id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.038 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190228.10 Arrest- Rolnummer: 38/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-01 Raadplegingen: 404 - laatst gezien 2026-06-28 22:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieubeleid - Vlaanderen Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 96 en 97 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 30 juni 2017 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw, ingesteld door de vzw « Belgische vereniging van de industrie van plantenbeschermingsmiddelen ». Bescherming van het leefmilieu - Vlaams Gewest - Regeling van het gebruik van pesticiden - Gebruiksverbod - Machtiging aan de uitvoerende macht - Draagwijdte. Tekst van de beslissing Rolnummer 6812 Arrest nr. 38/2019 van 28 februari 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 96 en 97 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 30 juni 2017 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw, ingesteld door de vzw « Belgische vereniging van de industrie van plantenbeschermingsmiddelen ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 januari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 januari 2018, heeft de vzw « Belgische vereniging van de industrie van plantenbeschermingsmiddelen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Deltour, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 96 en 97 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 30 juni 2017 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 juli 2017). De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bergé, advocaat bij de balie te Leuven, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij A.1. Het statutair doel van de verzoekende partij bestaat in het bevorderen van plantenbeschermingsmiddelen en gelijkaardige producten. Zij benadrukt dat zij dat statutair doel effectief en daadwerkelijk nastreeft, zoals blijkt uit de persberichten op haar website met betrekking tot concrete acties tegen het glyfosaatverbod. Voorts wijst zij erop dat haar leden houder zijn van een toelating voor het op de markt brengen van glyfosaathoudende gewasbeschermingsmiddelen voor particulier gebruik, conform de federale regelgeving. Zij voert aan dat zij een zeker en effectief nadeel lijdt, aangezien de bestreden bepalingen de rechtsgrondslag vormen voor verbodsmaatregelen op het particuliere gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Voorts is het onderhavige beroep tot vernietiging ingegeven door de bekommernis dat het Vlaamse Gewest geen afbreuk zou doen aan de efficiënte uitoefening van het federale productnormenbeleid. A.2. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partij, die geen oorzakelijk verband zou aantonen tussen de bestreden bepalingen en het door haar of door haar individuele leden geleden nadeel. De leden van de verzoekende partij zijn commerciële bedrijven die pesticiden op de markt brengen, maar de 3 bestreden bepalingen beperken die activiteit niet. Bijgevolg komt ook de economische mededinging in de sector niet in gevaar. Uit het statutair doel van de verzoekende partij blijkt overigens dat zij slechts de verdediging van de individuele en louter commerciële en economische belangen van haar leden beoogt. Bijgevolg heeft zij volgens de Vlaamse Regering geen belang bij het onderhavige beroep. Voorts volstaat een loutere verwijzing naar publicaties op een website volgens de Vlaamse Regering niet om het rechtens vereiste belang bij een beroep tot vernietiging te ondersteunen. Ten gronde A.3. In haar enige middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen niet in overeenstemming zijn met de artikelen 10, 11, 23, 35, 39, 134 en 143, § 1, van de Grondwet, en met artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, V, tweede lid, 1°, en VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, al dan niet in samenhang gelezen met de verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 « betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad », met de richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 « tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden », met artikel 7bis van de Grondwet, met het koninklijk besluit van 28 februari 1994 « betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik », met het koninklijk besluit van 19 maart 2013 « ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen », met het redelijkheidsbeginsel en met het evenredigheidsbeginsel. A.4.1. Volgens de verzoekende partij eigent de decreetgever zich een federale bevoegdheid toe, doordat hij het de federale overheid onmogelijk of overdreven moeilijk maakt om haar eigen bevoegdheden uit te oefenen. De bestreden bepaling zou de Vlaamse Regering immers toelaten een gebruiksverbod op te leggen op grond van het type werkzame stof, en dit zonder enige beperking in de tijd of in de ruimte, terwijl de gewesten voordien hun bevoegdheid inzake het gebruik van pesticiden enkel konden uitoefenen op basis van plaatsgebonden criteria. De bestreden bepalingen zijn volgens de verzoekende partij ingegeven door de wil om het gebruik van pesticiden op basis van de werkzame stof glyfosaat te verbieden. Maar een volledig verbod op elk particulier gebruik komt volgens haar neer op het de facto verbieden van het op de markt brengen van dergelijke producten, wat een maatregel is die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. De verzoekende partij wijst erop dat de Vlaamse Regering met het besluit van 14 juli 2017 « tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013 houdende nadere regels inzake duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest voor niet-land- en tuinbouwactiviteiten en de opmaak van het Vlaams Actieplan Duurzaam Pesticidengebruik » gebruik heeft gemaakt van de voormelde machtiging, door elk particulier gebruik van glyfosaathoudende gewasbeschermingsproducten te verbieden. Een uitzondering wordt slechts gemaakt voor de professionele gebruikers die over een fytolicentie beschikken. Het gaat volgens de verzoekende partij evenwel om producten die niet op de markt zijn gebracht voor professionele gebruikers, die dergelijke producten in de praktijk niet zouden kopen. Volgens de verzoekende partij dreigt elk product dat glyfosaat bevat bijgevolg van de markt te verdwijnen. A.4.2. De verzoekende partij beklemtoont dat de bestreden bepalingen de grondslag van een gewestelijke productnorm vormen, of minstens de grondslag van een maatregel van gelijke werking als een productnorm. Aldus zou de decreetgever de in artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, en V, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen omschreven bevoegdheid van de federale overheid inzake productnormen uithollen. De voorbehouden bevoegdheid voor de federale overheid inzake productnormen is volgens de verzoekende partij ingegeven door de zorg te voorkomen dat het vrije verkeer van pesticiden die met inachtneming van de verordening (EG) nr. 1107/2009 op de Europese en de Belgische markt zijn gebracht, zou worden belemmerd. Aangezien de Vlaamse decreetgever met de bestreden bepalingen een maatregel heeft genomen die het de federale overheid overdreven moeilijk maakt om haar bevoegdheid inzake productnormen uit te oefenen, schenden die bepalingen, volgens de verzoekende partij, het beginsel van de federale loyauteit, in samenhang 4 gelezen met het evenredigheidsbeginsel. Om dezelfde reden zijn die bepalingen, volgens haar, evenmin bestaanbaar met het beginsel van de economische en monetaire unie. A.5. Daarnaast voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de federale rechtsbescherming voor de betrokken marktoperatoren, zoals die is vervat in afdeling 5 van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 « betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik ». Krachtens die afdeling dient de intrekking van de erkenning van een gewasbeschermingsmiddel met redenen te zijn omkleed en gaat zij in beginsel pas na zes maanden in. Die rechtsbescherming zou volgens de verzoekende partij buiten werking worden gesteld wanneer de Vlaamse Regering op grond van de bestreden bepalingen een verbodsmaatregel uitvaardigt. In zoverre de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de rechten en de belangen van de betrokken marktoperatoren, schenden zij volgens de verzoekende partij eveneens artikel 23, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7bis, van de Grondwet. A.6. Ten slotte voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen niet bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat de decreetgever geen adequate en objectieve criteria heeft uitgewerkt om te bepalen welke werkzame stoffen door de Vlaamse Regering kunnen worden verboden. A.7.1. Volgens de Vlaamse Regering roepen de bestreden bepalingen geen productnormen in het leven, maar regelen zij slechts een welbepaald gebruik. Productnormen zijn volgens haar onlosmakelijk verbonden met het op de markt brengen van bepaalde producten, terwijl de bestreden bepalingen enkel de rechtsgrond vormen om nadere regels vast te leggen om het particuliere gebruik van bepaalde producten te verbieden. A.7.2. Er is volgens de Vlaamse Regering evenmin sprake van een algemeen verbod op het gebruik van glyfosaathoudende pesticiden. De bestreden bepalingen kunnen dus niet worden aangemerkt als maatregelen van gelijke werking als een productnorm. De Vlaamse Regering verwijst in dit verband naar haar besluit van 14 juli 2017 dat ter uitvoering van de bestreden bepalingen werd genomen. De houders van een fytolicentie en de daarmee gelijkgestelde professionele gebruikers mogen de glyfosaathoudende producten blijven gebruiken. Er is dus volgens haar geen sprake van een algemene uitsluiting voor gebruik door alle particulieren. De kritiek van de verzoekende partij dat professionele gebruikers de desbetreffende producten in de praktijk niet zouden kopen, is volgens de Vlaamse Regering niet dienstig, omdat het de bestreden bepalingen niet kan worden verweten dat de professionele onkruidbestrijders in de praktijk geen gebruik zouden maken van de uitzondering waarin het besluit van de Vlaamse Regering voorziet. A.7.3. Uit het voorgaande volgt volgens de Vlaamse Regering dat de federale overheid niet wordt gehinderd in de uitoefening van haar bevoegdheid inzake productnormen. Zij kan immers nog steeds regelen hoe glyfosaathoudende producten op de markt moeten worden gebracht, aangezien de bestreden bepalingen enkel het gebruik ervan regelen. Evenmin zouden de bestreden bepalingen de commercialisering van glyfosaathoudende producten bemoeilijken, zodat het evenredigheidsbeginsel niet zou zijn geschonden. De Vlaamse Regering wijst in dat verband op het ontwerp van koninklijk besluit dat door de Ministerraad werd goedgekeurd op 25 mei 2018 en dat het op de markt brengen en het gebruik voor niet-professionele doeleinden van bepaalde herbiciden verbiedt. Dat ontwerp van koninklijk besluit zou ook betrekking hebben op glyfosaathoudende pesticiden. A.7.4. Volgens de Vlaamse Regering laat de verzoekende partij na aan te tonen op welke manier het vrij verkeer van goederen zou worden belemmerd. De bestreden bepalingen voorzien immers niet in een algemeen gebruiksverbod. Evenmin zou worden geraakt aan de mogelijkheid om producten op de markt te brengen. Bovendien zouden de bestreden bepalingen in overeenstemming zijn met de door de verordening (EG) nr. 1107/2009 nagestreefde doelstellingen. A.8. De verwijzing door de verzoekende partij naar het koninklijk besluit van 28 februari 1994 is volgens de Vlaamse Regering niet relevant, omdat de bestreden bepalingen geen verbodsbepalingen zijn en de rechten van de marktoperatoren aldus niet kunnen aantasten. De erkenning van glyfosaathoudende pesticiden zou immers vooralsnog niet zijn ingetrokken. A.9. Ten slotte toont de verzoekende partij volgens de Vlaamse Regering niet aan hoe de bestreden bepalingen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zouden kunnen schenden. Zij wijst volgens de Vlaamse Regering enkel op een gebrek aan adequate en objectieve criteria ter definiëring van de stoffen die in 5 aanmerking komen voor verbodsmaatregelen, maar zij zet niet uiteen welke gelijke gevallen ongelijk zouden worden behandeld. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 96 en 97 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 30 juni 2017 « houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw » (hierna : het decreet van 30 juni 2017). Die bepalingen wijzigen respectievelijk artikel 4, eerste lid, 1°, en artikel 6 van het decreet van 8 februari 2013 « houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest » (hierna : het decreet van 8 februari 2013). B.2.1. Vóór de wijziging bij artikel 96 van het decreet van 30 juni 2017 bepaalde artikel 4, eerste lid, 1°, van het decreet van 8 februari 2013 : « Dit decreet is enkel van toepassing op het gebruik van pesticiden in de open lucht : 1° in gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt ». Artikel 96 van het bestreden decreet heeft die bepaling vervangen als volgt : « Dit decreet is enkel van toepassing op het gebruik van pesticiden in de open lucht : 1° in gebieden die door het brede publiek, door kwetsbare groepen of door particulieren worden gebruikt ». B.2.2. Met betrekking tot die wijziging vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Wat met de huidige regelgeving niet kan, is bijvoorbeeld het gebruik van pesticiden regelen in de tuin van particulieren. Een particulier is niet ‘ het brede publiek ’ en evenmin altijd lid van een ‘ kwetsbare groep ’. Terwijl dergelijk ingrijpen wel nodig kan zijn, bijvoorbeeld als het gebruik door particulieren van bepaalde werkzame stoffen ter bescherming van de volksgezondheid en het leefmilieu beperkt of verboden moet worden. […] 6 Aan de lijst van gebieden waarvoor een verbod of gebruiksbeperking kan worden opgelegd, worden de gebieden voor particulier gebruik toegevoegd. Onder particulier gebruik worden gronden of percelen begrepen in niet-professioneel gebruik » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1041-2, pp. 13-14). B.3.1. Vóór de wijziging bij artikel 97 van het decreet van 30 juni 2017 bepaalde artikel 6 van het decreet van 8 februari 2013 : « Het gebruik van pesticiden kan worden gereglementeerd door een verbod of gebruiksbeperkingen op te leggen. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden naar terreinen in specifieke gebieden, activiteit of doelgroep. De Vlaamse Regering stelt hiervoor nadere regels vast ». Het bestreden artikel 97 voegt in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 8 februari 2013 « tussen het woord ‘ naar ’ en het woord ‘ terreinen ’ de zinsnede ‘ type werkzame stof, ’ » in, ten gevolge waarvan artikel 6 van het decreet van 8 februari 2013 bepaalt : « Het gebruik van pesticiden kan worden gereglementeerd door een verbod of gebruiksbeperkingen op te leggen. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden naar type werkzame stof, terreinen in specifieke gebieden, activiteit of doelgroep. De Vlaamse Regering stelt hiervoor nadere regels vast ». B.3.2. Met betrekking tot die wijziging vermeldt de parlementaire voorbereiding : « De recentelijk ontstane commotie met betrekking tot een welbepaalde werkzame stof, glyfosaat, maakt duidelijk dat de Vlaamse Regering ook het gebruik van bepaalde werkzame stoffen moet kunnen regelen, eventueel los van een doelgroep of een specifiek terrein. De voorgestelde aanvulling maakt dergelijk ingrijpen door de Vlaamse Regering mogelijk. Het gebruik regelen van bepaalde werkzame stoffen of producten, met inbegrip van een gebruiksverbod, behoort tot de bevoegdheid van de gewesten inzake bescherming van het leefmilieu zoals opgenomen in artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, BWHI (bijzondere wet tot hervorming der instellingen) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1041-2, p. 14). B.4.1. De bestreden bepalingen breiden aldus het toepassingsgebied van het decreet van 8 februari 2013 uit. Zij maken het de Vlaamse Regering mogelijk om het gebruik van 7 pesticiden te regelen of te verbieden in gebieden die door particulieren worden gebruikt, door een onderscheid te maken op basis van het type werkzame stof. B.4.2. Op grond van die machtiging heeft de Vlaamse Regering bij het besluit van 14 juli 2017 « tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013 houdende nadere regels inzake duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest voor niet-land- en tuinbouwactiviteiten en de opmaak van het Vlaams Actieplan Duurzaam Pesticidengebruik » gebruiksbeperkingen opgelegd voor gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof glyfosaat bevatten. B.5. Volgens artikel 2 van het decreet van 8 februari 2013 voorziet dat decreet in de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 « tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden ». Die richtlijn heeft blijkens artikel 1 ervan als doel « de totstandbrenging van een duurzaam gebruik van pesticiden door vermindering van de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu en door bevordering van het gebruik van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden ». Artikel 12 van die richtlijn vereist van de lidstaten dat « met inachtneming van de eisen inzake hygiëne, volksgezondheid en biodiversiteit, of van de resultaten van desbetreffende risicobeoordelingen, het gebruik van pesticiden in bepaalde specifieke gebieden wordt geminimaliseerd of verboden ». De in die bepaling bedoelde specifieke gebieden zijn : «
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.