kind met zijn ouders of zijn voogd bij de uitoefening van belangrijke beslissingen die op hem betrekking hebben, te behouden, ermee rekening houdende dat het hoger belang van het kind, naar gelang van de aard en de ernst ervan, kan primeren op dat van de ouders. B.23.1. Rekening houdend met het voorgaande en met het feit dat het belang van het kind in alle maatregelen inzake pleegzorg doorslaggevend is, is het niet in strijd met de in het middel beoogde bepalingen erin te voorzien dat wanneer bij de rechtbank een verzoek is ingediend tot homologatie van de overeenkomsten waarin is voorzien bij de artikelen 387sexies en 387septies van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de artikelen 8 en 9 van de wet van 19 maart 2017, de rechtbank de homologatie enkel weigert indien de overeenkomst in strijd is met het belang van het kind. B.23.2. Gelet op hetgeen is vermeld in B.23.1, is het tweede middel, in zijn eerste onderdeel, niet gegrond. 27 Wat betreft artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 19 maart 2017 (tweede onderdeel van het middel) B.24.1. Artikel 387octies, ingevoegd in het Burgerlijk Wetboek bij artikel 10 van de wet van 19 maart 2017, biedt de pleegzorgers, bij gebrek aan een in artikel 387septies bedoelde overeenkomst met de ouders of de voogd van het kind, de mogelijkheid om van de familierechtbank, ook buiten de gevallen van dringende noodzakelijkheid, de delegatie te verkrijgen van de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind. B.24.2. De amendementen die aan de basis liggen van de bestreden bepaling, worden verantwoord als volgt : « Dit artikel heeft betrekking op de gedwongen overdracht van bevoegdheden. Het gaat om de mogelijkheid voor pleegzorgers om een verzoek in te dienen teneinde meer bevoegdheden uit te oefenen. Dit gebeurt in een geval waar er geen overeenkomst kan worden gesloten tussen de ouders en pleegzorgers. Het verzoek moet worden meegedeeld aan het bevoegde orgaan inzake pleegzorg, omdat in het verzoek informatie vermeld wordt over de betrokken partijen, alsook welke uitbreiding van rechten en plichten er wordt gevraagd » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-0697/002, p. 11). « [In] tegenstelling tot het vorige artikel, [gaat het] hier niet om de homologatie van een akkoord, maar wel om een gebrek aan overeenkomst. Het gaat dus om een onenigheid tussen de ouders en de pleegzorgers » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-0697/009, p. 17). B.25.1. De bestreden bepaling heeft betrekking op een delegatie van bevoegdheden die identiek is met die welke, krachtens artikel 387septies van het Burgerlijk Wetboek, in onderlinge overeenkomst tussen de pleegzorgers en de ouders of de voogd van het kind kan worden overeengekomen. Zij kan immers, volledig of gedeeltelijk, de « belangrijke beslissingen » betreffen « omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, […] met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind ». B.25.2. De bestreden bepaling, ingevoegd in artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek, is echter fundamenteel verschillend van die welke is ingevoegd in artikel 387septies van hetzelfde Wetboek, aangezien zij wordt toegepast bij afwezigheid van een overeenkomst 28 tussen de ouders of de voogd en de pleegzorgers en aangezien zij de rechter de mogelijkheid biedt de ouders, tegen hun zin, en zonder dat er sprake is van dringende noodzakelijkheid, de bevoegdheid te ontnemen om bepaalde, en zelfs alle belangrijke beslissingen voor het leven van hun kind te nemen (met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon), bevoegdheid die tot hun ouderlijk gezag behoort. B.26. De bestreden maatregel vormt bijgevolg een zeer aanzienlijke inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven van de betrokken ouders en kind. Om met de in het middel aangevoerde bepalingen verenigbaar te worden geacht, moet die inmenging nodig zijn in een democratische samenleving en evenredig met het nagestreefde doel zijn. Het begrip « nodig », in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, houdt het bestaan in van een dwingende maatschappelijke behoefte en, in het bijzonder, de evenredigheid van de inmenging ten aanzien van het nagestreefde legitieme doel (zie, onder meer, Campbell, reeds aangehaald, § 44) (EHRM, 24 mei 2018, Laurent t. Frankrijk, § 45). B.27.1. Met betrekking tot het algemene opzet blijkt uit de parlementaire voorbereiding : « Het is de bedoeling om een statuut te creëren dat duidelijkheid verschaft over de rechten en de plichten van de pleegzorgers, waarbij ze vanaf het begin bevoegdheid krijgen over de dagdagelijkse beslissingen, maar ook over de dringende en noodzakelijke beslissingen. Daarnaast is ook de mogelijkheid voor de pleegzorgers om van bij de aanvang, mits een akkoord met de natuurlijke ouders, meer bevoegdheden te krijgen. Indien er geen akkoord gevonden wordt, kunnen ze zich na één jaar wenden tot de rechter die een beslissing kan treffen in het belang van het kind. Er wordt eveneens een recht op een persoonlijk contact toegekend na een jaar verblijf van het pleegkind bij de pleegzorgers, zodat de band tussen hen niet bruusk wordt verbroken » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-0697/011, p. 3). en ook « Wij beogen inspraak te verlenen aan pleegouders en hen instrumenten aan te reiken wanneer het belang van het kind gevaar loopt. Het recht op privé- en gezinsleven van de ouders dient hierbij gerespecteerd te worden. Het wetsvoorstel wil meer duidelijkheid brengen in de situatie van zowel de ouders, de pleegouders als de geplaatste kinderen voor die gevallen waar er discussies en problemen rijzen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-0697/001, p. 6). B.27.2. Artikel 387quinquies van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 19 maart 2017, bepaalt dat gedurende de periode van plaatsing de pleegzorgers het 29 recht hebben om alle dagdagelijkse beslissingen over het kind alsook de belangrijke beslissingen te nemen in geval van dringende noodzakelijkheid. Artikel 387septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 19 maart 2017, bepaalt dat de ouders of de voogd en de pleegzorgers bovendien kunnen overeenkomen om de bevoegdheid om bepaalde belangrijke beslissingen over het kind te nemen, te delegeren. Die twee bepalingen maken het dus mogelijk, enerzijds, duidelijkheid te verschaffen over de rechten en de plichten van de pleegzorgers en, anderzijds, de organisatie van het dagdagelijkse leven van het kind in het pleeggezin te vergemakkelijken. B.27.3. Bovendien, zoals in B.20.1 wordt vermeld, kan de plaatsing van een kind buiten zijn gezin slechts worden opgevat als een uitzonderlijke maatregel, die ondergeschikt is aan andere vormen van hulpverlening en die van zo kort mogelijke duur moet zijn. Het is belangrijk om gedurende de periode dat het kind in de pleegzorg verblijft, het contact met zijn ouders in stand te houden en daarbij rekening te houden met het feit dat het hoger belang van het kind, volgens de omstandigheden die eigen zijn aan elk voorliggend geval naar gelang van de aard of de ernst ervan, kan primeren op dat van de ouders. Daaruit volgt dat het in het belang van het geplaatste kind is dat zijn oorspronkelijke ouders zoveel mogelijk betrokken blijven bij de belangrijke beslissingen in verband met zijn opvoeding opdat het kind en zijn gezin, zodra mogelijk, herenigd zijn. In dat opzicht is de bestreden bepaling niet beperkt tot bijzondere omstandigheden met betrekking tot de aard of de ernst ervan. B.27.4. De bestreden bepaling betreft noch dagdagelijkse beslissingen (die door de pleegzorgers kunnen worden genomen op grond van artikel 387quinquies van het Burgerlijk Wetboek), noch spoedeisende beslissingen (idem), maar belangrijke beslissingen met betrekking tot de opvoeding of de goederen van het kind die niet spoedeisend zijn. De bestreden bepaling maakt de delegatie mogelijk van « de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen » in een reeks domeinen en niet de delegatie met betrekking tot een specifieke of gerichte beslissing. B.27.5. Daaruit volgt dat de bestreden bepaling die betrekking heeft op de delegatie van de bevoegdheid om een of meerdere attributen van het ouderlijk gezag uit te oefenen, niet door voldoende waarborgen wordt omringd en op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het gezinsleven van de ouders en van het geplaatste kind. 30 B.28. Het middel, in zijn tweede onderdeel, is gegrond. Artikel 10 van de wet van 19 maart 2017 dient te worden vernietigd. Teneinde te vermijden dat de geldigheid wordt betwist van de rechterlijke beslissingen uitgesproken op basis van het vernietigde artikel, dienen de door artikel 10 van de wet van 19 maart 2017 teweeggebrachte gevolgen te worden gehandhaafd tot de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad. 31 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 387octies van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling voor wat betreft de rechterlijke beslissingen die zijn uitgesproken tot de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad; - verwerpt voor het overige het beroep onder voorbehoud van wat is vermeld in B.23.1. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 februari 2019. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.