id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.062 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190508.8 Arrest- Rolnummer: 62/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-05-14 Raadplegingen: 286 - laatst gezien 2026-06-28 22:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AGRARISCH RECHT - Ruilverkaveling - Ruilverkaveling uit kracht van de wet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, gesteld door het Hof van Cassatie. Ruilverkaveling van de landeigendommen uit kracht van de wet - Vlaams Gewest - Vonnis in laatste aanleg van de vrederechter - Voorziening in cassatie. Tekst van de beslissing Rolnummer 6878 Arrest nr. 62/2019 van 8 mei 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 22 februari 2018 in zake Maria Mattheussen en Marc Bolckmans, August Verstraelen en Marc Verstraelen en Luc Jansen tegen het ruilverkavelingscomité Zondereigen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 maart 2018, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 23 en 43 van de Ruilverkavelingswet van 22 juli 1970 de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet voor zover artikel 23, twaalfde lid zo moet gelezen worden dat het een cassatieberoep door elke belanghebbende uitsluit tegen een vonnis in laatste aanleg van de vrederechter op grond van voormeld artikel 23 of 43, waardoor een onderscheid wordt gemaakt met de mogelijkheid die elke belanghebbende partij bij een vonnis of arrest volgens het gemeen recht heeft om cassatieberoep in te stellen tegen een in laatste aanleg gewezen beslissing ? ». Memories zijn ingediend door : - Maria Mattheussen en anderen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie; - het ruilverkavelingscomité Zondereigen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Verbist. Maria Mattheussen en anderen hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 6 februari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Derycke en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 27 februari 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 27 februari 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2003 wordt het ruiverkavelingscomité Zondereigen opgericht. Op 11 februari 2016 stelt het ruiverkavelingscomité een herkavelingsplan vast. In navolging van die beslissing stellen Maria Mattheussen en Marc Bolckmans, August Verstraelen en Marc Verstraelen en Luc Jansen, bij afzonderlijke dagvaardingen van 14 maart 2016, een vordering in bij de Vrederechter van het kanton Turnhout, dit op grond van artikel 43, § 1, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet (hierna : de wet van 22 juli 1970). 3 Bij vonnissen van 31 maart 2016 worden die vorderingen onontvankelijk verklaard, omdat zij niet bij verzoekschrift maar wel bij dagvaarding werden ingesteld. De voornoemde partijen stellen tegen die vonnissen voorzieningen in cassatie in. Het Hof van Cassatie beslist de zaken samen te voegen. Het stelt vervolgens vast dat uit de samenhang van de artikelen 23, twaalfde lid, en 43, § 1, van de wet van 22 juli 1970 moet worden afgeleid dat er geen cassatieberoep openstaat tegen een beslissing van de vrederechter gewezen met toepassing van de laatstgenoemde bepaling. In navolging van de eisende partijen in cassatie werpt het Hof van Cassatie de vraag op of er een voldoende redelijke verantwoording bestaat voor die uitsluiting van de belanghebbende van een cassatieberoep tegen de beslissing in laatste aanleg van de vrederechter, terwijl het gemeen recht in beginsel wel een cassatieberoep toelaat tegen beslissingen in eerste en laatste aanleg, en voor de beperking van het recht van de belanghebbenden om toegang te hebben tot het buitengewoon rechtsmiddel van het cassatieberoep tegen een beslissing waarbij de vrederechter hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaart omdat deze niet op de door de wet bepaalde wijze werden ingesteld. Het is in die omstandigheid dat het Hof van Cassatie de bovenvermelde vraag stelt. III. In rechte -A- A.
- Maria Mattheussen, Marc Bolckmans, August Verstraelen en Marc Verstraelen en Luc Jansen, eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege, voeren aan dat de in het geding zijnde bepalingen het buitengewoon rechtsmiddel van het cassatieberoep geenszins uitsluiten. Er wordt immers enkel bepaald dat « geen beroep » is toegelaten, hetgeen in zijn gebruikelijke betekenis dient te worden begrepen. Bijgevolg is een voorziening in cassatie, overeenkomstig de algemene regel, wel degelijk mogelijk. Uit het feit dat wordt herinnerd aan de bevoegdheid van de procureur-generaal om op te treden in geval van machtsoverschrijding of in het belang van de wet, kan niet worden afgeleid dat het cassatieberoep door een belanghebbende is uitgesloten. Indien de in het geding zijnde bepalingen evenwel aldus zouden moeten worden geïnterpreteerd dat zij, in afwijking van het gemeen recht, een cassatieberoep uitsluiten, bestaat er volgens de eisende partijen geen redelijke verantwoording voor dat onderscheid en voor die beperking van het recht van de belanghebbenden om toegang te hebben tot het Hof van Cassatie. Dat buitengewoon rechtsmiddel heeft immers geen schorsend effect en verhindert de uitvoering van de ruilverkaveling bijgevolg niet. Er blijkt geen enkele verantwoording voor die uitsluiting van het cassatieberoep voorhanden te zijn. A.
- Het ruilverkavelingscomité Zondereigen, verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, en de Vlaamse Regering voeren in hun identieke memories aan dat de belanghebbende van een cassatieberoep tegen een beslissing gewezen met toepassing van artikel 43, § 1, van de wet van 22 juli 1970 niet vergelijkbaar is met de belanghebbende van een cassatieberoep in het gemeen recht. Terwijl de ruilverkaveling betrekking heeft op het algemeen belang, hetgeen blijkt uit de uitdrukkelijke wettelijke kwalificatie van de ruilverkaveling als een instrument ten dienste van het algemeen belang, zijn in de gemeenrechtelijke burgerlijke procedure enkel private belangen in het geding. In ieder geval zou het onderscheid tussen de voormelde categorieën van personen berusten op een objectief criterium, namelijk de aard van de in het geding zijnde rechten. Het onderscheid zou bovendien redelijk verantwoord zijn. De maatregel streeft immers een wettig doel na, namelijk de ruilverkaveling zo snel en zo efficiënt mogelijk laten verlopen. De ruilverkaveling als instrument van het algemeen belang, gericht op een meer efficiënte ruimtelijke ordening en een economische rationalisatie, verantwoordt de invoering van een van het gemeen recht afwijkende procedure, die sneller dan de gemeenrechtelijke procedure leidt tot een definitieve beslechting van uit de ruilverkaveling voortvloeiende geschillen. De maatregel is voorts pertinent in het licht van die doelstelling om de afwikkeling van de ruilverkaveling te versnellen. Krachtens artikel 44 van de wet van 22 juli 1970 kunnen de ruilverkavelingswerkzaamheden immers pas verder doorgang vinden « na de uitspraak van de vonnissen, gewezen op beroep ingediend op grond van artikel 43, § 1 ». Die geschillen dienen noodzakelijkerwijze eerst definitief te zijn beslecht vooraleer, in een volgende fase, de rekening van iedere belanghebbende kan worden opgemaakt en de aanvullende akte van ruilverkaveling kan worden verleden. Het 4 uitsluiten van een cassatieberoep tegen de beslissingen van de vrederechter, genomen met toepassing van artikel 43, § 1, van de wet van 22 juli 1970, vermijdt bovendien niet alleen de vertraging door de cassatieprocedure zelf, maar ook de mogelijke vertraging door een nieuwe behandeling van de zaak na verwijzing. De maatregel zou tot slot proportioneel zijn. Het cassatieberoep wordt immers niet volledig uitgesloten, nu de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie de mogelijkheid behoudt om een voorziening in te stellen wegens machtsoverschrijding of in het belang van de wet. De beroepsmogelijkheden van de betrokkenen dienen bovendien in hun geheel te worden bekeken. Bij het arrest nr. 83/2003 van 11 juni 2003 heeft het Hof reeds geoordeeld dat de betrokkenen bij een ruilverkaveling ook andere wegen kunnen bewandelen teneinde hun rechten te vrijwaren. De belanghebbenden hebben steeds het recht om op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek een vordering in te stellen tegen het ruilverkavelingscomité, indien zij dat comité een fout verwijten die schade heeft berokkend. Dergelijke geschillen vallen niet onder de bijzondere bevoegdheid van de vrederechter inzake ruilverkavelingsgeschillen, en bijgevolg ook niet onder de uitsluiting van het cassatieberoep. Voorts kan een betwisting omtrent de ruilverkaveling zelf voor de Raad van State worden gebracht. Daarenboven heeft de wetgever, specifiek voor de geschillen met toepassing van de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970, voorzien in een administratief beroep bij het ruilverkavelingscomité, dat daarin geadviseerd wordt door de commissie van advies en slechts van een gunstig advies kan afwijken na de betrokkenen te hebben gehoord. De wetgever heeft dat ruilverkavelingscomité terecht beschouwd als een onafhankelijk en onpartijdig lichaam, wiens beslissingen zodanige waarborgen bieden dat ze kunnen worden beschouwd als zijnde genomen in eerste aanleg. De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege en de Vlaamse Regering voeren tot slot nog aan dat een snelle ruilverkavelingsprocedure in het belang is van alle betrokkenen. Het betreft een project waarbij honderden tot duizenden eigenaars, gebruikers en vruchtgebruikers betrokken zijn. Zij ondervinden allen een nadelige invloed van een (cassatie)procedure gevoerd door één belanghebbende. Zolang de nieuwe toestand niet is vastgelegd in de ruilverkavelingsakte, is het voor de betrokkenen bijvoorbeeld praktisch onmogelijk om investeringen te doen of leningen of hypotheken af te sluiten. De mogelijkheid van een cassatieberoep zou de verkavelingswerkzaamheden jaren kunnen vertragen, niet enkel door de duur van de cassatieprocedure zelf maar ook door de duur van de procedure op verwijzing na cassatie. De uitsluiting van het cassatieberoep leidt dan ook tot een substantieel snellere realisatie van de ruilverkaveling. Uit al die overwegingen zou voortvloeien dat de maatregel proportioneel is met het nagestreefde doel. A.
- De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege betwisten dat er een verschil zou zijn bij de beslechting van een rechtsvraag, naargelang die rijst in het kader van een procedure die betrekking heeft op louter private belangen dan wel in het kader van de ruilverkaveling die betrekking zou hebben op het algemeen belang. Niettegenstaande de belangen in beide procedures kunnen verschillen, hebben de partijen hetzelfde belang dat hun rechtsvragen op dezelfde manier kunnen worden beslecht. De kwestie die in onderhavige zaak aan het Hof van Cassatie wordt voorgelegd, betreft de vraag of de vordering bij de vrederechter kon worden ingesteld bij dagvaarding. Dit is wel degelijk een rechtsvraag die zich in andere materies op dezelfde wijze kan stellen. Bovendien zijn bij een ruilverkaveling eveneens private belangen aan de orde. Het criterium dat door de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege en door de Vlaamse Regering wordt aangevoerd om het bekritiseerde onderscheid te verantwoorden, is bijgevolg niet relevant. Het feit dat een cassatieprocedure vertraging met zich meebrengt, biedt evenmin een redelijke verantwoording. Die uitwerking is immers dezelfde in beide soorten procedures. Het is bovendien niet aangetoond dat een niet-schorsende cassatieprocedure een nefaste uitwerking zou hebben op beslissingen inzake ruilverkaveling, die ondertussen uitvoerbaar zijn. 5 -B- B.1.
- De prejudiciële vraag betreft de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet (hierna : de wet van 22 juli 1970), zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest. Uit de zaak voor het verwijzende rechtscollege blijkt dat de vraag in het bijzonder betrekking heeft op artikel 23, eerste en twaalfde lid, en artikel 43, § 1, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet van 22 juli 1970, die bepalen : « Art.
- Ieder belanghebbende kan de vaststelling van de waarden betwisten. Hij kan eveneens de vaststelling van de oppervlakte van zijn kavels betwisten, doch enkel wanneer het comité voor een kavel een andere oppervlakte heeft vastgesteld dan diegene die blijkt uit de kadastrale stukken, of wanneer het comité in zijn lijsten de kadastrale oppervlakte van een kavel heeft overgenomen dan wanneer het kadaster in zijn stukken geen rekening heeft gehouden met een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die de oppervlakte van die kavel heeft vastgesteld of voor een kavel een oppervlakte vermeldt die ten minste twee pct kleiner is dan ofwel de oppervlakte vermeld in een akte met vaste dagtekening ofwel de door natrekking gewijzigde oppervlakte. Die twee pct worden berekend voor eenzelfde geheel waarvan eenzelfde belanghebbende alleen of in onverdeeldheid ofwel eigenaar, ofwel blote eigenaar of vruchtgebruiker is. [...] Tegen het vonnis is, behalve verzet, geen beroep mogelijk, onverminderd de bevoegdheid van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie om zich te voorzien wegens machtsoverschrijding of in het belang van de wet, overeenkomstig artikel 1091 van het Gerechtelijk Wetboek ». « Art.
- §
- Ieder belanghebbende kan de oppervlakten betwisten van de nieuwe kavels die hem in elke waardezone worden toegewezen, de berekening van de globale waarden en van de opleg die er uit voortspruit, het bedrag van de vergoedingen wegens meer- of minderwaarden evenals de vergoeding voor gebruiksverlies. Kan eveneens door ieder belanghebbende worden betwist het aandeel in de kosten dat hem overeenkomstig de bepalingen van artikel 40, eerste en tweede lid, ten laste wordt gelegd. [...] De bepalingen van artikel 23, leden drie, vier en zes tot twaalf, zijn van toepassing op de hiervoren bedoelde rechtsvorderingen ». Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. 6 B.1.
- In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « voor zover artikel 23, twaalfde lid, zo moet gelezen worden dat het een cassatieberoep door elke belanghebbende uitsluit tegen een vonnis in laatste aanleg van de vrederechter op grond van voormeld artikel 23 of 43 ». B.2.
- De ruilverkaveling uit kracht van de wet, zoals geregeld bij de wet van 22 juli 1970, streeft hoofdzakelijk naar een verbetering van de economische exploitatie van de agrarische infrastructuur, in beginsel door ruiling van versnipperde en verspreid liggende gronden met het oog op het vormen van aaneensluitende en regelmatige kavels. Een ruilverkaveling kan gepaard gaan met het uitvoeren van bepaalde werken die betrekking kunnen hebben op onder meer de aanleg en verbetering van wegen, de waterbeheersing en de landschapszorg, evenals met andere maatregelen van landinrichting (artikel 62 van de wet van 22 juli 1970). B.2.
- Indien de Vlaamse Regering beslist dat zal worden overgegaan tot ruilverkaveling van de goederen aangeduid op het door de bevoegde minister vastgestelde kavelplan, wordt een ruilverkavelingscomité opgericht (artikel 65 van de wet van 22 juli 1970). Het ruilverkavelingscomité, dat rechtspersoonlijkheid heeft, beraadslaagt en beslist over alles wat de uitvoering van de ruilverkaveling betreft (artikel 66 van dezelfde wet). Aldus maakt het comité een kavelplan op, waarbij voor elke eigenaar, vruchtgebruiker en gebruiker en voor elke kavel zowel de oppervlakte als de waarde van de ingebrachte kavels worden vastgesteld, evenals een herverkavelingsplan, waarbij de nieuwe kavels aan de betrokken eigenaars, vruchtgebruikers en gebruikers worden toegewezen en de vergoedingen voor meer- en minderwaarden en voor gebruiksverlies worden vastgesteld (artikelen 26, 34 en 69 van dezelfde wet). Het ruilverkavelingscomité wordt daarin bijgestaan door een commissie van advies, evenals door de Vlaamse Landmaatschappij (artikelen 15 en 67 van dezelfde wet, in samenhang gelezen met artikel 18octies van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij). B.2.
- Krachtens de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 kunnen de belanghebbenden de daarin vermelde beslissingen van het ruilverkavelingscomité, die betrekking hebben op de vaststelling van de oppervlakten en de waarden van de ingebrachte 7 en de nieuw toegekende kavels evenals op de toegekende vergoedingen, bij de vrederechter betwisten. Krachtens artikel 23, twaalfde lid, van de wet van 22 juli 1970, waarnaar artikel 43, § 1, vijfde lid, verwijst, is tegen het vonnis van de vrederechter, behalve verzet, geen beroep mogelijk, onverminderd de bevoegdheid van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie om zich te voorzien wegens machtsoverschrijding of in het belang van de wet. B.
- Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die interpretatie dat de belanghebbende geruilkavelden geen voorziening in cassatie kunnen instellen tegen een op grond van die bepalingen in laatste aanleg gewezen vonnis van de vrederechter. De prejudiciële vraag noopt tot een vergelijking van die situatie van de geruilkavelden met die van andere rechtzoekenden, die krachtens het gemeen recht wel een voorziening in cassatie kunnen instellen tegen in laatste aanleg gewezen beslissingen. B.
- In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering aanvoert, bevinden de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen zich in situaties die voldoende vergelijkbaar zijn, wat de mogelijkheid betreft om een voorziening in cassatie in te stellen tegen een in laatste aanleg gewezen beslissing. Het feit dat de ruilverkaveling betrekking zou hebben op het algemeen belang, terwijl de geschillen die ressorteren onder de gemeenrechtelijke procedure louter private belangen zouden betreffen, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van de redelijkheid en evenredigheid van het verschil in behandeling, maar het kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten. B.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. 8 B.
- Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vorderen van een in laatste aanleg gewezen beslissing. Het Hof van Cassatie treedt daarbij niet in de beoordeling van de zaken zelf. B.
- Noch uit artikel 13 van de Grondwet, noch uit enige andere grondwets- of verdragsbepaling vloeit een recht op een cassatieberoep voort. B.8.
- De uitsluiting van rechtsmiddelen tegen het vonnis van de vrederechter was reeds neergelegd in de wet van 25 juni 1956 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, vervangen bij de wet van 22 juli 1970, gewijzigd bij de wet van 11 augustus
- Het door die bepaling nagestreefde doel werd als volgt verantwoord : « Voor de procedure die uitgewerkt wordt in artikel 20 heeft men zich laten leiden door de wet van 3 Februari 1947 betreffende de procedure voor onteigening ten algemenen nutte in hoogdringende omstandigheden. Elke belanghebbende, in de breedste zin van het woord, kan de bepaling van de oppervlakten en van de waarden betwisten door het comité voor de vrederechter te dagen. Deze beslist in laatste aanleg. Het enig toegelaten verhaal is de voorziening in verbreking in het belang der wet door de Procureur Generaal bij het Hof van Verbreking. Men zou kunnen aanvoeren dat de belanghebbenden verstoken blijven van de dubbele rechtspraak; in werkelijkheid evenwel is het comité ter zake een onafhankelijk en onpartijdig lichaam en zijn beslissingen bieden zodanige waarborgen van objectiviteit dat men ze kan beschouwen als zijnde genomen in eerste aanleg » (Parl. St., Senaat, 1954-1955, nr. 27, p. 13). Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 1970, die de wet van 25 juni 1956 heeft vervangen, blijkt voorts dat de wetgever « een bijzondere aandacht [heeft] besteed aan een sneller verloop van de verkavelingsprocedure », en evenzeer erover bekommerd was « een maximale rechtszekerheid te waarborgen aan de belanghebbende eigenaars, vruchtgebruikers, gebruikers en houders van zakelijke rechten » (Parl. St., Kamer, 1969-1970, nr. 250/6, p. 8). De parlementaire voorbereiding vermeldt nog : « De ruilverkaveling is een ingewikkelde operatie. Er komen noodzakelijkerwijze een aantal verrichtingen aan te pas welke onder geen voorwendsel mogen worden achterwege gelaten. Er is geen ruilverkaveling denkbaar zonder een nauwkeurig onderzoek van de 9 inbreng van ieder der betrokken eigenaars, vruchtgebruikers en gebruikers; zonder een herverdeling waardoor aan ieder van de betrokkenen een aandeel wordt teruggegeven van dezelfde waarde als zijn inbreng; en meestal zonder weg- en afwateringswerken om de agrarische structuur van de bij de ruilverkaveling betrokken goederen te verbeteren. Bij elke fase van dat werk moet noodzakelijkerwijze een onderzoek worden ingesteld om de betrokkenen in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen naar voren te brengen, die, indien ze gegrond zijn en door het comité worden aanvaard, dit laatste ertoe verplichten de opgemaakte plannen te herzien. Dat alles vergt tijd. Maar dat is een reden te meer om te pogen komaf te maken met al wat de afloop van de verrichtingen kan vertragen » (ibid., p. 11). « De aan de procedureregelen voorgestelde wijzigingen hebben tot doel te komen tot een procedure die de rechten van de verdediging eerbiedigt en tegelijk snel de [lees : en] doeltreffend is en verhindert dat gebeurlijke geschillen het normale verloop van de ruilverkavelingsverrichtingen belemmeren » (ibid., pp. 39-40). B.8.
- De ruilverkaveling strekt ertoe, in het algemeen belang, te komen tot een betere exploitatie van de landeigendommen. De specifieke kenmerken van die operatie verantwoorden dat de wetgever heeft voorzien in bijzondere regels die op verschillende punten afwijken van het gemeen recht, teneinde de behandeling van de geschillen die ontstaan in het kader van de ruilverkavelingsverrichtingen te versnellen en aldus zo snel mogelijk rechtszekerheid te bieden. Er dient daarbij rekening te worden gehouden met het feit dat de ruilverkaveling een complexe operatie uitmaakt waarbij een regeling betreffende één fase, die door bepaalde belanghebbenden als discriminerend wordt ervaren, een onderdeel vormt van een algehele regeling die kan voorzien in de door de overheid te bekostigen inrichtingswerken in het voordeel van de geruilkavelden. B.8.
- De uitsluiting van het cassatieberoep tegen het vonnis dat door de vrederechter op grond van de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 wordt gewezen, is relevant om het door de wetgever nagestreefde doel te verwezenlijken dat erin bestaat de procedure van de ruilverkaveling te versnellen teneinde de betrokkenen zo snel mogelijk rechtszekerheid te bieden. 10 B.8.
- De wetgever heeft daarbij erover gewaakt de rechten van verdediging van de belanghebbenden te eerbiedigen. Laatstgenoemden beschikken in elke belangrijke fase van de ruilverkaveling over de mogelijkheid om, ter gelegenheid van een openbaar onderzoek, hun bezwaren mee te delen (zie onder meer de artikelen 6, 21, 35 en 42 van de wet van 22 juli 1970). Het ruilverkavelingscomité onderzoekt die bezwaren en beslist daarover, na het advies van de commissie van advies te hebben gevraagd (artikelen 22, 35 en 42 van dezelfde wet). Die commissie bestaat uit zes tot tien leden van wie twee leden betrokken eigenaars of vruchtgebruikers zijn en twee leden betrokken gebruikers zijn (artikel 15 van dezelfde wet). Indien het ruilverkavelingscomité het niet eens is met het gunstig advies van de commissie van advies betreffende één of meer bezwaren van een belanghebbende, dient het de betrokkene op te roepen om hem te horen (artikelen 22, 35 en 42 van dezelfde wet). De in de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 vermelde beslissingen van het ruilverkavelingscomité inzake de vaststelling van bepaalde waarden en vergoedingen kunnen vervolgens voor de vrederechter worden betwist, overeenkomstig de in die bepalingen neergelegde procedure. De in het geding zijnde bepalingen sluiten weliswaar uit dat, behoudens verzet, rechtsmiddelen tegen het vonnis van de vrederechter worden aangewend. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie beschikt echter wel over de mogelijkheid om zich te voorzien wegens machtsoverschrijding of in het belang van de wet. De belanghebbenden blijven voorts gerechtigd om op basis van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek een schadevergoeding te vorderen voor de schade die zij zouden bewijzen geleden te hebben door machtsmisbruik en machtsafwending of door een foutieve beslissing van het ruilverkavelingscomité. De bevoegde rechtbank is dan krachtens de haar door artikel 159 van de Grondwet opgedragen wettigheidscontrole bevoegd om na te gaan of dat comité zich van zijn taak heeft gekweten overeenkomstig de zorgvuldigheidsnormen die besloten zijn in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien kunnen de eindbeslissingen van het ruilverkavelingscomité, in zoverre het administratieve rechtshandelingen betreft, met een beroep voor de Raad van State worden bestreden. 11 B.8.
- Gelet op de specifieke en complexe aard van de ruilverkaveling en de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de geruilkavelden zo snel mogelijk rechtszekerheid te verschaffen, en rekening houdende met de waarborgen die aan de belanghebbenden worden geboden om hun bezwaren te doen gelden en de beslissingen van het ruilverkavelingscomité te betwisten, doet de uitsluiting van het cassatieberoep tegen de vonnissen van de vrederechter op grond van de in het geding zijnde bepalingen niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkenen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.062 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div