← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.063

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.063 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190508.9 Arrest- Rolnummer: 63/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-06 Raadplegingen: 285 - laatst gezien 2026-06-28 22:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 20 van het Wetboek der successierechten, zo geïnterpreteerd dat niet alleen de kosten van de voorafgaande schatting, maar ook de gerechtskosten die voortvloeien uit de rechtsvordering tot betwisting van die schatting steeds volledig ten laste zijn van de belastingplichtige, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en eerlijke procesvoering, inzonderheid het beginsel van de wapengelijkheid. - Dezelfde bepaling, zo geïnterpreteerd dat de daarin vermelde kosten betrekking hebben op de kosten van de voorafgaande schatting en niet op de gerechtskosten die voortvloeien uit de rechtsvordering tot betwisting van die schatting, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en eerlijke procesvoering, inzonderheid het beginsel van de wapengelijkheid. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 20 van het Wetboek der successierechten, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Fiscaal recht - Successierechten - Voorafgaande schatting - Kosten ten laste van de belastingplichtige. Tekst van de beslissing Rolnummer 6904 Arrest nr. 63/2019 van 8 mei 2019 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 20 van het Wetboek der successierechten, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 27 maart 2018 in zake het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, tegen Dominique Casier, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 april 2018, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schendt artikel 20 W.Succ., zoals van toepassing ten tijde van het overlijden van Ghislena Jordens, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samen gelezen met de algemene rechtsbeginselen van de rechtszekerheid en de eerlijke procesvoering, in zoverre het aldus moet worden uitgelegd dat de erfgenaam of de belastingbetaler altijd moet worden veroordeeld tot de gerechtskosten, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding en de eventuele expertisekosten, daar waar overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld tot de gerechtskosten ?
  2. Schendt artikel 20 W.Succ., zoals van toepassing ten tijde van het overlijden van Ghislena Jordens, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aldus moet worden uitgelegd dat de erfgenaam of de belastingbetaler altijd moet worden veroordeeld tot de gerechtskosten, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding en de eventuele expertisekosten, daar waar de kosten van een controleschatting enkel ten laste van de belastingplichtige worden gelegd, wanneer de in de aangifte vervatte waardering lager is dan de bij de schatting vastgestelde begroting en/of wanneer een boete vorderbaar is (artikelen 121 en 127 W.Succ.) ? ». Memories zijn ingediend door : - Dominique Casier, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Willemyns, advocaat bij de balie te Leuven; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. De Schepper, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 16 januari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 februari 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 6 februari 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging van het bodemgeschil Ingevolge een overlijden heeft D. Casier als bijzonder legataris een garage geërfd. Overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek der successierechten werd er met betrekking tot die garage op verzoek en op kosten van D. Casier, de eisende partij voor de verwijzende rechter, een voorafgaande schatting uitgevoerd. In het schattingsverslag werd de garage gewaardeerd op 40 000 euro. D. Casier heeft vervolgens die voorafgaande schatting bij de rechter betwist. Bij tussenvonnis van 16 december 2009 stelde de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge een deskundige aan die de waarde van de garage op 27 213,64 euro bepaalde. De Rechtbank van eerste aanleg wees op 22 februari 2012 de vordering echter af en veroordeelde D. Casier tot de kosten. D. Casier stelde vervolgens hoger beroep in. Het Hof van Beroep te Gent verklaarde de vordering gegrond en bepaalde de waarde van de garage op 27 213,64 euro. De Belgische Staat (thans het Vlaamse Gewest, dat de Belgische Staat opvolgt) werd ook veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten. Tegen dat arrest werd een voorziening in cassatie ingesteld. Het Hof van Cassatie heeft bij zijn arrest van 5 november 2015 het arrest van het Hof van Beroep te Gent verbroken in zoverre het de Belgische Staat veroordeelde tot het betalen van de gerechtskosten. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de gerechtskosten inzake de betwisting van een voorafgaande schatting, gelet op artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, onder artikel 20 van het Wetboek der successierechten ressorteren en derhalve steeds ten laste vallen van de belastingplichtige. Het Hof van Cassatie verwees de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Hof van Beroep te Antwerpen stelt zich de vraag of de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie van het Hof van Cassatie niet leidt tot een onverantwoord verschil in behandeling. Dit brengt het verwijzende rechtscollege ertoe de voormelde prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen. III. In rechte -A- A.
  3. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, is D. Casier van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie dat de belastingplichtige altijd in afwijking van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek dient te worden veroordeeld tot de gerechtskosten, zelfs indien deze in het gelijk is gesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Er zou op die wijze een onverantwoord verschil in behandeling worden gecreëerd tussen procespartijen omdat de ene partij zonder risico kan procederen terwijl de andere procespartij steeds moet worden veroordeeld tot de gerechtskosten. Er zou ook een onverantwoord verschil in behandeling tot stand worden gebracht tussen, enerzijds, de personen die opkomen voor hun rechten, al dan niet met het optreden van een deskundige, en die niet de gerechtskosten dienen te dragen indien zij in gelijk zijn gesteld (artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek) en, anderzijds, de belastingplichtigen wier goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een schatting, die deze voor de rechter met succes betwisten en steeds de kosten van de procedure dienen te dragen (artikel 20 van het Wetboek der successierechten). Volgens D. Casier heeft de wetgever in 2004 op het ogenblik dat deze artikel 120 van het Wetboek der successierechten heeft gewijzigd en een rechtsvordering tot betwisting van de schatting mogelijk heeft gemaakt, nagelaten artikel 20 van hetzelfde Wetboek aan te passen. Dat zou betekenen dat de kosten, beoogd in de in het geding zijnde bepaling, enkel betrekking kunnen hebben op de kosten van de voorafgaande schatting en niet op de kosten van de gerechtelijke procedure. Er anders over oordelen, betekent volgens hem dat de in het geding zijnde bepaling op manifeste wijze de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en eerlijke procesvoering, schendt. Hij voegt er nog aan toe dat de toegang tot de 4 rechter op onredelijke wijze zou worden beperkt indien de in het gelijk gestelde belastingplichtige steeds moet worden veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, is D. Casier van oordeel dat er noch een objectief criterium van onderscheid, noch een redelijke verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling inzake het dragen van de gerechtskosten tussen de belastingplichtigen naargelang die zijn betrokken in een procedure inzake de voorafgaande schatting (artikel 120 van het Wetboek der successierechten) of inzake de controleschatting (artikel 121 van het Wetboek der successierechten). Enkel in het eerste geval zouden de kosten steeds ten laste zijn van de belastingplichtige. Volgens D. Casier dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord. A.
  4. De Vlaamse Regering is van oordeel dat, gelet op de gelijklopende draagwijdte, de twee prejudiciële vragen gezamenlijk dienen te worden onderzocht. Zij stelt allereerst dat de wetgever zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden kon bepalen dat de kosten, met inbegrip van de gerechtskosten, in afwijking van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 121 van het Wetboek der successierechten, ten laste blijven van de belastingplichtige die de schatting heeft aangevraagd. Zij betoogt dat het een legitieme beleidskeuze is van de wetgever, die ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, om te bepalen dat de kosten van de schatting ten laste worden gelegd van de belastingplichtige, zelfs indien deze in het gelijk wordt gesteld. Zij acht het logisch dat de aanvragende belastingplichtige ook instaat voor alle kosten die verband houden met de procedure van de voorafgaande schatting. Die beleidskeuze zou noch disproportioneel, noch kennelijk onredelijk zijn. Zij wijst er in dat verband op dat de belastingplichtige de vrije keuze heeft en in geen geval verplicht is om een voorafgaande schatting te laten uitvoeren. De belastingplichtige die ervoor kiest de voorafgaande schatting te laten uitvoeren, dient de financiële gevolgen van zijn keuze te dragen. Zo dient de belastingplichtige die een voorafgaande schatting aanvraagt, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, in te staan voor de gerechtskosten. De loutere omstandigheid dat de in het geding zijnde kostenregeling afwijkt van de gemeenrechtelijke regeling in het Gerechtelijk Wetboek zou aan de relevantie van het voorgaande geen afbreuk doen. De Vlaamse Regering merkt met betrekking tot de vergelijking met de kostenregeling in het Gerechtelijk Wetboek nog op dat er in de in het geding zijnde betwistingsprocedure geen sprake is van partijen die in het gelijk of ongelijk gesteld worden. Volgens haar is het dan ook niet relevant wie al dan niet in het gelijk gesteld is om te bepalen wie voor de kosten dient in te staan. De wetgever zou dan ook redelijkerwijs vermogen te oordelen dat de kosten van de voorafgaande schatting, met inbegrip van de gerechtskosten, dienen te worden gedragen door de aanvrager. Die redelijke verantwoording vloeit volgens haar ook nog voort uit het feit dat artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek afwijkende kostenregelingen toelaat. Zij betoogt eveneens dat het niet kennelijk onredelijk is dat, wat de kostenregeling betreft, er een verschil in behandeling is tussen de controleschatting en de voorafgaande schatting. Zij is van oordeel dat de beide procedures fundamenteel verschillend van aard zijn zodat het niet onredelijk is dat de kostenregeling verschillend is. Wat de verschillen betreft, wijst zij op het initiatiefrecht en de finaliteit. Zij betoogt dat het initiatief om de controleschatting te vorderen bij de ontvanger ligt terwijl het initiatief om een voorafgaande schatting te vragen bij de belastingplichtige ligt. Ook zou de doelstelling van de controleschatting er niet in bestaan zekerheid te verschaffen over de waarde van een goed, maar wel ontduiking van belastingen tegen te gaan door te lage schattingen van een goed vast te stellen, op straffe van belastingverhoging. De Vlaamse Regering betoogt dat de belastingplichtige aldus tegen zijn wil in een situatie kan worden geplaatst waarin hij in discussie dient te gaan over de waarde van een goed. In die context is het volgens de Vlaamse Regering niet kennelijk onredelijk dat de gerechtskosten slechts ten laste zijn van de belastingplichtige als blijkt dat de aangegeven waarde een ernstige onderschatting blijkt. De Vlaamse Regering besluit dat de prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. A.
  5. Volgens de Ministerraad zijn de situaties die in de tweede prejudiciële vraag met elkaar worden vergeleken, niet vergelijkbaar. Het zou gaan om onderscheiden fases in het vaststellen van de verschuldigde successierechten met telkens een andere initiatiefnemer en finaliteit, hetgeen een onderscheiden kostenregeling zou rechtvaardigen. Hij is dan ook van oordeel dat artikel 20 van het Wetboek der successierechten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. 5 De Ministerraad betoogt voorts dat de ratio legis van artikel 20 van het Wetboek der successierechten erin bestaat tot een definitieve waardering te komen met het oog op de verschuldigde belasting. Het definitieve karakter van de waardering betekent volgens hem dat de vordering waarin artikel 120 van het Wetboek der successierechten voorziet ofwel niet is ingesteld, ofwel tot een einde is gebracht. Die rechtsvordering en de rechtsmiddelen zouden derhalve deel uitmaken van de bijzondere procedure waarin het Wetboek der successierechten voorziet om tot een definitieve waardering te komen, waarvan de kosten overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling ten laste van de belastingplichtige zouden zijn. Dit zou betekenen dat de kostenregeling van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk is uitgesloten door die lex specialis. Hij verwijst daarbij naar artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, dat afwijkende kostenregelingen zoals artikel 20 van het Wetboek der successierechten toelaat. Het zou tot de beleidsvrijheid van de wetgever behoren om al dan niet in een bijzondere regeling te voorzien. De Ministerraad is voorts van oordeel dat de overheid niet kan worden gelijkgesteld met een in het ongelijk gestelde partij en de belastingplichtige niet kan worden gelijkgesteld met een in het gelijk gestelde partij vermits de voorafgaande schatting louter op initiatief van de belastingplichtige gebeurt op het ogenblik dat die overheid nog niet is opgetreden. Hij betoogt dat, wanneer een belastingplichtige een beroep doet op de rechter om een op zijn verzoek verrichte schatting te betwisten, de overheid enkel wordt betrokken om het schattingsverslag tegenstelbaar en definitief te maken. Aldus zou dat vrijwillige karakter van het beroep op de rechter betekenen dat alle gerechtskosten bij de belastingplichtige dienen te worden gelaten. Hij betoogt dat het niet logisch zou zijn dat de overheid zou instaan voor de gerechtskosten in een procedure die zij niet heeft gewild. Hij stelt ten slotte dat door de kosten ten laste te leggen van de belastingplichtige diens recht op toegang tot de rechter niet wordt verhinderd omdat deze niet verplicht zou zijn een voorafgaande schatting aan te vragen. De belastingplichtige zou ook zelf een schatting kunnen uitvoeren om vervolgens een betwisting door de overheid middels een controleschatting af te wachten. De Ministerraad is van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord, hetgeen volgens hem met zich meebrengt dat ook de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. -B- B.
  6. De twee prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 20 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest. B.2.
  7. Artikel 20 van het Wetboek der successierechten bepaalt : « De erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en, in ’t algemeen, al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van nalatenschap, mogen vragen vóór de aangifte en uiterlijk vóór het verstrijken van de indieningstermijn, dat op hun kosten, de waardering geschiede van het geheel of van een deel van de erfgoederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen aangegeven worden. Zij geven dienaangaande hun beslissing te kennen bij aangetekende brief gezonden aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte ingeleverd moet worden. Er wordt gehandeld overeenkomstig artikelen 113 tot 120 en
  8. De waardering is definitief en dient tot grondslag voor de verevening der belasting ». 6 De in het geding zijnde bepaling biedt aan allen die gehouden zijn tot het indienen van een aangifte van nalatenschap de mogelijkheid om, op hun vraag en op hun kosten, vóór de aangifte en uiterlijk vóór het verstrijken van de indieningstermijn, een voorafgaande schatting van het belastbare actief te laten uitvoeren. De voorafgaande schatting is bedoeld om te waarborgen dat voor de berekening van de rechten van successie en van overgang wordt uitgegaan van een schatting van de verkoopwaarde van de goederen die aan die rechten bij overlijden zijn onderworpen. B.2.
  9. Artikel 120 van het Wetboek der successierechten biedt zowel de ontvanger als de belastingplichtige de mogelijkheid om een schatting te betwisten. Dat artikel bepaalt : « Zowel de ontvanger als de partij kunnen de schatting betwisten door inleiding van een rechtsvordering. Deze rechtsvordering dient ingeleid te worden, op straffe van verval, binnen de termijn van één maand te rekenen van de betekening van het verslag ». B.2.
  10. Artikel 121 van het Wetboek der successierechten legt de kosten der procedure in het kader van de controleschatting ten laste van de belastingplichtige indien diens aangegeven waarde van het vererfde goed definitief te laag wordt bevonden. Dat artikel bepaalt : « Is de in de aangifte vervatte waardering lager dan de bij de schatting vastgestelde begroting, zo worden, bij dwangbevel, van de schuldenaar gevorderd : 1° het supplement van recht; 2° de moratoire interest te rekenen van het verstrijken van de termijn toegestaan door de wet voor de betaling der rechten; 3° de onder artikel 127 voorziene boete; 4° desvoorkomend, de kosten der procedure. Bedoelde kosten vallen ten laste van de partij, wanneer een boete vorderbaar is ». 7 B.
  11. Het Hof van Cassatie beschouwt de kostenregeling van artikel 20 van het Wetboek der successierechten, in samenhang gelezen met artikel 120 van hetzelfde Wetboek, als een uitzonderingsprocedureregel zodat de rechter de gerechtskosten niet vermag af te wikkelen overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek (artikelen 2 en 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 20 van het Wetboek der successierechten wordt door het Hof van Cassatie aldus geïnterpreteerd dat de kosten van de voorafgaande schatting, met inbegrip van de kosten van de gerechtelijke procedure zoals het deskundigenonderzoek en de rechtsplegingsvergoeding, in afwijking van de voormelde gerechtskostenregeling van het Gerechtelijk Wetboek, steeds ten laste zijn van de belastingplichtige (Cass., 5 november 2015, F.14.0004.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151105.3). B.
  12. Het Hof wordt in twee prejudiciële vragen verzocht om na te gaan of artikel 20 van het Wetboek der successierechten, in de in B.3 vermelde interpretatie, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en van eerlijke procesvoering. Daarbij wordt, wat het ten laste leggen van de gerechtskosten betreft, de positie van de procespartijen in het kader van de voorafgaande schatting vergeleken, enerzijds, met die van de procespartijen overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek (eerste prejudiciële vraag) en, anderzijds, met die van de procespartijen in het kader van de controleschatting (tweede prejudiciële vraag). De gerechtskosten die voortvloeien uit de procedures met betrekking tot de voorafgaande schatting zijn steeds ten laste van de belastingplichtige, zelfs indien die in het gelijk is gesteld terwijl, enerzijds, de in het ongelijk gestelde partij overeenkomstig de kostenregeling in artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek gehouden is tot het betalen van de gerechtskosten en terwijl, anderzijds, de belastingplichtige aan wie een controleschatting overeenkomstig artikel 121 van het Wetboek der successierechten werd tegengeworpen niet steeds tot de gerechtskosten is gehouden. Gelet op hun nauwe samenhang worden de prejudiciële vragen gezamenlijk onderzocht. B.
  13. Het recht op toegang tot de rechter, dat het voorwerp van financiële beperkingen kan uitmaken, en het beginsel van de wapengelijkheid houden de verplichting in om een 8 billijk evenwicht tussen de procespartijen te waarborgen en om aan elke partij de redelijke mogelijkheid te bieden haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten aanzien van hun tegenpartij of tegenpartijen (EHRM, Dombo t. Nederland, 27 oktober 1993, § 33; grote kamer, Öçalan t. Turkije, 12 mei 2005, § 140; Yvon t. Frankrijk, 24 april 2003, § 31; Roux t. Frankrijk, 25 april 2006, § 23; Batsanina t. Rusland, 26 mei 2009, § 22; Versini t. Frankrijk, 11 mei 2010, § 62). B.
  14. Op zich doet een regeling die de kosten ten laste van één van de partijen legt geen afbreuk aan voormeld recht op toegang tot de rechter. Het recht op toegang tot de rechter dient evenwel met respect voor de wapengelijkheid te worden gewaarborgd, hetgeen onder meer de gelijke behandeling vereist van alle procespartijen met betrekking tot het dragen van het risico van een proces. B.
  15. Artikel 20 van het Wetboek der successierechten in de in B.3 vermelde interpretatie legt de gerechtskosten waaronder die van het deskundigenonderzoek en de rechtsplegingsvergoeding, als deel van de kosten van de schatting, ten laste van de belastingplichtige, ongeacht of deze al dan niet in het gelijk werd gesteld in het kader van de gerechtelijke betwistingsprocedure. Aldus dient de fiscale administratie die in het ongelijk zou worden gesteld, nooit de gerechtskosten te dragen, hetgeen impliceert dat zij geen enkel risico draagt bij het instellen van de rechtsvordering tot betwisting. De in het geding zijnde bepaling, in de in B.3 vermelde interpretatie, voert aldus een verschil in behandeling in tussen twee categorieën van rechtzoekenden die aan de rechter een geschil over een schatting voorleggen : De belastingplichtige dient steeds de gerechtskosten te dragen terwijl de fiscale administratie die nooit dient te dragen, zelfs niet indien zij de gerechtelijke procedure zonder succes heeft ingesteld. B.
  16. Doordat artikel 20 van het Wetboek der successierechten, in de in B.3 vermelde interpretatie, bepaalt dat niet alleen de kosten van de voorafgaande schatting, maar ook de gerechtskosten die voortvloeien uit de rechtsvordering tot de betwisting van die schatting steeds volledig ten laste worden gelegd van de belastingplichtige, wordt zonder redelijke verantwoording afbreuk gedaan aan het recht op gelijke toegang tot de rechter. 9 In de in B.3 vermelde interpretatie is artikel 20 van het Wetboek der successierechten niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en eerlijke procesvoering, inzonderheid het beginsel van de wapengelijkheid, en dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord. B.
  17. De in het geding zijnde bepaling kan evenwel ook zo worden geïnterpreteerd dat de daarin vermelde kosten betrekking hebben op de kosten van de voorafgaande schatting en niet op de gerechtskosten die uit de in artikel 120 van het Wetboek der successierechten beoogde rechtsvordering tot betwisting van die schatting voortvloeien. In die interpretatie is artikel 20 van het Wetboek der successierechten bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en eerlijke procesvoering, inzonderheid het beginsel van de wapengelijkheid, en dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 20 van het Wetboek der successierechten, zo geïnterpreteerd dat niet alleen de kosten van de voorafgaande schatting, maar ook de gerechtskosten die voortvloeien uit de rechtsvordering tot betwisting van die schatting steeds volledig ten laste zijn van de belastingplichtige, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en eerlijke procesvoering, inzonderheid het beginsel van de wapengelijkheid. - Dezelfde bepaling, zo geïnterpreteerd dat de daarin vermelde kosten betrekking hebben op de kosten van de voorafgaande schatting en niet op de gerechtskosten die voortvloeien uit de rechtsvordering tot betwisting van die schatting, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en eerlijke procesvoering, inzonderheid het beginsel van de wapengelijkheid. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 mei
  18. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.063 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151105.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.