← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.053

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.053 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190404.5 Arrest- Rolnummer: 53/2019 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-04-05 Raadplegingen: 610 - laatst gezien 2026-06-28 22:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof alvorens uitspraak te doen ten gronde, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen :

  1. Dient artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), van de verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, te worden geïnterpreteerd in die zin dat het de lidstaten is toegestaan om, in afwijking van de in artikel 4, lid 4, van die verordening vervatte bepaling en met het oog op het bevorderen van het dierenwelzijn, voorschriften aan te nemen zoals vervat in het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2017 « houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft », voorschriften die voorzien, enerzijds, in een verbod op het onverdoofd slachten van dieren dat ook geldt voor de in het kader van een religieuze rite uitgevoerde slachting en, anderzijds, in een alternatief verdovingsprocedé voor de in het kader van een religieuze rite uitgevoerde slachting, gebaseerd op de omkeerbare verdoving en op het voorschrift dat de verdoving niet de dood van het dier tot gevolg mag hebben ?
  2. Schendt, indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord, artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), van de voormelde verordening, in de in de eerste vraag vermelde interpretatie, artikel 10, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ?
  3. Schendt, indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord, artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), in samenhang gelezen met artikel 4, lid 4, van de voormelde verordening, in de in de eerste vraag vermelde interpretatie, de artikelen 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat voor het doden van dieren volgens speciale methodes die vereist zijn voor religieuze riten slechts is voorzien in een voorwaardelijke uitzondering op de verplichting het dier te verdoven (artikel 4, lid 4, juncto artikel 26, lid 2), terwijl voor het doden van dieren tijdens de jacht, de visserij en tijdens sportieve en culturele evenementen, om de redenen vermeld in de overwegingen van de verordening, is voorzien in bepalingen naar luid waarvan die activiteiten niet onder het toepassingsgebied van de verordening vallen, dan wel niet onder de verplichting het dier te verdoven bij het doden ervan (artikel 1, lid 1, tweede alinea, en lid 3) ? UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Dieren - Dierenwelzijn PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2017 houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft, ingesteld door het Centraal Israëlitisch Consistorie van België en anderen, door de vzw « Unie Moskeeën Antwerpen » en de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen », door Marcel Lehrer en Nochem Jakobovics, door het Executief van de Moslims van België en anderen en door de vzw « Coördinatie Comité van Joodse Organisaties van België. Section belge du Congrès juif mondial et Congrès juif européen » en anderen. Bescherming en welzijn van dieren - Vlaams Gewest - Toegelaten methodes voor het slachten van dieren - Slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst. Tekst van de beslissing Rolnummers 6816, 6818, 6819, 6820 en 6821 Arrest nr. 53/2019 van 4 april 2019 In zake : de beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2017 houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft, ingesteld door het Centraal Israëlitisch Consistorie van België en anderen, door de vzw « Unie Moskeeën Antwerpen » en de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen », door Marcel Lehrer en Nochem Jakobovics, door het Executief van de Moslims van België en anderen en door de vzw « Coördinatie Comité van Joodse Organisaties van België. Section belge du Congrès juif mondial et Congrès juif européen » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 januari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 januari 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2017 houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juli 2017) door het Centraal Israëlitisch Consistorie van België, de Israëlitische Gemeente van Antwerpen Machsike Hadass, de Israëlitische Gemeente van Antwerpen Shomre Hadass, de Portugees-Israëlitische Gemeenschap van Antwerpen Beth Mosche, de « Communauté israélite de Waterloo et du Brabant Sud », de « Communauté israélite de Charleroi », de « Communauté israélite de Liège », de « Communauté israélite d’Arlon », Albert Guigui, Josef Cohen Tarab, Daniel Kalter, Amram Benizri, Jacob Benzennou, Joshua Nejman, Eric Globen, het Forum der Joodse Organisaties, Isaac Weiss, de bvba « Stogel Catering », de bvba « Hodaya », Bluma Friedman, Joel Reitzer, Josef Herczl, Samuel Friedman, Abraham Dellafaille, Jeroen Le Jeune, Marianne Faes, David Vandeputte, Els Segers, David Norero Sánchez, Rosa De Bruyn, Johan Declerck, Maaike Niemeijer, O. Reinier, I. Braeckman, Penina Soudry, Jeannine Béatrice Wisnia en Georges Friedmann, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz, Mr. C. Caillet en Mr. E. Maes, advocaten bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 januari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 januari 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet door de vzw « Unie Moskeeën Antwerpen » en de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Philippe, Mr. I. Akrouh en Mr. M. Clément de Cléty, advocaten bij de balie te Brussel. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 januari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 januari 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet door Marcel Lehrer en Nochem Jakobovics, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. D. Smets, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 januari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 januari 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3, 4 en 5 van hetzelfde decreet door het Executief van de Moslims van België, de Coördinatieraad van de islamitische instellingen van België, de ivzw « Internationale vereniging Diyanet van België », de vzw « Islamitische Federatie van België », de vzw « Rassemblement des Musulmans de Belgique », de vzw « Union des Mosquées de la Province de Liège », de vzw « Unie van Moskeeën en islamitische verenigingen van Limburg », Hasan Batakli, Tahar Chahbi en Semsettin Ugurlu, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets, advocaat bij de balie te Antwerpen. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 januari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 januari 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3, 4 en 5 van hetzelfde decreet door de vzw « Coördinatie Comité van Joodse Organisaties van België. Section belge du Congrès juif mondial et Congrès juif européen », Yohan Benizri, Liliane Seidman en Dinah Korn, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Cloots en Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie te Antwerpen. 3 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6816, 6818, 6819, 6820 en 6821 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - Moishe Friedman (in alle zaken); - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel (in alle zaken); - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. X. Drion, advocaat bij de balie te Luik (in alle zaken); - de bvba « Kosher Poultry », Joel Reitzer, Josef Herczl, Samuel Friedman, Abraham Dellafaille, Jeroen Le Jeune, Marianne Faes, David Vandeputte, Els Segers, David Norero Sánchez, Rosa De Bruyn, Johan Declerck, Maaike Niemeijer, Oscar Rener, I. Braeckman, Jacob David Domb, Elyahu Rabinowitz, Rachel Selenski-Rabinowitz, Rachel Kornfeld, Israel Bas, Gershon Tiefenbrunner, Lipot Mandel, David Kuperberg, Wolf W. Frank, Abraham Mozes Kornfeld, Rachel Kornfeld, Joseph Lieberman, Chaim Lubelski, Abraham Ruben De Wolff, Henri Widawski, Yisrael Weiss, Eduard Rosner, Eliezga Lubelsky, Naphtali Weil, Avrohom Lemberger, Mordehai Ulman, Ruven König, Zoltan Davidovits, Ida Bramdafer, Charles Wilk, Daniel Haas, Shoshanna Haas, Joseph Hus, H. Looten, B. Deleeuw, Jacob Schmelczer, Isaak Friedman, Perel Kohen, Samuel Bamberger, Miriam Zafir, Itzchak Perelman, Daniel Klopmann, Sylvain Sobel, Nachmen Rubinstein, Ascher Ollech, Myriam Goldstein, Joseph Grossman, Salomon Kohn, Jacques König, Isaac Wajsman, Simon Stern, Arie Stern, Salomon Zimmer, Bernard Grossmann, Myriam Bigard, Larry Hirsch, Shmoel Bodner, Abraham Mehler, Pinhas Bernstein, Josef Weisz, Marcel Schächter, Gisèle R. Gutfreund, Marcel Schächter, Baroch Ollech, Yitzhak Spra, Chana Grausz, Ben Zion Goldstein, Nachmen Yehuda Silberman, Chajim Shpitzer, Mozes Haim Sobel, Eliezer Marelus, Moshe Blizinsky, Rivka Najman, Gita Galitzky, Ollech Wolf, Alexander Fogel, Pinches Schmelczer, Samuel Shuman, Israel Rabinowitz, Jacob Hirschler, Abraham Weiss, Sarah Krausz, Jochanan Stern Moshe, Jeschurun Hochhauser, Solomon Schwartz, Mandel Eckstem, E. Lapschuer, Samuel Ollech, Bernard Friedman, Gerald Freilich, Yaakov Gruzman, Malka Mandelovics, Mindel Sobel, Itshak Teller, Raphaël Benizri, Elie Fried, Zachariah Herzog, Oscar Pfefferman, Stephan Pollak, Sander Smull, Alexander Monderer, Samuel Muller, M. Stern, Abraham Bornstein, Regina Sluszny, Moshe Knobloch, Holles Jitzchok, Bella Kwadrat, Jacky Guttman, Malka Nussbaum, Elchanan Klagsbald, David Wolf, Georges Kleinfeld, Elie Dreyfus, Israel Heimann, Sally Elyovics, Szabtai Slavaticki, Gershon Lehrer, Marcus Elias Finkelsztejn, Margaren Glejser-Moskovits, Jacob Perlberger, Anna Landau, Joseph Stern, Alain Gutfreund, Dov Held, Rose Nagiel, Aaron Heskel, Israel Konig, Abraham Sztrykler, Joseph Cohen, Silvain Freylich, Maurice Thursch, Lande Sulamith, Chaim Silberman, Henri Karniol, Willy Maier, Eli Pluczenic, Martin Weisz, Esther Rotstein, Bernardo Rotstein, Aharon Friedman, Salomon Gutwirth, Mihai Epstein, Baruch Ostreicher, Avrohom Grunwald, Eny Mandelovics, Alain Geldzahler, Maurice Perl, Alexander Margulies, Bernard Perl, Isi Morsel, Yosef Monheit, Baruch Ostreicher, Blima Herstik, Dan Sterling, Aron M. Friedman, Yehuda Berger, Sara Gold, Eliezer Sternlicht, Jitta Berger, Daniel Kahn, Chava Rubinstein, Adèle Rubinstein, Sara Rabinowitz, Judith Grunfeld, Shir Silberman, Samuel Ollech, Abraham Berger, 4 Noemi Ollech, Chaim Farber, Israel Lindenbaum, Malka Hershkovitz, Meir Aush, Eliyahu Katz, Simon Gluck, David Moshe, I. Mantel, Eliezer Weill, B. Schreiber, Abraham Nussbaum, Gertrude Wajsman, Maurice Neumann, Esther Hanfling, Rafael Daum, Joel Gluckman, Victor W. Gluckman, Nelly Moskovits, Samuel Gluckman, Yehuda Teler, Porges Meyer, Isidor Kohn, Israel Sobel, M. Glejser, Moische Fenman, Zwi Gross, Salomon Sieradzki, Aaron Tsvi Schreiber, B. Rothschild, Malka Berkovits, Moshe Aharon Binder, Golda Katz, Bathia Kornfeld, Menachem Katz, Moishi Katz en Devora Katz (in de zaken nrs. 6816 en 6821), en het Centraal Israëlitisch Consistorie van België en anderen (in de zaak nr. 6821), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz, Mr. C. Caillet en Mr. E. Maes; - de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Godfroid, advocaat bij de balie te Brussel (in alle zaken). De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 14 november 2018 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 23 januari
  4. Op de openbare terechtzitting van 23 januari 2019 : - zijn verschenen : . Mr. E. Jacubowitz, Mr. C. Caillet en Mr. E. Maes, voor het Centraal Israëlitisch Consistorie van België en anderen (verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 en tussenkomende partijen in de zaak nr. 6821) en voor de bvba « Kosher Poultry » en anderen (tussenkomende partijen in de zaken nrs. 6816 en 6821); . Mr. I. Akrouh en Mr. M. Clément de Cléty, voor de vzw « Unie Moskeeën Antwerpen » en de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen » (verzoekende partijen in de zaak nr. 6818); . Mr. S. Ronse loco Mr. E. Gits, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, voor Marcel Lehrer en Nochem Jakobovics (verzoekende partijen in de zaak nr. 6819); . Mr. J. Roets, voor het Executief van de Moslims van België en anderen (verzoekende partijen in de zaak nr. 6820); . Mr. E. Cloots, voor de vzw « Coördinatie Comité van Joodse Organisaties van België. Section belge du Congrès juif mondial et Congrès juif européen » en anderen (verzoekende partijen in de zaak nr. 6821); . Moishe Friedman, in eigen persoon (tussenkomende partij in alle zaken); . Mr. A. Godfroid, voor de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA) (tussenkomende partij in alle zaken); . Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, voor de Vlaamse Regering (in alle zaken); . Mr. X. Drion, voor de Waalse Regering (in alle zaken); 5 - hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.
  5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zetten uiteen dat de eerste verzoekende partij, het Centraal Israëlitisch Consistorie van België, het officieel vertegenwoordigingsorgaan is van de Israëlitische gemeenschap in België en dat zij meer bepaald tot taak heeft de belangen van de joodse godsdienst te verdedigen, de Israëlitische gemeenschap te vertegenwoordigen bij de publieke overheden en de shohatim (de personen die gemachtigd zijn om dieren overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften te slachten) te erkennen. Zij wijzen erop dat de tweede tot de achtste verzoekende partij in het Waalse en het Vlaamse Gewest erkende officiële vertegenwoordigingsorganen van de Israëlitische gemeenschap zijn, die de shehita (de slachting van dieren overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften) onder hun controle hebben en controle uitoefenen op meerdere slagers, shohatim, pluimveehandelaren en controlerende rabbijnen. De negende tot de vijftiende verzoekende partij zijn rabbijnen, voorzitters en bedienaars van de eredienst van in België erkende joodse gemeenschappen. Zij wijzen erop dat zij ook in hun hoedanigheid van aanhangers van het joodse geloof optreden tegen het bestreden decreet. De zestiende verzoekende partij, het Forum der Joodse Organisaties, is de overkoepelende organisatie van alle joodse verenigingen en organisaties in Vlaanderen. De zeventiende verzoekende partij is een shohet, meer bepaald een persoon die erkend is om slachtingen uit te voeren overeenkomstig de regels van het joodse geloof. De achttiende tot de twintigste verzoekende partij zijn koosjer traiteur of slager. De eenentwintigste tot de drieëndertigste verzoekende partij zijn particulieren die koosjer voedsel nuttigen. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 vorderen de vernietiging van alle bepalingen van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2017 houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft (hierna : het bestreden decreet) en menen dat zij daarbij belang hebben, doordat de Vlaamse decreetgever het hun onmogelijk maakt de joodse religieuze voorschriften na te leven. De achttiende tot de twintigste verzoekende partij hebben naar hun oordeel ook een bijzonder belang, meer bepaald ingegeven door de wens hun respectieve beroepswerkzaamheden te kunnen voortzetten. A.1.
  6. Moishe Friedman, tussenkomende partij, betwist de representativiteit van de verzoekende gemeenschappen in de zaak nr.
  7. Hij betwist tevens het belang van alle verzoekende partijen in die zaak. Hij wijst in dit kader erop dat het merendeel van het koosjer vlees dat verkocht en geconsumeerd wordt in België wordt geïmporteerd vanuit andere landen, voornamelijk Polen, en dat de verzoekende partijen zelf aangeven dat slechts 300 dieren per jaar in België worden geslacht overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Hij meent dat daaruit blijkt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun beroep. A.1.
  8. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn van oordeel dat de omstandigheid dat koosjer vlees in België kan worden geïmporteerd vanuit andere landen, geen afbreuk doet aan hun belang. Zij menen bovendien dat uit de omstandigheid dat Moishe Friedman de religieuze regels anders interpreteert dan de meerderheid van de joodse gemeenschap, niet kan worden afgeleid dat de verzoekende gemeenschappen in de zaak nr. 6816 niet zouden beschikken over een representativiteit. 6 A.
  9. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 vorderen de vernietiging van alle bepalingen van het bestreden decreet. De eerste verzoekende partij, de vzw « Unie Moskeeën Antwerpen », ondersteunt en behartigt de belangen van de moskeeën en islamitische verenigingen. De tweede verzoekende partij, de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen », stelt zich tot doel slachtingen volgens de islamitische religieuze ritus te organiseren. Ze zetten uiteen dat ze beiden verenigingen zonder winstoogmerk zijn die hun doel slechts kunnen nastreven wanneer het hun niet onmogelijk wordt gemaakt hun godsdienst te belijden en de daarmee verband houdende religieuze riten te praktiseren. A.
  10. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6819, Marcel Lehrer en Nochem Jakobovics, vorderen de vernietiging van alle bepalingen van het bestreden decreet en menen dat zij daarbij belang hebben, omdat het bestreden decreet hun de mogelijkheid ontneemt om koosjer vlees te eten en de joodse voedselvoorschriften na te leven. A.
  11. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6820 vorderen de vernietiging van de artikelen 3, 4 en 5 van het bestreden decreet en zetten uiteen dat de eerste twee verzoekende partijen deelorganen zijn van het Representatief Orgaan van de Islamitische Eredienst van België, dat het officiële communicatiekanaal vormt tussen de Belgische moslimgemeenschap en de overheid. Zij menen dat zij belang hebben om in rechte op te komen tegen overheidsmaatregelen die op een onrechtmatige wijze de vrije uitoefening van de islamitische eredienst inperken. Zij menen ook dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt doordat de bestreden bepalingen met zich meebrengen dat de Vlaamse decreetgever zich mengt in de autonomie van de moslimgemeenschap door zelf de regels betreffende de rituele slachtingen vast te stellen die de bedienaars van de eredienst dienen te respecteren. De derde tot de vijfde verzoekende partij zijn nationale religieuze overheden van de islamitische eredienst en inrichters van de islamitische ritus in België. De zesde en de zevende verzoekende partij zijn provinciale religieuze overheden van de islamitische eredienst en inrichters van de islamitische ritus in België. Zij menen dat zij, als religieuze verenigingen, beschikken over een eigen belang om in rechte op te komen tegen de bestreden bepalingen, en dat zij eveneens doen blijken van een collectief belang, vermits zij opkomen voor de bescherming van de religieuze rechten van hun leden. De achtste tot de tiende verzoekende partij zijn natuurlijke personen die zich beroepen op hun hoedanigheid van praktiserende moslims, woonachtig op het grondgebied van het Waalse Gewest (achtste en tiende verzoekende partij) en het Vlaamse Gewest (negende verzoekende partij). Zij menen dat zij doen blijken van een belang om in rechte op te komen tegen de bestreden bepalingen, vermits die bepalingen een religieuze rite strafbaar stellen in het Vlaamse Gewest en vermits die bepalingen het verkrijgen van halal vlees bemoeilijken. Zij menen dat zij, in hun hoedanigheid van voorzitter, vicevoorzitter, bestuurslid of woordvoerder van islamitische religieuze overheden, ook doen blijken van een functioneel belang. A.5.
  12. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 zijn van oordeel dat zij doen blijken van het vereiste belang om een beroep tot vernietiging in te dienen, gericht tegen de artikelen 3, 4 en 5 van het bestreden decreet, omdat die bepalingen het onmogelijk maken om dieren te slachten overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften en omdat zij het de joodse gelovigen ernstig moeilijk maken om koosjer vlees te verkrijgen. Zij zetten uiteen dat de eerste verzoekende partij, de vzw « Coördinatie Comité van Joodse Organisaties van België. Section belge du Congrès juif mondial et Congrès juif européen » (hierna : CCOJB), volgens haar statuten, onder meer tot doel heeft de joodse waarden en de morele en materiële rechten van de joodse gemeenschap en van haar leden te verdedigen en haar ledenorganisaties te vertegenwoordigen ten aanzien van de nationale en internationale autoriteiten, en dat de overige verzoekende partijen joodse gelovigen zijn die hun woonplaats hebben in België, meer bepaald in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (tweede verzoekende partij), het Vlaamse Gewest (derde verzoekende partij) en het Waalse Gewest (vierde verzoekende partij). A.5.
  13. Marcel Lehrer en Nochem Jakobovics, verzoekende partijen in de zaak nr. 6819, betwisten het belang van de eerste verzoekende partij in de zaak nr.
  14. Zij doen gelden dat het CCOJB een politieke vereniging is die niet gemachtigd is om zich uit te spreken over religieuze kwesties. A.5.
  15. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 stellen vast dat Marcel Lehrer en Nochem Jakobovics slechts het belang van het CCOJB betwisten en niet het belang van de overige verzoekende partijen, zodat hun exceptie hoe dan ook niet tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep kan leiden. Zij menen bovendien dat het CCOJB wel degelijk doet blijken van het rechtens vereiste belang, omdat het bestreden decreet de hele joodse 7 gemeenschap, en niet alleen de joden die koosjer wensen te eten, raakt. Zij wijzen erop dat het CCOJB ongeveer 40 joodse organisaties vertegenwoordigt, waaronder ook religieuze gemeenschappen, zowel liberale als orthodoxe. Zij zijn ten slotte van oordeel dat niet alleen de aanhangers van de orthodoxe stroming van een bepaald geloof zich op de vrijheid van godsdienst kunnen beroepen. A.6.
  16. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de beroepen in de zaken nrs. 6816, 6818 en 6819 niet ontvankelijk zijn, in zoverre zij de vernietiging van het gehele decreet beogen. Zij meent dat in de desbetreffende verzoekschriften in geen enkel opzicht wordt uiteengezet welke de bepalingen zijn van het bestreden decreet die de aangevoerde referentienormen zouden schenden. Hetzelfde geldt voor de beroepen in de zaken nrs. 6820 en 6821 wat betreft artikel 5 van het bestreden decreet. A.6.
  17. De Vlaamse Regering stelt vast dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 per middel tal van verdragsbepalingen aanvoeren, maar daarbij nalaten uiteen te zetten in welk opzicht die geschonden zouden zijn. Zij is dan ook van oordeel dat het beroep in die zaak niet ontvankelijk is, in zoverre de schending van verdragsbepalingen zonder enige verdere vorm van duiding wordt aangevoerd. A.6.
  18. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 antwoorden dat uit hun verzoekschrift duidelijk blijkt dat zij het bestreden decreet bestrijden in zoverre daarmee een algemeen verbod op het onverdoofd slachten van dieren wordt ingevoerd. Ze wijzen erop dat de bepalingen van het bestreden decreet een onlosmakelijk geheel vormen. In zoverre de Vlaamse Regering aanvoert dat werd nagelaten om uiteen te zetten in welk opzicht bepaalde verdragsbepalingen zouden zijn geschonden, antwoorden de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 dat de Vlaamse Regering haar exceptie niet verduidelijkt en dat zij aldus niet aangeeft om welke verdragsbepalingen het zou gaan. Ten gronde In de zaak nr. 6816 Wat het eerste middel in de zaak nr. 6816 betreft A.
  19. Het eerste middel in de zaak nr. 6816 is afgeleid uit de schending van de artikelen 19, 21, eerste lid, en 23, derde lid, 5°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2, 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 18 en 27 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, en met de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.8.
  20. In een eerste onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 aan dat het bestreden decreet afbreuk doet aan de vrijheid van godsdienst, omdat het de aanhangers van het joodse geloof onmogelijk wordt gemaakt hun godsdienst te beleven door zich vlees te verschaffen afkomstig van dieren die werden geslacht overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij beklemtonen daarbij dat die voorschriften zich ook verzetten tegen de techniek van de omkeerbare verdoving. A.8.
  21. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn van oordeel dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat door religies voorgeschreven voedselvoorschriften dienen te worden beschouwd als religieuze praktijken die worden beschermd door artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij menen dat het voormelde artikel 9 weliswaar geen absoluut recht is en dat in bepaalde omstandigheden de vrijheid van godsdienst kan worden beperkt, maar stellen vast dat het nastreven van dierenwelzijn geen geldige rechtsgrond vormt voor zulk een beperking, vermits er in artikel 9 geen melding van wordt gemaakt. Zij menen dat het bestreden decreet om die reden artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. Zij zijn van oordeel dat de bescherming van de gezondheid en de openbare orde evenmin kunnen worden aangewend ter verdediging van het bestreden decreet. Uit de omstandigheid dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het arrest Cha’are Shalom ve Tsedek t. Frankrijk van 27 juni 2000, de gezondheid en de openbare orde als wettige doelstellingen heeft omschreven, kan volgens hen niet worden afgeleid dat die doelstellingen ook in de voorliggende zaak kunnen worden aangewend, vermits het in het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ging om een verbod op toegang tot slachthuizen met het oog op het controleren van slachtingen. 8 A.8.
  22. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 menen daarnaast dat het bestreden decreet een onevenredige beperking inhoudt van de vrijheid van godsdienst. Zij zijn van oordeel dat het nastreven van dierenwelzijn weliswaar legitiem is, maar menen dat niet is aangetoond dat het slachten volgens de joodse voorschriften bij dieren meer pijn veroorzaakt dan het slachten na een verdoving. Zij verwijzen daarbij naar standpunten van deskundigen en menen dat uit de studies en adviezen die de Waalse en de Vlaamse Regering aanhalen, blijkt dat daarin geen rekening werd gehouden met de wijze waarop dieren worden geslacht overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij verwijzen ter zake ook naar de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak C-426/16 van 29 mei 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en naar een arrest van het Poolse Grondwettelijk Hof. Zij menen dat de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet aantoont dat de decreetgever geen enkel evenwicht heeft willen zoeken tussen het bevorderen van het dierenwelzijn en het eerbiedigen van de vrijheid van godsdienst van de joodse gemeenschap. Gelet op de draagwijdte van de inmenging in de vrijheid van godsdienst, dient volgens hen wetenschappelijk te worden aangetoond dat een slachting overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften pijnlijker is dan een slachting na het toedienen van verdoving. A.8.
  23. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 menen dat het gegeven dat koosjer vlees kan worden geïmporteerd uit andere landen en het gegeven dat een rituele slachting nog steeds mogelijk is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet kunnen worden aangewend om te argumenteren dat er voldoende alternatieven voorhanden zijn om de religieuze voorschriften te kunnen naleven. Zij zijn van oordeel dat de feiten die ten grondslag lagen aan het arrest Cha’are Shalom ve Tsedek t. Frankrijk van 27 juni 2000 van het Europees Hof voor de Rechten van Mens verschillen van de feitelijke elementen die in de huidige zaak voorliggen. Zij beklemtonen dat het bestreden decreet de vrijheid van godsdienst van de volledige joodse gemeenschap in het Vlaamse Gewest aantast en dus niet enkel de vrijheid van godsdienst van een minoritair deel van die gemeenschap. Zij leiden daaruit af dat het onderzoek naar het voorhanden zijn van alternatieven strikter dient te gebeuren dan is gebeurd in het voormelde arrest van 27 juni
  24. Zij wijzen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het voormelde arrest, niet alleen het bestaan van alternatieven heeft vereist, maar ook het bestaan van voldoende alternatieven. Zij menen dat niet kan worden gewaarborgd dat de joodse gemeenschap zich voldoende vlees kan verschaffen dat afkomstig is van dieren geslacht overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften, omdat sommige Europese landen zelf een verbod op het onverdoofd slachten hebben ingevoerd, omdat andere landen de uitvoer van vlees dat afkomstig is van ritueel geslachte dieren, verbiedt, en omdat het niet is uit te sluiten dat ook andere landen een verbod op het onverdoofd slachten van dieren invoeren. Zij wijzen erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State daaruit heeft afgeleid dat het verbod op het onverdoofd slachten een onevenredige beperking van de vrijheid van godsdienst met zich meebrengt. A.8.
  25. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 menen dat het bestreden decreet eveneens onevenredig is, gelet op het geringe aantal dieren dat overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften in België wordt geslacht. Zij beweren dat het vlees afkomstig van runderen geslacht overeenkomstig die voorschriften slechts 0,1 % bedraagt van de totale hoeveelheid in België geproduceerd vlees en dat het aantal gevallen waarin het verdoven van dieren faalt een hoger percentage bereikt. A.8.
  26. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 menen dat noch artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, noch de verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (hierna : verordening (EG) nr. 1099/2009) kunnen worden aangewend ter verantwoording van de door het bestreden decreet veroorzaakte aantasting van de vrijheid van godsdienst. Zij wijzen erop dat artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet alleen erin voorziet dat het welzijn van dieren bij het bepalen en het uitvoeren van het beleid in bepaalde materies dient te worden nagestreefd, maar ook dat religieuze rites dienen te worden geëerbiedigd. Zij menen dat de artikelen 4 en 26 van de verordening (EG) nr. 1099/2009 niet in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat het de lidstaten is toegestaan de vrijheid van godsdienst, zoals gewaarborgd bij artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, te schenden. A.8.
  27. In het eerste onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 nog aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met artikel 23, derde lid, 5°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 27 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, omdat het afbreuk doet aan het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing. Zij zijn van oordeel dat dit recht onder meer betrekking 9 heeft op het belijden van zijn godsdienst, het praktiseren van de rites en ceremonies die daaraan zijn verbonden en het eten van voedsel dat in overeenstemming is met de religieuze voorschriften. Zij zijn bovendien van oordeel dat het bestreden decreet, zonder dat daarvoor een reden van algemeen belang voorhanden is, een aanzienlijke achteruitgang veroorzaakt in de bescherming van dat recht, zodat de uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeiende standstill-verplichting wordt geschonden. A.9.
  28. In een tweede onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 aan dat het bestreden decreet afbreuk doet aan de vrijheid van godsdienst, omdat het de aanhangers van het joodse geloof onmogelijk wordt gemaakt om dieren te slachten overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. A.9.
  29. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 vormt de shehita, namelijk de slachting van dieren overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften, op zich een religieuze rite die wordt beschermd door de vrijheid van godsdienst. Zij menen dat dit onder meer volgt uit het arrest Cha’are Shalom ve Tsedek t. Frankrijk van 27 juni 2000 van het Europees Hof voor de Rechten van Mens. Zij verwijzen in dit kader ook naar een advies van de Nederlandse Raad van State en naar een arrest van het Duitse Grondwettelijk Hof. Zij menen dat de omstandigheid dat vlees afkomstig van dieren geslacht overeenkomstig de religieuze voorschriften kan worden ingevoerd vanuit het buitenland, niet in overweging kan worden genomen in het kader van de beperking van de vrijheid van godsdienst die erin bestaat dat de shehita niet kan worden uitgevoerd. A.10.
  30. In een derde onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 aan dat het bestreden decreet afbreuk doet aan het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat, zoals onder meer gewaarborgd bij artikel 21, eerste lid, van de Grondwet, doordat de decreetgever zich bemoeit met de inhoud en de strekking van religieuze overtuigingen. A.10.
  31. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn van oordeel dat de Vlaamse decreetgever zich met het bestreden decreet wel degelijk heeft uitgesproken over de legitimiteit van de religieuze opvattingen en praktijken en verwijzen daarbij naar verschillende passages uit de parlementaire voorbereiding van dat decreet. Zij menen dat dit eveneens blijkt uit het feit dat het bestreden decreet erin voorziet dat indien het doden van dieren het voorwerp uitmaakt van bijzondere slachtmethodes, voorgeschreven door de ritus van een eredienst, het bedwelmingsprocedé omkeerbaar moet zijn en het niet de dood van het dier tot gevolg mag hebben. Zij zijn van oordeel dat daaruit blijkt dat de decreetgever als uitgangspunt heeft genomen dat elke religieuze slachtmethode noodzakelijkerwijze compatibel is met een omkeerbaar bedwelmingsprocedé dat niet de dood van het dier veroorzaakt. A.10.
  32. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leiden de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 af dat het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat en de vrijheid van godsdienst met zich meebrengen dat de Staat dient te waken over het eerbiedigen van het pluralisme dat noodzakelijk is in een democratische samenleving. Uit de parlementaire voorbereiding leiden zij evenwel af dat de decreetgever zich heeft gebaseerd op het oordeel van de meerderheid van de inwoners van het Vlaamse Gewest, om het bestreden decreet aan te nemen. Zij zijn eveneens van oordeel dat het bestreden decreet niet kan worden voorgesteld als een neutrale maatregel, alleen al omdat dat decreet precies een onderscheid maakt tussen rituele slachtingen en andere slachtingen. A.
  33. De Vlaamse Regering en de Waalse Regering zijn van oordeel dat het middel niet gegrond is en beargumenteren hun standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede en het derde middel in de zaak nr.
  34. A.
  35. De Waalse Regering voegt eraan toe dat de verzoekende partijen op geen enkele wijze aantonen dat het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing in het gedrang zou worden gebracht door het bestreden decreet en dat een eventuele inmenging in dat recht in ieder geval wordt verantwoord door de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen. Zij voegt eveneens eraan toe dat de Universele Verklaring van de rechten van de mens geen juridisch bindend instrument is en geen directe werking heeft. Wat het tweede middel in de zaak nr. 6816 betreft A.
  36. Het tweede middel in de zaak nr. 6816 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 26, 28 tot 37 en 56 tot 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 10 A.14.
  37. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn van oordeel dat het bestreden decreet het de shohatim (de joodse religieuze slachters), die na een opleiding van meerdere jaren erkend dienen te worden om hun beroep uit te oefenen, onmogelijk maakt hun beroep nog langer uit te oefenen in het Vlaamse Gewest. Zij menen dat hun recht op arbeid en op vrije keuze van beroepsarbeid, zoals gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, aldus in het gedrang komt. Zij wijzen erop dat het Duitse Grondwettelijk Hof reeds in die zin heeft geoordeeld. A.14.
  38. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn van oordeel dat het bestreden decreet eveneens de mededinging verstoort tussen slachthuizen gevestigd in het Vlaamse Gewest en slachthuizen gevestigd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een andere lidstaat van de Europese Unie. Zij menen dat het bestreden decreet tot gevolg heeft dat de slachtingen die voorheen zonder voorafgaande verdoving werden uitgevoerd in slachthuizen gevestigd in het Vlaamse Gewest, na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen zullen worden uitgevoerd in andere slachthuizen, wat een negatieve economische invloed heeft op de in het Vlaamse Gewest gevestigde slachthuizen, en meer bepaald in die sectoren die voornamelijk zijn gericht op de export van vlees. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn van oordeel dat het bestreden decreet aldus de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, vermits de in België gevestigde slachthuizen zich alle in dezelfde economische situatie bevinden, maar niettemin verschillend worden behandeld, naar gelang van het Gewest waarin ze zijn gevestigd. Zij menen dat die grondwetsartikelen eveneens worden geschonden doordat vlees afkomstig van dieren die zonder voorafgaande verdoving werden geslacht in slachthuizen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie nog steeds kan worden ingevoerd in het Vlaamse Gewest, terwijl de slachthuizen gevestigd in het Vlaamse Gewest geen vlees kunnen produceren door middel van slachtingen uitgevoerd overeenkomstig de religieuze voorschriften. Zij menen ten slotte ook dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van het vrije verkeer van goederen en van het vrije verkeer van diensten, doordat het de in het Vlaamse Gewest gevestigde slachthuizen onmogelijk wordt gemaakt om koosjer vlees (goederen) te verkopen en rituele slachtingen (diensten) uit te voeren. A.15.
  39. De Vlaamse Regering is van oordeel dat artikel 23 van de Grondwet niet preciseert wat het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid impliceert en dat de wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen rekening houdend met de overeenkomstige plichten. Zij meent dat de wetgever daarbij beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid, dat hij beperkingen kan stellen aan die rechten en dat zulke beperkingen slechts ongrondwettig zijn indien ze voortvloeien uit een kennelijk onredelijk oordeel. De Vlaamse Regering is in hoofdorde van oordeel dat het algemeen verbod op het onverdoofd slachten van dieren geen beperking met zich meebrengt van het recht op arbeid voor de slagers die hun activiteiten volgens religieuze riten uitoefenen. In zoverre er toch sprake zou zijn van een beperking, vloeit die beperking volgens haar niet voort uit een kennelijk onredelijk oordeel, omdat het algemeen verbod redelijk wordt verantwoord door de doelstelling elk vermijdbaar lijden bij het slachten van dieren te voorkomen. Het bestreden decreet verhindert bovendien de slagers niet om hun beroep verder uit te oefenen, zij het mits naleving van het voorschrift betreffende het verdoofd slachten van dieren. Zij wijst ten slotte erop dat niets de betrokken slagers belet om andere slachtactiviteiten te ontwikkelen. A.15.
  40. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de Vlaamse slagers en slachthuizen worden benadeeld ten opzichte van de slagers en de slachthuizen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, doet de Vlaamse Regering gelden dat dit verschil in behandeling het gevolg is van de bevoegdheidverdelende regels en dat er aldus geen sprake kan zijn van een discriminatie. A.15.
  41. Wat het aangevoerde concurrentiële nadeel ten opzichte van andere Europese landen betreft, meent de Vlaamse Regering dat het verzoekschrift niet duidelijk aangeeft welke norm van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie precies zou zijn geschonden. Zij meent dan ook dat het middel op dat vlak onontvankelijk is. In ondergeschikte orde meent zij dat het middel op dat punt niet gegrond is, omdat de aangevoerde belemmering van de concurrentie in elk geval een wettig doel nastreeft, namelijk de bescherming van het dierenwelzijn. Zij meent dat het feit dat sommige andere Europese landen minder strikte regels toepassen niet met zich meebrengt dat het algemeen verbod op het onverdoofd slachten van dieren onevenredig en onverenigbaar wordt met het recht van de Europese Unie en dat het bestreden decreet de goede werking van de interne markt niet verstoort. 11 A.
  42. De Waalse Regering verwijst naar het arrest nr. 134/2016 van 20 oktober 2016 van het Hof, waarmee het Hof heeft geoordeeld dat het principiële verbod op het houden van dieren voor de productie van pelzen artikel 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, niet schendt, omdat de betrokken bepalingen geen criterium gebruiken dat gebaseerd is op de nationaliteit of de Staat van herkomst en het doel van dierenwelzijn nastreven dat specifiek wordt vermeld in artikel 13 van dat Verdrag. Zij leidt uit dat arrest af dat de bescherming van het dierenwelzijn een legitiem doel van algemeen belang is. Zij leidt er eveneens uit af dat het bepaalde in de artikelen 34 en 35 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geen beletsel vormt voor verboden of beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van dieren, op voorwaarde dat die verboden of beperkingen geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen, en dat het, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, mogelijk is beperkingen op het vrije verkeer van goederen te rechtvaardigen door dwingende vereisten zoals de bescherming van het milieu. Zij meent bovendien dat niets erop wijst dat de religieuze slachters belemmerd worden hun beroep uit te oefenen en dat de slachthuizen niet meer in de mogelijkheid zullen zijn om dieren te slachten overeenkomstig religieuze riten. A.
  43. De verzoekende partijen antwoorden dat de verplichting om dieren voorafgaandelijk te verdoven niet verenigbaar is met de joodse religieuze voorschriften, zodat niet kan worden betwist dat het bestreden decreet de shohatim verhindert hun beroep uit te oefenen. Zij erkennen dat de bevoegdheidverdelende regels ertoe kunnen leiden dat er verschillende regelingen bestaan in de verschillende gewesten, maar zijn van oordeel dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te dezen dienen te worden gelezen in samenhang met het vrije verkeer van goederen en diensten, zoals onder meer gewaarborgd bij de artikelen 26, 28 tot 37 en 56 tot 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Ze wijzen in dit kader erop dat in de overwegingen bij de verordening (EG) nr. 1099/2009 werd beklemtoond dat de lidstaten slechts maatregelen kunnen nemen die voorzien in een ruimere bescherming van dieren, in zoverre de goede werking van de interne markt er niet door wordt verstoord. Zij doen ten slotte gelden dat een belemmering van de concurrentie niet alleen een wettig doel moet nastreven, maar eveneens evenredig moet zijn ten aanzien van dat doel. Zij menen dat, gelet op de verregaande inmenging in de vrijheid van godsdienst, er te dezen geen sprake is van een evenredige maatregel. Wat het derde middel in de zaak nr. 6816 betreft A.
  44. Het derde middel in de zaak nr. 6816 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 19, 21, eerste lid, en 23, derde lid, 5°, van de Grondwet, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2, 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 18 en 27 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en met de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.19.
  45. In een eerste onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 aan dat het bestreden decreet, zonder redelijke verantwoording, de aanhangers van de joodse godsdienst, enerzijds, en de personen die niet onderworpen zijn aan specifieke door een godsdienst ingegeven voedselvoorschriften, anderzijds, gelijk behandelen. A.19.
  46. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn van oordeel dat het verbod op het onverdoofd slachten van dieren geen pertinente maatregel is ten aanzien van het doel het dierenwelzijn te bevorderen, omdat het niet is bewezen dat een slachting met voorafgaande verdoving minder pijnlijk zou zijn voor het dier dan een slachting uitgevoerd overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij verwijzen daarbij naar standpunten van meerdere deskundigen. Zij doen daarbij ook gelden dat uit de statistieken blijkt dat in een groot aantal gevallen de voorafgaande verdoving van het dier mislukt, zodat in die gevallen de slachting met voorafgaande verdoving in ieder geval pijnlijker is voor het dier dan een slachting uitgevoerd overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij zijn bovendien van oordeel dat het gebruik van bepaalde bedwelmingsmethoden op zich een bron van pijn voor het dier kan zijn. Zij wijzen erop dat een slachting overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften dient te voldoen aan verschillende vereisten, onder meer op het vlak van de scherpte van het mes en op het vlak van de handeling 12 zelf. Zij wijzen eveneens erop dat de shohatim, in tegenstelling tot de niet-religieuze slachters, een jarenlange opleiding hebben genoten en worden gecontroleerd door de religieuze autoriteiten van de joodse gemeenschap. A.19.
  47. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn eveneens van oordeel dat het niet is bewezen dat de omkeerbare verdoving die bij een rituele slachting dient te worden gebruikt, zou leiden tot minder pijn bij het dier dan de slachting overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij wijzen bovendien erop dat het bestreden decreet niet verbiedt om na het toedienen van de verdoving de gevolgen van de verdoving te laten vervagen waardoor het dier ontwaakt vóór de slachting ervan. In zulk een geval brengt de bedwelmingsmethode volgens hen uitsluitend meer pijn voor het dier met zich mee. Zij menen dan ook dat de uitzondering waarin het bestreden decreet voorziet om tegemoet te komen aan de religieuze gemeenschappen niet pertinent is ten aanzien van het nagestreefde doel van dierenwelzijn. A.20.
  48. In een tweede onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 aan dat het bestreden decreet, zonder redelijke verantwoording, de aanhangers van de joodse godsdienst, enerzijds, en de aanhangers van de islamitische godsdienst, anderzijds, gelijk behandelt. A.20.
  49. Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet leiden de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 af dat de decreetgever ervan is uitgegaan dat de islamitische godsdienst zich in beginsel niet verzet tegen de voorafgaande verdoving van dieren bij de slachting ervan met het oog op de productie van halal vlees. Zij zijn van oordeel dat de decreetgever zich er wel degelijk van bewust was dat de joodse godsdienst op dat punt verschilt van de islamitische godsdienst. Zij menen dan ook dat het bestreden decreet zonder redelijke verantwoording de aanhangers van de joodse godsdienst op dezelfde wijze behandelt als de aanhangers van de islamitische godsdienst. A.21.
  50. In een derde onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 aan dat het bestreden decreet, zonder redelijke verantwoording, de aanhangers van de joodse godsdienst, enerzijds, en de jagers, anderzijds, verschillend behandelt. A.21.
  51. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zetten uiteen dat artikel 3 van het bestreden decreet voorziet in een uitzondering voor de jacht en de visvangst op de verplichting om een voorafgaande verdoving toe te passen bij de slachting van dieren. Zij menen dat, vermits het te dezen in beide gevallen gaat om het doden van dieren met het oog op het verkrijgen van voedsel, de jagers en de vissers zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de aanhangers van het joodse geloof. Het verschil in behandeling dat het bestreden decreet in het leven roept tussen de aanhangers van het joodse geloof, enerzijds, en de jagers en de vissers, anderzijds, is volgens hen niet redelijk verantwoord ten aanzien van het nagestreefde doel van dierenwelzijn. Zij wijzen erop dat de Vlaamse decreetgever geen enkele poging heeft ondernomen om een redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling te bieden. Zij stellen vast dat de decreetgever niet aantoont dat de dood van dieren bij de jacht en de visvangst pijnloos zou zijn. Zij zien niet in waarom het doden bij de jacht of de visvangst volgens de minst pijnlijke methode mag gebeuren, terwijl een dergelijke mogelijkheid niet wordt toegekend aan de aanhangers van het joodse geloof. Nochtans beogen de regels van de shehita net dat dieren zo min mogelijk zouden lijden bij hun dood. A.22.
  52. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel is de Vlaamse Regering van oordeel dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat de aanhangers van het joodse geloof zich, ten aanzien van een maatregel die beoogt het dierenwelzijn te bevorderen, in een andere situatie bevinden dan personen die niet zijn onderworpen aan specifieke voedselvoorschriften. Zij meent dan ook dat er geen sprake kan zijn van een discriminatie. In ondergeschikte orde, doet de Vlaamse Regering gelden dat het feit dat het bestreden decreet geen onderscheid maakt tussen de aanhangers van het joodse geloof en personen die niet zijn onderworpen aan specifieke voedselvoorschriften, redelijk is verantwoord, omdat talrijke wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat het slachten van dieren zonder voorafgaande bedwelming een ernstige aantasting van het dierenwelzijn teweegbrengt. Zij wijst erop dat 52,4 % van het vlees dat afkomstig is van dieren die worden geslacht volgens de joodse voorschriften niet als koosjer vlees wordt verkocht, omdat in die gevallen niet aan een bepaalde religieuze norm voldaan zou zijn. Zij is bovendien van oordeel dat er een redelijke band van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel en doet in dit kader gelden dat het onverdoofd slachten onverenigbaar is met het streefdoel om elk vermijdbaar dierenleed te bannen en dat het bestreden decreet voorziet in een overgangsperiode. Zij verwijst naar cijfers van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), waaruit zij afleidt dat het aantal dieren dat in België zonder verdoving wordt geslacht groot is. Zij voegt nog eraan toe dat uit sociologisch onderzoek blijkt dat negen op de tien Belgen tegen het onverdoofd slachten zijn en leidt eruit af dat er een groot maatschappelijk draagvlak 13 bestaat voor het bestreden decreet. Ze wijst erop dat er in verschillende Europese landen een algemeen verbod op onverdoofd slachten bestaat, dat in andere landen de methode van de « post-cut stunning » (verdoving van het dier op het moment van of onmiddellijk na de keelsnede) verplicht is en dat Nieuw-Zeeland, waar eveneens een verbod op slachten zonder voorafgaande verdoving bestaat, grote hoeveelheden halal vlees op de internationale markt verhandelt. A.22.
  53. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel is de Vlaamse Regering van oordeel dat de aanhangers van het joodse geloof en de aanhangers van de islamitische godsdienst zich ten aanzien van de bestreden maatregel niet in een verschillende situatie bevinden, vermits beide geloofsgemeenschappen gelovigen hebben die vlees wensen te eten van dieren geslacht volgens rituele methoden. In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat de gelijke behandeling van beide categorieën van gelovigen redelijk is verantwoord, en dit om dezelfde redenen als die welke zijn aangehaald naar aanleiding van het weerleggen van het eerste onderdeel van het middel. A.22.
  54. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het derde onderdeel van het middel evenmin gegrond is en beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als bij het vierde middel in de zaak nr.
  55. A.
  56. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 betwisten het door de Vlaamse Regering aangehaalde cijfermateriaal en de wetenschappelijkheid van het sociologisch onderzoek waar zij naar verwijst. A.24.
  57. Wat het eerste onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 6816 betreft, doet de Waalse Regering allereerst gelden dat het niet toekomt aan het Hof, maar aan de bevoegde wetgever, de opportuniteit of de wenselijkheid van een wettelijke bepaling te beoordelen. Zij meent vervolgens dat geen enkele methode die wordt toegepast bij het slachten van dieren onfeilbaar is, en dat niet alleen bij het verdoofd slachten, maar ook bij religieuze slachtingen de toepassing van de methode die is ingegeven om de pijn bij het dier zoveel mogelijk te voorkomen, kan falen. Zij beklemtoont dat niet alleen de personen die de shehita uitvoeren een vorming hebben genoten, maar alle personen die in een slachthuis werken en dat uit geen enkel objectief element kan worden afgeleid dat de personen die de shehita uitvoeren beter zouden zijn gevormd dan andere personen die slachtingen uitvoeren in een slachthuis. Zij verwijst daarbij naar artikel 3 van het bestreden decreet. Zij herhaalt dat de wetenschappelijke studies die proberen aan te tonen dat verdoving niet leidt tot een vermindering van pijn bij het dier, behoren tot een minderheidsstrekking binnen de wetenschappelijke wereld en dat de decreetgever zich op dat vlak heeft aangesloten bij de meerderheidsstrekking. Zij verwijst daarbij onder meer naar een advies van de « Conseil wallon du bien-être des animaux », waarin wordt gesteld dat het slachten van dieren zonder voorafgaande verdoving onacceptabel is, en naar een rapport van de « European Food Safety Authority ». A.24.
  58. De Waalse Regering is dan ook van oordeel dat de bestreden bepalingen adequaat zijn om het nagestreefde doel van dierenwelzijn te bereiken en dat het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling redelijk is verantwoord. A.24.
  59. Wat het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 6816 betreft, is de Waalse Regering van oordeel dat uit het verzoekschrift in de zaken nrs. 6820 en 6821 blijkt dat ook de moslimgemeenschap van oordeel is dat het bestreden decreet afbreuk doet aan de voorschriften van hun religie. Zij meent dat daaruit volgt dat de aangevoerde discriminatie van de joodse gemeenschap niet is aangetoond. A.24.
  60. Wat het derde onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 6816 betreft, beargumenteert de Waalse Regering haar standpunt op dezelfde wijze als bij het vierde middel in de zaak nr.
  61. 14 Wat het vierde middel in de zaak nr. 6816 betreft A.
  62. Het vierde middel in de zaak nr. 6816 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009 en met de artikelen 10, 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat het bestreden decreet niet voorafgaandelijk ter kennis werd gebracht van de Europese Commissie. A.26.
  63. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 leiden uit artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009 af dat de lidstaten nationale maatregelen kunnen nemen die strekken tot een bescherming van dieren die uitgebreider is dan die welke is vervat in de verordening, op voorwaarde dat die maatregelen voorafgaandelijk ter kennis worden gebracht van de Europese Commissie. Vermits het bestreden decreet pas ter kennis werd gebracht van de Europese Commissie op 29 november 2017, menen zij dat dit decreet artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009 schendt. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leiden zij af dat wanneer een Europese bepaling voorziet in een kennisgevingsplicht, die kennisgeving zo vlug als mogelijk dient te gebeuren, ook al wordt er geen termijn voor de kennisgeving bepaald. Zij menen eveneens dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden, omdat de personen die onderworpen zijn aan het bestreden decreet verstoken blijven van een recht dat is verbonden aan de verplichting om het decreet ter kennis te brengen van de Europese Commissie, terwijl andere personen die onderworpen zijn aan andere regelgeving die ter kennis dient te worden gebracht van de Europese Commissie, niet verstoken zijn van dat recht. A.26.
  64. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 zijn ook van oordeel dat het bestreden decreet in strijd is met de artikelen 10, 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
  65. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel niet gegrond is, vermits artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009 niet over een notificatie gaat maar een loutere kennisgeving vereist. Het bestreden decreet is overeenkomstig het voormelde artikel 26, lid 2, ter kennis gebracht van de Europese Commissie op 29 november
  66. A.
  67. De Waalse Regering is van oordeel dat het middel niet is gericht tegen de inhoud van het bestreden decreet en uitsluitend een formaliteit betreft die krachtens artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009 diende te worden vervuld. Zij meent dat het niet toekomt aan het Hof om de naleving van die formaliteit te controleren. A.29.
  68. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 stellen vast dat andere verzoekende partijen het Hof verzoeken om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij wijzen in dit kader erop dat de bestreden bepalingen in werking treden op 1 januari
  69. Ofschoon de verzoekende partijen in de zaak nr. 6816 in hoofdorde van oordeel zijn dat het niet nodig is om prejudiciële vragen te stellen, zijn zij in ondergeschikte orde van oordeel dat, indien zulke vragen toch zouden worden gesteld, de toepassing zou moeten worden gevraagd van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, dat voorziet in een versnelde procedure. A.29.
  70. De Vlaamse Regering meent dat geen prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. In zoverre het Hof niettemin van oordeel zou zijn dat zulke vragen wel degelijk dienen te worden gesteld, meent zij dat het niet nodig is die vragen te laten behandelen overeenkomstig de versnelde procedure. A.29.
  71. De Waalse Regering sluit zich aan bij de argumentatie van de Vlaamse Regering. In zoverre het Hof toch zou besluiten tot het stellen van zulke vragen, verzoekt zij het Hof in de te stellen vragen melding te maken van het feit dat het bestreden decreet voorziet in de toepassing van de techniek van de omkeerbare verdoving voor de slachtingen die worden uitgevoerd overeenkomstig religieuze voorschriften. 15 In de zaak nr. 6818 Wat het eerste middel in de zaak nr. 6818 betreft A.
  72. Het eerste middel in de zaak nr. 6818 is afgeleid uit de schending van de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat. A.31.
  73. In een eerste onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de vrijheid van godsdienst, zoals gewaarborgd bij de in het middel vermelde grondwets- en verdragsbepalingen, doordat het de uitvoering van een religieuze rite onmogelijk maakt en doordat het de aanhangers van het islamitische geloof verhindert zich vlees te verschaffen, evenals vlees te verkopen, dat in overeenstemming is met de voorschriften van hun geloof. A.31.
  74. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leiden de verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 af dat rituele slachtingen dienen te worden beschouwd als vallend onder het toepassingsgebied van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit adviezen van de Nederlandse en de Belgische Raad van State leiden zij af dat bij het zoeken naar een evenwicht tussen het welzijn van dieren, enerzijds, en de vrijheid van godsdienst, anderzijds, een hoger belang dient te worden toegekend aan de vrijheid van godsdienst, omdat die vrijheid een grondrecht is, dat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bovendien wordt beschouwd als een van de pijlers waarop een democratische samenleving steunt. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 menen dat uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet blijkt dat de decreetgever niet heeft gezocht naar een evenwicht tussen het dierenwelzijn en de vrijheid van godsdienst. Uit die voorbereiding leiden zij af dat de decreetgever als uitgangspunt heeft gehanteerd dat de voorafgaande verdoving van dieren bij de slachting ervan geen afbreuk doet aan de vrijheid van godsdienst. Zij zijn van oordeel dat slechts in subsidiaire orde de hypothese aan bod is gekomen dat er wel degelijk sprake is van een inmenging in die vrijheid, en dat in dat kader werd geponeerd dat de inmenging evenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel, omdat het decreet geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om halal of koosjer vlees in te voeren. Zij menen dat de decreetgever daarbij ten onrechte ervan is uitgegaan dat de elektronarcose (omkeerbare bedwelming) in overeenstemming is met de religieuze voorschriften. A.31.
  75. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 doen gelden dat voor de meerderheid van de moslims in België en in Europa, het eten van vlees dat afkomstig is van dieren die bij de slachting werden verdoofd, niet in overeenstemming is met de voorschriften van hun geloof. Zij menen dat de mogelijkheid om vlees in te voeren geen verantwoording kan vormen voor de door het decreet veroorzaakte inmenging in de vrijheid van godsdienst, omdat geïmporteerd halal vlees niet steeds afkomstig is van dieren die werden geslacht zonder voorafgaande verdoving. Zij wijzen erop dat het Duitse Grondwettelijk Hof van oordeel is geweest dat de mogelijkheid tot het invoeren van halal vlees onvoldoende waarborgen biedt aan de gelovige dat het ingevoerde vlees voldoet aan de voorschriften van zijn geloof. Zij zijn van oordeel dat alleen de aankoop van vlees bij een lokale slager ter zake voldoende waarborgen biedt. Bovendien menen zij dat het toekomt aan de Vlaamse decreetgever om de vrijheid van godsdienst te vrijwaren en dat hij zich niet kan verschuilen achter het eerbiedigen van die vrijheid door andere - buitenlandse of binnenlandse - wetgevers. Zij zien overigens niet in hoe het dierenwelzijn kan worden bevorderd door een verplaatsing van het onverdoofd slachten naar het buitenland. Ze verwijzen daarbij naar rechtspraak van het Poolse Grondwettelijk Hof. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 zijn bovendien van oordeel dat de technieken om een zogenaamde omkeerbare bedwelming toe te dienen nog niet in orde zijn en verwijzen daarbij naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van het Waalse Gewest van 18 mei 2017 « tot wijziging van de artikelen 3, 15 en 16 en tot invoeging van een artikel 45ter in de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren », dat een gelijkaardige maatregel invoert. Zij menen dat dit tot gevolg heeft dat niet kan worden gewaarborgd dat het dier na die bedwelming nog levend is. Zij menen dat aldus ook aan de gelovigen voor wie de omkeerbare bedwelming niet in strijd is met hun geloof, niet kan worden gewaarborgd dat de slachting verloopt overeenkomstig de voorschriften van hun geloof. 16 A.31.
  76. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 zijn van oordeel dat de onevenredigheid van het bestreden decreet des te meer vaststaat, nu niet is aangetoond dat een slachting met voorafgaande verdoving minder pijn veroorzaakt bij het dier dan een rituele slachting. Ze verwijzen in dit kader naar standpunten van deskundigen, naar rechtspraak van het Duitse en het Poolse Grondwettelijk Hof en naar de conclusie van advocaat-generaal Wahl bij het arrest nr. C-426/16 van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij zijn eveneens van oordeel dat de decreetgever de plicht had om na te gaan of het niet mogelijk was om andere maatregelen, die de vrijheid van godsdienst niet beperken, te nemen ter bevordering van het welzijn van dieren, wat hij echter niet heeft gedaan. A.31.
  77. Voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat het bestreden decreet bestaanbaar is met de grondwetsbepalingen die de vrijheid van godsdienst waarborgen, verzoeken de verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, en dit overeenkomstig de versnelde procedure, bedoeld in artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie : « Schendt de interpretatie van artikel 26, § 2, para. 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, waaronder een wetgever het slachten zonder bedwelming mag verbieden, terwijl rituele slachting vereist door de overtuigingen van personen van joods of islamitisch geloof op het grondgebied van de betreffende staat indruist tegen het principe dat het te slachten dier wordt verdoofd, in die zin het artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ? ». A.32.
  78. In een tweede onderdeel van hun eerste middel, voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat, zoals het wordt gewaarborgd bij de in het middel vermelde grondwets- en verdragsbepalingen, doordat de Vlaamse decreetgever zich met dat decreet heeft uitgesproken over de legitimiteit van geloofsovertuigingen en over de wijze waarop die worden geuit, terwijl het niet toekomt aan de Staat om daarover standpunten in te nemen. A.32.
  79. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 menen dat uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet blijkt dat de decreetgever heeft geoordeeld dat een slachting met voorafgaande verdoving niet in strijd is met religieuze voorschriften, en meer in het bijzonder met de religieuze voorschriften van de islam. De omstandigheid dat er verschillende strekkingen bestaan binnen de islam met betrekking tot de vraag of het verdoofd slachten van dieren in overeenstemming is met de religieuze voorschriften, kan volgens hen door de decreetgever niet worden aangewend om te poneren dat de religieuze voorschriften zich niet verzetten tegen het verdoofd slachten, des te meer nu de meerderheid van de moslims in België zich verzet tegen die vorm van slachten. A.
  80. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel niet gegrond is en beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede en het derde middel in de zaak nr.
  81. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de decreetgever de praktijk van het onverdoofd slachten over de grenzen duwt, doet de Vlaamse Regering nog gelden dat de decreetgever geen rechtsmacht heeft in het buitenland. A.
  82. De Waalse Regering is van oordeel dat het eerste middel in de zaak nr. 6818 niet gegrond is, en beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede en het derde middel in de zaak nr.
  83. Wat het tweede middel in de zaak nr. 6818 betreft A.
  84. Het tweede middel in de zaak nr. 6818 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 9 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 18, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 10, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat het bestreden decreet een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept onder de activiteiten die niet verenigbaar zijn met een voorafgaande verdoving bij het doden van een dier, en doordat categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, zonder redelijke verantwoording, gelijk worden behandeld. A.36.
  85. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 zijn van oordeel dat er verschillende activiteiten bestaan die niet verenigbaar zijn met een voorafgaande verdoving bij het doden van dieren. Ze halen in dit kader de jacht, de visvangst, de bestrijding van schadelijke organismen en de religieuze slachtingen aan. Door te 17 voorzien in een uitzondering op de verdovingsplicht voor de jacht, de visvangst en de bestrijding van schadelijke organismen, maar niet voor de religieuze slachtingen, heeft de decreetgever volgens hen een verschil in behandeling in het leven geroepen dat niet kan worden verantwoord, mede gelet op het feit dat de religieuze slachting wordt beschermd door een grondrecht. A.36.
  86. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 menen bovendien dat de decreetgever de aanhangers van de islamitische en de joodse godsdienst, zonder redelijke verantwoording, op dezelfde wijze behandelt als de aanhangers van andere godsdiensten en als niet-gelovigen, terwijl zij zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, vermits de personen van de eerste categorie, in tegenstelling tot die van de tweede categorie, geen vlees mogen eten en verkopen dat afkomstig is van dieren die na verdoving werden geslacht. Zij menen dat de mogelijkheid om vlees vanuit het buitenland in te voeren niet kan worden aangewend om de overheid vrij te stellen van haar plicht de grondrechten te eerbiedigen. A.
  87. De Vlaamse Regering en de Waalse Regering zijn van oordeel dat het middel niet gegrond is en beargumenteren hun standpunt op dezelfde wijze als bij het derde middel in de zaak nr.
  88. Wat het derde middel in de zaak nr. 6818 betreft A.
  89. Het derde middel in de zaak nr. 6818 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 9 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 18, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10, 15, 16, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, doordat het bestreden decreet de slagers en de slagerijen die in hoofdzaak halal vlees verkopen, verhindert om vlees aan te bieden dat in overeenstemming is met hun geloof en met dat van hun klanten en doordat aldus een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen die slagers en slagerijen, enerzijds, en slagers en slagerijen die geen vlees verkopen afkomstig van dieren die werden geslacht overeenkomstig religieuze voorschriften, anderzijds. A.
  90. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 verhindert het bestreden decreet de slagers en de slagerijen om vlees aan te bieden aan hun klanten waarbij zij kunnen garanderen dat het afkomstig is van dieren die werden geslacht overeenkomstig de religieuze voorschriften. De betrokken slagers en slagerijen kunnen aldus de beroepswerkzaamheden die ze zelf hebben gekozen, niet voortzetten. Zij menen dat het recht om zijn beroepswerkzaamheden zelf te kiezen valt onder de bescherming van het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en verwijzen daarbij naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 menen dan ook dat het bestreden decreet de vrijheid van ondernemen schendt. Zij menen ook dat dit decreet een discriminatie invoert op grond van religie, omdat slagers en slagerijen die geen vlees verkopen afkomstig van dieren die werden geslacht overeenkomstig religieuze voorschriften, niet worden gehinderd in hun economische activiteiten. A.
  91. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel niet gegrond is en beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  92. A.
  93. De Waalse Regering meent dat het niet is aangetoond dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 6818 die als slager werkzaam zijn, hun economische activiteit zouden zien teloorgaan. Ze verwijst vervolgens naar het arrest nr. 134/2016 van 20 oktober 2016, waarin het Hof heeft geoordeeld dat het principiële verbod op het houden van dieren voor de productie van pelzen artikel 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, niet schendt, omdat de betrokken bepalingen geen criterium gebruiken dat gebaseerd is op de nationaliteit of de Staat van herkomst en het doel van dierenwelzijn nastreven dat specifiek wordt vermeld in artikel 13 van dat Verdrag. De Waalse Regering is dan ook van oordeel dat het middel niet gegrond is. 18 In de zaak nr. 6819 Wat het eerste middel in de zaak nr. 6819 betreft A.42.
  94. Het eerste middel in de zaak nr. 6819 is afgeleid uit de schending van de artikelen 19 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de bestreden bepalingen op onevenredige wijze afbreuk doen aan de vrijheid van godsdienst. A.42.
  95. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6819 wijzen erop dat zij zeer strikt de religieuze voorschriften naleven, voorschriften die inhouden dat enkel vlees kan worden gegeten afkomstig van dieren die door hun eigen slachters zijn geslacht en dat het verboden is om vlees vanuit het buitenland te importeren en te eten. Los daarvan zijn zij van oordeel dat de mogelijkheid om vlees in te voeren redelijkerwijze niet kan worden aangewend om de onevenredigheid van de maatregel te ontkennen, omdat het in Europa zo goed als onmogelijk is om glatt vlees te verkrijgen. A.
  96. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 6819 zich, als ultraorthodoxe joden, in dezelfde situatie bevinden als de verzoekende partij in de zaak Cha’are Shalom Ve Tsedek van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zij meent dan ook dat er geen sprake kan zijn van een schending van de vrijheid van godsdienst. Voor het overige beargumenteert de Vlaamse Regering haar standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  97. A.
  98. De Waalse Regering beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  99. Wat het tweede middel in de zaak nr. 6819 betreft A.45.
  100. Het tweede middel in de zaak nr. 6819 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6819 zijn van oordeel dat het bestreden decreet, zonder redelijke verantwoording, de aanhangers van het joodse geloof en de aanhangers van het islamitische geloof op dezelfde wijze behandelt. A.45.
  101. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6819 doen gelden dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen de Islam en het joodse geloof, onder meer op het vlak van de voedselvoorschriften en het slachten van dieren. Zij zijn van oordeel dat de decreetgever die verschillen onvoldoende heeft onderzocht, wat naar hun oordeel leidt tot een schending van het voorzorgsbeginsel. In dit kader verwijzen zij naar het advies van de Raad van State waarin wordt aanbevolen om een regeling uit te werken die op een evenwichtige wijze recht doet aan zowel de vrijheid van godsdienst van gelovigen, als het streven om dierenleed tegen te gaan. In navolging van dat advies heeft de Vlaamse Regering een expert aangesteld om het onverdoofd slachten te duiden en een beeld te schetsen van de gevoeligheden. Dat verslag gaat evenwel zo goed als uitsluitend in op het slachten van dieren volgens de religieuze riten in de islam, zonder het nodige onderzoek te doen naar speciale methoden die vereist zijn voor de religieuze riten in het joodse geloof. Zij menen dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verbieden om wezenlijk verschillende categorieën van personen, zonder redelijke verantwoording, gelijk te behandelen. A.
  102. Wat de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, beargumenteert de Vlaamse Regering haar standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr.
  103. Inzake het zorgvuldigheidsbeginsel merkt de Vlaamse Regering op dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 6819 nalaten de draagwijdte van dat beginsel uiteen te zetten. Voorts stelt ze vast dat de decreetgever zeer zorgvuldig tewerk is gegaan bij het voorbereiden van zijn regelgeving. In dit kader verwijst de Vlaamse Regering naar het gegeven dat het eerste wetgevende initiatief reeds in 2006 werd ingediend, dat er in 2008 een werkgroep over onverdoofd slachten is opgericht waarin de betrokken geloofsgemeenschappen waren vertegenwoordigd, dat het Vlaams Parlement een hoorzitting heeft georganiseerd waarin de vertegenwoordigers van verschillende organisaties zijn gehoord en dat een advies aan de Raad van State is gevraagd. Ingevolge de aanbeveling van de Raad van State om verdere maatregelen uit te werken in dialoog met de betrokken geloofsgemeenschappen, heeft de Vlaamse minister van Dierenwelzijn een onafhankelijke tussenpersoon aangesteld om de problematiek en de techniek van het onverdoofd slachten verder te duiden en oplossingen aan te reiken. De decreetgever heeft alle betrokkenen, waaronder aanhangers van het joodse geloof, meermaals 19 gehoord en betrokken in een dialoog alvorens het bestreden decreet aan te nemen. De Vlaamse Regering is dan ook van oordeel dat er geen schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel en dat het middel niet gegrond is. A.
  104. De Waalse Regering beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr.
  105. Wat het derde middel in de zaak nr. 6819 betreft A.48.
  106. Het derde middel in de zaak nr. 6819 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6819 stellen dat het bestreden decreet een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roept tussen het judaïsme, enerzijds, en de jacht en de visvangst, anderzijds. A.48.
  107. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6819 zijn van oordeel dat de jacht en het slachten van dieren overeenkomstig religieuze voorschriften eenzelfde finaliteit hebben, meer bepaald het voorzien in vlees bestemd voor consumptie. Zij menen dan ook dat beide categorieën identiek dienen te worden behandeld. Zij doen in dit kader ook gelden dat de door de decreetgever nagestreefde doelstelling betreffende het bevorderen van het dierenwelzijn evenzeer zou kunnen worden nagestreefd bij de jacht en de visvangst. Zij zijn van oordeel dat het risico op lijden bij het dier zelfs groter is bij de jacht en de visvangst dan bij een slachting overeenkomstig religieuze voorschriften. A.
  108. De Vlaamse Regering en de Waalse Regering beargumenteren hun standpunten op dezelfde wijze als bij het derde onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 6816 en bij het vierde middel in de zaak nr.
  109. In de zaak nr. 6820 Wat het eerste middel in de zaak nr. 6820 betreft A.
  110. Het eerste middel in de zaak nr. 6820 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 4, lid 4, en 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009, doordat de bestreden bepalingen het vereiste van de voorafgaande verdoving uitbreiden tot religieuze slachtingen, met als gevolg dat, ten eerste, de aanhangers van het islamitische en het joodse geloof, zonder redelijke verantwoording, op dezelfde wijze worden behandeld als de niet-gelovigen en de andersgelovigen en, ten tweede, de aanhangers van het islamitische en het joodse geloof de in de voormelde verordening vervatte waarborg wordt ontnomen dat rituele slachtingen niet kunnen worden onderworpen aan het vereiste van voorafgaande verdoving. A.
  111. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6820 beargumenteren hun middel op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 hun eerste middel beargumenteren. A.
  112. De Vlaamse Regering en de Waalse Regering zijn van oordeel dat het eerste middel in de zaak nr. 6820 niet ontvankelijk, dan wel niet gegrond is en beargumenteren hun standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste middel in de zaak nr.
  113. Wat het tweede middel in de zaak nr. 6820 betreft A.
  114. Het tweede middel in de zaak nr. 6820 is afgeleid uit de schending van artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de bestreden bepalingen op onevenredige wijze afbreuk doen aan de vrijheid van godsdienst. 20 A.
  115. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6820 zijn van oordeel dat de strafbaarstelling van de islamitische praktijk van het ritueel slachten een ernstige inmenging vormt in het recht op vrijheid van godsdienst, omdat het de moslims onmogelijk wordt gemaakt een rite die een essentieel onderdeel van hun godsdienst vormt, te voltrekken in het Vlaamse Gewest, en omdat het verbod de naleving van de islamitische voedselvoorschriften bemoeilijkt, nu er in het Vlaamse Gewest geen halal vlees meer kan worden geproduceerd. Zij beargumenteren hun tweede middel op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 hun tweede middel beargumenteren. Zij verwijzen daarbij nog naar een conclusie van de advocaat- generaal bij het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2017 in de zaak nr. C-426/16, en leiden onder meer eruit af dat het ritueel slachten tijdens het islamitische Offerfeest een religieuze rite is die als uitdrukking van een religieuze overtuiging onder de vrijheid van godsdienst valt. Zij beklemtonen dat de eventuele mogelijkheid om vlees in te voeren vanuit het buitenland irrelevant is in het kader van de ritus van het Offerfeest, vermits het invoeren van vlees niet kan worden beschouwd als een zinnig alternatief voor de rituele slachting naar aanleiding van dat feest. Zij wijzen erop dat niet zozeer het eten van halal schapenvlees tijdens het Offerfeest, maar wel het offeren van een schaap en het delen van het vlees van dat geofferde dier, geldt als een religieuze plicht. Zij wijzen eveneens erop dat moslims halal vlees in hoofdzaak kopen bij de lokale slager en dat de halal slachtingen in België worden uitgevoerd door erkende islamitische offeraars die daartoe zijn gemachtigd door het Representatief Orgaan van de Islamitische Eredienst van België. De erkenning van de offeraars vormt volgens hen een waarborg dat de dieren worden geslacht overeenkomstig de in België geldende religieuze voorschriften. Zij menen dat zulk een waarborg niet aanwezig is bij het invoeren van halal vlees, vermits niet alle vlees dat als halal wordt bestempeld, afkomstig is van dieren die onverdoofd werden geslacht. De moslims in België kunnen volgens hen aldus enkel van vlees dat in België werd geslacht, zeker zijn dat het voldoet aan de religieuze voedselvoorschriften. A.
  116. De Vlaamse Regering en de Waalse Regering zijn van oordeel dat het tweede middel in de zaak nr. 6820 niet gegrond is en beargumenteren hun standpunt op dezelfde wijze als bij het tweede middel in de zaak nr.
  117. Wat het derde middel in de zaak nr. 6820 betreft A.
  118. Het derde middel in de zaak nr. 6820 is afgeleid uit de schending van de artikelen 19, 21 en 27 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 9 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 10 en 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de bestreden bepalingen het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat en de autonomie van de geloofsgemeenschappen schenden, door een religieuze rite strafbaar te stellen, tenzij die wordt voltrokken op de specifieke wijze die zij voorschrijven, en door aan de Vlaamse Regering op te dragen de bekwaamheidsvereisten, de aanstellingsmodaliteiten en de opleiding en de examens van de offeraars vast te stellen. A.
  119. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6820 beargumenteren hun derde middel op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 hun derde middel beargumenteren. A.
  120. De Vlaamse Regering en de Waalse Regering zijn van oordeel dat het derde middel in de zaak nr. 6820 niet gegrond is en beargumenteren hun standpunt op dezelfde wijze als bij het derde middel in de zaak nr.
  121. Wat het vierde middel in de zaak nr. 6820 betreft A.
  122. Het vierde middel in de zaak nr. 6820 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 19 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling in het leven roepen tussen, enerzijds, de personen die dieren doden bij het uitoefenen van de jacht of de visvangst en bij het bestrijden van schadelijke organismen en, anderzijds, de personen die dieren doden volgens bijzondere slachtmethodes, voorgeschreven door de ritus van een eredienst. 21 A.
  123. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6820 beargumenteren hun vierde middel op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 hun vierde middel beargumenteren. A.
  124. De Vlaamse Regering en de Waalse Regering zijn van oordeel dat het vierde middel in de zaak nr. 6820 niet gegrond is en beargumenteren hun standpunt op dezelfde wijze als bij het vierde middel in de zaak nr.
  125. In de zaak nr. 6821 Wat het eerste middel in de zaak nr. 6821 betreft A.
  126. Het eerste middel in de zaak nr. 6821 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, lid 4, en 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009, doordat de bestreden bepalingen, door het vereiste van de voorafgaande verdoving van dieren uit te breiden tot religieuze slachtingen, de aanhangers van het joodse en het islamitische geloof, zonder redelijke verantwoording, op identieke wijze behandelen als de niet-gelovigen, en doordat die bepalingen de aanhangers van het joodse en het islamitische geloof de in de voormelde verordening (EG) nr. 1099/2009 vervatte waarborg ontnemen dat religieuze slachtingen niet kunnen worden onderworpen aan het vereiste van de voorafgaande verdoving. A.63.
  127. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 zetten uiteen dat artikel 4, lid 1, van de verordening (EG) nr. 1099/2009 een principieel verbod op het onverdoofd slachten van dieren bevat, maar dat artikel 4, lid 4, in een uitzondering voorziet op dat verbod voor rituele slachtingen. Zij wijzen erop dat in een gelijksoortige uitzondering reeds was voorzien in de richtlijn 93/119/EG van de Raad van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden. Zij zijn van oordeel dat uit overweging 18 van de preambule bij de verordening (EG) nr. 1099/2009 duidelijk blijkt dat de Europese wetgever de uitzondering bepaald in artikel 4, lid 4, noodzakelijk heeft geacht voor de overeenstemming van de verordening met de vrijheid van godsdienst, gewaarborgd bij artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij menen dan ook dat artikel 4, lid 4, van de voormelde verordening geen vrije keuze laat aan de lidstaten om al dan niet te voorzien in een uitzondering voor rituele slachtingen. Zij zijn van oordeel dat dit niet alleen blijkt uit de tekst zelf van het artikel, maar ook uit de ontstaansgeschiedenis ervan. Zij zetten uiteen dat het oorspronkelijke voorstel van verordening van de Europese Commissie erin voorzag dat de lidstaten niet verplicht waren om de uitzondering voor rituele slachtingen te implementeren, en dat ten gevolge van een amendement ingediend in het Europees Parlement, de desbetreffende zin werd geschrapt. Zij leiden daaruit af dat de lidstaten verplicht zijn om de in artikel 4, lid 4, bepaalde uitzondering op de regel van de voorafgaande verdoving toe te passen in het geval van rituele slachtingen. Zij wijzen erop dat in overweging 18 van de preambule bij de verordening (EG) nr. 1099/2009 sprake is van een bepaalde mate van subsidiariteit die de lidstaten behouden met betrekking tot de uitzondering op de voorafgaande verdoving in het geval van rituele slachtingen, en zijn van oordeel dat die subsidiariteit vorm heeft gekregen in artikel 26 van de verordening, naar luid waarvan het de lidstaten onder bepaalde omstandigheden is toegestaan om nationale voorschriften te handhaven of aan te nemen die strekken tot een uitgebreidere bescherming van dieren bij het doden dan die welke wordt verleend door de verordening, onder meer met betrekking tot rituele slachtingen. De toelating om stringentere nationale voorschriften aan te nemen is volgens hen echter onderworpen aan drie voorwaarden, die in casu niet zouden zijn vervuld. Uit artikel 26, lid 2, tweede alinea, van de verordening leiden zij, ten eerste, af dat de lidstaten de Europese Commissie in kennis dienen te stellen van de nationale voorschriften die zij aannemen om dieren uitgebreider te beschermen. Zij menen dat die voorwaarde niet is vervuld. Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leiden zij, ten tweede, af dat wanneer de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van Europese regelgeving beschikken over een beoordelingsmarge, zij de door het Unierecht beschermde grondrechten en de andere algemene beginselen van het Unierecht in acht moeten nemen, evenals de nationaal gewaarborgde grondrechten. Zij menen dat die voorwaarde evenmin is vervuld, en verwijzen daarbij naar hun argumentatie bij hun overige middelen. Ten derde menen zij dat artikel 26 van de verordening niet zo ruim mag worden uitgelegd dat zij de uitzondering neergelegd in artikel 4, lid 4, betekenisloos zou maken. Zij zijn van oordeel dat artikel 26 de lidstaten weliswaar toestaat om maatregelen te nemen die het dierenleed bij rituele slachtingen beperken, maar niet om de in artikel 4, lid 4, bepaalde uitzondering volledig uit te hollen. Zij menen dat dit ook voortvloeit uit het feit dat artikel 26 een zogenaamde vrijwaringsclausule is, namelijk een clausule die tot doel heeft twee tegengestelde 22 belangen met elkaar te verzoenen, meer bepaald de harmonisatie van nationale wetgevingen die de werking van de interne markt beïnvloeden, enerzijds, en de bescherming van nationale belangen, anderzijds. Zij doen daarbij gelden dat vrijwaringsclausules restrictief dienen te worden uitgelegd. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 menen dat hun argumentatie steun vindt in de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak nr. C-426/16 van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij zijn eveneens van oordeel dat een interpretatie van de artikelen 4, lid 4, en 26, lid 2, in die zin dat zij de lidstaten de vrije keuze zouden laten om voor religieuze slachtingen al dan niet in een uitzondering op de regel van de verdoving te voorzien, tot een niet-verantwoord verschil in behandeling zou leiden ten opzichte van andere activiteiten waarvoor de verordening in een uitzondering voorziet, zoals de jacht, de recreatievisserij en de culturele en sportieve evenementen. A.63.
  128. Met betrekking tot de verplichte kennisgeving aan de Europese Commissie van de maatregelen die met toepassing van artikel 26 van de verordening door de lidstaten worden genomen, zijn de verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 van oordeel dat de omstandigheid dat de verordening noch voorziet in een termijn binnen welke die kennisgeving dient te gebeuren, noch in een sanctie voor het geval waarin wordt nagelaten de Europese Commissie in kennis te stellen van de bedoelde maatregelen, niet kan worden aangewend om te argumenteren dat het bestreden decreet in overeenstemming is met de verordening. Zij verwijzen naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit zij afleiden, ten eerste, dat het beginsel van de loyale samenwerking, vervat in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de lidstaten verplicht om de Europese Commissie zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van nationale bepalingen die afwijken van Europese harmonisatiemaatregelen, ten tweede, dat het in het belang is van de goede werking van de interne markt dat dergelijke kennisgevingsprocedures snel worden afgerond en, ten derde, dat de kennisgevingsverplichtingen passen in het kader van het streven van de Unie naar meer transparantie, wat als een algemeen beginsel van het recht van de Europese Unie dient te worden beschouwd. Zij verwijzen eveneens naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit zou blijken dat het verzuim van een kennisgevingsplicht een schending van een wezenlijk vormvoorschrift inhoudt, die tot de niet-toepasselijkheid van de niet-aangemelde bepalingen leidt. Zij zijn van oordeel dat te dezen daarbij rekening moet worden gehouden met het zogenaamde equivalentiebeginsel, dat vereist dat vorderingen die gebaseerd zijn op het recht van de Europese Unie onderworpen zijn aan nationale procedure- en sanctiebepalingen die niet ongunstiger zijn dan degene die van toepassing zijn op soortgelijke nationale vorderingen. Zij leiden daaruit af dat het Hof, wanneer het een strijdigheid vaststelt met het Unierecht, de betrokken norm dient te vernietigen. A.63.
  129. In ondergeschikte orde verzoeken de verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : «
  130. Dient artikel 26, lid 2, eerste alinea, punt c), van Verordening nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden zo te worden geïnterpreteerd dat het de lidstaten toestaat om nationale voorschriften aan te nemen als die van het decreet van het Vlaams Gewest van 7 juli 2017 ‘ houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft ’, die een strafrechtelijk verbod opleggen om, zelfs in erkende slachthuizen, dieren zonder verdoving te slachten volgens de speciale methoden die vereist zijn voor de Joodse religieuze riten, in afwijking van artikel 4, lid 4, van de Verordening ?
  131. Schendt, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, artikel 26, lid 2, eerste alinea, punt c), van Verordening nr. 1099/2009 de vrijheid van godsdienst, zoals verankerd in artikel 10 van het Handvest ?
  132. Schendt, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, Verordening nr. 1099/2009 het recht op gelijkheid en niet-discriminatie op grond van godsdienst, zoals verankerd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest, en het beginsel van godsdienstige verscheidenheid, gewaarborgd in artikel 22 van het Handvest, doordat zij voor het doden van dieren volgens rituele slachtmethodes slechts in een gekwalificeerde uitzondering voorziet op de verplichting van de voorafgaande verdoving (art. 4, lid 4, juncto art. 26, lid 2), terwijl zij het doden van dieren tijdens de jacht, de recreatievisserij en sportieve en culturele evenementen volledig vrijstelt van diezelfde verplichting (art. 1, lid 3) ? ». A.64.
  133. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel niet gegrond is. Zij zet uiteen dat de verordening (EG) nr. 1099/2009 vertrekt vanuit het algemene principe dat verdoving noodzakelijk is om het bewustzijn en de gevoeligheid van het dier uit te schakelen vóór of op het moment van het doden. Zij vervolgt dat de verordening de verdoving niet verplicht stelt indien dieren worden geslacht, in een slachthuis, volgens rituele methoden. Zij meent dat de verordening de lidstaten echter niet verbiedt een algemeen verbod op het 23 onverdoofd slachten in te voeren, omdat die verordening niet verder gaat dan wat nodig is om haar doelstelling te verwezenlijken, namelijk het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak ten aanzien van de normen voor het welzijn van dieren bij het doden. A.64.
  134. De Vlaamse Regering wijst erop dat artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009 uitdrukkelijk stelt dat de lidstaten nationale voorschriften kunnen aannemen die strekken tot een uitgebreidere bescherming van dieren bij het doden, onder meer bij het slachten volgens rituele methoden. Zij meent dat daaruit volgt dat er geen sprake is van een unierechtelijke waarborg die inhoudt dat slachtingen volgens rituele methoden niet onderworpen kunnen worden aan de vereiste van de voorafgaande verdoving. Zij stelt dat het Sloveense Grondwettelijk Hof recent ook in die zin heeft geoordeeld. De Vlaamse Regering meent dat de verzoekende partijen uit de conclusie van de advocaat-generaal Wahl in de zaak nr. C-426/16 van het Hof van Justitie van de Europese Unie ten onrechte het besluit trekken dat een algemeen verbod op onverdoofd slachten in strijd zou zijn met de verordening. Zij is van oordeel dat de conclusie van de advocaat-generaal slechts een advies is, dat bovendien enkel betrekking heeft op de verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen in de zin van de verordening. Zij meent dat uit die conclusie a contrario kan worden afgeleid dat de advocaat-generaal de toelaatbaarheid van het algemeen verbod van onverdoofd slachten erkent. Volgens de Vlaamse Regering verlenen de verzoekende partijen een eigen interpretatie aan de bepalingen van de verordening. Zij wijst daarbij erop dat het enkel toekomt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om het recht van de Unie te interpreteren. A.64.
  135. Wat de vereiste van de kennisgeving aan de Europese Commissie betreft, deelt de Vlaamse Regering in haar memorie van antwoord mee dat die kennisgeving ondertussen is gebeurd. Zij legt in dat kader een brief van 29 november 2017 van de Europese Commissie neer. A.64.
  136. De Vlaamse Regering is van oordeel dat er geen aanleiding is om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat de draagwijdte van de verordening duidelijk is. In zoverre het Hof zou oordelen dat zulke vragen toch dienen te worden gesteld, meent zij dat er geen aanleiding is om het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken de gestelde vragen te behandelen overeenkomstig de versnelde procedure. A.65.
  137. De Waalse Regering is van oordeel dat de verzoekende partijen met hun argumentatie elke betekenis ontnemen aan artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), van de verordening (EG) nr. 1099/2009, omdat elke maatregel die op basis van die bepaling zou worden genomen een discriminatie in het leven zou roepen. Zij meent dat de uitgebreidere bescherming van dieren, waarvan sprake in dat artikel, enkel betrekking kan hebben op maatregelen die ingaan tegen bepaalde religieuze riten. Zij is van oordeel dat de Europese wetgever de lidstaten heeft toegestaan om op dat vlak wetgevend op te treden, hen daarbij evenwel uitnodigend te zoeken naar een evenwicht tussen de diverse beginselen en belangen die in het geding zijn. A.65.
  138. Wat de vereiste betreffende het naleven van de grondrechten betreft, doet de Waalse Regering gelden dat de decreetgever zich wel degelijk bewust was van het feit dat het bestreden decreet raakt aan de vrijheid van godsdienst, reden waarom hij bij de nadere uitwerking van de bepalingen van dat decreet heeft voorzien in bijzondere modaliteiten. Wat het tweede middel in de zaak nr. 6821 betreft A.
  139. Het tweede middel in de zaak nr. 6821 is afgeleid uit de schending van artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de bestreden bepalingen op onevenredige wijze afbreuk doen aan de vrijheid van godsdienst. A.67.
  140. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 houdt de vrijheid van godsdienst, zoals gewaarborgd bij de in het middel vermelde grondwets- en verdragsbepalingen, niet enkel de vrijheid in om te geloven (de interne godsdienstvrijheid), maar ook de vrijheid om zijn geloof tot uitdrukking te brengen (de externe godsdienstvrijheid). Zij zetten uiteen dat artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens 24 de externe godsdienstvrijheid ruim omschrijft : beschermd worden de eredienst, het onderwijzen ervan, de praktische toepassing ervan, alsook het onderhouden van de geboden en voorschriften. Zij doen gelden dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in een arrest van 27 juni 2000 (EHRM, 27 juni 2000, Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk), uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de praktijk van het ritueel slachten onder de bescherming van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens valt, en, in een arrest van 7 december 2010 (EHRM, 7 december 2010, Jakóbski t. Polen), dat het naleven van voedselvoorschriften een rechtstreekse uitdrukking vormt van iemands geloof in de praktijk, en aldus eveneens wordt beschermd door het voormelde artikel
  141. Zij verwijzen in dit kader eveneens naar adviezen van de Belgische en de Nederlandse Raad van State en naar rechtspraak van het Duitse, het Poolse en het Oostenrijkse Grondwettelijk Hof. A.67.
  142. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 zijn van oordeel dat de strafbaarstelling van de joodse praktijk van het ritueel slachten een ernstige inmenging vormt in de vrijheid van godsdienst, omdat het de joden onmogelijk wordt gemaakt een rite die een essentieel onderdeel van hun godsdienst vormt, te voltrekken in het Vlaamse Gewest, en omdat het verbod de naleving van de joodse voedselvoorschriften bemoeilijkt, nu er in het Vlaamse Gewest geen koosjer vlees meer kan worden geproduceerd. Zij verwijzen in dit kader opnieuw naar adviezen van de Belgische en de Nederlandse Raad van State en naar rechtspraak van het Duitse, het Poolse en het Oostenrijkse Grondwettelijk Hof. A.67.
  143. Dat het theoretisch mogelijk blijft om ritueel geslacht vlees in het Vlaamse Gewest in te voeren, doet volgens de verzoekende partijen niets af aan het feit dat de bestreden bepalingen wel degelijk een inmenging vormen in de godsdienstvrijheid, omdat het ritueel slachten op zich een religieuze praktijk uitmaakt, die bescherming geniet onder de vrijheid van godsdienst. Zij menen dat het Duitse Grondwettelijk Hof ook in die zin heeft geoordeeld. Daarnaast zijn zij van oordeel dat het aanbod van koosjer vlees in België sterk zal afnemen ten gevolge van de bestreden bepalingen, mede gelet op het feit dat ook het Waalse Gewest een verbod op onverdoofd slachten heeft ingevoerd en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een gelijksoortig verbod voorbereidt. Zij wijzen bovendien erop dat de orthodoxe joodse gemeenschap in België een van de grootste van Europa is, en dat er binnen Europa slechts enkele andere landen zijn met een sterke aanwezigheid van orthodoxe joden, namelijk Frankrijk, Nederland, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. Zij stellen daarbij vast dat de orthodoxe joden in Frankrijk zelf op de invoer van glatt vlees zijn aangewezen, dat in Nederland een exportverbod op ritueel geslacht vlees bestaat, dat in Zwitserland een verbod op ritueel slachten bestaat en dat de invoer van vlees uit het Verenigd Koninkrijk wordt gehypothekeerd door de nakende uitstap van dat land uit de Europese Unie. Zij menen ten slotte dat bij het invoeren van vlees uit het buitenland, niet met zekerheid kan worden gewaarborgd dat dat vlees afkomstig is van dieren die werden geslacht overeenkomstig de religieuze voorschriften. A.67.
  144. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 zijn van oordeel dat uit het voormelde arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet kan worden afgeleid dat het bestreden decreet geen inmenging zou vormen in de vrijheid van godsdienst. Ze wijzen erop dat de Franse regeling die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest fundamenteel verschillend was van de regeling vervat in het bestreden decreet, omdat er in Frankrijk geen algemeen verbod op het onverdoofd slachten gold. Zij wijzen bovendien erop dat de zaak voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betrekking had op religieuze slachtvoorschriften die bijzonder orthodox waren en die in Frankrijk slechts door een kleine minderheid van de joodse gemeenschap werden gevolgd, en dat het in die zaak ging om een religieuze gemeenschap die zelf de wijze had bepaald waarop de religieuze riten moeten worden voltrokken, wijze die door een minderheidsgroep binnen die gemeenschap als onverenigbaar met hun overtuigingen werd beschouwd. Zij wijzen eveneens erop dat het voormelde arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek niet alleen omstreden was binnen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, wat blijkt uit het feit dat het slechts door een minimale meerderheid van rechters was aangenomen en uit het feit dat zeven van de zeventien rechters een dissenting opinion hebben geschreven, maar ook sterk werd bekritiseerd in de rechtsleer. Zij wijzen ook op het feit dat het arrest al achttien jaar oud is en dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, gelet op recentere oordelen van meerdere rechtsprekende en adviserende instanties van verscheidene Europese landen, vandaag waarschijnlijk anders zou beslissen. Uit de beslissingen en adviezen van die rechtsprekende en adviserende instanties leiden zij een groeiende Europese consensus af die inhoudt dat een algemeen verbod op onverdoofd ritueel slachten wel degelijk een inmenging vormt in de vrijheid van godsdienst. 25 A.67.
  145. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 betwisten niet dat het bevorderen van het dierenwelzijn een legitieme doelstelling is, maar zijn van oordeel dat er ook andere overwegingen een rol hebben gespeeld in het ontstaan van het bestreden decreet. Zij stellen vast dat tijdens de parlementaire voorbereiding enkel werd gedebatteerd over de rituele slachtingen en dat andere praktijken die het dierenwelzijn in het gedrang brengen, zoals de jacht, de visserij, de nerts- en pelsdierenfokkerijen, het uitvoeren van dierenexperimenten en de industriële vleesproductie, niet werden behandeld. Zij menen dan ook dat de decreetgever zich heeft gebaseerd op een selectieve verontwaardiging tegenover dierenleed, die enkel en alleen de joodse en islamitische gelovigen treft. A.67.
  146. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 zijn van oordeel dat, zelfs indien zou worden aanvaard dat de decreetgever met de bestreden bepalingen het bevorderen van het dierenwelzijn heeft nagestreefd, er geen redelijke verantwoording bestaat voor die bepalingen, vermits zij onevenredig zijn ten aanzien van die doelstelling. Zij menen dat de evenredigheidstoets te dezen uiterst strikt dient te gebeuren, omdat de bestreden bepalingen een grondrecht aantasten, omdat die bepalingen specifiek gericht zijn tegen gebruiken van kwetsbare minderheidsgroepen in de samenleving, wier stem in het politieke proces weinig of niet aan bod komt, omdat er een brede consensus bestaat onder de lidstaten van de Europese Unie en de verdragsstaten van de Raad van Europa om onverdoofd ritueel slachten toe te staan en omdat het bestreden decreet eenzijdig en zonder enige ernstige vorm van dialoog met de joodse gemeenschap tot stand is gekomen. Ze menen dat de selectieve verwijzing naar buitenlandse rechtsstelsels in de parlementaire voorbereiding getuigt van vooringenomenheid en ten onrechte de indruk wekt dat vooruitstrevende Europese landen onverdoofd religieus slachten verwerpen. A.67.
  147. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 menen dat de bestreden bepalingen niet pertinent zijn ten aanzien van het doel dierenwelzijn te bevorderen. Zij doen gelden dat het niet afdoende is bewezen dat een correct uitgevoerde shehita (slachting van een dier overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften) een dier meer leed berokkent dan de slachtmethodes die worden gebruikt in de industriële slachthuizen. Zij wijzen erop dat in het joodse geloof buitengewoon veel belang wordt gehecht aan het welzijn van het dier. Zij menen dat ook een verdoving het dier ernstig leed kan berokkenen, omdat de methodes die daarbij worden gebruikt het dier pijn, angst en stress toebrengen. Zij verwijzen in dit kader naar rechtspraak van het Poolse Grondwettelijk Hof. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6821 zijn daarnaast van oordeel dat de bestreden bepalingen niet noodzakelijk zijn om de doelstelling van dierenwelzijn te bereiken, omdat er alternatieve maatregelen mogelijk zijn die het dierenwelzijn bevorderen op een manier die de vrijheid van godsdienst minder inperkt. Zij verwijzen naar adviezen van de Raad van State, die erop heeft gewezen dat de decreetgever ook maatregelen had kunnen nemen die verzekeren dat de rituele slachting wordt uitgevoerd op een manier die het dier minimaal leed berokkent, zonder evenwel de voorafgaande verdoving van het dier op te leggen. Zij verwijzen in dit kader eveneens naar rechtspraak van het Poolse Grondwettelijk Hof. Zij beklemtonen dat er te dezen geen sprake is van een conflict tussen twee grondrechten, maar wel van een conflict tussen een grondrecht en een doelstelling van algemeen belang, namelijk het dierenwelzijn. Zij menen dat, hoewel het welzijn van dieren toenemende aandacht geniet in onze samenleving, dieren geen rechtssubjecten zijn met een vergelijkbare status als mensen. Zij leiden daaruit af dat een maatregel die een grondrecht volledig miskent ten behoeve van het welzijn van dieren, onmogelijk als evenredig kan worden beschouwd. Zij verwijzen in dit kader naar adviezen van de Belgische en de Nederlandse Raad van State en naar rechtspraak van het Poolse, het Oostenrijkse en het Duitse Grondwettelijk Hof. Zij menen dat de onevenredigheid van de bestreden bepalingen eveneens volgt uit het feit dat zij de vrijheid van godsdienst op een zeer verregaande wijze inperken, terwijl zij slechts een minieme toename in het dierenwelzijn teweegbrengen. Zij beklemtonen dat de joodse gemeenschap maar een beperkt aantal dieren per jaar slacht. Zij menen dat de bepaling betreffende de toepassing van de techniek van de omkeerbare verdoving het bestreden decreet niet evenredig maakt ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, vermits die techniek niet in overeenstemming is met de joodse voorschriften. A.68.
  148. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de grondwets- en verdragsbepalingen die de vrijheid van godsdienst waarborgen, niet elke daad die door een godsdienst of overtuiging is geïnspireerd, beschermen en niet in alle omstandigheden het recht om zich naar religieuze voorschriften of naar zijn overtuiging te gedragen, waarborgen. Zij wijst erop dat die bepalingen telkens voorzien in de mogelijkheid om de vrijheid van godsdienst te beperken, en dat artikel 19 van de Grondwet uitdrukkelijk stelt dat misdrijven die bij de uitoefening van de vrijheid van godsdienst worden gepleegd, gestraft kunnen worden. 26 A.68.
  149. Uit het arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leidt de Vlaamse Regering af dat slachtingen volgens rituele methoden onder het toepassingsgebied vallen van de vrijheid van godsdienst. Zij wijst erop dat het Europees Hof zich in die zaak heeft uitgesproken over een weigering van de Franse autoriteiten om een joodse liturgische vereniging toegang te verlenen tot de slachthuizen met het oog op het uitvoeren van rituele slachtingen in overeenstemming met ultraorthodoxe voorschriften en dat het Hof heeft geoordeeld dat die weigering geen inmenging vormt in de vrijheid van godsdienst. Zij meent dat de redenering van het Europees Hof in casu per analogie dient te worden toegepast. De Vlaamse Regering is van oordeel dat uit het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat de vrijheid van godsdienst niet een recht omvat om zelf een dier te slachten volgens religieuze voorschriften. Uit dat arrest volgt, volgens haar, dat er enkel sprake zou kunnen zijn van een inmenging in de vrijheid van godsdienst, indien de betrokken regelgeving ervoor zou zorgen dat het voor ultraorthodoxe joden onmogelijk zou zijn om vlees te eten dat geslacht is in overeenstemming met hun religieuze voorschriften, wat echter niet het geval was vermits de Franse joden vlees konden verkrijgen in België. De Vlaamse Regering meent dat het bestreden decreet gelovigen geenszins de mogelijkheid ontneemt om vlees te eten afkomstig van dieren die werden geslacht volgens rituele methoden, vermits er geen verbod bestaat op het invoeren van vlees dat aan die voorwaarden voldoet. A.68.
  150. De Vlaamse Regering betwist de stelling van de verzoekende partijen dat het voormelde arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek achterhaald zou zijn. Zij wijst erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in latere arresten heeft verwezen naar dat arrest. Zij meent ook dat de verschillen tussen de situatie die aan de grondslag lag van dat arrest en de context van het bestreden decreet, waar de verzoekende partijen naar verwijzen, geenszins kunnen leiden tot een andere beoordeling in rechte. Zij wijst in dit kader erop dat de standpunten van de joodse verzoekende partijen geenszins als een religieuze consensusopvatting kunnen worden beschouwd, en dat die standpunten, net zoals die van de verzoekende partij in de voormelde zaak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, als bijzonder orthodox dienen te worden bestempeld. Zij meent ook dat het bestaan van dissenting opinions de waarde van het voormelde arrest niet kan aantasten. Zij betwist ten slotte de stelling van de verzoekende partijen dat er een Europese consensus groeit omtrent de noodzaak van een uitzondering op het verdoofd slachten voor religieuze slachtingen. Zij wijst erop dat er vandaag nog maar slechts acht lidstaten van de Europese Unie onverdoofd slachten toelaten. Zij zet daarbij uiteen dat het slachten zonder voorafgaande bedwelming verboden is in Denemarken, Finland, Duitsland, IJsland, Cyprus, Slovenië, Zwitserland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Nieuw-Zeeland, en dat in Estland, Finland, Letland en Slowakije de techniek van de « post-cut stunning » verplicht is voor religieuze slachtingen, inhoudende dat het dier op het moment van of onmiddellijk na de keelsnede bedwelmd wordt. Zij wijst eveneens erop dat Nieuw- Zeeland, hoewel het slachten zonder voorafgaande verdoving er verboden is, een belangrijke exporteur van halal vlees is, en dat dit land onder meer uitvoert naar Indonesië, Maleisië, Qatar, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Egypte, Jordanië, Koeweit en Oman. A.68.
  151. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het algemeen verbod op onverdoofd slachten van dieren volledig neutraal is en voor alle vormen van slachten van gewervelde dieren bestaat en meent dat een regeling die op neutrale wijze van toepassing is, in beginsel niet als een beperking van de uitoefening van de vrijheid van godsdienst kan worden beschouwd. Zij verwijst daarbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak nr. C-157/
  152. A.68.
  153. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat het algemeen verbod op onverdoofd slachten van dieren wel een inmenging zou vormen in de vrijheid van godsdienst, is de Vlaamse Regering van oordeel dat het verbod noodzakelijk is in een democratische samenleving, aan een dwingende maatschappelijke behoefte beantwoordt en evenredig is met de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen. Zij meent dat het bestreden decreet een wettig doel nastreeft, namelijk de bescherming van de volksgezondheid en van de openbare orde, en verwijst daarbij naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en naar adviezen van de Raad van State. De maatregel is volgens haar noodzakelijk in een democratische samenleving, vermits het onverdoofd slachten onverenig

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.