← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.066

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.066 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190516.2 Arrest- Rolnummer: 66/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-06-04 Raadplegingen: 336 - laatst gezien 2026-06-28 22:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Onderscheiden orden - Langstlevende echtgenoot PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Doornik. Burgerlijk recht - Erfenissen - Erfopvolging van de langstlevende echtgenoot - Omzetting van het vruchtgebruik - Afstammelingen uit een vorige relatie van de overledene - Fictieve leeftijd. Tekst van de beslissing Rolnummer 6722 Arrest nr. 66/2019 van 16 mei 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Doornik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 augustus 2017 in zake Marie-Ange Toubeau tegen Dorothée Lepoutre en Cédric Lepoutre, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 september 2017, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Doornik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsook artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, in zoverre het bepaalt dat, wanneer de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot wordt gevorderd, ingeval de langstlevende echtgenoot tot de nalatenschap komt met afstammelingen uit een vorige relatie van de overledene, de waardering van het vruchtgebruik dient te worden berekend door rekening te houden met het feit dat de langstlevende echtgenoot wordt geacht twintig jaar ouder te zijn dan de oudste afstammeling van de overledene ? ». Memories zijn ingediend door : - Marie-Ange Toubeau, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-M. Ninove, advocaat bij de balie te Doornik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 6 februari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 27 februari 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 27 februari 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 24 februari 2007 overlijdt de echtgenoot van Marie-Ange Toubeau die in 1968 is geboren, zonder een testament na te laten. In haar hoedanigheid van langstlevende echtgenoot verkrijgt zij het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap van de overledene, waarbij de blote eigendom toekomt aan de dochter en aan de zoon van die laatste die respectievelijk in 1978 en in 1982 zijn geboren uit een vorig huwelijk van de overledene. De door de overledene nagelaten eigen goederen zijn, enerzijds, een huis dat, op de dag van het overlijden, de echtgenoten tot voornaamste woning diende en, anderzijds, aan landbouwers verpachte landbouwgronden. 3 De Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen die door de notaris-vereffenaar werd verzocht haar advies uit te brengen over de moeilijkheden die de vereffening van de nalatenschap doet rijzen, is van oordeel dat het vruchtgebruik met betrekking tot de woning, wegens een misbruik van genot door Marie-Ange Toubeau, moet worden beëindigd. De Rechtbank merkt bovendien op dat Marie-Ange Toubeau instemt met de verkoop van de landbouwgronden en met de vordering van de kinderen van de overledene die strekt tot de omzetting van het vruchtgebruik in zoverre het betrekking heeft op die gronden. Net zoals de notaris-vereffenaar is zij van oordeel dat op die omzetting artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek moet worden toegepast dat, met betrekking tot het bepalen van de waarde van het vruchtgebruik, vereist dat aan de langstlevende echtgenoot minstens twintig jaar meer dan het oudste kind uit een vorig huwelijk wordt toegekend. Marie-Ange Toubeau, die maar tien jaar ouder is dan de oudste dochter van haar overleden echtgenoot, verzet zich tegen de toepassing van die bepaling die zij discriminerend acht voor de langstlevende echtgenoot. Op verzoek van Marie-Ange Toubeau beslist de Rechtbank bijgevolg om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.

  1. Marie-Ange Toubeau voert aan dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zij zet uiteen dat de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling teweegbrengt, dat niet redelijk verantwoord is, tussen twee categorieën van langstlevende echtgenoten die met de afstammelingen van de overledene tot de nalatenschap komen : enerzijds, die welke geen bloedverwant in de opgaande lijn van die laatstgenoemden is en, anderzijds, die welke ook hun bloedverwant in de opgaande lijn is. Marie-Ange Toubeau voert in de eerste plaats aan dat het willekeurig is om te oordelen dat de langstlevende echtgenoot moet worden vermoed minstens twintig jaar ouder te zijn dan de oudste afstammeling van de echtgenoot uit een vorige relatie, aangezien de draagwijdte van die fictieve verhoging van de werkelijke leeftijd van de langstlevende echtgenoot geen verband houdt met de huwbare leeftijd die bij artikel 144 van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld of door de familierechtbank met toepassing van artikel 145 van hetzelfde Wetboek wordt bepaald. Marie-Ange Toubeau merkt in de tweede plaats op dat, rekening houdend met artikel 21, eerste lid, VI, van het Wetboek der successierechten, zoals het in het Waalse Gewest van toepassing is, de in het geding zijnde bepaling tot gevolg kan hebben dat de langstlevende echtgenoot wordt verplicht een successierecht te betalen dat niet in verhouding staat tot de waarde van wat hij ontvangt ingevolge de omzetting van het vruchtgebruik, omdat het bedrag van dat recht wordt berekend door rekening te houden met de werkelijke leeftijd van de langstlevende echtgenoot op het ogenblik van het overlijden. A.2.
  2. De Ministerraad merkt eerst op dat het niet mogelijk is om de prejudiciële vraag te beantwoorden, in zoverre het Hof erin wordt verzocht zich uit te spreken over de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en over de inachtneming van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat de categorieën van personen die de in het geding zijnde bepaling verschillend zou behandelen, niet worden geïdentificeerd in de vraag. Voor het overige is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord, omdat de in artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek vermelde regel een inmenging vormt die evenredig is met het nagestreefde legitieme doel. A.2.
  3. De Ministerraad is van mening dat die regel een inmenging vormt in het recht van de langstlevende echtgenoot op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven omdat hij hem een deel van het voordeel kan ontzeggen dat hij uit de omzetting van het verkregen vruchtgebruik van de nalatenschap zou halen. 4 A.2.
  4. De Ministerraad merkt op dat de in het geding zijnde bepaling tot doel heeft een bijzondere bescherming in te voeren van de afstammelingen van een overledene die zijn geboren uit een relatie die dateert van vóór die welke die laatste met de langstlevende echtgenoot had. Hij is evenwel van mening dat die bescherming niet kan worden beschouwd als een gunst die de wetgevende macht toekent aan die afstammelingen die zich met die echtgenoot in een mogelijke conflictsituatie bevinden. De Ministerraad, die artikel 745quater, §§ 1 en 4, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 745quinquies, § 1, eerste lid, en § 2, van hetzelfde Wetboek aanhaalt, zet dienaangaande uiteen dat de in de in het geding zijnde bepaling vermelde regel deel uitmaakt van een evenwichtig geheel aan regels dat werd geconcipieerd om conflicten tussen de langstlevende echtgenoot en de afstammelingen uit een vorige relatie van de overledene te voorkomen of de billijke oplossing van dergelijke conflicten mogelijk te maken. De Ministerraad voert aan dat de wil om nu eens met de belangen van de langstlevende echtgenoot en dan weer met die van de afstammelingen rekening te houden, gelet op de zwakke positie waarin elk van die personen zich tijdens een fase van de afhandeling van de nalatenschap kan bevinden, een legitiem doel uitmaakt. De Ministerraad voegt eraan toe dat de in het geding zijnde bepaling, op zichzelf beschouwd, een van de in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vermelde legitieme doelstellingen nastreeft, aangezien zij een maatregel vormt die nodig is voor de « bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». Hij merkt op dat die bepaling strekt tot het beschermen van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven en van het eigendomsrecht van de afstammelingen van de overledene die zijn geboren uit een relatie die dateert van vóór die welke die laatste met de langstlevende echtgenoot had. De Ministerraad preciseert dat artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek strekt tot het beschermen van die afstammelingen wanneer zij tegelijk met een langstlevende echtgenoot die tot dezelfde generatie als hen behoort, tot de nalatenschap komen. Hij legt uit dat de in het geding zijnde bepaling, door een generatieverschil tussen de echtgenoot van de overledene en die afstammelingen op fictieve wijze opnieuw in te voeren, die laatstgenoemden waarborgt dat het recht om de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot te vorderen - dat uit artikel 745quater, § 1, en uit artikel 745quinquies, § 2, van het Burgerlijk Wetboek voortvloeit - niet theoretisch zal blijven, wegens de al te grote waarde die aan het vruchtgebruik zou worden toegekend door de werkelijke leeftijd van de echtgenoot-vruchtgebruiker in aanmerking te nemen. A.2.
  5. De Ministerraad zet ten slotte uiteen dat de in artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek vermelde regel geen onevenredige gevolgen heeft. Dienaangaande beklemtoont hij dat de toepassing van die bepaling in de praktijk maar een beperkte weerslag heeft op de berekening van de waarde van het vruchtgebruik, zodat het aan de afstammelingen van de overledene verleende voordeel niet buitensporig is. Bovendien brengt hij in herinnering dat die bepaling deel uitmaakt van een geheel van bepalingen die ertoe strekken vooruit te lopen op de conflicten tussen de langstlevende echtgenoot en de afstammelingen van de overledene die zijn geboren uit een relatie die dateert van vóór die welke die laatste met die echtgenoot had, of ze evenwichtig op te lossen. -B- B.1.
  6. Bij gebrek aan een beschikking bij testament, wanneer een overledene afstammelingen achterlaat, verkrijgt zijn langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap (artikel 745bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 69 van de wet van 31 maart 1987 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming »). 5 De afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, die blote eigenaars zijn, kunnen de volledige of gedeeltelijke omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot vragen, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geïndexeerde rente (artikel 745quater, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 70 van de wet van 31 maart 1987). B.1.
  7. Tenzij de vruchtgebruiker en de blote eigenaars anders overeenkomen, vormen de leeftijd van de vruchtgebruiker en zijn levensverwachting parameters waarmee rekening moet worden gehouden bij de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot (artikel 745sexies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek). B.
  8. Artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 14 mei 1981 « tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot », vervolgens gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 28 maart 2007 « tot wijziging, wat de regeling van het erfrecht van de langstlevende wettelijk samenwonende betreft, van het Burgerlijk Wetboek en van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit », bepaalt : « Ingeval de langstlevende echtgenoot tot de nalatenschap komt met afstammelingen uit een vorige relatie en de omzetting wordt gevorderd door een van de partijen, wordt de langstlevende echtgenoot geacht ten minste twintig jaar ouder te zijn dan de oudste afstammeling uit een vorige relatie ». B.
  9. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de situatie waarin de meerderjarige kinderen uit een vorig huwelijk de omzetting vragen van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot dat betrekking heeft op andere goederen dan de voormalige gezinswoning en het daarin aanwezige huisraad. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of de regel voor de berekening van de waarde van dat vruchtgebruik, zoals vervat in de in het geding zijnde bepaling, afbreuk doet aan het recht van de langstlevende echtgenoot op eerbiediging van het gezinsleven dat uit zijn relatie met de overledene is ontstaan en aan het recht van die echtgenoot op het ongestoord genot van zijn 6 eigendom. Die regel houdt immers in dat de waarde van dat vruchtgebruik vermindert indien de langstlevende echtgenoot niet ten minste twintig jaar ouder is dan het oudste kind van de overledene. B.4.
  10. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.4.
  11. Het recht van vruchtgebruik is eigendom in de zin van die bepaling (EHRM, 12 december 2002, Wittek t. Duitsland, §§ 42-44; 21 december 2010, Almeida Ferreira en Melo Ferreira t. Portugal, §§ 6 en 26-27). Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet derhalve een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.4.
  12. Door de waarde te verminderen van het vruchtgebruik dat is verkregen door de langstlevende echtgenoot die niet minstens twintig jaar ouder is dan het oudste meerderjarige kind uit een vorig huwelijk van de overledene en die in de in B.3 beschreven situatie wordt geplaatst, vormt de in artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek vermelde regel een inmenging in het recht gewaarborgd bij de voormelde verdragsbepaling. B.4.
  13. Die regel, waarbij een fictieve leeftijd wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot die zich in de in B.3 beschreven situatie bevindt, heeft tot doel rekening te houden met het « kleine verschil in leeftijd tussen de [langstlevende] echtgenoot en afstammelingen uit een vorig huwelijk » (Parl. St., Senaat, 1980-1981, nr. 600/2, pp. 22-23) en onbillijke situaties te voorkomen door de nadelige effecten af te zwakken bij huwelijken tussen 7 echtgenoten met een groot leeftijdsverschil wanneer kinderen uit een vorig huwelijk aanwezig zijn (Hand., Senaat, 11 maart 1981, p. 1066). Die regel strekt ertoe de kinderen uit een vorig huwelijk van de eerststervende te beschermen (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 797/2, p. 8; Hand., Kamer, 5 mei 1981, p. 1833) tegen de uitholling van de volle eigendom door kapitalisering van het vruchtgebruik, die zou voortvloeien uit het feit dat de tweede echtgenoot zo jong zou kunnen zijn dat zijn vermoedelijke overlevingsduur 40 tot 50 jaar zou kunnen bedragen, hetgeen een zeer grote weerslag zou hebben op het bepalen van de waarde van het om te zetten vruchtgebruik (Hand., Kamer, 5 mei 1981, p. 1833). De in het geding zijnde regel vloeit voort uit het zoeken naar een « noodzakelijk evenwicht » tussen de belangen van de langstlevende echtgenoot en die van de kinderen, met dien verstande dat elke toename van de rechten van de ene tot een vermindering van de rechten van de andere leidt (Hand., Kamer, 5 mei 1981, p. 1843). B.4.
  14. Uit het voorgaande blijkt dat de in het geding zijnde bepaling een inmenging in het eigendomsrecht vormt die een billijk evenwicht vertoont tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de langstlevende echtgenoot. B.4.
  15. De omstandigheid dat het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, voor het bepalen van het bedrag van het successierecht dat ten laste van hem is, wordt gewaardeerd door rekening te houden met zijn werkelijke leeftijd met toepassing van de regels betreffende die belasting zoals zij in het Waalse Gewest van toepassing zijn, maakt het niet mogelijk om het evenredige karakter van de regel die in de in het geding zijnde bepaling wordt vermeld, ter discussie te stellen. B.4.
  16. De in het geding zijnde bepaling is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.5.
  17. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : 8 «
  18. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn [...] gezinsleven [...].
  19. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.5.
  20. Het « gezinsleven » omvat materiële belangen waaronder de erfopvolging tussen naaste verwanten. Ook al worden zij gewoonlijk uitgeoefend op een ogenblik dat het gezinsleven ontbonden wordt, toch vormen de erfrechten een niet te verwaarlozen element van het gezinsleven (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 52; 22 december 2004, Merger en Cros t. Frankrijk, § 46; 1 december 2009, Velcea en Mazăre t. Roemenië, § 125; grote kamer, 2 november 2010, Şerife Yiğit t. Turkije, § 95). Artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek heeft tot gevolg dat de waarde wordt verminderd van het vruchtgebruik dat is verkregen door de langstlevende echtgenoot die niet minstens twintig jaar ouder is dan het oudste meerderjarige kind uit een vorig huwelijk van de overledene en die zich in de in B.3 beschreven situatie bevindt. B.5.
  21. Het recht op eerbiediging van het gezinsleven bevat geen algemeen recht op een zeker deel van de nalatenschap van de personen met wie dat gezinsleven is opgebouwd (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 52; 22 december 2004, Merger en Cros t. Frankrijk, § 46; 1 december 2009, Velcea en Mazăre t. Roemenië, § 125). Om de redenen die zijn vermeld in B.4.4 vertoont de in het geding zijnde bepaling een billijk evenwicht tussen de belangen van de langstlevende echtgenoot en die van de kinderen. De beperking van het recht van de langstlevende echtgenoot die uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, is derhalve niet onevenredig in het licht van de doelstellingen die met de in het geding zijnde bepaling worden nagestreefd. B.5.
  22. De in het geding zijnde bepaling is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 9 B.
  23. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 745quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 mei
  24. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.