← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.067

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.067 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190516.3 Arrest- Rolnummer: 67/2019 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-06-04 Raadplegingen: 974 - laatst gezien 2026-06-29 12:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 210 van het Wetboek van strafvordering schendt artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de appelrechter niet ambtshalve een middel van openbare orde kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn wanneer dat een gevolg is van een nieuw element dat is opgedoken na de indiening van het verzoekschrift in hoger beroep en wanneer de schuldvraag in dat verzoekschrift of in het grievenformulier niet is beoogd. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Rechtspleging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 210 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Strafrecht - Strafrechtspleging - Hoger beroep tegen correctionele vonnissen - Middel van openbare orde met betrekking tot het ontbreken van misdrijf - Nieuw element. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Rolnummer 6743 Arrest nr. 67/2019 van 16 mei 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 210 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 5 oktober 2017 in zake het openbaar ministerie tegen M.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 oktober 2017, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 210 van het Wetboek van strafvordering artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat het de mogelijkheid beperkt voor het rechtscollege in hoger beroep om ambtshalve de middelen op te werpen die erin worden beoogd voor enkel de feiten die bij het rechtscollege aanhangig zijn gemaakt, hetgeen concreet, enerzijds, elke praktische draagwijdte aan de wetsbepaling ontneemt aangezien het tot de taak van de rechter behoort de feiten te kwalificeren die bij hem aanhangig zijn gemaakt en te zeggen of zij vaststaan, en, anderzijds, de feitenrechter verhindert om de relevantie te beoordelen van middelen van openbare orde die een weerslag kunnen hebben op de schuld van de beklaagde, met name wanneer die middelen worden ontdekt na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep dat de saisine van de rechter in hoger beroep beperkt ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 16 januari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 februari 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 6 februari 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De beklaagde werd door de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Luik, veroordeeld wegens meerdere tenlasteleggingen. Hij heeft hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld voor het Hof van Beroep te Luik, net zoals het openbaar ministerie. In zijn verzoekschrift in hoger beroep heeft de beklaagde grieven opgeworpen met betrekking tot de strafmaat en de voorwaarden die gepaard gaan met het uitgesproken probatie-uitstel. In zijn verzoekschrift in hoger beroep heeft het openbaar ministerie, zijnerzijds, de strafmaat bekritiseerd. Voor het Hof van Beroep wenst de beklaagde zich te beroepen op een element, dat hij als een nieuw element voorstelt, en dat hem de mogelijkheid zou bieden morele dwang aan te voeren. Indien die morele dwang zou worden aangenomen, zou hij een weerslag hebben op de schuldvraag aangezien het misdrijf niet aan de dader toe te schrijven zou zijn. Noch de beklaagde, noch het openbaar ministerie heeft de schuldvraag evenwel als een tegen de beroepen beslissing ingebrachte grief beoogd. Volgens de verwijzende rechter heeft artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, dat bepaalt dat het verzoekschrift, op straffe van verval van het hoger beroep, nauwkeurig de grieven moet bepalen die tegen het 3 beroepen vonnis worden ingebracht, tot gevolg dat de saisine van de rechter enkel tot de opgeworpen grieven wordt beperkt, zodat het niet mogelijk is om de saisine van het gerecht in hoger beroep uit te breiden tot grieven die niet uitdrukkelijk in het verzoekschrift zijn beoogd, in casu tot de schuldvraag. Om die hindernis te omzeilen, verzoekt de beklaagde de verwijzende rechter om toepassing te maken van artikel 210, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, dat de rechter in hoger beroep toestaat ambtshalve de middelen van openbare orde op te werpen die erin worden omschreven en met name die welke zijn afgeleid uit het gegeven dat de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zouden zijn. De verwijzende rechter leidt uit een arrest van het Hof van Cassatie van 21 december 2016 met betrekking tot de twee voormelde bepalingen af dat hij echter enkel binnen de perken van het verzoekschrift in hoger beroep middelen van openbare orde ambtshalve kan opwerpen. Hij is van oordeel dat een dergelijke interpretatie van artikel 210, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering elk nieuw nut aan dat artikel ontneemt in zoverre het zich ertoe zou beperken de essentiële opdracht van de strafrechter in herinnering te brengen, aan wie het toekomt de feiten te kwalificeren en voor recht te zeggen of zij al dan niet vaststaan. Hij is eveneens van oordeel dat, in geval van een nieuw element dat zich na het neerleggen van een verzoekschrift in hoger beroep voordoet, zowel de verdediging, die had gemeend niet in staat te zijn de schuld te betwisten, als het rechtscollege in tweede aanleg geen rekening zullen kunnen houden met dat element, aangezien de saisine enkel tot de in het verzoekschrift opgeworpen grieven zou worden beperkt. Volgens de verwijzende rechter zou een dergelijke conclusie een schending van artikel 13 van de Grondwet en van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kunnen uitmaken. Die elementen brengen de verwijzende rechter ertoe de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- A.1. In zijn memorie voert de Ministerraad aan dat de getoetste norm moet worden onderzocht in het licht van de context waarin die is aangenomen en in het licht van de parlementaire voorbereiding ervan, alsook in samenhang gelezen met artikel 204 van het Wetboek van strafvordering. De Ministerraad beklemtoont dat het aan de verwijzende rechter voorgelegde onderhavige geval verschilt van de situatie die in het door de verwijzende rechter aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie van 21 december 2016 is beoogd. Die laatste is van oordeel dat hij bij zijn toepassing van de uitzonderingen van artikel 210, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering niet wordt beperkt door het feit dat de beklaagde in zijn grievenformulier geen tenlastelegging in het bijzonder in de plaats van een andere heeft beoogd, maar wel door het feit dat de beklaagde zich beroept op een nieuw element dat zich heeft voorgedaan na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep, dat een nieuw middel met betrekking tot de schuld ondersteunt, terwijl hij de schuldvraag niet in het grievenformulier heeft beoogd. A.2. Volgens de Ministerraad bestaat de prejudiciële vraag uit twee delen. In het eerste deel van de prejudiciële vraag is de verwijzende rechter van oordeel dat de interpretatie van artikel 210, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering volgens welke de rechter in hoger beroep enkel binnen de perken van het verzoekschrift in hoger beroep middelen van openbare orde ambtshalve kan opwerpen, aan die bepaling elk nieuw nut ontneemt aangezien zij zich ertoe beperkt de essentiële opdracht van de strafrechter in herinnering te brengen aan wie het met name toekomt de feiten te kwalificeren en voor recht te zeggen of zij vaststaan. Op dat bezwaar antwoordt de Ministerraad dat de getoetste bepaling, in samenhang gelezen met artikel 204 van hetzelfde Wetboek, tot doel heeft de perken van de saisine van de rechter in hoger beroep te preciseren, en niet gewoon de voormelde essentiële opdracht van de strafrechter in herinnering te brengen. Hij voert aan dat, zelfs in de veronderstelling dat de getoetste bepaling geen nieuw nut heeft, die loutere vaststelling niet van dien aard zou zijn dat zij haar in strijd met de in de prejudiciële vraag bedoelde toetsingsnormen maakt. 4 Wat het tweede deel van de prejudiciële vraag betreft, is de Ministerraad van mening dat de draagwijdte ervan moet worden gepreciseerd ten aanzien van de redenering die door de verwijzende rechter in het verwijzingsarrest is geformuleerd. Zoals zij is geformuleerd, wordt in de prejudiciële vraag de onmogelijkheid voor de feitenrechter in het geding gebracht om de relevantie te beoordelen van middelen van openbare orde die een weerslag kunnen hebben op de schuld van de beklaagde, « met name wanneer die middelen worden ontdekt na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep ». Volgens de Ministerraad heeft de prejudiciële vraag in werkelijkheid, in het tweede deel ervan, geen betrekking op de ontdekking van nieuwe middelen als dusdanig, maar op de ontdekking van een nieuw element, na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep, dat de grondslag zou kunnen vormen voor een nieuw middel. De vraag heeft dus in werkelijkheid betrekking op de bestaanbaarheid van de getoetste bepaling met de toetsingsnormen in zoverre zij de feitenrechter zou verhinderen de relevantie te beoordelen van middelen van openbare orde die een weerslag kunnen hebben op de schuld van de beklaagde, met name wanneer nieuwe elementen die de grondslag vormen voor die middelen, worden ontdekt na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep dat de saisine van de rechter in hoger beroep beperkt. A.3. De Ministerraad brengt de context in herinnering waarin de getoetste norm werd aangenomen en beweert dat de wetgever, in het kader van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid, heeft gezorgd voor het invoeren van een systeem dat tot gevolg heeft dat niet op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf van het recht op hoger beroep. Volgens hem vloeit het aannemen van de getoetste bepaling voort uit dat doel. De Ministerraad beklemtoont dat de appellant, indien er zich, na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep, een nieuw element voordoet dat de grondslag kan vormen voor een nieuw middel over de schuld, niet heeft kunnen vooruitlopen op het feit dat hij de schuld zou kunnen betwisten, zodat hij de schuldvraag niet heeft beoogd in het grievenformulier. Hij preciseert dat de grief, in een dergelijk geval, pas in hoger beroep voor de eerste maal ontstaat. Volgens de Ministerraad zijn de grieven die worden beoogd in het bij de nieuwe artikelen 204 en 210 van het Wetboek van strafvordering ingevoerde systeem van het hoger beroep op grieven, die welke worden ingebracht tegen het vonnis in eerste aanleg. Hij leidt daaruit af dat de voormelde bepalingen, in het geval waarin nieuwe elementen zich voordoen in hoger beroep, die enkel de rechter in hoger beroep zou kunnen kennen, met uitsluiting van de eerste rechter, niet uitsluiten dat de partijen nieuwe middelen kunnen aanvoeren die niet aan de eerste rechter hadden kunnen worden voorgelegd. De Ministerraad erkent dat noch de artikelen 204 en 210 van het Wetboek van strafvordering, noch de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk in een dergelijke mogelijkheid voorzien. Hij is evenwel van mening dat die bepalingen niet de mogelijkheid verbieden om dergelijke argumenten voor de eerste maal in hoger beroep aan te voeren, zodat artikel 210 van het Wetboek van strafvordering de rechter in hoger beroep niet verhindert om een middel te onderzoeken dat is gebaseerd op een nieuw element dat zou worden ontdekt na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep dat de saisine van de rechter in hoger beroep beperkt, en, bijgevolg, de in de prejudiciële vraag bedoelde toetsingsnormen niet schendt. A.4. De Ministerraad besluit daaruit dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. -B- B.1.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 210 van het Wetboek van strafvordering met artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 5 B.1.2. Artikel 210 van het Wetboek van strafvordering, zoals het is aangevuld met een tweede en een derde lid bij artikel 94 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie », bepaalt : « Voordat de rechters hun gevoelen uiten, worden de beklaagde, onverschillig of hij vrijgesproken dan wel veroordeeld is, de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen, de burgerlijke partij, of hun advocaat en de procureur-generaal gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, en zulks in de door de rechter te bepalen volgorde. De beklaagde of zijn advocaat heeft, indien hij het vraagt, altijd het laatste woord. Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op : - zijn bevoegdheid; - de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt; - het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten. De partijen worden verzocht om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen ». Die bepaling moet worden gelezen in samenhang met artikel 204 van hetzelfde Wetboek, zoals het is vervangen bij artikel 89 van de voormelde wet van 5 februari 2016, dat bepaalt : « Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd. Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht. Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt. Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie ». 6 B.1.3. De wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie » (ook wel de « Potpourri II-wet » genoemd) beoogt het strafrecht en de strafrechtspleging te verbeteren en te moderniseren, teneinde de rechtsbedeling efficiënter, sneller en goedkoper te doen verlopen zonder de kwaliteit van de rechtsbedeling of de fundamentele rechten van de rechtzoekenden in het gedrang te brengen (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 3, en DOC 54-1418/005, p. 5). De wijziging van artikel 204 van het Wetboek van strafvordering beoogt « meer doeltreffende strafrechtelijke procedures door de invoering van de verplichting om in hoger beroep een verzoekschrift neer te leggen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 3), waarin « de grieven, die tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis worden geformuleerd, nauwkeurig » (ibid., p. 83) moeten worden bepaald. In artikel 204 van het Wetboek van strafvordering wordt « de verplichting [verankerd] om bij het instellen van hoger beroep een verzoekschrift in te dienen, waarin de grieven, met inbegrip (cf. advies van de Raad van State, nr. 69) van de procedurele grieven, die tegen het bestreden vonnis worden ingebracht, nauwkeurig worden bepaald. Dit impliceert dat wordt gepreciseerd op welke punten en om welke redenen de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd, en niet [dat] de middelen [worden gepreciseerd]. Deze verplichting geldt eveneens voor het openbaar ministerie. Bij gebreke hieraan kan de rechter het hoger beroep onontvankelijk verklaren » (ibid., p. 84). Daarenboven « [moeten] enkel de grieven die door de partijen worden opgeworpen, [...] door de beroepsinstantie worden onderzocht. In voorkomend geval dient het onderzoek in hoger beroep zich derhalve te beperken tot bepaalde tenlasteleggingen of tot de straf » (ibid., p. 87). Uit de memorie van toelichting blijkt dat artikel 204 van het Wetboek van strafvordering « in het belang van alle partijen » werd geacht, aangezien het ertoe strekte « de eisers in beroep [...] die noch een advocaat noch een ruime scholing hebben [...] bewust te [maken] van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 85). 7 In de parlementaire voorbereiding wordt dienaangaande vermeld : « Thans gaat een veroordeelde al te vaak in hoger beroep of tekent hij verzet aan zonder erover na te denken. Hoewel het verzet de eiser in verzet niet kan schaden, geldt dat niet voor de eiser in beroep : ingeval zijn beroep wordt gevolgd, kan een verzwaring van de straf in hoger beroep eruit voortvloeien. Het valt ook voor dat de burgerlijke belangen geenszins worden betwist maar dat de veroordeelde zich niet ervan bewust is dat hoger beroep dat blindelings wordt ingesteld tegen alle bepalingen van het vonnis ook de burgerlijke bepalingen beoogt, wat zorgen en kosten veroorzaakt voor de partijen en een werklast voor justitie die volledig nutteloos zijn. Door zijn hoger beroep te beperken, kan een veroordeelde in sommige gevallen het openbaar ministerie zelfs ervan overtuigen dat hij zijn veroordeling in wezen aanvaardt en dat het niet nodig is het hoger beroep te volgen door het uit te breiden tot alle bepalingen. Zo valt het voor dat enkel de verdeling van de kosten tussen de veroordeelden wordt betwist » (ibid.). B.1.4. De wijziging van artikel 210 van het Wetboek van strafvordering is er gekomen ingevolge een opmerking vanwege de afdeling wetgeving van de Raad van State. Dienaangaande wordt in de memorie van toelichting vermeld : « De rechter in hoger beroep kan evenwel betreffende de tenlasteleggingen waarop het hoger beroep betrekking heeft ambtshalve middelen opwerpen die de openbare orde raken. Zoals de Raad van State aangeeft : ‘ In ieder geval zou, in het geval dat de maatregel een (nader te bepalen) invloed op de saisine van de appèlrechter heeft – en uit de verklaring van de gemachtigde blijkt dat dit de bedoeling is –, duidelijk moeten worden gemaakt dat de in te voeren regel weliswaar de partijen belet om andere grieven aan te voeren dan in de beroepsakte zijn vermeld, maar dat de rechter in beroep niet de mogelijkheid wordt ontnomen om, althans betreffende de tenlastelegging(

  1. en)waarop het hoger beroep betrekking heeft, ambtshalve rechtsvragen op te werpen die de openbare orde raken en daaraan het nodige gevolg te geven. Zo dient hij nog altijd zijn bevoegdheid te onderzoeken, de mogelijkheid te hebben om vast te stellen dat het ten laste gelegde feit geen misdrijf uitmaakt of om eraan een andere kwalificatie te geven, of om, zoals de gemachtigde aangeeft, te beslissen dat het onderzoek of de vervolging is aangetast door een niet te herstellen nietigheid of dat de strafvordering is verjaard, ook al wordt dat niet opgeworpen door de partij die het beroep heeft aangetekend. ’ (advies 57 792/1/V van de Raad van State, nr. 69). De verplichting om de feiten juist te kwalificeren of vast te stellen dat zij geen misdrijf opleveren, kan de rechter echter niet ertoe aanzetten de aanhangigmaking te overschrijden door het plegen van feiten die niet worden betwist door een opgeworpen grief ambtshalve te betwisten » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 88). 8 B.1.5. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden. 2. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt. 3. [...] ». B.2.1. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of artikel 210 van het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat het de mogelijkheid voor het rechtscollege in hoger beroep om ambtshalve de in dat artikel beoogde middelen op te werpen, beperkt tot enkel de feiten die bij het rechtscollege aanhangig zijn gemaakt, bestaanbaar is met artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verwijzende rechter zou een dergelijke interpretatie, enerzijds, de wetsbepaling concreet elke praktische draagwijdte ontnemen, aangezien het tot de taak van de rechter behoort de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt te kwalificeren en te zeggen of zij vaststaan, en, anderzijds, de feitenrechter verhinderen om de relevantie te beoordelen van middelen van openbare orde die een weerslag kunnen hebben op de schuld van de beklaagde, met name wanneer die middelen worden ontdekt na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep dat de aanhangigmaking bij de appelrechter beperkt. 9 B.2.2. Uit de feiten en de motivering van het verwijzingsarrest kan worden afgeleid dat de prejudiciële vraag in het bijzonder betrekking heeft op het opduiken, na de neerlegging van het verzoekschrift in hoger beroep, van een « nieuw element » dat als grondslag zou kunnen dienen voor een nieuw middel dat een weerslag heeft op de schuldvraag. Te dezen blijkt uit het dossier met betrekking tot het voor de verwijzende rechter ingestelde hoger beroep dat het « nieuwe element » dat de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing vermeldt, het na de neerlegging van het verzoekschrift in hoger beroep opgesteld verslag van een psychiater-psychoanalyticus zou zijn, dat als grondslag kan dienen voor een nieuw middel dat is afgeleid uit de morele dwang, terwijl de aanhangigmaking bij de rechter is beperkt tot de strafmaat en tot de voorwaarden waarmee het uitgesproken probatie-uitstel gepaard gaat. De schuldvraag was dus te dezen niet aangekruist op het grievenformulier. B.2.3. De prejudiciële vraag heeft dus betrekking op de vraag of, in de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling door de verwijzende rechter, de onmogelijkheid voor de appelrechter om ambtshalve een middel van openbare orde op te werpen met betrekking tot het gegeven dat de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn wegens de ontdekking, na de neerlegging van het verzoekschrift in hoger beroep, van een « nieuw element », wanneer de schuldvraag in het genoemde verzoekschrift niet is beoogd, bestaanbaar is met artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese van het opduiken, na de neerlegging van het verzoekschrift in hoger beroep, van een « nieuw element » dat het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn kan aantonen en, bijgevolg, een weerslag kan hebben op de schuld, zelfs indien de schuldvraag in het genoemde verzoekschrift of in het grievenformulier niet is beoogd. Voor het overige komt het alleen de verwijzende rechter toe te beoordelen of er een dergelijk « nieuw element » bestaat. 10 B.3.1. Artikel 204, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering legt de appellant, op straffe van verval van het hoger beroep, de verplichting op een verzoekschrift neer te leggen dat nauwkeurig de grieven bepaalt die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven. Krachtens artikel 204, derde lid, van hetzelfde Wetboek kan de appellant daartoe een formulier gebruiken waarvan het model wordt bepaald door de Koning. Bij het koninklijk besluit van 18 februari 2016 « tot uitvoering van artikel 204, derde lid, van het Wetboek van strafvordering » is dat formulier opgesteld, dat vervolgens is gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 november 2017 « tot vervanging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, van het Wetboek van strafvordering ». B.3.2. Zoals het te dezen is gebruikt voor de aanhangigmaking bij de verwijzende rechter, wordt in het formulier dat is bekendgemaakt als bijlage bij het voormelde koninklijk besluit van 18 februari 2016, vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 23 november 2017, verzocht een of meer « beschikkingen » van het eerste vonnis waartegen een grief is aangevoerd, aan te kruisen. Die beschikkingen zijn, wat de strafvordering betreft, de schuld, de kwalificatie van het misdrijf, de voorschriften betreffende de rechtspleging, de strafmaat, de internering, het niet toepassen van het gevraagde gewoon uitstel, het probatie-uitstel, de gewone opschorting of de probatieopschorting, de verbeurdverklaring, de andere maatregelen zijnde de herstelmaatregel of de dwangsom, de verjaring, de schending van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de vrijspraak en de andere beschikkingen. Ten aanzien van de burgerlijke vordering zijn de beschikkingen de ontvankelijkheid, het causaal verband, de schadebegroting (cijfers), de interesten en de andere beschikkingen. B.3.3. Overeenkomstig het grievenformulier dat is opgesteld bij het voormelde koninklijk besluit van 18 februari 2016, alsook bij het koninklijk besluit van 23 november 2017 dat het wijzigt, vormt de schuldigverklaring een beschikking van het vonnis waartegen een grief kan worden ingebracht, die in het verzoekschrift in hoger beroep specifiek moet worden beoogd. 11 B.4.1 Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 februari 2016 volgt dat het in artikel 204 van het Wetboek van strafvordering bedoelde verzoekschrift in hoger beroep tot gevolg heeft de aanhangigmaking bij de appelrechter af te bakenen, zodat het de partijen niet is toegestaan nieuwe grieven aan te voeren na het verstrijken van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 87). De beschikkingen van het vonnis waartegen door geen enkele van de partijen hoger beroep wordt ingesteld, verkrijgen gezag van gewijsde, hetgeen impliceert dat de appelrechter in beginsel geen kennis ervan kan nemen. B.4.2. Een grief in de zin van artikel 204 van het Wetboek van strafvordering is, volgens het Hof van Cassatie, de specifieke aanwijzing door de appellant van een beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet vereist is dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt; de appelrechter oordeelt onaantastbaar in feite of de grieven die in het verzoekschrift of het grievenformulier zijn opgegeven, voldoende nauwkeurig zijn. De grieven zijn nauwkeurig bepaald in de zin van die bepaling wanneer de appelrechters en de partijen met zekerheid de beslissing of de beslissingen van het beroepen vonnis kunnen bepalen waarvan de appellant de hervorming vraagt, met andere woorden wanneer daardoor de mate waarin de zaak bij de appelrechters aanhangig is gemaakt, kan worden bepaald (Cass., 18 april 2017, P.17.0031.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4, P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, P.17.0105.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6 en P.17.0147.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11; 3 mei 2017, P.17.0145.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4; 28 juni 2017, P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4; 27 september 2017, P.17.0257.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.2. Zie ook : Cass., 6 februari 2018, P.17.0457.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1; 27 februari 2018, P.18.0021.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7; 13 maart 2018, P.17.0695.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.3; 30 mei 2018, P.18.0387.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.3). B.5.1. Artikel 210, tweede lid, derde streepje, van het Wetboek van strafvordering biedt de rechter de mogelijkheid om, behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204 van hetzelfde Wetboek, ambtshalve de middelen van openbare orde op te werpen die zijn afgeleid uit « het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten ». Thans dient te worden onderzocht wat de weerslag van die bepaling is wanneer de grief « schuld » in het grievenformulier niet is aangekruist. 12 B.5.2. Wat de middelen van openbare orde betreft die de appelrechter ambtshalve kan opwerpen onder de in artikel 210, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bepaalde voorwaarden, is in de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 februari 2016 vermeld dat « de verplichting om de feiten juist te kwalificeren of vast te stellen dat zij geen misdrijf opleveren, [...] de rechter echter niet ertoe [kan] aanzetten de aanhangigmaking te overschrijden door het plegen van feiten die niet worden betwist door een opgeworpen grief ambtshalve te betwisten » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 88). B.5.3. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld : « Artikel 210, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering [...] somt de middelen van openbare orde op die de appelrechter, behoudens de grieven ingebracht zoals bepaald in artikel 204, ambtshalve kan opwerpen. Die grieven zijn onder meer die welke betrekking hebben op het gegeven dat de feiten die bij de appelrechter wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om die feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar die feiten aantasten. Zoals daarin wordt vermeld, is die bepaling beoogd in het derde streepje van het voormelde artikel 210, tweede lid, van toepassing op de tenlasteleggingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een schuldigverklaring die de appellant aan de appelrechters heeft voorgelegd, waarbij hij in het verzoekschrift in hoger beroep een grief met betrekking tot die verklaring nauwkeurig bepaalt of waarbij hij in het grievenformulier het toepasselijke vakje aankruist. Het is dus vereist dat, bij het verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, een betwisting met betrekking tot de schuld aan een tenlastelegging, bij de appelrechter aanhangig wordt gemaakt, vooraleer enig middel van openbare orde met betrekking tot de kwalificatie van die tenlastelegging, de nietigheid van het onderzoek dat de feiten ervan heeft aangetoond, of de ontstentenis van enige wettelijke bepaling waarbij die als misdrijf worden aangemerkt, ambtshalve kan worden opgeworpen » (eigen vertaling) (Cass., 11 april 2018, P.17.1303.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180411.6 ; in dezelfde zin, zie ook : Cass., 19 april 2017, P.17.0055.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170419.2; 18 oktober 2017, P.17.0656.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171018.3; 6 februari 2018, P.17.0457.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1). Aldus heeft die interpretatie van het begrip « grief van openbare orde » in de zin van artikel 210, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met het bij het koninklijk besluit van 18 februari 2016 opgestelde grievenformulier, tot gevolg dat de appelrechter middelen van openbare orde die betrekking hebben op het gegeven dat de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn, slechts ambtshalve kan opwerpen indien die bij hem « wat betreft de schuldvraag » aanhangig zijn gemaakt, met andere 13 woorden enkel indien een van de door de appellant in het verzoekschrift in hoger beroep of in het grievenformulier opgeworpen grieven betrekking heeft op de schuldvraag. B.6. Artikel 13 van de Grondwet waarborgt het recht op toegang tot de bevoegde rechter. Het waarborgt eveneens aan alle personen die zich in dezelfde toestand bevinden het recht om volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging te worden berecht. Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken. B.7.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 69; 18 oktober 2016, Miessen t. België, § 64; 17 juli 2018, Vermeulen t. België, § 48). B.7.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. 14 B.8. Noch artikel 13 van de Grondwet, noch artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgen een recht op een dubbele aanleg (EHRM, grote kamer, 26 oktober 2000, Kudla t. Polen, § 122; 18 december 2007, Marini t. Albanië, § 120; 17 juli 2012, Muscat t. Malta, § 42). B.9.1. Het recht op een dubbele aanleg in strafzaken wordt gewaarborgd door artikel 2 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook door artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.9.2. Wat artikel 2, lid 1, van het Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld : « De verdragsluitende Staten beschikken in beginsel over een discretionaire bevoegdheid om te beslissen over de nadere regels voor de uitoefening van het recht waarin is voorzien bij artikel 2 van het Protocol nr. 7. Zo kan het onderzoek van een schuldigverklaring of van een veroordeling door een hoger rechtscollege zowel betrekking hebben op feitelijke kwesties als op rechtsvragen of zich beperken tot de rechtsvragen; in sommige landen, overigens, moet de rechtzoekende die zijn zaak bij de beroepsinstantie aanhangig wenst te maken, in bepaalde gevallen daartoe om toelating verzoeken. De beperkingen die bij de interne wetgevingen aan het in die bepaling vermelde recht op beroep zijn aangebracht, moeten echter, naar analogie met het in artikel 6 van het Verdrag verankerde recht op toegang tot de rechtbank, een wettig doel nastreven en mogen geen afbreuk doen aan het wezen zelf van dat recht (Haser t. Zwitserland (beslissing), nr. 33050/96, 27 april 2000) » (EHRM, Panou t. Griekenland, 8 januari 2009, § 32; Patsouris t. Griekenland, 8 januari 2009, § 35). In punt 17 van het « Rapport explicatif » van dat Protocol wordt ook gepreciseerd dat het recht op hoger beroep niet noodzakelijk zowel betrekking moet hebben op de schuldigverklaring als op de veroordeling. Zo kan, indien de persoon het misdrijf dat hem ten laste wordt gelegd, heeft bekend, het hoger beroep worden beperkt tot de veroordeling alleen. Artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten dient redelijkerwijze in dezelfde zin te worden begrepen. B.10. In het algemeen staat het aan de wetgever, wanneer hij een rechtsmiddel organiseert, het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. 15 B.11. Uit het voorgaande volgt dat het recht op toegang tot de rechter, inclusief in het kader van het hoger beroep tegen een strafrechtelijke beslissing, het voorwerp kan uitmaken van bepaalde beperkingen, inzonderheid ten aanzien van het voorwerp ervan, dat wil zeggen ten aanzien van de omvang van de aanhangigmaking, op voorwaarde dat die de kern van het recht niet aantasten, dat zij een wettig doel nastreven en dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.12. Zoals in B.1.3 is vermeld, past artikel 210, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in het kader van de doelstelling van een efficiëntere behandeling van de strafzaken in hoger beroep, die wordt nagestreefd, enerzijds, met de beperking van het debat in hoger beroep tot enkel de grieven die in het verzoekschrift door de partijen tegen het vonnis in eerste aanleg worden ingebracht (artikel 204 van het Wetboek van strafvordering) en, anderzijds, met de beperking van de mogelijkheid voor de rechter om middelen van openbare orde ambtshalve op te werpen (artikel 210 van het Wetboek van strafvordering, de in het geding zijnde bepaling). Die maatregelen dragen eveneens ertoe bij de rechtszekerheid te versterken die gepaard gaat met het gezag van gewijsde dat verbonden is met de bepalingen van een vonnis die niet in hoger beroep worden betwist. B.13. Het komt het Hof echter toe te onderzoeken of de onmogelijkheid voor de appelrechter om zijn saisine uit te breiden wanneer het opduiken van een « nieuw element », dat een weerslag kan hebben op de schuld van de beklaagde, wordt aangevoerd, redelijk is verantwoord ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling en of zij het beginsel van het hoger beroep in strafzaken niet uitholt. B.14.1. Zoals in B.9.2 is vermeld, impliceert de verplichting om een dubbele aanleg in strafzaken te organiseren niet dat in hoger beroep noodzakelijkerwijs de mogelijkheid dient te worden geboden dat de zaak opnieuw volledig wordt onderzocht. Het hoger beroep mag worden beperkt tot sommige beschikkingen van het vonnis. Bijgevolg kan de beperking van de aanhangigmaking bij de appelrechter op zich geen schending vormen van de rechten van verdediging of van het recht om een daadwerkelijk rechtsmiddel uit te oefenen. 16 B.14.2. Overeenkomstig artikel 204 van het Wetboek van strafvordering is het aan de appellant zelf, in het verzoekschrift in hoger beroep, de beschikkingen van het vonnis aan te wijzen die hij wenst te betwisten. Niets staat eraan in de weg dat de appellant in het verzoekschrift in hoger beroep grieven formuleert met betrekking tot alle beschikkingen van het vonnis, op voorwaarde dat de grieven in kwestie voldoende nauwkeurig zijn. Zoals in de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 februari 2016 is vermeld, strekt die maatregel ertoe de partijen bij het strafproces te responsabiliseren door hen zich bewust te laten worden van de draagwijdte van de akte van hoger beroep. B.14.3. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 heeft geoordeeld wat betreft het hoger beroep op grieven in de zin van artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, zijn « grieven » niet hetzelfde als « middelen » : « B.45.1. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat het begrip ‘ grief ’ in de zin van artikel 204 van het Wetboek van strafvordering niet samenvalt met het begrip ‘ middel ’ in de betekenis die de verzoekende partijen eraan geven. De bestreden bepaling schrijft dus voor dat de appellant in zijn verzoekschrift de onderdelen van het vonnis in eerste aanleg aanwijst die hij wil laten hervormen en niet de argumenten die hij daartoe wenst aan te voeren. B.45.2. Bijgevolg belet de bestreden bepaling niet dat de appellant, voor het eerst in hoger beroep en in de loop van de procedure, de middelen aanvoert die hij geschikt acht om de hervorming te verkrijgen van de in eerste aanleg gewezen beslissing, met inbegrip, in voorkomend geval, van de overschrijding van de redelijke termijn, of nog, een omkering van de rechtspraak tussen de eerste en tweede aanleg ». B.14.4. Het Hof heeft zich bij dat arrest echter niet uitgesproken over de in B.2.3 afgebakende hypothese. B.15.1. Ingeval er een « nieuw element » opduikt, waarvan alleen de appelrechter kennis zou kunnen hebben met uitsluiting van de eerste rechter, en dat een weerslag kan hebben op de schuld, is de onmogelijkheid voor de appelrechter om een middel van openbare orde dat is afgeleid uit het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, in de zin van artikel 210, tweede lid, derde streepje, van het Wetboek van strafvordering, ambtshalve op te werpen buiten de grieven in de zin van artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, omdat de schuldigverklaring in het verzoekschrift in hoger beroep of in het grievenformulier niet is beoogd, onevenredig ten aanzien van het recht op toegang tot de rechter, in zoverre zij het hoger beroep in strafzaken uitholt, terwijl het bij de rechterlijke instantie aanhangig is gemaakt. 17 B.15.2. Die vaststelling geldt in de hypothese van een « nieuw element », wanneer dat « nieuwe element » is opgevat als een element dat is opgedoken na de neerlegging van het verzoekschrift in hoger beroep, waarvan alleen de appelrechter kennis zou kunnen hebben met uitsluiting van de eerste rechter, en dat bijgevolg als grondslag zou kunnen dienen voor een nieuw middel, dat in geen geval aan de eerste rechter had kunnen worden voorgelegd en dat het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, zou kunnen aantonen en bijgevolg een weerslag zou kunnen hebben op de schuld, zelfs indien de schuldvraag in het verzoekschrift of in het grievenformulier niet is beoogd. Het onvoorzienbare karakter van dat « nieuwe element » belet per definitie dat de appellant daarmee rekening heeft kunnen houden wanneer hij zijn grieven heeft bepaald. De onmogelijkheid voor de rechter om dat « nieuwe element » op te werpen dat het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, kan aantonen is een onevenredige maatregel ten aanzien van de doelstelling die erin bestaat de partijen bewust te maken over de draagwijdte van de akte van hoger beroep. Het feit dat de schuldvraag in het verzoekschrift niet is beoogd, kan ten aanzien van dat « nieuwe element », dat intrinsiek onvoorzienbaar is en dat bijgevolg onmogelijk in eerste aanleg kon worden voorgelegd, niet betekenen dat de appellant ervan zou hebben afgezien zijn schuld te betwisten, noch dat de appelrechter niet ambtshalve kan beslissen dat hij niet schuldig is. Voor het overige is het, zoals in B.2.3 wordt vermeld, aan de verwijzende rechter dat het toekomt te beoordelen of er te dezen een dergelijk « nieuw element » bestaat. B.15.3. Ten slotte kan de omstandigheid dat in het geval van het opduiken van een « nieuw feit » dat een weerslag kan hebben op de schuld, de veroordeelde de mogelijkheid heeft om de herziening aan te vragen van zijn veroordeling, krachtens de artikelen 443 tot 447bis van het Wetboek van strafvordering, het onevenredige karakter van de in het geding zijnde bepaling niet afzwakken in de hypothese van het opduiken van een « nieuw element » zoals het in B.15.2 is afgebakend. 18 De artikelen 443 tot 447bis van het Wetboek van strafvordering organiseren immers, volgens zeer strikte voorwaarden, een procedure tot herziening van de in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordelingen en dat buitengewoon rechtsmiddel kan niet in de plaats komen van het hoger beroep in strafzaken, dat een gewoon rechtsmiddel is dat het mogelijk maakt een beslissing in eerste aanleg te vernietigen, met name wanneer de appelrechter, op grond van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt, beslist dat de schuld niet vaststaat. B.16. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 210 van het Wetboek van strafvordering schendt artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de appelrechter niet ambtshalve een middel van openbare orde kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn wanneer dat een gevolg is van een nieuw element dat is opgedoken na de indiening van het verzoekschrift in hoger beroep en wanneer de schuldvraag in dat verzoekschrift of in het grievenformulier niet is beoogd. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 mei 2019. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.067 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170419.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171018.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180411.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.