id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.056 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190508.2 Arrest- Rolnummer: 56/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-05-14 Raadplegingen: 303 - laatst gezien 2026-06-28 22:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Bijzondere categorieën - Kandidaatvluchtelingen - Asielzoekers Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 7, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, zoals vervangen bij artikel 162 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver. Bestuursrecht - Vreemdelingenrecht - Asielzoekers - Recht op materiële hulp - Verlenging met het oog op het beëindigen van het schooljaar. Tekst van de beslissing Rolnummer 6831 Arrest nr. 56/2019 van 8 mei 2019 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 7, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, zoals vervangen bij artikel 162 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 12 januari 2018 in zake Z.D. tegen Fedasil, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 januari 2018, heeft de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 7 van de wet van 12 april 2007 [lees : 12 januari 2007] betreffende de opvang van asielzoekers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de mogelijkheid tot verlenging van de opvang om reden van de schoolloopbaan voorbehoudt aan de aanvragers wier asielprocedure ten vroegste op 1 april van het lopende schooljaar is afgesloten, waarbij de andere aanvragende studenten zonder mogelijkheid tot verlenging van het lopende jaar worden gelaten, waardoor de voortzetting van hun schoolloopbaan aldus in gevaar wordt gebracht, en zulks in het bijzonder voor de studenten die zich aan het einde van de opleiding bevinden ? ». Memories zijn ingediend door : - Z.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Sarolea, advocaat bij de balie van Waals-Brabant; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Detheux, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 16 januari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 februari 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 6 februari 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Z.D., die op veertienjarige leeftijd in België is aangekomen, heeft op 20 november 2012 een asielaanvraag ingediend. Van december 2013 tot oktober 2017 zijn verschillende procedures met betrekking tot de toekenning van de vluchtelingenstatus gevoerd, die tot een verwerping hebben geleid, waarbij de laatste beslissing dateert van 5 oktober
- Z.D., thans meerderjarig, heeft bij de Raad van State een administratief cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 5 oktober
- Tijdens de asielaanvraagprocedure werd Z.D. gehuisvest in het lokaal opvanginitiatief (LOI) van het OCMW van Perwijs, terwijl zij secundair beroepsonderwijs volgde te Namen. 3 Ingevolge de beslissing van 5 oktober 2017 werd zij overgebracht naar een open terugkeerplaats in het opvangcentrum te Geldenaken, dat wordt beheerd door Fedasil. Aangezien zij sedert 1 september 2017 in het zevende en laatste jaar van de beroepscyclus zit, heeft zij op 18 oktober 2017 een aanvraag voor een uitzondering op de overbrenging ingediend, teneinde haar schooljaar en haar cyclus ten laatste op 30 juni 2018 of op 30 september 2018 te kunnen beëindigen. Aangezien die aanvraag werd verworpen, treedt zij in rechte voor de verwijzende rechter. Na te hebben vastgesteld dat de bestreden beslissing de vereiste van uitdrukkelijke motivering in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen niet in acht nam, heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat indien Z.D. haar zevende beroepsjaar beëindigt, zij over een kwalificerend diploma zal beschikken, hetgeen onder de uitgebreide opvatting van het begrip « privéleven » zou kunnen vallen. De verwijzende rechter, die het noodzakelijk acht om aan het Grondwettelijk Hof een vraag te stellen, heeft eveneens beslist om de voorlopige toestand van Z.D. aan te passen en Fedasil ertoe te veroordelen Z.D. op dezelfde wijze of op een wijze die soortgelijk is aan die welke bestond vóór haar overbrenging naar het terugkeercentrum te Geldenaken, in Perwijs te huisvesten, en zulks tot het einde van het schooljaar 2017-
- III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad preciseert dat de overbrenging van Z.D. naar het opvangcentrum te Geldenaken gebaseerd was op de artikelen 6/1 en 12, § 2, van de wet van 12 januari 2007 « betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (hierna : de wet van 12 januari 2007) en dat de aanvraag voor een uitzondering op de overbrenging naar die open terugkeerplaats gebaseerd was op artikel 6/1, § 4, van de wet van 12 januari
- Die aanvraag werd verworpen op basis van de interne procedure waarin in een door Fedasil opgestelde instructie van 20 oktober 2015 is voorzien. Hij preciseert eveneens dat Fedasil op 10 januari 2018, nog vóór de beslissing van de verwijzende rechter, het LOI te Perwijs opnieuw had aangewezen om Z.D. het voordeel van de materiële hulp te bieden, rekening houdend met de toelaatbaarheid van haar administratief cassatieberoep tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij haar de vluchtelingenstatus is geweigerd. Gezien de voorliggende elementen is de Ministerraad van mening dat rekening moet worden gehouden met de artikelen 6, 6/1 en 12, § 2, van de wet van 12 januari
- A.2.
- De Ministerraad werpt de onontvankelijkheid op van de prejudiciële vraag, die geen antwoord zou behoeven, om twee redenen. A.2.
- Enerzijds is de prejudiciële vraag niet relevant voor de oplossing van het geschil. Artikel 6 van de wet van 12 januari 2007 bepaalt immers dat het recht op materiële hulp gewaarborgd blijft wanneer een cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard door de Raad van State. Sedert de toelaatbaarheid van het administratief cassatieberoep van Z.D. heeft Fedasil Z.D. toegestaan om in het LOI te Perwijs te blijven, zodat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is geworden. Zelfs indien het beroep van Z.D. zou worden verworpen, zou Fedasil opnieuw een beslissing moeten nemen teneinde het in artikel 6/1 van de wet van 12 januari 2007 bedoelde terugkeertraject te organiseren; tegen die beslissing zou dan een beroep kunnen worden ingesteld en het thans hangende beroep zou zonder voorwerp worden. Bovendien zal het schooljaar 2017-2018 op dat ogenblik waarschijnlijk beëindigd zijn. A.2.
- Anderzijds is de in het geding zijnde bepaling klaarblijkelijk niet van toepassing op het geschil voor de verwijzende rechter. De in het geding zijnde bepaling - die trouwens niet is aangevoerd door de partijen bij het geschil - heeft immers geen betrekking op de overbrenging van een opvangstructuur naar een andere, maar wel op de verlenging van het recht op materiële hulp binnen het opvangnetwerk van Fedasil, los van de plaats waar dat recht wordt toegekend. In tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter van oordeel is, houdt de in het geding zijnde bepaling geenszins in dat de betrokken vreemdeling in dezelfde opvangstructuur blijft als die 4 waarin hij op het ogenblik van het onderzoek van zijn asielaanvraag verbleef. De verwijzende rechter werd trouwens niet verzocht zich uit te spreken over het voortbestaan van een recht op materiële hulp, maar enkel over de plaats waar dat recht zou worden toegekend. Te dezen betrof het een overbrenging naar een open terugkeerplaats waar volledige materiële hulp onder de verantwoordelijkheid van Fedasil was gewaarborgd, en geen overbrenging naar een terugkeerwoning, die overeenkomstig artikel 54 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) onder de bevoegdheid van de Dienst Vreemdelingenzaken valt. A.
- Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat zij uitgaat van een verkeerd uitgangspunt, aangezien tussen de beoogde categorieën geen enkel verschil in behandeling in het leven werd geroepen. Het is immers onjuist te beweren, enerzijds, dat de in het geding zijnde bepaling de mogelijkheid tot verlenging van de opvang om reden van de schoolloopbaan enkel voorbehoudt aan de studenten wier asielprocedure ten vroegste op 1 april van het lopende schooljaar is afgesloten, en, anderzijds, dat zij aan de andere studenten de mogelijkheid zou ontzeggen om het lopende jaar voort te zetten. Aldus bepaalt artikel 6 van de wet van 12 januari 2007 dat het recht op materiële hulp inherent verbonden is aan de kennisgeving van een bevel om het grondgebied te verlaten. De in de in het geding zijnde bepaling bedoelde verlenging van de materiële hulp houdt dus in dat de vreemdeling, vóór zijn aanvraag tot verlenging van de materiële hulp, een aanvraag tot uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten indient die, overeenkomstig artikel 74/14 van de wet van 15 december 1980, op elk ogenblik van het schooljaar kan worden ingediend. In de parlementaire voorbereiding met betrekking tot de wet van 19 januari 2012 « tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers » waarbij die bepaling is ingevoerd, wordt aangegeven dat de wetgever de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten en het einde van het recht op materiële hulp wou laten samenvallen. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 december 2009 « houdende diverse bepalingen » waarbij de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde mogelijkheid tot verlenging van de materiële hulp is ingevoegd, wordt ook het voornemen van de wetgever bevestigd om die hulp te verbinden aan de inzake verblijf genomen beslissingen. Bovendien maakt artikel 7, § 3, van de wet van 12 januari 2007 het een vreemdeling wiens asielaanvraag werd verworpen, wiens bevel om het grondgebied te verlaten is verstreken en die niet onder de toepassingsvoorwaarden van artikel 7, §§ 1 en 2, van de wet van 12 januari 2007 valt, mogelijk om een verlenging van de materiële hulp te genieten indien hij bijzondere omstandigheden betreffende het respect voor de menselijke waardigheid doet gelden. Geen enkele vreemdeling wordt dus de plano uitgesloten van de mogelijkheid om een verlenging van zijn recht op materiële hulp te genieten. A.
- Z.D., eisende partij voor de verwijzende rechter, preciseert dat de auditeur op 7 februari 2018 een advies heeft uitgebracht volgens hetwelk het administratief cassatieberoep dat zij heeft ingesteld, moest worden verworpen. Zij geeft ook aan dat zij een regularisatieaanvraag op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, aangezien haar asielaanvraagprocedure bijna vijf jaar in beslag heeft genomen. A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter antwoordt dat de vraag relevant is voor de oplossing van het geschil, zowel wat haar bijzondere situatie als wat de van toepassing zijnde regel betreft. Enerzijds werd het recht op materiële hulp, te haren aanzien, opnieuw toegekend en niet behouden, aangezien zij naar een terugkeercentrum is overgebracht alvorens opnieuw in het centrum te Perwijs te zijn opgenomen; zij heeft dus verschillende weken in een terugkeercentrum doorgebracht. Daarenboven blijft de vraag relevant aangezien haar administratief cassatieberoep op elk ogenblik kan worden verworpen en zij haar schoolloopbaan enkel zal kunnen beëindigen indien de materiële hulp wordt behouden. Anderzijds is de overbrenging naar een terugkeerwoning geen modaliteit voor de toekenning van materiële hulp maar een modaliteit voor de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten. De in het geding zijnde bepaling heeft enkel zin indien de materiële hulp wordt voortgezet op een plaats waar de schoolloopbaan kan worden voortgezet binnen dezelfde instelling; zij kan dus niet in die zin worden geïnterpreteerd dat de overbrenging naar een verafgelegen terugkeercentrum een wijze van uitvoering van de materiële hulp vormt. Te 5 dezen heeft Z.D. aangetoond dat de overbrenging naar het terugkeercentrum haar niet de mogelijkheid zou bieden haar schoolloopbaan voort te zetten, rekening houdend met het bestaande openbaar vervoer. A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter is van mening dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie doet ontstaan, aangezien de studenten die vóór 1 april een negatieve beslissing krijgen, de mogelijkheid hebben om een afwijking te vragen die het voorwerp van een discretionaire beslissing uitmaakt, terwijl het recht op behoud van de materiële hulp het voorwerp uitmaakt van een gunstigere specifieke bepaling met betrekking tot de studenten die na 1 april van een schooljaar een negatieve beslissing krijgen. Aldus wordt het door de in het geding zijnde bepaling gewaarborgde recht geopend zodra een aanvraag tot uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten is ingediend, zonder een positieve beslissing met betrekking tot die aanvraag te vereisen. Daarenboven verleent artikel 7, § 3, van de wet van 12 januari 2007 een discretionaire bevoegdheid aan Fedasil, in tegenstelling tot de in het geding zijnde bepaling, die een subjectief recht verleent aan de persoon die in een materiële structuur wordt opgevangen. Die twee bepalingen kunnen dus niet worden geacht gelijkwaardige waarborgen te bevatten. Voor het overige zijn de vergeleken categorieën vergelijkbaar. Vreemdelingen die een schooljaar zijn begonnen, moeten het kunnen beëindigen, waarbij een objectiever criterium het risico van het verlies van een schooljaar is. Vervolgens, indien de regel op dezelfde wijze van toepassing is op een minderjarige student en op een meerderjarige student aan het einde van de humaniora, brengt hij eveneens een discriminatie teweeg in zoverre de meerderjarige student over geen enkele waarborg beschikt met betrekking tot het feit dat hij zich in een andere instelling kan inschrijven, aangezien hij over geen enkel subjectief recht op inschrijving na de leeftijd van achttien jaar beschikt. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 7, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 12 januari 2007 « betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (hierna : de wet van 12 januari 2007), zoals vervangen bij artikel 162 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen (hierna : de wet van 30 december 2009), dat bepaalt : « Het recht op de materiële hulp kan verlengd worden, op met redenen omklede beslissing van het Agentschap, wanneer de vreemdeling die verblijft in een opvangstructuur zich in één van volgende situaties bevindt en hiertoe een aanvraag indient : 1° de vreemdeling van wie de asielprocedure en de procedure voor de Raad van State negatief zijn afgesloten, die geen gevolg kan geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten dat hem werd betekend en die, met het oog op het beëindigen van het schooljaar, een aanvraag tot uitstel van zijn bevel om het grondgebied te verlaten heeft ingediend bij de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie, en dit ten vroegste drie maanden voor het einde van het schooljaar. De verlenging van het recht op de materiële hulp eindigt wanneer het uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten afgelopen is of wanneer dit uitstel wordt geweigerd; ». 6 B.1.
- In de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 december 2009 wordt aangegeven dat de wetgever, met de vervanging van artikel 7, § 2, van de wet van 12 januari 2007, twee doelstellingen nastreefde, te weten een verduidelijking van het toepassingsgebied van de bedoelde regeling en het vermijden van proceduremisbruiken (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2299/001, p. 97). De bij de wet van 30 december 2009 aangebrachte wijziging bestond erin, enerzijds, het automatische karakter dat de verlenging van de materiële hulp vroeger had, op te heffen en aan het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (hierna : Fedasil) de mogelijkheid te bieden om « met een gemotiveerde beslissing [te] oordelen of de vreemdeling die de aanvraag doet, zich werkelijk in één van de situaties bevindt die de voortzetting van het recht op de materiële hulp kunnen verantwoorden » (ibid., p. 90), waarbij die situaties in de bestreden bepaling worden opgesomd, en, anderzijds, de limitatieve lijst van bijzondere situaties die het op die bepaling gebaseerde recht openen, te herschikken en te vernieuwen. Met betrekking tot de in het geding zijnde bepaling werd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 december 2009 aangegeven : « [Een] verlenging van de materiële hulp [kan] worden aangevraagd met het oog op het beëindigen van het schooljaar. Deze aanvraag moet ondersteund worden door een aanvraag tot uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten bij de Dienst Vreemdelingenzaken, en dit ten vroegste drie maanden voor het einde van het schooljaar. Het spreekt voor zich dat de verlenging van de materiële hulp in dit geval eindigt wanneer het toegekende uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten eindigt, ofwel wanneer het aangevraagde uitstel niet wordt toegekend » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2299/001, p. 91). B.
- Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 7, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 12 januari 2007 in zoverre het « de mogelijkheid tot verlenging van de opvang om reden van de schoolloopbaan voorbehoudt aan de aanvragers wier asielprocedure ten vroegste op 1 april van het lopende schooljaar is afgesloten, waarbij de andere aanvragende studenten zonder mogelijkheid tot verlenging voor het lopende jaar worden gelaten, waardoor de voortzetting van hun schoolloopbaan aldus in gevaar wordt gebracht, en zulks in het bijzonder voor de studenten die zich aan het einde van de opleiding bevinden ». 7 B.3.
- Artikel 3 van de wet van 12 januari 2007 bepaalt : « Elke asielzoeker heeft recht op een opvang die hem in staat moet stellen om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Onder opvang wordt de materiële hulp verstaan die op grond van deze wet toegekend wordt of de maatschappelijke dienstverlening die wordt verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ». B.3.
- Artikel 6 van de wet van 12 januari 2007, dat het begin vormt van hoofdstuk I van titel III van boek I van die wet, strekt ertoe de omstandigheden te bepalen waarin een asielzoeker « materiële hulp » geniet. Artikel 6, § 1, eerste lid, bepaalt dat de asielzoeker de materiële hulp in beginsel geniet vanaf de indiening van zijn aanvraag en gedurende de hele asielprocedure, met inbegrip van de in die bepaling vermelde beroepsprocedures. B.3.
- « Materiële hulp » in de zin van de wet van 12 januari 2007 is hulp die wordt verleend door Fedasil of door een « partner », met andere woorden een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die door en op kosten van dat Agentschap wordt belast met het verlenen van die hulp (artikel 2, 6°, in samenhang gelezen met artikel 2, 8° en 9°, van de wet van 12 januari 2007). « Materiële hulp » wordt verleend binnen een « opvangstructuur », met andere woorden een « collectieve of individuele structuur » die door het Agentschap of door een « partner » wordt beheerd (artikel 2, 6°, in samenhang gelezen met artikel 2, 10°, van dezelfde wet). Die hulp bestaat « met name […] uit huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding » en « omvat eveneens de toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten als tolkdiensten of opleidingen, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer » (artikel 2, 6°, van dezelfde wet). B.3.
- Aldus begeleidt Fedasil de begunstigde van de materiële hulp individueel met het oog op de terugkeer, via het « terugkeertraject », dat wordt « geformaliseerd in een door de asielzoeker of de illegale vreemdeling en zijn gezinsleden ondertekend document, dat op zijn 8 minst de rechten en plichten van de asielzoeker en een concrete timing voor de terugkeer vermeldt » (artikel 2, 12°). Zoals ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 19 januari 2012, bepaalt artikel 6/1 van de wet van 12 januari 2007 : « §
- De asielzoeker heeft steeds de mogelijkheid om in te tekenen op een geïndividualiseerd terugkeertraject dat in samenspraak met het Agentschap wordt opgesteld. Het terugkeertraject geeft voorrang aan de vrijwillige terugkeer. §
- Ten laatste 5 dagen na een negatieve beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen biedt het Agentschap een eerste maal de terugkeerbegeleiding aan, waarbij aan de asielzoeker informatie verstrekt wordt met betrekking tot de mogelijkheden inzake het terugkeertraject. §
- Wanneer aan [een] asielzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten betekend is, dient het terugkeertraject binnen de uitvoeringstermijn van dat bevel opgesteld en uitgevoerd te worden. Ten laatste wanneer de asielzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten betekend werd, wordt de Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte gebracht en gehouden van de stand van zaken en de vordering van het terugkeertraject, dat vanaf dat moment gezamenlijk door het Agentschap en de Dienst Vreemdelingenzaken beheerd wordt. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels voor deze informatie-uitwisseling en het gezamenlijk beheer van het traject bepalen. Indien het Agentschap of de Dienst Vreemdelingenzaken van oordeel is dat de vreemdeling onvoldoende meewerkt aan het terugkeertraject, waardoor zijn vertrek door zijn eigen gedrag wordt uitgesteld, wordt het beheer van het terugkeertraject en het bijhorende administratieve dossier overgedragen aan de Dienst Vreemdelingenzaken, met het oog op een gedwongen terugkeer. Te dien einde kan de Dienst Vreemdelingenzaken de verplichte plaats van inschrijving wijzigen. §
- Het Agentschap of de Dienst Vreemdelingenzaken kunnen de verplichte plaats van inschrijving wijzigen voor de duur van het traject. De Koning kan hiertoe de nadere regels bepalen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad ». In de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 januari 2012 wordt aangegeven dat, indien het vrijwillige-terugkeertraject wordt gevolgd, « het recht op opvang behouden [blijft] voor een termijn van ten minste dertig dagen » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-0813/012, p. 21). 9 B.3.
- De artikelen 9 en volgende van de wet van 12 januari 2007 regelen de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving (artikelen 9 tot 11), de eventuele wijziging ervan (artikel 12) en de eventuele opheffing ervan (artikel 13). Artikel 9 van de wet van 12 januari 2007 bepaalt : « De opvang, bedoeld in artikel 3, wordt toegekend door de opvangstructuur of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toegewezen als verplichte plaats van inschrijving, onverminderd de toepassing van artikel 11, § 3, laatste lid, of van artikel 13 ». Artikel 11, § 3, van de wet van 12 januari 2007 bepaalt : « Bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving ziet het Agentschap erop toe dat deze plaats aangepast is aan de begunstigde van de opvang en dit binnen de grenzen van het aantal beschikbare plaatsen. Het houdt rekening : 1° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, met de bezettingsgraad van de opvangstructuren; 2° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, tweede lid en § 2, met een gelijkmatige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria vastgelegd in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De beoordeling van het aangepaste karakter van deze plaats is met name gebaseerd op criteria als de gezinstoestand van de begunstigde van de opvang, zijn gezondheidstoestand, zijn kennis van één van de landstalen of van de taal waarin de procedure gevoerd wordt. In dit kader besteedt het Agentschap bijzondere aandacht aan de toestand van kwetsbare personen zoals bedoeld in artikel
- Wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het Agentschap afwijken van de bepalingen van § 1 door geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen ». Artikel 12, § 2, van de wet van 12 januari 2007 bepaalt : « In toepassing van artikel 11, § 3, derde lid, kan het Agentschap op eigen initiatief of op verzoek van de partner of de asielzoeker de in toepassing van artikel 11, § 1, toegewezen verplichte plaats van inschrijving wijzigen. Wanneer deze wijziging door het Agentschap omwille van de eenheid van het gezin overwogen wordt, is de instemming van de asielzoeker voorafgaandelijk vereist. De Koning bepaalt de procedure betreffende de wijziging bedoeld in het eerste lid ». 10 B.4.
- Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op een beslissing van Fedasil waarbij de verplichte plaats van inschrijving van de eisende partij voor de verwijzende rechter wordt gewijzigd, en waarbij zij wordt overgebracht van een lokaal opvanginitiatief (LOI) van het OCMW van Perwijs naar een open terugkeerplaats in het opvangcentrum te Geldenaken. Die beslissing is gesteund op de artikelen 6/1 en 12, § 2, van de wet van 12 januari
- De eisende partij voor de verwijzende rechter betwist die beslissing tot overbrenging, die haar zou verhinderen haar zevende jaar beroepsonderwijs te Namen te beëindigen vóór het einde van het schooljaar 2017-
- B.4.
- Uit de verwijzingsbeslissing en uit de feitelijke elementen die in de memories ter kennis van het Hof zijn gebracht, blijkt dat, enerzijds, aan de eisende partij voor de verwijzende rechter nooit materiële hulp werd ontzegd en dat, anderzijds, de verwijzende rechter Fedasil ertoe heeft veroordeeld « mevrouw [Z.D.] op dezelfde wijze of op een wijze die soortgelijk is aan die welke bestond vóór de toewijzing van de terugkeerplaats in het centrum te Geldenaken, in Perwijs te huisvesten, en zulks tot het einde van het schooljaar 2017-2018 ». De eisende partij heeft haar studiecyclus aan het einde van het schooljaar 2017-2018 dus kunnen voltooien, zonder materiële hulp in de zin van de wet van 12 januari 2007 te worden ontzegd. B.5.
- Bovendien had het voor de verwijzende rechter gebrachte geschil betrekking op een aanvraag voor een uitzondering op de beslissing van Fedasil met betrekking tot de wijziging van de verplichte plaats van inschrijving, met toepassing van de artikelen 6/1 en 12, § 2, van de wet van 12 januari 2007, en niet op een beslissing met betrekking tot de verlenging van de materiële hulp met toepassing van de in het geding zijnde bepaling. B.5.
- Voor het overige, met betrekking tot de verlenging van de materiële hulp met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 135/2011 van 27 juli 2011, het middel niet gegrond bevonden waarin het feit werd bekritiseerd dat de aanvraag tot verlenging van de materiële hulp met het oog op het beëindigen van het 11 schooljaar, behoudens een door Fedasil toegekende afwijking, ten vroegste drie maanden vóór het einde van het schooljaar kan worden ingediend, wat tot gevolg heeft dat de verlenging van de materiële hulp slechts geldt voor het lopende schooljaar en niet voor de daaropvolgende jaren die eventueel nodig zijn om een getuigschrift of diploma te halen : « B.14.
- Het feit dat in de in artikel 7, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 12 januari 2007 bedoelde gevallen, de vreemdeling die geen gevolg kan geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, de aanvraag tot verlenging van de materiële hulp die daarin wordt bedoeld, behoudens een door FEDASIL toegekende afwijking, ten vroegste drie maanden vóór het einde van het schooljaar moet indienen, wordt verantwoord door de wil van de wetgever om misbruiken tegen te gaan en aldus de verzadiging van het opvangnetwerk te vermijden. Aldus wordt immers vermeden dat de vreemdeling van wie de asielprocedure en de procedure voor de Raad van State negatief zijn afgesloten, zich inschrijft in een onderwijsinstelling met het loutere oog op de verlenging van de materiële hulp. B.14.
- De interpretatie van de verzoekende partijen als zou de verlenging van de materiële hulp worden ontzegd aan hen die hun schooljaar niet in juni maar pas in september beëindigen, vindt geen steun in de tekst van de bestreden bepaling, die de mogelijkheid van een verlenging voorziet ‘ met het oog op het beëindigen van het schooljaar ’, waarmee het gehele lopende schooljaar wordt bedoeld. Het middel gaat derhalve uit van een verkeerde premisse. B.14.
- In zoverre de verzoekende partijen het feit bekritiseren dat de mogelijkheid om de materiële hulp te verlengen slechts geldt voor het lopende schooljaar en niet voor de daaropvolgende jaren die eventueel nodig zijn om een getuigschrift of diploma te halen, dient te worden opgemerkt dat het recht op onderwijs, dat wordt gewaarborgd door de in het middel aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen, geen recht op materiële hulp in de zin van artikel 2, 6°, van de wet van 12 januari 2007 inhoudt, laat staan de verplichting voor de overheid om op grond van die bepalingen een vreemdeling die illegaal in het land verblijft, materiële hulp te verlenen ». B.
- Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div