← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.069

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.069 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190516.5 Arrest- Rolnummer: 69/2019 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-06-07 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-06-28 22:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN - Tegemoetkoming PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Verjaring - Terugvordering van voorschotten betaald aan een persoon met een handicap. Tekst van de beslissing Rolnummer 6815 Arrest nr. 69/2019 van 16 mei 2019 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 9 januari 2018 in zake P.M. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 januari 2018, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schenden artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door de vordering van de Belgische Staat tot terugbetaling van voorschotten die zijn betaald aan een persoon met een handicap, te onderwerpen aan een verjaringstermijn van tien jaar, terwijl de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde tegemoetkomingen, die eveneens door de Belgische Staat wordt ingesteld ten aanzien van een persoon met een handicap, krachtens artikel 16 van de wet van 27 februari 1987 aan een verjaringstermijn van, naar gelang van het geval, één, drie of vijf jaar wordt onderworpen ?
  2. Schenden artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door de vordering van de Belgische Staat tot terugbetaling van voorschotten die zijn betaald aan een persoon met een handicap, te onderwerpen aan een verjaringstermijn van tien jaar, terwijl de vorderingen tot terugbetaling die door andere socialezekerheidsinstellingen zijn ingesteld ten aanzien van sociaal verzekerden die voorschotten in de aangelegenheden van de arbeidsongevallen of van de werkloosheidsverzekering hebben genoten, bij respectievelijk artikel 69, eerste en tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders aan een verjaringstermijn van, naar gelang van het geval, drie of vijf jaar worden onderworpen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - P.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Effinier, advocaat bij de balie te Namen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 6 februari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 27 februari 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 27 februari 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil P.M. is op 3 maart 1993 het slachtoffer van een ernstig verkeersongeval geweest. Vanaf 1 november 1993 werden hem voorschotten op de inkomensvervangende tegemoetkoming toegekend naar rato van een jaarlijks bedrag van 5 796,49 euro. Hij heeft een machtiging ondertekend tot terugvordering van die voorschotten op de sommen die hem als schadeloosstelling in het kader van dat ongeval verschuldigd zouden zijn. Op 28 juni 2004 werd de schadeloosstelling van P.M. definitief vastgesteld bij een arrest van het Hof van Beroep te Luik. Op 17 mei en 28 juni 2006 heeft de Belgische Staat beslist om het recht van P.M. op die voorschotten te herzien, door het op te heffen of door het te beperken. Hij heeft eveneens beslist om de voorschotten die ten onrechte zijn betaald voor die periode, namelijk de som van 61 078,74 euro, terug te vorderen. Daarenboven heeft de Staat op 1 maart 2011 beslist om de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkomingen en integratietegemoetkomingen te weigeren. Op 29 februari 2012 heeft hij beslist om de tegemoetkomingen terug te vorderen die ten onrechte zijn betaald wegens een wijziging in de samenstelling van het gezin van de uitkeringsgerechtigde. Die laatste heeft al die beslissingen betwist en zijn vorderingen werden samengevoegd door de arbeidsrechtbank, die heeft geoordeeld dat de terugvordering van de voorschotten voor de periode van 1 november 1993 tot 31 mei 2006 niet verjaard was en die de heropening van de debatten heeft bevolen opdat de partijen zich nader verklaren over een aantal kwesties. Het is tegen dat vonnis dat P.M. hoger beroep heeft ingesteld voor het verwijzende rechtscollege, waarbij hij de herziening van de bestreden beslissingen vordert en het Arbeidshof verzoekt om een prejudiciële vraag over de verjaringsregeling te stellen. Na te hebben vastgesteld dat de drie verjaringstermijnen die zijn vermeld in artikel 16, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, niet van toepassing waren op de terugvordering van de voorschotten ten laste van de persoon met een handicap, die geen ten onrechte betaalde tegemoetkomingen zijn, is het verwijzende rechtscollege van oordeel dat het bijgevolg de in artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde gemeenrechtelijke termijn van tien jaar is die van toepassing is. Het stelt vervolgens vast dat het aanvangspunt van die tienjarige termijn het ogenblik is waarop het recht op die uitkeringen of vergoedingen definitief is vastgesteld, namelijk te dezen op 28 juni
  3. Het verwijzende rechtscollege, dat vervolgens rekening houdt met de eventuele discriminatie die voortvloeit uit die verjaringsregeling, die door de appellant voor het verwijzende rechtscollege is opgeworpen, heeft aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen gesteld. III. In rechte -A- A.1.
  4. De appellant voor de feitenrechter zet eerst de feiten uiteen die aan de oorsprong van het voor het verwijzende rechtscollege gebrachte geschil liggen. Hij voert vervolgens aan dat het niet artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek is dat aan de oorsprong zou liggen van de discriminatie die hij aanvoert, maar artikel 7 van de wet van 6 februari 1970 « betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën », dat te dezen van toepassing is. Ter ondersteuning van dat argument haalt hij het arrest van het Hof nr. 129/2000 van 6 december 2000 aan, dat is uitgesproken in verband met ten onrechte betaalde tegemoetkomingen. De appellant herhaalt dat standpunt in zijn memorie van antwoord, waarbij hij van mening is dat de prejudiciële vragen, zoals zij door het verwijzende rechtscollege zijn geformuleerd, op een verkeerd uitgangspunt berusten. 4 A.1.
  5. Ten gronde voert de appellant aan dat er geen enkele verantwoording bestaat voor het feit dat de verjaringstermijn die van toepassing is op de terugvordering van voorschotten die door de Staat aan een persoon met een handicap zijn betaald, een termijn van tien jaar is, terwijl hij vijf jaar bedraagt met betrekking tot de terugvordering van ten onrechte betaalde tegemoetkomingen. Beide categorieën van tegemoetkomingen zijn immers vergelijkbaar, zo voert hij aan. De eerste prejudiciële vraag dient dus bevestigend te worden beantwoord. A.1.
  6. De tweede prejudiciële vraag dient eveneens bevestigend te worden beantwoord. De appellant voert immers aan dat het verschil tussen de tienjarige verjaringstermijn die van toepassing is op de terugvordering van voorschotten die door de Staat aan een persoon met een handicap zijn betaald en de kortere termijnen die van toepassing zijn op de vorderingen tot terugvordering van socialezekerheidsinstellingen, evenmin verantwoord is. Alle in die vorderingen bedoelde categorieën van uitkeringsgerechtigden zijn evenwel vergelijkbaar, zo meent hij, met de categorie van de gerechtigde van onverschuldigde voorschotten die werden ontvangen op grond van artikel 7, § 4, van de wet van 27 februari
  7. A.2.
  8. De Ministerraad is, net zoals het verwijzende rechtscollege, van oordeel dat de terugvordering door de Staat van voorschotten die aan een persoon met een handicap zijn betaald, is onderworpen aan het gemeen recht van de verjaring, met andere woorden aan artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek dat die verjaring dus vaststelt op tien jaar. In zijn memorie van antwoord voegt hij eraan toe dat hij het standpunt van de appellant voor de verwijzende rechter die aanvoert dat het de in artikel 7 van de voormelde wet van 6 februari 1970 bedoelde verjaring zou zijn die van toepassing zou zijn, niet begrijpt. In de eerste plaats is die bepaling niet meer van toepassing op de Staat die voortaan is onderworpen aan artikel 114 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat. Vervolgens, ten gronde, heeft die bepaling betrekking op de terugvordering van de sommen welke die laatste ten onrechte zou hebben betaald en niet op de terugvordering van door de Staat betaalde voorschotten. Ten slotte, en hoe dan ook, staat het niet aan een partij om de inhoud te wijzigen van de prejudiciële vragen die bij het Hof aanhangig worden gemaakt. A.2.
  9. De eerste prejudiciële vraag houdt in dat eerst wordt stilgestaan bij de vergelijkbaarheid van de beoogde situaties. Voor de Ministerraad zijn zij echter dermate verschillend dat hij niet goed inziet wat ze met elkaar in verband kan brengen. In elk geval voert de Ministerraad aan dat het in het geding zijnde verschil tussen de verjaringstermijnen objectief en redelijk kan worden verantwoord. In beide gevallen heeft de invordering van de sommen immers niet dezelfde aard en berust zij niet op dezelfde inzet. Het doel van de wet van 27 februari 1987 bestaat erin aan de persoon met een handicap, zonder beperking in de tijd, bestaansmiddelen te verzekeren in afwachting van de eindbeslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over het recht dat concurreert met de tegemoetkomingen. De als voorschot betaalde sommen worden dus precair en subsidiair toegekend, in afwachting van een definitieve beslissing over de schadeloosstelling voor het nadeel dat is geleden in het gemeen recht. Wat de terugvordering van die sommen betreft, is de Staat een derde bij de definitieve vaststelling van de rechten die in de vorm van vergoedingen aan de persoon met een handicap worden toegekend. Hetgeen ook verantwoordt dat de verjaringstermijn van de terugvordering van die sommen geen al te korte termijn kan zijn. A.2.
  10. De tweede prejudiciële vraag dient eveneens ontkennend te worden beantwoord. De verjaringstermijnen waarmee de termijn die van toepassing is op de terugvordering van de aan een persoon met een handicap betaalde voorschotten, hier wordt vergeleken, hebben betrekking op verjaringstermijnen van vorderingen tot terugvordering van socialezekerheidsinstellingen in de aangelegenheden van de arbeidsongevallen of van de werkloosheidsverzekering. In de eerste plaats, zo voert de Ministerraad aan, wordt in die twee socialezekerheidswetgevingen geen enkele bijzondere bepaling aangevoerd waarin naar een soortgelijk voorschot wordt verwezen. Indien het Hof evenwel zou oordelen dat die situaties vergelijkbaar zijn, dan voert de Ministerraad aan dat het verkorten van de termijnen in de aangelegenheid van de sociale zekerheid noodzakelijk was, wat de terugvordering van onverschuldigde bedragen betreft. Bijgevolg, zo besluit de Ministerraad, onderscheidt de terugvordering van voorschotten die aan een persoon met een handicap zijn betaald overeenkomstig artikel 7, § 4, van de wet van 27 februari 1987, zich op twee manieren van de terugvordering van sommen die ten onrechte zijn betaald door de socialezekerheidsinstellingen inzake arbeidsongevallen en werkloosheidsverzekering : 5 enerzijds is het de bedoeling voorschotten en geen onverschuldigde bedragen terug te vorderen; anderzijds past die terugvordering in het kader van een stelsel voor maatschappelijke dienstverlening en niet in het kader van het socialezekerheidsstelsel, twee stelsels waaraan fundamenteel verschillende doelstellingen ten grondslag liggen. -B- B.1.
  11. Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar ». B.1.
  12. Artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (hierna : de wet van 27 februari 1987), zoals gewijzigd bij artikel 121 van de programmawet (I) van 24 december 2002, bepaalt : « §
  13. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet [overschrijden]. […] §
  14. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden : 1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid; 2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden. […] §
  15. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in §
  16. 6 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten ». Artikel 16, § 1, van dezelfde wet bepaalt : « De terugvordering van de ten onrechte betaalde tegemoetkomingen verjaart na drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot één jaar indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van een administratieve dienst of instelling, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kan geven. De in het eerste lid voorgeschreven verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of bewust onvolledige verklaringen. Deze termijn van vijf jaar geldt eveneens ten aanzien van sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.2.
  17. Met de eerste prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of de voormelde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling tussen personen met een handicap in het leven roepen door de terugvordering door de Belgische Staat van voorschotten die zijn betaald aan een persoon met een handicap, te onderwerpen aan een verjaringstermijn van tien jaar, terwijl de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde tegemoetkomingen door de Belgische Staat krachtens het voormelde artikel 16 van de wet van 27 februari 1987 aan een verjaringstermijn van één, drie of vijf jaar wordt onderworpen. B.2.
  18. Uit de feiten en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat bij het verwijzende rechtscollege een geschil aanhangig is gemaakt dat betrekking heeft op een terugvordering door de Staat van voorschotten betaald aan een persoon met een handicap, ten gevolge van een verkeersongeval. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de verjaringstermijn die op een dergelijke vordering van toepassing is. 7 In de interpretatie die door de verwijzende rechter aan het Hof is voorgelegd, is het de in artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde gemeenrechtelijke verjaringstermijn die van toepassing moet zijn, aangezien de wet van 27 februari 1987 niet in een specifieke verjaringstermijn voorziet voor de terugvordering van voorschotten die door de Staat aan een persoon met een handicap zijn betaald. B.
  19. Luidens de artikelen 1 en 2 van de wet van 27 februari 1987 kunnen personen met een handicap drie types van tegemoetkoming krijgen : de inkomensvervangende tegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die 21 tot 65 jaar oud is, wiens lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen in aanzienlijke mate heeft verminderd; de integratietegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die 21 tot 65 jaar oud is, bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld; de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld. Die tegemoetkomingen vormen een financiële hulp waarvan het bedrag prioritair de bestaanszekerheid van de minstbedeelden moet waarborgen. Het bedrag van die tegemoetkomingen is vastgelegd bij artikel 6 van de wet. B.
  20. Daarenboven, en teneinde te voorkomen dat de persoon met een handicap zonder inkomsten blijft tijdens een relatief lange periode vóór de toekenning van andere uitkeringen, met name de vergoedingen die uit de toepassing van de regels van de aansprakelijkheid voortvloeien wanneer de handicap wordt veroorzaakt door een ongeval, maakt artikel 7, § 4, van de wet van 27 februari 1987 het hem mogelijk inkomensvervangende tegemoetkomingen, als voorschot, zoals te dezen, aan te vragen. Daaruit volgt dat, wanneer de FOD Sociale Zekerheid in rechte treedt tegen de gerechtigde op de op grond van artikel 7, § 4, van de in het geding zijnde wet toegekende voorschotten, de in artikel 16 van dezelfde wet bedoelde verjaringstermijn niet van toepassing is, aangezien die bepaling betrekking heeft op de terugvordering van onverschuldigde tegemoetkomingen, hetgeen de op grond van artikel 7, § 4, aan de persoon met een handicap toegekende voorschotten niet zijn. 8 Aldus, bij gebrek aan een bijzondere verjaringstermijn in een specifieke wet, zijn het de algemene bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ter zake die van toepassing zijn en, te dezen, de verjaringstermijn van tien jaar, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het aanvangspunt van die tienjarige termijn is, met betrekking tot sommen waarvan het terugbetaalbare en opeisbare karakter niet bestaat op het ogenblik van de betaling ervan door de Staat, het ogenblik waarop het recht op die uitkeringen of vergoedingen definitief wordt vastgesteld, overeenkomstig artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek. B.
  21. Met betrekking tot die voorschotten wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 februari 1987 vermeld : « De toekenning van deze sociale uitkeringen laat soms lang op zich wachten (b.v. bij een betwisting inzake een arbeidsongeval) en er dient vermeden dat de gehandicapten ondertussen elke aangepaste sociale uitkering [zouden] ontberen. Daarom wordt voorgesteld de tegemoetkomingen in dergelijke gevallen als terugvorderbare voorschotten toe te kennen » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448-1, p. 3). « Artikel 13 concretiseert in § 1 het suppletief karakter van de tegemoetkomingen, door te stellen dat zij niet kunnen gecumuleerd worden met uitkeringen verleend krachtens een andere Belgische of vreemde wetgeving en die er op gericht zijn het inkomen van de gehandicapte geheel of gedeeltelijk te vervangen of de beperking van de zelfredzaamheid te compenseren. De toekenning van deze uitkeringen laat soms lang op zich wachten (bvb. bij een betwisting inzake een verkeersongeval) en er dient vermeden dat de gehandicapte ondertussen zonder inkomen en zonder uitkering zou blijven. Daarom voorziet § 2 dat in dergelijke gevallen terugvorderbare voorschotten kunnen toegekend worden. Om te voorkomen dat bij een latere uitkering krachtens een andere regeling tot een terugvordering t.a.v. de gehandicapte moet worden overgegaan, werd een wettelijke subrogatie ingevoerd ten voordele van de uitbetalende dienst of instelling tot beloop van het bedrag van de verstrekte voorschotten » (ibid., pp. 7-8). B.6.
  22. De voorschotten die de Staat kan toekennen aan een persoon met een handicap op grond van het voormelde artikel 7, § 4, van de wet van 27 februari 1987, onderscheiden zich dus van de in de artikelen 1 en 2 van dezelfde wet bedoelde tegemoetkomingen, in zoverre zij voorlopig worden toegekend, in afwachting dat de vergoedingen worden betaald door de persoon die aansprakelijk is verklaard voor de schade die aan de oorsprong van de handicap ligt. 9 De persoon met een handicap die die voorschotten aanvraagt, kent het precaire, subsidiaire en voorlopige karakter ervan in afwachting van een definitieve beslissing over de schadeloosstelling voor het nadeel dat in het gemeen recht is geleden. B.6.
  23. De regeling in verband met de tegemoetkomingen aan personen met een handicap vormt een bijzonder stelsel van maatschappelijke dienstverlening. In tegenstelling tot het traditionele stelsel van de sociale zekerheid, dat de betaling van bijdragen inhoudt, wordt dit bijzonder stelsel volledig gefinancierd door de algemene inkomsten van de Staat en wil het een door de wet bepaald inkomen verschaffen aan diegenen die niet over voldoende andere bestaansmiddelen beschikken. B.6.
  24. Ten slotte, in tegenstelling tot de terugvordering van sommen die ten onrechte zijn betaald als tegemoetkomingen aan personen met een handicap, die aan de in artikel 16 van de wet van 27 februari 1987 bedoelde kortere verjaringstermijnen zijn onderworpen, houdt de terugvordering van de op grond van artikel 7, § 4, betaalde voorschotten verband met schadeloosstellingen die zijn betaald door de derde die aansprakelijk is voor een schade en in het kader van een procedure waarin de Staat aanvankelijk niet optreedt, en vervolgens enkel als zijnde gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer en soms zelfs, zoals in het voorliggende geval, nadat het slachtoffer rechtstreeks werd vergoed, met andere woorden zonder dat enige subrogatie heeft kunnen plaatsvinden. B.
  25. Het criterium van onderscheid tussen de in artikel 16 van de wet van 27 februari 1987 bedoelde kortere verjaringstermijnen die van toepassing zijn op de terugvordering van onverschuldigde tegemoetkomingen die zijn betaald aan personen met een handicap en de tienjarige verjaring die van toepassing is op de terugvordering van voorschotten die aan personen met een handicap zijn betaald op grond van artikel 7, § 4, is bijgevolg pertinent en redelijk verantwoord ten opzichte van het doel dat erin bestaat het de Staat mogelijk te maken over een langere termijn te beschikken om als voorschot betaalde sommen terug te vorderen waarvan de gerechtigde vanaf het begin het voorlopige en precaire karakter kent, in tegenstelling tot onverschuldigde tegemoetkomingen. B.
  26. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  27. Met de tweede prejudiciële vraag vraagt het verwijzende rechtscollege aan het Hof of de voormelde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling in het leven roepen door de terugvordering van tegemoetkomingen die als voorschot aan een persoon met een handicap zijn betaald, aan een termijn van tien jaar te onderwerpen, terwijl de terugvordering van tegemoetkomingen die door andere socialezekerheidsinstellingen is ingesteld ten aanzien van sociaal verzekerden die voorschotten in de aangelegenheden van de arbeidsongevallen of van de werkloosheidsverzekering hebben genoten, respectievelijk bij artikel 69, eerste en tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en bij artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders aan een verjaringstermijn van, naar gelang van het geval, drie of vijf jaar wordt onderworpen. B.
  28. Artikel 69, eerste en tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt : « De rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen verjaart na drie jaar. De rechtsvordering tot terugvordering van onverschuldigde vergoedingen verjaart na drie jaar. De rechtsvordering tot terugvordering van onverschuldigde vergoedingen die door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen werden bekomen, verjaart na vijf jaar ». Artikel 7, § 13, eerste en tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt : « De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben. Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze ». 11 B.
  29. In tegenstelling tot de terugvordering van voorschotten die door de Staat aan personen met een handicap zijn betaald op grond van artikel 7, § 4, van de wet van 27 februari 1987, dat betrekking heeft op precair en voorlopig betaalde sommen, heeft de terugvordering van de in beide voormelde bepalingen bedoelde vergoedingen betrekking op geldsommen die ten onrechte werden betaald door de socialezekerheidsinstellingen. Daarenboven, zoals in de prejudiciële vraag wordt vermeld, werden die sommen betaald aan sociaal verzekerden die bijdragen tot de financiering van de sociale zekerheid, in tegenstelling tot de gerechtigden op de in artikel 7, § 4, van de wet van 27 februari 1987 bedoelde voorschotten, die onder een niet op bijdragen berustend stelsel vallen. B.
  30. Het criterium van onderscheid tussen, enerzijds, de kortere verjaringstermijnen die van toepassing zijn op de terugvordering van de vergoedingen die in het kader van arbeidsongevallen of van de werkloosheidsverzekering aan sociaal verzekerden zijn betaald en, anderzijds, de tienjarige verjaring die van toepassing is op de terugvordering van voorschotten die op grond van artikel 7, § 4, van de wet van 27 februari 1987 zijn betaald, is pertinent en redelijk verantwoord ten aanzien van de aard van de betaalde sommen die moeten worden teruggevorderd, alsook ten aanzien van het kader waarin het stelsel van maatschappelijke dienstverlening en de socialezekerheidsstelsels passen. B.
  31. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 mei
  32. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.