id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.083 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190528.1 Arrest- Rolnummer: 83/2019 Rechtsgebied: Familierecht - Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 775 - laatst gezien 2026-06-28 22:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SAMENWONEN - Wettelijk samenwonen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Rrejudiciële vraag betreffende artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Rechtsmiddelen - Hoger beroep - Ontvankelijkheid. Tekst van de beslissing Rolnummer 6677 Arrest nr. 83/2019 van 28 mei 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 26 mei 2017 in zake het Belgische bijkantoor van de vennootschap naar Nederlands recht « Triodos Bank nv » en die vennootschap tegen F.B. en in zake G.I. tegen het Belgische bijkantoor van de vennootschap naar Nederlands recht « Triodos Bank nv » en die vennootschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 juni 2017, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Zou artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek geen discriminatie doen ontstaan die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien het de bepalingen van artikel 224, § 1, 4°, van het Burgerlijk Wetboek niet zou toepassen op de wettelijk samenwonenden, met als gevolg dat, ten aanzien van de situatie van de persoon wiens echtgenoot een persoonlijke zekerheid heeft gesteld die de gezinswoning in gevaar brengt en de situatie van diegene die een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd met de persoon die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld die de gezinswoning in gevaar brengt, de eerstgenoemde de nietigverklaring van die verbintenis in de hoedanigheid van persoonlijke zekerheid kan vragen, wat niet het geval zou zijn voor de laatstgenoemde ? ». Memories zijn ingediend door : - de vennootschap naar Nederlands recht « Triodos Bank nv », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Gourdin, Mr. M. Verdussen en Mr. S. Beretzé, advocaten bij de balie te Brussel; - F.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Forges, advocaat bij de balie te Brussel; - G.I., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Leplat, advocaat bij de balie van Waals-Brabant; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - F.B.; - G.I.; - de Ministerraad. Bij beschikking van 20 maart 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 24 april 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. 3 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 24 april 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 2 september 2008 leggen F.B. en G.I., die drie gemeenschappelijke kinderen hebben, een verklaring van wettelijke samenwoning af. Op 16 juli 2011 ondertekent F.B., in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van een vennootschap die hij heeft opgericht, een kredietopening die hem wordt toegestaan door de vennootschap « Triodos Bank nv » en die betrekking heeft op een totaalbedrag van 190 000 euro. Dezelfde dag ondertekent F.B. eveneens, in eigen naam, een borgstellingsovereenkomst, gevoegd bij de overeenkomst voor de kredietopening, volgens welke hij zich borg stelt voor een maximaal bedrag van 90 000 euro. Naar aanleiding van het faillissement van de vennootschap die door de kredietopening is gebonden, verzoekt de vennootschap « Triodos Bank nv » de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel F.B. te veroordelen tot de betaling van het bedrag waarvoor hij zich borg heeft gesteld, vermeerderd met de verschuldigde interesten. G.I., die verklaart van het bestaan van de borgstelling pas kennis te hebben genomen bij de betekening van de gedinginleidende dagvaarding van de voormelde rechtsvordering en van mening is dat die borgstelling de belangen in gevaar brengt van het gezin dat zij met haar wettelijk samenwonende vormt, verzoekt dezelfde Rechtbank die overeenkomst nietig te verklaren met toepassing van artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek, bepaling die het mogelijk maakt een persoonlijke zekerheid nietig te verklaren die de belangen van het door de echtgenoten gevormde gezin in gevaar brengt. De Rechtbank onderzoekt de vordering van de vennootschap « Triodos Bank nv » en die van G.I. gezamenlijk en leidt uit artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, dat het stelsel van de wettelijke samenwoning mee definieert, af dat artikel 224, § 1, 4, van hetzelfde Wetboek niet van toepassing is op de wettelijke samenwoning. Zij onderstreept dat talrijke verschillen tussen, enerzijds, de regels betreffende de vermogensrechtelijke situatie van de echtgenoten en, anderzijds, die welke van toepassing zijn op de personen die zijn gebonden door een verklaring van wettelijke samenwoning kunnen worden verantwoord door het feit dat die laatste samenlevingsvorm slechts voorziet in een beperkte vermogensrechtelijke bescherming en de betrekkingen regelt tussen personen die daarvoor hebben gekozen. Zij vraagt zich niettemin af of het evenredig is een wettelijk samenwonende niet toe te staan om de nietigverklaring te vorderen van een borgstelling die is gesloten door de andere samenwonende en die een bedreiging kan vormen voor hun gezinswoning, daar de beschermende regels met betrekking tot de gezinswoning vervat in artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn op de wettelijk samenwonenden. De Rechtbank beslist derhalve, op verzoek van G.I. en F.B., aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- Volgens G.I. dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. Zij is van mening dat artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het artikel 224, § 1, 4, van hetzelfde Wetboek niet van toepassing maakt op de wettelijk samenwonenden. Zij leidt hieruit een intrinsieke lacune in de in het geding zijnde bepaling af, die de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zou kunnen opvullen door artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek toe te passen op het geschil dat bij haar aanhangig is gemaakt. 4 A.1.
- G.I. zet uiteen dat de wettelijk samenwonenden zich, in het licht van de in het geding zijnde bepaling, bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met die van de echtgenoten, daar de regels die van toepassing zijn op beide categorieën van personen ertoe strekken het gezin en de gezinswoning te beschermen, en daar de beperkte vermogensrechtelijke bescherming die artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek aan de wettelijke samenwonenden verleent, gedeeltelijk is geïnspireerd op de regels die van toepassing zijn op de echtgenoten en in het bijzonder op diegenen die van goederen zijn gescheiden. G.I. onderstreept dat artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op alle echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvermogensstelsel. A.1.
- G.I. zet uiteen dat het niet relevant, noch evenredig is artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing te verklaren op de wettelijk samenwonenden, niet alleen rekening houdend met de wil om de voornaamste woning van het gezin bestaande uit die samenwonenden te beschermen – zoals die blijkt uit artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek –, maar ook met het gegeven dat de wettelijk samenwonenden niet de bescherming genieten die de artikelen 1419 en 1422, eerste lid, 1°, van het Burgerlijk Wetboek bieden door elke echtgenoot toe te staan om de nietigverklaring te vorderen van een borgstelling door de andere echtgenoot waarvan hij niet in kennis zou zijn gesteld. G.I. herinnert ook eraan dat de wettelijke samenwoning aan de oorsprong kan liggen van het ontstaan van een gezin en dat artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek ertoe strekt « de belangen van het gezin » te beschermen. Zij merkt op dat de niet-toepassing van die bepaling op de wettelijk samenwonenden de bescherming van de voornaamste gezinswoning, die wordt beoogd met de toepassing van artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek, in gevaar brengt daar artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek in de praktijk wordt aangevoerd onder echtgenoten om die woning te beschermen. A.1.
- G.I. is van mening dat het gegeven dat de wettelijk samenwonenden een huwelijk hadden kunnen aangaan, geen afbreuk doet aan het discriminerende karakter van het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de niet-toepassing van artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek op de wettelijk samenwonenden. A.2.
- Volgens F.B. dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord, tenzij artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek zo wordt geïnterpreteerd dat het aan de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben ondertekend, de bescherming verleent die voortvloeit uit de in artikel 224, § 1, 4, van hetzelfde Wetboek vermelde regel. F.B. voert aan dat, in het licht van die laatste wetsbepaling, een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de echtgenoten en, anderzijds, de personen die onder het statuut van de wettelijke samenwoning leven, niet verantwoord is wanneer een van de leden van het paar een borgstelling heeft ondertekend die de gezinswoning in gevaar brengt. A.2.
- F.B. voert aan dat, in naam van de « belangen van het gezin » waarvan sprake is in artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek, de echtgenoot de nietigverklaring kan vorderen van een persoonlijke zekerheid die de instandhouding van de gezinswoning in gevaar brengt. Hij merkt overigens op dat de tweede, de derde en de vierde paragraaf van artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek, voor de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben ondertekend, regels bepalen die, geïnspireerd op het primaire stelsel van de echtgenoten, ertoe strekken het gezin en de woning van de samenwonenden te beschermen. F.B. is van mening dat het dus niet redelijk is regels van het huwelijk die ertoe strekken de gezinswoning te beschermen, toepasselijk te verklaren op de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben ondertekend, en die personen tegelijk het voordeel van de toepassing van artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek te ontzeggen, artikel dat het nochtans mogelijk maakt de verkoop van de gezinswoning te voorkomen die zou kunnen voortvloeien uit de uitvoering van een door een van beide leden van het paar gesloten borgstellingsovereenkomst. A.3.
- Volgens de Ministerraad dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 5 A.3.
- Hij voert aan dat het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling tussen de echtgenoot en de wettelijk samenwonende verantwoord is door het verschil tussen de instelling van het huwelijk en die van de wettelijke samenwoning. Hij onderstreept dat de respectieve rechten en plichten van de echtgenoten een veel hechtere solidariteitsband weergeven dan die welke voortvloeit uit de respectieve rechten en plichten van de wettelijk samenwonenden. De Ministerraad onderstreept dat de niet-uitbreiding, tot de wettelijke samenwoning, van de regel vervat in artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek niet voortvloeit uit een nalatigheid, maar uit een bewuste en gewilde beslissing van de wetgevende macht. De Ministerraad merkt ook op dat de gelijkenis tussen de vermogensrechtelijke aspecten van de wettelijke samenwoning en het huwelijksvermogensstelsel van de scheiding van goederen niet toelaat te beschouwen dat alle regels van het primaire stelsel van het huwelijk, zoals die welke is vervat in artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek, dienen te worden toegepast op de wettelijke samenwoning. Hij merkt ook op dat die laatste instelling niet alleen tot doel heeft een gezinsleven te organiseren en dat er gezinnen bestaan die worden gevormd buiten het huwelijk en de wettelijke samenwoning. A.3.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat, behalve in geval van een huwelijksbeletsel tussen twee personen van een paar die beslissen een gezin te vormen, de onmogelijkheid voor de wettelijk samenwonende om de nietigverklaring van een persoonlijke zekerheid te vorderen met toepassing van artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek, voortvloeit uit de beslissing van de twee personen, die, om hun samenleving te regelen, vrij hebben gekozen tussen de feitelijke samenwoning, de wettelijke samenwoning en het huwelijk, na de voor- en nadelen van elk van die stelsels voor hun paar te hebben afgewogen. A.3.
- De Ministerraad merkt ten slotte op dat het feit dat een wettelijk samenwonende een persoonlijke zekerheid stelt, op zich niet van dien aard is de bescherming van de gezinswoning zoals die is geregeld bij artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek rechtstreeks in gevaar te brengen. A.4.
- De naamloze vennootschap naar Nederlands recht « Triodos Bank nv » voert ook aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.4.
- Zij merkt op dat de verwijzing naar artikel 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek in artikel 1477, § 2, van hetzelfde Wetboek relevant is, daar die de bestraffing mogelijk maakt van een gedrag van een wettelijk samenwonende dat in strijd is met de regels vervat in artikel 215 van hetzelfde Wetboek die bij dat artikel 1477, § 2, op de wettelijke samenwoning van toepassing zijn verklaard. De vennootschap « Triodos Bank nv » leidt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek ook af dat de ontstentenis van een verwijzing naar artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek niet voortvloeit uit een nalatigheid of een vergetelheid van de wetgevende macht. A.4.
- De vennootschap « Triodos Bank nv » zet vervolgens uiteen dat het verschil in behandeling dat in de in het geding zijnde bepaling wordt gemaakt tussen, enerzijds, de gehuwde paren en, anderzijds, de paren die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd, evenredig is met het nagestreefde doel. Zij onderstreept allereerst dat, zelfs indien de wettelijke samenwoning de betrokken personen een vermogensrechtelijke bescherming moet bieden die is geïnspireerd op regels die van toepassing zijn op de echtgenoten, de wetgevende macht ervoor heeft gekozen die vorm van samenleven als paar goed te onderscheiden van de instelling van het huwelijk. Zij leidt hieruit af dat een wettelijk samenwonende enkel aanspraak kan maken op de toepassing van een op een echtgenoot toepasselijke regel indien de gevolgen van de niet-toepassing van die regel onevenredig zijn. Bovendien herinnert de vennootschap « Triodos Bank nv » eraan dat het Hof, wanneer het ertoe wordt gebracht zich uit te spreken over een verschil in behandeling tussen een gehuwde persoon en een persoon die met een ander als paar samenleeft en die een verklaring van wettelijke samenwoning heeft ondertekend, rekening ermee houdt dat de situatie van de ene en van de andere voortvloeit uit een vrije en doordachte keuze tussen beide vormen van samenleven als paar, met verschillende doch voorzienbare gevolgen. De vennootschap « Triodos Bank nv » herinnert ook eraan dat een verklaring van wettelijke samenwoning in de eerste plaats een instelling van contractueel recht is, die kan worden ondertekend door personen die geen enkel gemeenschappelijk gezinsproject hebben. 6 De vennootschap « Triodos Bank nv » merkt ten slotte op dat de in het geding zijnde bepaling de wil van de wetgevende macht weergeeft om de samenhang van het stelsel van de wettelijke samenwoning te vrijwaren. Zij wijst erop dat het begrip « belangen van het gezin » in artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek niet relevant is voor de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben ondertekend zonder daarom een gezin te vormen. Zij merkt op dat, indien die personen de bescherming genieten die bij artikel 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de echtgenoten is ingevoerd, een en ander voortvloeit uit het feit dat, naar het voorbeeld van de gehuwde personen, de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben ondertekend, samenleven in een onroerend goed dat hen tot voornaamste woning dient en het gebruik van het aanwezige huisraad delen. De vennootschap « Triodos Bank nv » merkt in dat verband op dat de erfrechtelijke bescherming die wordt verleend aan de langstlevende samenwonende ook beperkt is tot de verblijfplaats van het samenleven, alsook tot het huisraad. Zij voegt eraan toe dat het verantwoord is de bescherming die in de punten 2 tot 4 van artikel 224, § 1, van het Burgerlijk Wetboek aan de echtgenoten wordt geboden, niet uit te breiden tot de ongehuwd samenwonenden, omdat die regels betrekking hebben op handelingen betreffende het vermogen van een lid van het paar of het vermogen van het paar, en omdat, tussen de ongehuwd samenwonenden, geen gemeenschap van goederen bestaat, noch sprake is van successierechten op het volledige vermogen. -B- B.1.
- Artikel 215, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 1 van de wet van 14 juli 1976 « betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels », bepaalt : « De ene echtgenoot kan zonder de instemming van de andere niet onder bezwarende titel of om niet onder de levenden beschikken over de rechten die hij bezit op het onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning dient, noch dat goed met hypotheek bezwaren. Hij kan zonder die instemming evenmin onder bezwarende titel of om niet onder de levenden beschikken over het huisraad dat aanwezig is in het goed dat het gezin tot voornaamste woning dient, noch dat huisraad in pand geven. […] ». B.1.
- Artikel 224, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 1 van de voormelde wet, bepaalt : « Op verzoek van de andere echtgenoot en onverminderd de toekenning van schadevergoeding, kunnen worden nietigverklaard :
- de handelingen door een der echtgenoten verricht met overtreding van de bepalingen van artikel 215; […] 7
- de persoonlijke zekerheden door een der echtgenoten gesteld, die de belangen van het gezin in gevaar brengen ». B.
- Artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, bepaalt : « De artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, zijn van overeenkomstige toepassing op de wettelijke samenwoning ». B.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de in het geding zijnde wetsbepaling, door de toepassing van artikel 224, § 1, 4, van hetzelfde Wetboek op de wettelijke samenwoning uit te sluiten, een verschil in behandeling zou doen ontstaan tussen, enerzijds, de echtgenoot die de nietigverklaring zou kunnen vorderen van een borgstelling die, gesloten door de andere echtgenoot, de zakelijke rechten van die laatstgenoemde op het onroerend goed dat tot voornaamste gezinswoning dient in gevaar brengt en, anderzijds, de wettelijk samenwonende, die van zijn kant niet de nietigverklaring kan vorderen van een dergelijke borgstelling gesloten door de persoon met wie hij een verklaring van wettelijke samenwoning heeft ondertekend teneinde een gezin te vormen. B.4.
- Artikel 224 van het Burgerlijk Wetboek maakt deel uit van een geheel van wetsbepalingen die « strekken tot bescherming van de echtgenoten en van het gezin in het algemeen » (Parl. St., Kamer, 1975-1976, nr. 869/3, p. 3). Het staat een echtgenoot toe de nietigverklaring te vorderen van « handelingen door een der echtgenoten verricht met overtreding van een verbodsbepaling, vervat in de wet, of met miskenning van de belangen van het gezin » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, bijlage, p. 42), waaronder de « persoonlijke zekerheden door een der echtgenoten gesteld, die de belangen van het gezin in gevaar brengen ». De borgstelling is een persoonlijke zekerheid in de zin van die wetsbepaling (Hand., Senaat, 28 april 1976, pp. 1953-1954). Het is een overeenkomst waarmee een persoon, de borg, zich jegens een schuldeiser ertoe verplicht te voldoen aan de verbintenis van de schuldenaar van de laatstgenoemde, indien die schuldenaar niet zelf voldoet aan die hoofdverbintenis (artikel 2011 van het Burgerlijk Wetboek). 8 Het woord « gezin » in artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek omvat niet alleen de echtgenoten en de kinderen die onder hetzelfde dak wonen : het beoogt ook de « kinderen die gehuwd zijn of de woonplaats van de ouders hebben verlaten, in voorkomend geval ook […] de kinderen uit een eerste huwelijk voor wie de echtgenoot het recht van bewaring niet heeft of niet had » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, p. 19). Het « gevaar » voor de « belangen van het gezin » dat wordt aangevoerd door de echtgenoot die de nietigverklaring van een borgstelling vordert, moet worden beoordeeld op het ogenblik dat die overeenkomst wordt gesloten, door het bedrag van de verbintenis van de borg te vergelijken met de vermogenstoestand van het gezin en op basis van alle elementen die op dat ogenblik bekend zijn en die situatie kunnen beïnvloeden (Cass., 25 april 1985, Arr. Cass., 1984-1985, nr. 512; Cass., 24 april 1998, C.97.0272.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980424.8). De mogelijke gevolgen van de verbintenis van de borg voor het onroerend goed dat tot gezinswoning dient, alsook de plaats en het belang van dat onroerend goed in het eigen vermogen van de borg of in het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, zijn elementen die in aanmerking moeten worden genomen om het concrete bestaan van een gevaar voor de belangen van het gezin te beoordelen. Rekening houdend met het doel van artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek, dat erin bestaat de belangen van het gezin te waarborgen, kan de nietigheid van de borgstelling alleen worden uitgesproken indien die ten goede komt aan beide echtgenoten (Cass., 26 september 2014, C.14.0014.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140926.4). Indien de borgstelling nietig wordt verklaard omdat het sluiten ervan de belangen van het gezin in gevaar heeft gebracht, kan de persoon ten aanzien van wie de echtgenoot zich borg had gesteld, van die laatste een schadevergoeding vorderen indien vaststaat dat de nietigverklaring voortvloeit uit een fout van die echtgenoot. 9 B.4.
- Een echtgenoot kan de nietigverklaring van een borgstelling die, gesloten door de andere echtgenoot, de zakelijke rechten van die laatstgenoemde op het onroerend goed dat tot voornaamste gezinswoning dient in gevaar brengt, dus alleen verkrijgen indien hij kan aantonen dat, gelet op de op de dag van het sluiten van die overeenkomst beschikbare elementen, die handeling de belangen van het gezin in gevaar brengt in de zin van artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek. B.
- Noch artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, noch enige andere wetsbepaling maken het een wettelijk samenwonende mogelijk de nietigverklaring te vorderen van een borgstelling gesloten door de andere persoon die de verklaring van wettelijke samenwoning heeft ondertekend. B.
- Het huwelijk en de wettelijke samenwoning zijn twee geïnstitutionaliseerde vormen van samenleven die verschillen zowel ten aanzien van de wederzijdse rechten en plichten van de echtgenoten of wettelijk samenwonenden als ten aanzien van hun respectieve vermogensrechtelijke situaties. De wettelijke samenwoning biedt de twee personen die zij bindt een beperkte vermogensrechtelijke bescherming, die gedeeltelijk is geïnspireerd op bepalingen die op de echtgenoten van toepassing zijn. B.
- Het verschil tussen de staat van echtgenoot en die van wettelijk samenwonende kan in sommige gevallen een verschil in behandeling tussen die twee personen verantwoorden wanneer dat verschil verband houdt met het doel van de in de in het geding zijnde maatregel. B.
- Elk verschil in behandeling dat voortvloeit uit een wetsbepaling tussen, enerzijds, een echtgenoot en, anderzijds, een persoon die door een verklaring van wettelijke samenwoning is gebonden aan een andere persoon met wie hij gehuwd kon zijn, kan worden beschouwd als het resultaat van een in beginsel vrije keuze van beide personen van elk paar, waarbij de voor- en nadelen van het huwelijk en van de wettelijke samenwoning bekend zijn en de juridische gevolgen van hun keuze worden aanvaard. 10 B.9.
- Artikel 215, § 1, van het Burgerlijk Wetboek regelt het gebruik dat een echtgenoot kan maken van de « rechten die hij bezit op het onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning dient ». Artikel 224, § 1, 1, van hetzelfde Wetboek kent aan de andere echtgenoot het recht toe om de nietigverklaring te vorderen van de handelingen die met schending van de eerste regel zijn verricht. Het « gezin » waarop die bepalingen betrekking hebben, omvat alleen de echtgenoten en de kinderen die onder hetzelfde dak wonen (Parl. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, p. 19). Door te bepalen dat de artikelen 215, § 1, en 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek « van overeenkomstige toepassing op de wettelijke samenwoning [zijn] », strekt artikel 1477, § 2, van hetzelfde Wetboek niet ertoe het statuut van de « voornaamste woning van het gezin » bestaande uit de wettelijk samenwonenden te regelen, daar die geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven kan worden gekozen door personen die geen gezin vormen, noch willen vormen. Dat artikel heeft tot doel het gebruik te regelen dat een wettelijk samenwonende kan maken van de rechten die hij bezit op het onroerend goed dat tot « gemeenschappelijke woonplaats » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 170/8, p. 97) of tot « voornaamste woning » dient voor de twee wettelijk samenwonenden. B.9.
- Door aan iedere echtgenoot het recht toe te kennen de nietigverklaring te vorderen van een borgstelling gesloten door de andere echtgenoot, strekt artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek ertoe te voorkomen dat de « belangen van het gezin » in gevaar worden gebracht, belangen die, zoals reeds vermeld in B.4.1, ruimer zijn dan de belangen van de echtgenoten en van de kinderen die met hen onder hetzelfde dak wonen. De wettelijke samenwoning heeft niet tot doel een kader aan te bieden voor het gezinsleven, daar het, zoals in B.9.1 is vermeld, een geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven betreft die kan worden gekozen door personen die geen gezin vormen noch willen vormen. 11 B.
- Gelet op het met artikel 224, § 1, 4, van het Burgerlijk Wetboek nagestreefde doel, dat zich onderscheidt van hetwelk wordt nagestreefd met artikel 215, § 1, van hetzelfde Wetboek, dat op de wettelijke samenwoning van toepassing is verklaard bij artikel 1477, § 2, van hetzelfde Wetboek, is het verschil in behandeling tussen de echtgenoot en de wettelijk samenwonende, omschreven in B.3, niet zonder redelijke verantwoording. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1477, § 2, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.083 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980424.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140926.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div