← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.047

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.047 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190319.3 Arrest- Rolnummer: 47/2019 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-04-03 Raadplegingen: 294 - laatst gezien 2026-06-28 22:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens in zoverre het betrekking heeft op de directeur van de proefbank voor vuurwapens zonder in een adequate overgangsbepaling te voorzien; - verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Wapens - munitie - springstoffen - Wapens - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de woorden « de bestuurder van de proefbank » in artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens, alsook van artikel 8 van dezelfde wet, ingesteld door Jean-Luc Stassen. Bestuursrecht - Proefbank voor vuurwapens - Hervorming - Betrekking van directeur - Gebrek aan adequate overgangsbepaling. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-2018 - 19,§2 - 04 ELI link Pub nr 2018040258 Tekst van de beslissing Rolnummer 7020 Arrest nr. 47/2019 van 19 maart 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de woorden « de bestuurder van de proefbank » in artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens, alsook van artikel 8 van dezelfde wet, ingesteld door Jean-Luc Stassen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 oktober 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 oktober 2018, heeft Jean-Luc Stassen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie te Luik, een beroep tot vernietiging ingesteld van de woorden « de bestuurder van de proefbank » in artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens, alsook van artikel 8 van dezelfde wet (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 juli 2018). Bij afzonderlijk verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de schorsing van dezelfde wetsbepalingen. Bij het arrest nr. 183/2018 van 19 december 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 december 2018, heeft het Hof artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens geschorst, in zoverre het betrekking heeft op de directeur van de proefbank voor vuurwapens zonder in een adequate overgangsbepaling te voorzien. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 27 februari 2019 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 14 maart

  1. Op de openbare terechtzitting van 14 maart 2019 : - zijn verschenen : . Mr. E. Lemmens, voor de verzoekende partij; . Mr. V. De Schepper, tevens loco Mr. J.-F. De Bock, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- A.
  2. Bij koninklijk besluit van 10 februari 2004 werd de verzoekende partij benoemd tot directeur van de proefbank voor vuurwapens, een bij de wet van 24 mei 1888 opgerichte autonome instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid. Op 12 september 2017 richt de Bestuurscommissie van de proefbank voor vuurwapens een voorstel tot afzetting van de verzoekende partij aan de minister van Economie, na afloop van een tuchtonderzoek. Op 24 juli 2018 richt de minister van Economie een aangetekend schrijven aan de verzoekende partij waarbij hij haar op de hoogte brengt van de verwerping van het voorstel tot afzetting. Op 8 juli 2018 wordt de wet houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens (hierna : de wet van 8 juli 2018) aangenomen, waarvan artikel 19, § 2, de verzoekende partij van haar functie ontheft vanaf 1 januari
  3. Het betreft de bestreden bepaling. Voor zover als nodig vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van artikel 8 van dezelfde wet, tenzij het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de situatie van de verzoekende partij verandert in die van mandataris vanaf de inwerkingtreding van de wet en voor een periode van zes jaar. A.
  4. Ter ondersteuning van haar belang geeft de verzoekende partij aan dat zij de functie van directeur van de proefbank voor vuurwapens uitoefende als statutair openbaar ambtenaar die sedert 1 februari 2004 door de Koning is benoemd. Bij het bestreden artikel 19, § 2, wordt evenwel van rechtswege een einde gemaakt aan haar functie, waarbij die functie tevens als mandaat wordt aangemerkt. In de bestreden wet wordt niet gepreciseerd welk lot voor haar is weggelegd. De verzoekende partij weet niet of die maatregel moet worden gelijkgesteld met een ontslag van ambtswege, een afzetting, een terbeschikkingstelling of nog een opruststelling met alle morele, financiële, sociale en professionele gevolgen vandien. A.3.
  5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden norm van rechtswege een einde maakt aan haar betrekking, terwijl het per definitie een beslissing betreft die uitsluitend onder de uitvoerende macht ressorteert die bevoegd blijft om de situatie van de andere door de Koning benoemde ambtenaren te regelen. A.3.
  6. De bestreden bepaling zou een onverantwoord verschil in behandeling teweegbrengen tussen, enerzijds, de door de Koning benoemde statutaire ambtenaren, die met name de waarborgen met betrekking tot de toepassing van een tuchtprocedure genieten, en, anderzijds, de verzoekende partij zelf wier betrekking haar wordt ontnomen via het aannemen van een wetskrachtige norm, los van enige procedure, terwijl de wetgever onbevoegd zou zijn om zulks te doen. A.3.
  7. Wat het beginsel van de scheiding der machten betreft, doet de verzoekende partij gelden dat, inzake ambtenarenzaken, het beheer van de personeelsleden van het bestuur van nature onder de uitvoerende macht ressorteert. De beslissingen met betrekking tot de individuele loopbaan van de ambtenaren - vanaf hun aanwerving tot het einde van hun loopbaan - voldoen immers aan alle kenmerken van de uitvoerende akte. Artikel 107 van de Grondwet bepaalt daarenboven dat de Koning de ambtenaren benoemt bij het algemeen bestuur en bij de buitenlandse betrekkingen, hoewel de wet in uitzonderingen kan voorzien. De wetgever is daarentegen uitsluitend bevoegd om normen met een algemene draagwijdte aan te nemen, hetgeen, inzake ambtenarenzaken, met name tot uiting komt in de regels die het statuut van de ambtenaren of de van toepassing zijnde tuchtprocedure vaststellen. Het optreden van een macht binnen de bevoegdheden van een andere macht kan enkel beperkt en specifiek verantwoord zijn. Het mag aldus geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het beginsel van de scheiding der machten dat erin bestaat de definitie van en de verhouding tussen de voornaamste machten van de Staat te overstijgen teneinde de individuele vrijheid te waarborgen. A.3.
  8. Volgens de verzoekende partij eigent de wetgever zich, bij de bestreden akte, een bevoegdheid toe om op te treden in een domein dat nochtans aan de uitvoerende macht is voorbehouden. Het samengaan van de 4 beslissing waarbij de minister van Economie weigert om de verzoekende partij af te zetten na te zijn gehoord en het aannemen van de bestreden bepaling die in werkelijkheid leidt tot een resultaat dat identiek is aan een afzetting, zou bijzonder verhelderend zijn wat betreft de verwarring tussen de wetgevende en de uitvoerende macht. A.3.
  9. De verzoekende partij merkt op dat paragraaf 2 van artikel 19 van de wet van 8 juli 2018 via een amendement is ingevoerd. Zij is van mening dat het bekleden van een mandaatfunctie geen toelaatbaar en objectief criterium van onderscheid ten aanzien van de verzoekende partij kan uitmaken, aangezien het een onjuist gegeven betreft. De verzoekende partij oefent haar functie immers niet uit als mandataris, maar wel wegens een benoeming voor onbeperkte duur als ambtenaar. De ontstentenis van een objectief criterium zou eveneens moeten worden vastgesteld indien de Staat artikel 8 van de bestreden wet in die zin zou interpreteren dat het een einde maakt aan de functies van de verzoekende partij en niet in die zin dat het haar huidige situatie verandert in die van mandataris vanaf de inwerkingtreding van de wet en voor een periode van zes jaar. Hoewel het doel dat erin bestaat de structuur, de verplichtingen en de werking van de proefbank voor vuurwapens te hervormen begrijpelijk is, verantwoordt het geenszins dat een einde wordt gemaakt aan de functies van de verzoekende partij. In de nieuwe organisatie van de proefbank voor vuurwapens verdwijnt de functie van directeur immers niet. A.3.
  10. Wat specifieker de verantwoording betreft die is aangevoerd voor het aannemen van artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018, merkt de verzoekende partij op dat de wetgever zich wel degelijk bewust was van de door de nieuwe wetgeving veroorzaakte toepassingsmoeilijkheden en dat hij heeft geprobeerd zich te beschermen tegen eventuele beroepen, ten nadele van de rechten van de verzoekende partij. Zulks zou geen legitiem doel uitmaken. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het bestreden artikel 8 niet lijkt te zijn geconcipieerd om van toepassing te zijn op de situatie van de huidige directeur. Geen enkele overgangsbepaling werd immers te zijnen aanzien aangenomen. A.3.
  11. Wat de evenredigheid van de maatregel betreft, voert de verzoekende partij aan dat, indien het door de wetgever nagestreefde doel de continuïteit van de instelling en het vermijden van risico’s van betwisting was, het voor hem voldoende was geweest om overgangsmaatregelen aan te nemen die erin voorzien dat de verzoekende partij haar functie van huidige directeur van de proefbank voor vuurwapens behoudt totdat zij die functie niet meer bekleedt. De enige grondwetsconforme interpretatie die het bestreden artikel 8 zou kunnen krijgen, zou die zijn welke inhoudt dat de huidige directeur wordt gehandhaafd in zijn functie, omgezet in een mandaat. A.4.
  12. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partij ontzegt het aannemen van een norm met wetgevende waarde in plaats van een norm met reglementaire waarde haar haar recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel omdat de Raad van State niet bevoegd is om de regelmatigheid van de tegen haar genomen beslissing te toetsen, aangezien die betwisting enkel bij het Hof aanhangig kan worden gemaakt. Er zou bijgevolg een discriminatie bestaan tussen een ambtenaar die van zijn functie is ontheven bij een wet, zoals te dezen, en een ambtenaar die door een bestuurshandeling wordt bestraft. A.4.
  13. Volgens de verzoekende partij zou de bestreden norm in werkelijkheid zijn aangenomen wegens de onmogelijkheid voor de uitvoerende macht om een sanctie uit te spreken waarbij de grondrechten van de verzoekende partij in acht worden genomen. Aldus was met name de redelijke termijn die verlopen is tussen het door de Bestuurscommissie van de proefbank voor vuurwapens gedane voorstel tot afzetting en de beslissing van de minister ruim overschreden, zodat een beslissing tot afzetting, indien zij was genomen, onvermijdelijk door de Raad van State nietig zou zijn verklaard. Te dezen blijft een beroep voor het Hof mogelijk, maar het Hof is niet bevoegd om de inachtneming van de reglementaire en wetskrachtige normen te toetsen en, met betrekking tot het supranationale recht, is zijn bevoegdheid beperkt en indirect. Het rechtsmiddel voor het Hof zou dus niet als daadwerkelijk kunnen worden beschouwd aangezien het de toetsing van een hele reeks waarborgen onmogelijk maakt die de overheden nochtans in acht dienen te nemen wanneer zij sancties tegen een ambtenaar aannemen. A.4.
  14. De verzoekende partij leidt daaruit af dat de bestreden norm een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën van benoemde ambtenaren : enerzijds, die welke de mogelijkheid genieten om 5 door de Raad van State te laten nagaan of de procedurele waarborgen die van toepassing zijn op de tuchtsancties of op de statutaire wijzigingen worden in acht genomen en, anderzijds, de verzoekende partij wier betrekking haar wordt ontzegd zonder mogelijkheid om de wettigheid van een dergelijke beslissing voor het hoge administratieve rechtscollege te laten nagaan. A.5.
  15. De Ministerraad voert aan dat het onontbeerlijk was geworden om in een volledige en grondige herziening van de wet van 24 mei 1888 te voorzien, aangezien die laatste onduidelijk was en verhinderde dat activiteiten van de proefbank zo doeltreffend en transparant mogelijk verliepen. De proefbank heeft aldus de vorm aangenomen van een autonome instelling van openbaar nut van categorie C die bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut is opgericht. De wet van 24 mei 1888 voorzag erin dat de bestuurder van de proefbank wordt benoemd door de Koning uit een door de wapenfabrikanten opgestelde lijst, zonder dat er enige mogelijkheid tot evaluatie, schorsing, afzetting of ontslag van ambtswege bestaat. De bestreden wet bepaalt voortaan dat de proefbank bestaat uit een raad van bestuur en uit een directeur. Het betreft twee onderscheiden en onafhankelijke organen. De nieuwe voorwaarden voor de benoeming van de directeur, die in een koninklijk uitvoeringsbesluit moeten worden bepaald, strekken ertoe de transparantie en de onafhankelijkheid bij de benoeming van die laatste en bij de werking van de proefbank in het algemeen te waarborgen. A.5.
  16. Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, ziet de Ministerraad niet in in welk opzicht de bestreden bepalingen de belangen van de verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen raken, noch in welk opzicht zij een nieuwe kans zou kunnen krijgen om haar situatie gunstiger geregeld te zien. Artikel 19, § 2, van de bestreden wet bepaalt dat de bestuurder zijn mandaat blijft uitoefenen totdat in zijn vervanging is voorzien. Het zou bijgevolg onjuist zijn te beweren dat aan de verzoekende partij haar functie abrupt en zonder alternatief wordt ontzegd. De Ministerraad merkt eveneens op dat de directeur krachtens artikel 7 van de bestreden wet door de Koning wordt benoemd. Niets sluit bijgevolg uit dat die laatste de verzoekende partij opnieuw als directeur kan benoemen. De Ministerraad beklemtoont eveneens dat de verzoekende partij bij de uitwerking van haar middelen niet haar grieven tegen artikel 8 van de bestreden wet uiteenzet. Het verzoekschrift zou bijgevolg onontvankelijk zijn wat die bepaling betreft. A.5.
  17. Wat het eerste middel betreft, doet de Ministerraad opmerken dat het op een verkeerde lezing van de bestreden wet en van de gevolgen ervan berust, aangezien de nieuwe wet bepaalt dat de directeur zijn mandaat zal blijven uitoefenen totdat in zijn vervanging is voorzien, waarbij niets trouwens uitsluit dat hij opnieuw door de Koning kan worden benoemd. Wat de vermeende schending van het beginsel van de scheiding der machten betreft, voert de Ministerraad aan dat de bestreden wet niet een maatregel vormt die onder de uitvoerende macht zou ressorteren om reden dat hij een einde zou maken aan de functies van de verzoekende partij, maar wel een maatregel vormt die onder de wetgevende macht ressorteert omdat hij een wet wijzigt die een openbare dienst regelt. Te dezen delegeert de wetgever de bevoegdheid tot benoeming en tot afzetting aan de Koning, overeenkomstig de algemene bevoegdheid die door de Grondwet aan die laatste is toevertrouwd. Niets zou de wetgever verbieden een openbare dienst in het leven te roepen en de Koning ermee te belasten de werkwijze, alsook de organen en de samenstelling ervan te bepalen. De Ministerraad beklemtoont dat het Hof, bij zijn arrest nr. 130/2010, in herinnering heeft gebracht dat de wetgever over ruime bevoegdheden inzake de oprichting van bestuursorganen beschikte. De proefbank voor vuurwapens is een instelling sui generis die een opdracht van openbare dienst uitoefent en rechtspersoonlijkheid heeft, ten aanzien waarvan de wetgever bevoegd is. Het door de verzoekende partij aangevoerde verschil in behandeling tussen, enerzijds, de door de Koning benoemde statutaire ambtenaren, die de waarborgen met betrekking tot de toepassing van een tuchtprocedure genieten, en, anderzijds, de verzoekende partij zelf, zou niet relevant zijn. Alle ambtenaren die afhangen van een bij de wet opgerichte dienst en die door de Koning worden benoemd, zouden de diensten waarbinnen zij zijn benoemd, immers ooit door de wetgever gereorganiseerd kunnen zien. 6 De Ministerraad voert eveneens aan dat de situaties niet vergelijkbaar zijn, aangezien het, enerzijds, de noodzakelijke hervorming van een overheidsinstelling en, anderzijds, de bestraffing van een Rijksambtenaar die een fout zou hebben begaan, betreft. Bovendien zou de situatie van de verzoekende partij geenszins vergelijkbaar zijn met die van een door de Koning benoemd statutair personeelslid : zij wordt niet bezoldigd door de Staat maar door de proefbank, zij wordt niet aan evaluatie onderworpen volgens het gemeen recht van het openbaar ambt, zij wordt niet onderworpen aan de tuchtregeling van de Rijksambtenaren, noch aan de bij het « statuut-Camu » geregelde loopbaan, zij wordt niet aan het gebruik van de talen in bestuurszaken onderworpen en zij heeft geen van de verplichtingen die statutaire ambtenaren gewoonlijk ten aanzien van hun hiërarchie of hun toezichthoudende overheid hebben. In ondergeschikte orde geeft de Ministerraad aan dat, zelfs indien wordt geoordeeld dat beide categorieën vergelijkbaar zijn, toch zou moeten worden vastgesteld dat het nagestreefde doel legitiem is en dat het onderscheid op een objectief criterium berust. A.5.
  18. Wat het tweede middel betreft, voert de Ministerraad aan dat het op een verkeerde lezing van de bestreden wet berust, aangezien het bestreden artikel 19, § 2, geen einde maakt aan de betrekking van de verzoekende partij. Het zou kennelijk niet juist zijn om de in het bestreden artikel 19, § 2, bedoelde maatregel gelijk te stellen met een sanctie die tegen de verzoekende partij is genomen. De wijziging bij de wet van 8 juli 2018 vereist immers een nieuwe invulling van alle mandaten. In zoverre de verzoekende partij artikel 19, § 2, van de bestreden wet betwist, staat een daadwerkelijk rechtsmiddel voor haar open voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter, namelijk het Hof. Indien een beslissing zou moeten worden genomen met betrekking tot de uitvoering van haar functie of ten aanzien van haar ambtenarenstatuut, zou de verzoekende partij de zaak aanhangig kunnen maken bij het ad-hocrechtscollege, in casu de Raad van State. De Ministerraad betwist de relevantie van de verwijzingen door de verzoekende partij naar de arresten nrs. 16/91 en 20/92 van het Hof, aangezien de omstandigheden en de context van die twee arresten niet vergelijkbaar zouden zijn met de situatie te dezen. Voor zover dienstig doet de Ministerraad nog opmerken dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet wordt geschonden door het bestreden artikel 19, §
  19. De vergelijking tussen een ambtenaar die van zijn functie is ontheven en een ambtenaar die wordt bestraft door een handeling van reglementaire aard, zou niet relevant zijn. Te dezen zou de bestreden wet niet tot gevolg hebben dat de verzoekende partij van haar functie wordt ontheven, aangezien die partij nog steeds directeur van de proefbank is. In ondergeschikte orde, indien wordt geoordeeld dat beide categorieën vergelijkbaar zijn, zou toch moeten worden vastgesteld dat het nagestreefde doel legitiem is en dat het onderscheid op een objectief criterium berust. A.6.
  20. De verzoekende partij antwoordt dat de Ministerraad niet redelijkerwijs kan betwisten dat artikel 19, § 2, van de bestreden wet wel degelijk een einde maakt aan haar betrekking. Indien de wet niet was geschorst bij het arrest van het Hof nr. 183/2018 van 19 december 2018, zou de verzoekende partij vanaf 1 januari 2019 immers geen betrekking meer hebben gehad. Het feit dat de verzoekende partij in functie wordt gehouden tot de benoeming van haar vervanger, zou die vaststelling niet wijzigen. A.6.
  21. Wat de scheiding der machten betreft, betwist de verzoekende partij de bevoegdheid van de wetgever om de organisatie van de proefbank te wijzigen niet, maar klaagt zij het gebrek aan overgangsmaatregelen aan. De aan de Koning verleende delegatie voor de benoeming en de afzetting van de directeur van de proefbank zou aantonen dat de beëindiging van de betrekking van de verzoekende partij net tot de bevoegdheid van de Koning behoort. Het ingestelde beroep strekt geenszins ertoe de bevoegdheid van de wetgever om een nieuwe organisatie van de proefbank in te voeren te bekritiseren. Het gaat erom te betwisten dat zonder meer een einde wordt gemaakt aan de betrekking van de verzoekende partij. Wat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft, zou het tussen de verzoekende partij en de andere ambtenaren gemaakte onderscheid niet kunstmatig zijn : de verzoekende partij zou immers veel strenger 7 worden behandeld dan de andere ambtenaren die overgangsmaatregelen kunnen genieten en ten aanzien van wie enkel de Koning een einde kan maken aan hun statuut. De verzoekende partij voegt eraan toe dat zij, gesteld dat zij zich kandidaat stelt voor het nieuwe mandaat, geen enkele waarborg heeft dat zij opnieuw wordt benoemd bij de directie van de proefbank. De verzoekende partij verwijst naar het arrest nr. 183/2018 van het Hof om de vergelijkbaarheid van de in het geding zijnde categorieën aan te tonen. Zij wil niet de noodzaak van een hervorming van de instelling betwisten maar kan niet aanvaarden dat daarbij in geen enkele overgangsmaatregel wordt voorzien die op haar betrekking heeft. Het gaat dus wel degelijk om een afzetting, die de Koning diende uit te spreken. Het in dienst houden van de verzoekende partij tot de benoeming van een nieuwe directeur vormt geen overgangsmaatregel. A.6.
  22. Wat het tweede middel betreft, antwoordt de verzoekende partij nogmaals dat artikel 19, § 2, van de bestreden wet daadwerkelijk een einde maakt aan haar functie zonder enige overgangsmaatregel, hetgeen kan worden gelijkgesteld met een sanctie. De door het Hof verrichte toetsing stemt echter niet overeen met alle bij artikel 13 van de Grondwet en bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gestelde criteria van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. De verzoekende partij, aan wie de hoedanigheid van Rijksambtenaar is ontzegd, zou bovendien geen enkel beroep bij de Raad van State kunnen instellen. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de arresten nrs. 16/91 en 20/92 van het Hof weliswaar geen identieke feitelijke omstandigheden betreffen, maar dat daarin dezelfde rechtsvragen worden gesteld. Wat de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft, verwijst de verzoekende partij naar het arrest nr. 183/2018, dat aantoont dat haar situatie vergelijkbaar is met die van elke ambtenaar die van zijn functie wordt ontheven en die de van toepassing zijnde procedurele waarborgen en de inachtneming van zijn rechtmatige verwachtingen geniet. De reorganisatie van de instelling vormt geen dwingende reden van algemeen belang die verantwoordt dat afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de verzoekende partij. A.7.
  23. In zijn memorie van wederantwoord voert de Ministerraad aan dat de beschikking van 18 februari 2019 waarbij de voorzitter van het Hof de termijn voor het indienen van die memorie heeft verkort tot zeven dagen, een duidelijke schending van de rechten van de verdediging uitmaakt, rekening houdend met het arrest nr. 183/2018 van 19 december 2018 waarbij het Hof de in het geding zijnde bepaling heeft geschorst. Hij merkt op dat dat schorsingsarrest is gewezen na het indienen van zijn memorie, zodat de memorie van wederantwoord het enige procedurestuk vormt dat hem de mogelijkheid biedt te reageren op het uitgesproken arrest. Het verkorten van de termijn zou eveneens een verbreking van de wapengelijkheid tussen de partijen met zich meebrengen. De griffie van het Hof heeft op 19 februari 2019 immers telefonisch bevestigd dat de verzoekende partij over een termijn van 30 dagen had kunnen beschikken om haar memorie van antwoord in te dienen. De situatie zou des te discriminerender zijn daar het Hof, bij het voormelde arrest, het verzoek van de verzoekende partij gedeeltelijk heeft ingewilligd, hetgeen die laatste in een positie plaatst die duidelijk gunstiger is dan die van de tegenpartij. De Ministerraad brengt in herinnering dat artikel 25 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof in een bindende termijn voorziet. In dat verband heeft de wetgever in herinnering gebracht dat artikel 258 van het Strafwetboek, dat betrekking heeft op de rechtsweigering, van toepassing was. Toch vloeit daaruit niet voort dat dat artikel 25 in werking kan worden gesteld op de wijze die in aanmerking is genomen door de voorzitter van het Hof in de voormelde beschikking van 18 februari
  24. De Ministerraad merkt op dat de wetgever, tijdens de parlementaire voorbereiding met betrekking tot artikel 89bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, had doen opmerken dat de mogelijkheid, voor het Hof, om de termijnen van alle proceduregeschriften te verkorten werd geregeld teneinde het dat Hof mogelijk te maken de in artikel 109 van dezelfde bijzondere wet vastgestelde termijn van zes maanden in acht te nemen. Gelet op de termijnen die daadwerkelijk worden toegepast door het Hof voor de behandeling van de zaken, lijkt het evenwel vast te staan dat artikel 109 geen bindende regel vormt en dat het zelfs achterhaald is. 8 In het verleden is het voorgevallen dat de voorzitter van het Hof termijnen verkort opdat het Hof zijn arrest tijdig kan wijzen. Die verkorting had evenwel betrekking op de memorie van antwoord en op de memorie van wederantwoord of op alle ingediende memories, zodat zij gevolgen had voor alle partijen en niet alleen voor een van hen. A.7.
  25. Wat de eigenlijke zaak betreft, voert de Ministerraad aan dat het Hof zich, bij het arrest nr. 183/2018, niet heeft uitgesproken over de exceptie van onontvankelijkheid van het beroep in zoverre het tegen artikel 8 van de wet van 8 juli 2018 is gericht. Artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt dat de middelen voldoende begrijpelijk moeten worden uiteengezet en voldoende moeten aangeven in welk opzicht de aangevoerde referentienormen zouden zijn geschonden door de bestreden bepalingen. De verzoekende partij zou evenwel niet het bestreden artikel 8 beogen in de uiteenzetting van haar middelen. In dat verband volstaat het niet om de schorsing van een wetsbepaling te vorderen op grond van hetgeen het Hof al dan niet noodzakelijk zou kunnen achten. Er moet eveneens worden uitgelegd in welk opzicht die bepaling de in het middel bedoelde bepalingen zou schenden, hetgeen zij nalaat te doen. A.7.
  26. Wat het middel als dusdanig betreft, rekening houdend met de beschikking van de voorzitter van het Hof van 18 februari 2019, beweert de Ministerraad verplicht te zijn om zijn verdediging te beperken tot het weerleggen van het argument dat de verzoekende partij een statutair personeelslid zou zijn, en om voor het overige naar zijn memorie te verwijzen. Volgens de Ministerraad is de verzoekende partij houder van een mandaat sui generis. Zij is immers niet opgenomen in de structurering van de statutaire personeelsleden zoals die voortvloeit uit het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. Op 10 februari 2004 werd zij door de Koning benoemd tot directeur van de proefbank voor vuurwapens vanaf 1 februari 2004, op basis van een lijst met drie kandidaten die op 14 november 2003 door de wapenfabrikanten en kiezers van de wapenmeesters zijn aangewezen. Zij is niet benoemd in een klasse noch in een graad. Het feit dat haar mandaat gelijkwaardig is aan een rang van directeur bij het hoofdbestuur van het ministerie van Nijverheid en Arbeid, houdt niet in dat de verzoekende partij net zoals de directeur bij het hoofdbestuur van het ministerie van Nijverheid en Arbeid een statutair personeelslid is, maar wel dat haar mandaat gelijkwaardige kenmerken vertoont. De verzoekende partij zou nooit hebben voldaan aan de bij het voormelde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 voorgeschreven voorwaarden om tot Rijksambtenaar te worden benoemd. Vóór haar aanwijzing heeft zij immers steeds in de privésector gewerkt en zij heeft nooit de eed afgelegd bij haar benoeming. Zij werd overigens nooit geëvalueerd. De Ministerraad voegt eraan toe dat de bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 voorgeschreven tuchtstraffen, die in beginsel van toepassing zijn inzake het openbaar ambt, niet van toepassing zijn op het mandaat van directeur van de proefbank voor vuurwapens. De Ministerraad beklemtoont eveneens dat de verzoekende partij wordt betaald door de proefbank voor vuurwapens, die zelf wordt gefinancierd door de private sector en niet door de Staat. Zij is onderworpen aan de sociale zekerheid en geniet een werknemerspensioen. Volgens de rechtspraak van de Raad van State moet worden geoordeeld dat de band die een arbeider met het bestuur verbindt, niet van statutaire aard is wanneer de arbeider tijdens zijn dienstjaren bij het bestuur aan het socialezekerheidsstelsel voor werknemers werd onderworpen, en hij een werknemerspensioen kan genieten. De Ministerraad leidt uit die elementen de ontstentenis van een statutaire band tussen de verzoekende partij en de proefbank voor vuurwapens af. A.7.
  27. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat, mocht het Hof, in het kader van de vernietigingsprocedure, van oordeel blijven dat de verzoekende partij een statutair personeelslid is, een dwingende reden van algemeen belang het vermeende gebrek aan een adequate overgangsmaatregel zou verantwoorden. Hij voert aan dat de in het geding zijnde wet daadwerkelijk gepaard gaat met een overgangsmaatregel, aangezien de verzoekende partij haar mandaat van directeur blijft uitoefenen totdat in haar vervanging is voorzien. Niets sluit in dat verband uit dat zij opnieuw door de Koning kan worden benoemd. Overigens staat niets eraan in de weg dat de Koning de overplaatsing van de verzoekende partij naar een andere functie, een andere dienst of een andere instelling kan regelen. De Ministerraad brengt in herinnering dat de wetgever, naar aanleiding van de parlementaire voorbereiding die aan het aannemen van de wet is voorafgegaan, heeft gepreciseerd dat de continuïteit van de dienst moest 9 worden gewaarborgd en dat alles in het werk diende te worden gesteld om betwistingen van de huidige mandaathouders te voorkomen. De uiteindelijk aangenomen wet gaat verder en houdt een volledige aanpassing van de beheersstructuur van de proefbank voor vuurwapens in, teneinde die evenwichtiger en transparanter te maken. Uit die grondige hervorming vloeit voort dat alle mandaten opnieuw moeten worden ingevuld, teneinde de transparantie en de onafhankelijkheid bij de benoeming van de directeur en bij de werking van de proefbank voor vuurwapens in het algemeen te waarborgen. De Ministerraad is bijgevolg van oordeel dat aan de verzoekende partij haar functie niet abrupt en zonder alternatief werd ontzegd bij de in het geding zijnde wet, aangezien alle thans lopende mandaten bij de inwerkingtreding van de bestreden wet zullen blijven worden uitgeoefend totdat in de vervanging ervan is voorzien. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
  28. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de woorden « de bestuurder van de proefbank » in artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens (hierna : de wet van 8 juli 2018) en, voor zover als nodig, van artikel 8 van dezelfde wet. B.2.
  29. Het bestreden artikel 19, § 2, maakt deel uit van de slotbepalingen, die in hoofdstuk 6 van de wet van 8 juli 2018 zijn vervat. Het bepaalt : « Aan de mandaten van de bestuurder [lees : directeur] van de proefbank, de voorzitter, de ondervoorzitter en de wapenmeesters van de bestuurscommissie die bij de inwerkingtreding van deze wet in functie zijn, wordt van rechtswege een einde gesteld. Zij oefenen hun mandaat verder uit tot er is voorzien in hun vervanging ». B.2.
  30. Artikel 8 van de bestreden wet maakt deel uit van de bepalingen met betrekking tot de directeur van de proefbank, die in hoofdstuk 3 van diezelfde wet zijn vervat : « HOOFDSTUK
  31. - De directeur Art.
  32. De directeur van de proefbank wordt benoemd door de Koning, en kan door Hem worden ontslagen. De Koning bepaalt de procedure van de benoeming, de evaluatie, de schorsing en de beëindiging van het mandaat van de directeur. 10 Art.
  33. De directeur wordt benoemd voor een periode van zes jaar. Het mandaat is hernieuwbaar na een gunstig advies van de Raad van Bestuur. Art.
  34. De directeur staat in voor het dagelijks bestuur van de proefbank en stelt alle handelingen die nodig of dienstig zijn voor de uitvoering van zijn opdrachten, en kan hiertoe verbintenissen afsluiten. De directeur staat onder toezicht van de Raad van Bestuur ». B.2.
  35. Volgens artikel 20 van de wet van 8 juli 2018 treedt zij in werking op 1 januari 2019, tenzij de Koning een eerdere datum van inwerkingtreding bepaalt. B.3.
  36. Bij de wet van 8 juli 2018 wou de wetgever het verouderde karakter dat werd vastgesteld door de wet van 24 mei 1888 « houdende regeling van den toestand der proefbank voor vuurwapens gevestigd te Luik » (hierna : de wet van 24 mei 1888), vervangen door middel van een volledige, grondige herziening van dat regelgevend kader, waarbij de beheersstructuur en de organisatie worden herzien op een manier die de interne werking van de proefbank, de werking ervan ten aanzien van derden en de dienstverlening van de bank ten goede komt (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3111/001, p. 4). De memorie van toelichting vermeldt : « Waar de wet van 1888 voorschrijft dat de bestuursraad van de proefbank bestaat uit een voorzitter en zes wapenmeesters, waarbij de burgemeester van Luik ambtshalve voorzitter is van de bestuursraad, wordt dit in het voorliggende wetsontwerp volledig herzien, gelet op de veranderde context. Daarnaast schrijft de wet van 1888 voor dat de bestuurder van de proefbank wordt benoemd door de Koning, gekozen uit een lijst opgemaakt door wapenfabrikanten. Ook van deze regel wordt afgestapt. In dit wetsontwerp wordt een volledig nieuwe interne structuur van de proefbank voorgesteld. De organen van de proefbank zullen een raad van bestuur en een directeur zijn. De directeur zal geen deel uitmaken van de raad van bestuur. Het gaat dus om twee onderscheiden, onafhankelijke organen. […] De directeur, die zal instaan voor het dagelijks beheer van de proefbank, zal worden benoemd door de Koning. De procedure die aan de benoeming voorafgaat wordt nog door de Koning bepaald. In tegenstelling tot wat het geval is onder de bepalingen van de wet van 1888 wordt de benoeming van de directeur op basis van een door de wapenfabrikanten opgestelde lijst, dus niet weerhouden. Dit alles om de transparantie en onafhankelijkheid van de benoeming van de directeur en van de werking van de proefbank in het algemeen beter te kunnen garanderen » (ibid., pp. 5 en 6). 11 B.3.
  37. De bepalingen betreffende de directeur werden als volgt verantwoord : « De directeur van de proefbank zal, in tegenstelling tot wat nu het geval is, niet meer op voordracht van de zogenoemde wapenmeesters worden benoemd. Wel zal het nog de Koning zijn die de volledige procedure bij uitvoeringsbesluit zal regelen, en zal de directeur door de Koning kunnen worden benoemd en ontslagen, maar het zal op een manier zijn die de onafhankelijkheid vooropstelt. Het mandaat van de directeur van 6 jaar zal slechts kunnen worden hernieuwd wanneer de raad van bestuur een gunstig advies geeft voor deze hernieuwing. […] » (ibid., p. 12). B.3.
  38. Het bestreden artikel 19, § 2, is ingevoerd door middel van het amendement nr. 1, dat als volgt werd verantwoord : « Het wetsontwerp betreffende de proefbank voor vuurwapens bepaalt een nieuwe samenstelling voor de raad van bestuur en, op grond van een uitvoeringsbesluit van artikel 7, zal een nieuwe directeur moeten worden benoemd. Alle mandaten worden dus opnieuw ingevuld. Er moet voor continuïteit worden gezorgd en discussies en betwistingen met de huidige mandaathouders moeten zo veel als mogelijk worden vermeden » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3111/002, p. 2). Dat amendement werd eenparig aangenomen in de bevoegde commissie (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3111/003, p. 11). B.
  39. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de scheiding der machten. De verzoekende partij preciseert dat zij haar functie van directeur van de proefbank niet uitoefent krachtens een mandaat, maar door een benoeming door de Koning op grond van het koninklijk besluit van 10 februari 2004 « houdende benoeming van de Directeur van de Proefbank voor vuurwapens » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2004). Zij voert aan dat het bestreden artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 van rechtswege een einde maakt aan haar betrekking, hetgeen een beslissing zou zijn die uitsluitend onder de bevoegdheid van de uitvoerende macht ressorteert. Aldus zou een verschil in behandeling worden ingevoerd tussen, enerzijds, de door de Koning benoemde statutaire ambtenaren, voor wie het de uitvoerende macht is die beslist om een einde te maken aan hun functies of om hen 12 te bestraffen na afloop van een specifieke procedure met inachtneming van de van toepassing zijnde procedurele waarborgen, en, anderzijds, de verzoekende partij zelf, aan wier functie een einde wordt gemaakt door een wetskrachtige norm, los van enige procedure, terwijl de wetgever onbevoegd zou zijn om zulks te doen. De verzoekende partij voert eveneens aan dat, indien het doel van de wetgever erin bestond de continuïteit van de instelling te waarborgen en risico’s van betwisting te vermijden, overgangsmaatregelen hadden moeten worden aangenomen teneinde erin te voorzien dat zij haar functie van directeur van de proefbank zou behouden totdat zij die functie niet meer bekleedt. B.5.
  40. De verhouding tussen het personeel van een openbare dienst en die dienst is in principe van publiekrechtelijke aard en dat personeel wordt bijgevolg geacht onder de toepassing te vallen van de algemene principes die de rechtspositie van vastbenoemde ambtenaren regelen. Dat zou alleen anders kunnen zijn indien met zekerheid zou vaststaan, door met elkaar overeenstemmende gegevens, dat het door een overeenkomst met die dienst is verbonden (RvSt, 13 juli 1979, nr. 19.754; 24 januari 2001, nr. 92.580; 4 maart 2016, nr. 234.035). B.5.
  41. Te dezen bepaalt artikel 3 van de wet van 24 mei 1888 dat « de bestuurder wordt benoemd door den Koning uit eene lijst van drie candidaten ». Uit het algemeen reglement der te Luik gevestigde wapenproefbank, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 30 juni 1924 « houdende algemeen reglement der te Luik gevestigde wapenproefbank », blijkt dat de directeur van de proefbank rang heeft van directeur bij het hoofdbestuur van het ministerie van Nijverheid en Arbeid, dat hij, na vijftien jaar functie, op voordracht van de minister van Nijverheid, Arbeid en Maatschappelijke Voorzorg, met de directeurs-generaal kan worden gelijkgesteld, dat zijn jaarwedde « gelijk [is] aan het maximum van de wedde van een directeur bij het hoofdbestuur », dat die wedde « in geen geval, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, gewijzigd [mag] worden door een beslissing van de bestuurscommissie » en dat zij « de schommelingen [ondergaat] van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk, overeenkomstig de modaliteiten bepaald bij de wet van 12 april 1960 tot eenmaking van de verschillende stelsels van koppeling aan het indexcijfer der kleinhandelsprijzen ». 13 B.6.
  42. Uit de in B.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een volledige en grondige herziening beoogde van de verouderde wet met betrekking tot de proefbank voor vuurwapens, met name door een herziening van de beheersstructuur en van de organisatie van de instelling. B.6.
  43. Artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 maakt van rechtswege een einde aan het « mandaat » van de directeur, vanaf de inwerkingtreding van die wet, namelijk op 1 januari 2019, of op een eerdere datum die door de Koning moet worden bepaald, maar voorziet erin dat de directeur zijn « mandaat » zal blijven uitoefenen totdat in zijn vervanging is voorzien volgens de bij de artikelen 7 en 8 van de wet voorgeschreven regels. Bij die bepaling wordt de betrekking van de verzoekende partij beëindigd op 1 januari 2019 of op een eerdere datum die door de Koning moet worden bepaald. De verzoekende partij wordt evenwel in de functie van directeur gehandhaafd tot de aanwijzing van de titularis van het mandaat van directeur volgens de in de artikelen 7 en 8 van dezelfde wet vastgestelde regels. B.7.
  44. Elke wetswijziging of het uitvaardigen van een volledig nieuwe regeling zou onmogelijk worden, mocht worden aangenomen dat een nieuwe bepaling in strijd zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt. B.7.
  45. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij, in beginsel, niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de ontstentenis van een overgangsmaatregel leidt tot een verschil in behandeling waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dit beginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.
  46. Te dezen gaat het om een instelling van openbaar nut. De wetgever vermocht derhalve te beslissen een aangelegenheid die hij aan de Koning heeft opgedragen en die Hem 14 niet door de Grondwet is voorbehouden, zelf te regelen, door te voorzien in het vervangen van de tot dan van kracht zijnde regeling inzake de benoeming van de directeur van de proefbank door een systeem met een hernieuwbaar mandaat van zes jaar, volgens de procedure die bij een koninklijk uitvoeringsbesluit moet worden vastgesteld. Daaruit volgt dat het middel niet gegrond is in zoverre het tegen artikel 8 van de wet van 8 juli 2018 is gericht. B.
  47. Het Hof dient evenwel te onderzoeken of de wetgever, door van rechtswege een einde te maken aan de betrekking van de verzoekende partij, rekening houdend met het doel dat hij wou nastreven, niet op onredelijke wijze afbreuk heeft gedaan aan de rechten van de betrokkene, door niet in een overgangsbepaling te voorzien. B.10.
  48. Te dezen wordt het bestreden artikel 19, § 2, enkel verantwoord door de bekommernis om de continuïteit te waarborgen en discussies en betwistingen met de huidige mandaathouders zoveel mogelijk te vermijden. Als statutair ambtenaar dient de verzoekende partij te aanvaarden dat haar ambt of elementen van haar statuut eenzijdig kunnen worden gewijzigd met toepassing van de « wet van de veranderlijkheid ». Zij kan evenwel, in het geval van de wijziging of de afschaffing van haar ambt, verwachten dat adequate overgangsbepalingen worden aangenomen zoals, in voorkomend geval, de overplaatsing naar een andere functie, een andere dienst of een andere instelling, teneinde rekening te houden met het vaste karakter van de betrekking, dat een wezenlijk kenmerk van het statutair ambt is. Door de maatregel die van rechtswege een einde maakt aan de betrekking van de directeur van de proefbank, in werking te laten treden op 1 januari 2019, of op een eerdere datum die door de Koning moet worden bepaald, heeft de wetgever een maatregel genomen die ernstige gevolgen heeft voor de betrokkene, zonder in een adequate overgangsmaatregel te voorzien en zonder dat een dwingende reden van algemeen belang wordt aangevoerd om de ontstentenis ervan te verantwoorden. Bij artikel 19, § 2, tweede lid, van de wet van 8 juli 2018 wordt de verzoekende partij in functie gehouden tot de aanwijzing van haar vervanger. Die bepaling is bestemd om de 15 continuïteit van de openbare dienst te verzekeren, maar vormt voor de verzoekende partij geen adequate overgangsmaatregel, gelet op het vaste karakter van de betrekking, dat een wezenlijk kenmerk is van het statutair ambt. Zij verhelpt de ontstentenis van een adequate overgangsmaatregel dus niet. B.10.
  49. Het bestreden artikel 19, § 2, vertoont bijgevolg een lacune in zoverre daarin een einde wordt gemaakt aan de betrekking van de in functie zijnde directeur van de proefbank voor vuurwapens, zonder te zijnen aanzien in een adequate overgangsmaatregel te voorzien. De invoering van de nieuwe regeling is bijgevolg niet voldoende voorzienbaar en doet afbreuk aan de rechtmatige verwachtingen van de verzoekende partij. B.
  50. Het eerste middel dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van rechtszekerheid en van gewettigd vertrouwen, is gegrond, maar enkel in de in B.10.2 gepreciseerde mate. B.
  51. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partij zou het aannemen van een wetskrachtige norm in plaats van een reglementaire norm tot gevolg hebben dat haar het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel wordt ontzegd, omdat niet de Raad van State maar enkel het Hof bevoegd is om de regelmatigheid van de tegen haar genomen beslissing te toetsen. Aldus zou aan de verzoekende partij een groot aantal procedurele waarborgen worden ontzegd die de overheden in acht dienen te nemen wanneer zij sancties tegen een ambtenaar aanneemt. B.
  52. Gelet op de vernietiging van het bestreden artikel 19, § 2, in de in B.10.2 gepreciseerde mate, heeft de wet niet langer tot gevolg dat een einde wordt gemaakt aan de functie van de directeur van de proefbank voor vuurwapens, zodat het tweede middel, dat verband houdt met de jurisdictionele toetsing van een beslissing van wetgevende aard die per definitie geen gevolgen heeft kunnen hebben, niet moet worden onderzocht. 16 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 19, § 2, van de wet van 8 juli 2018 houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens in zoverre het betrekking heeft op de directeur van de proefbank voor vuurwapens zonder in een adequate overgangsbepaling te voorzien; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 maart
  53. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.