id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.084 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190528.2 Arrest- Rolnummer: 84/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-06-07 Raadplegingen: 399 - laatst gezien 2026-06-28 22:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt het beroep, onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.32.
- UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Waardering belastbaar actief PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 8, 1°, en 23 van het Vlaamse decreet van 8 december 2017 houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken, ingesteld door de vzw « Belgische Orde van Landmeters-Experten » en anderen. Fiscaliteit - Vlaams Gewest - Erfenissen - Schatting van onroerende goederen - Schatter-expert. Tekst van de beslissing Rolnummer 6853 Arrest nr. 84/2019 van 28 mei 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 8, 1°, en 23 van het Vlaamse decreet van 8 december 2017 houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken, ingesteld door de vzw « Belgische Orde van Landmeters-Experten » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 februari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 februari 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 8, 1°, en 23 van het Vlaamse decreet van 8 december 2017 houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 december 2017) door de vzw « Belgische Orde van Landmeters-Experten », de vzw « Nationale Vereniging van Landmeters-Experten », de vzw « Vlaamse Vereniging van Landmeters-Experten », de vzw « Belgische Unie van Landmeters en Meetkundigen-Schatters van Onroerende Goederen », Axel Annaert, Lieven Monden en Margit Braem, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Antwerpen. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « CIB Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Mallien, advocaat bij de balie te Antwerpen; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Vandendriessche, Mr. L. Schellekens en Mr. J. Carlé, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 27 februari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Derycke en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 maart 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 maart 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
- De Vlaamse Regering meent dat de zevende verzoekende partij geen belang heeft bij het door haar ingediende beroep tot vernietiging. A.1.
- De verzoekende partijen menen dat de zevende verzoekende partij wel belang heeft bij het door haar ingediende beroep tot vernietiging, omdat de nieuwe fiscale decretale regeling die de opmaak van een bindende schatting van onroerende goederen in het kader van de erfbelasting inhoudt een taak van algemeen belang is, waaraan thans elke belastingplichtige aan onderworpen is. Bovendien is het niet noodzakelijk, wanneer één verzoekende partij doet blijken van een belang bij het beroep, te onderzoeken of de andere verzoekende partijen doen blijken van een belang. Daarnaast wijzen de verzoekende partijen erop dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, verzoekende partijen die belang hebben bij de vernietiging van een bestreden bepaling, niet moeten doen blijken van een belang bij elk van de middelen. A.1.
- De Vlaamse Regering meent dat het loutere feit dat de zevende verzoekende partij een belastingplichtige is, niet volstaat om haar het noodzakelijke belang te verschaffen. De bestreden bepalingen ontnemen haar niet de mogelijkheid om een beroep te doen op een (al dan niet door de Vlaamse Belastingdienst (hierna : de Vlabel) erkende) landmeter-expert naar keuze. Ten aanzien van de tussenkomst A.
- De vzw « CIB Vlaanderen » wenst tussen te komen in de onderhavige beroepsprocedure. Als belang toont zij aan dat zij aangaande het kwaliteitscharter reeds een protestbrief had geschreven naar de bevoegde minister. Zij is van oordeel dat het bestreden decreet van 8 december 2017 terecht het kwaliteitscharter vervangt en zorgt voor meer gelijkheid. Ten gronde A.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 8, 1° en 23, van het decreet van 8 december 2017 « houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken » (hierna : het decreet van 8 december 2017). Daartoe voeren zij één middel aan, opgesplitst in elf onderdelen. A.4.
- Als eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat de bestreden bepalingen ongelijke situaties op een gelijke wijze behandelen zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. De categorie « landmeter-expert », die onder het toepassingsgebied van de wet van 11 mei 2003 « tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert » valt, wordt gelijk behandeld als de andere categorie « schatter-expert », in de zin van punt 18°/1 van artikel 1.1.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, omdat beide categorieën door de bestreden bepalingen gerechtigd zijn om schattingen op te maken die bindend zijn voor de Vlabel. Evenwel zijn landmeter-experten, in tegenstelling tot de andere schatters-experten, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep van landmeter-expert en gelden voor hen bijzondere waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De landmeters-experten zijn vertrouwd met het opmaken van de schattingsverslagen; zij zijn onderworpen aan een specifieke tuchtregeling en hebben de eed van landmeter-expert afgelegd. 4 De artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden doordat thans ook personen in aanmerking worden genomen die niet op het tableau van de beoefenaars van het beroep van landmeter-expert zijn ingeschreven. Dit is onredelijk, omdat daardoor personen zullen worden aangewezen als schatter-expert die, ongeacht de aard van hun juridische relatie met de administratie, een taak van algemeen belang verrichten en aldus een openbare dienst verlenen in de functionele betekenis van het woord. De hoogste eisen inzake kwalificatie, onpartijdigheid en onafhankelijkheid zijn verantwoord en het afwijken ervan is niet verantwoord. A.4.2.
- De Vlaamse Regering stelt vast dat de Vlaamse decreetgever met de bestreden bepalingen een regeling heeft uitgewerkt waarbij diegenen die een aangifte van nalatenschap moeten indienen, voor de waardering van hun onroerende goederen, een beroep kunnen doen op een erkend schatter-expert die een voor de Vlabel in beginsel bindende waardebepaling opmaakt. Daarbij heeft de decreetgever ervoor geopteerd de erkenning als « schatter-expert » niet langer te verbinden aan het behoren tot een bepaalde beroepscategorie, maar daarentegen specifieke criteria voorop te stellen om te bepalen of een kandidaat-schatter-expert al dan niet kan worden erkend en kan worden opgenomen op de door de Vlabel opgestelde en bekendgemaakte lijst van « erkende schatters-experten ». Daardoor kunnen ook andere beroepsgroepen dan de landmeter-experten in aanmerking komen om bindende schattingsverslagen voor de Vlabel op te maken, hetgeen voorheen niet mogelijk was, omdat een exclusieve samenwerking met de landmeters-experten werd vooropgesteld. A.4.2.
- De gelijke behandeling van landmeters-experten en schatters-experten is, volgens de Vlaamse Regering, in redelijkheid te verantwoorden. Ten aanzien van de kandidaat-schatters-experten worden decretale criteria vooropgesteld die de kwaliteit van hun schattingsverslagen garanderen. Volgens die criteria moet de kandidaat-schatter-expert beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoeren en over de beroepskwalificatie daarvoor beschikken door de opleiding die hij gevolgd heeft en door een permanente bijscholing. Er wordt dus een systeem opgezet waarbij enkel diegenen die én zijn opgeleid om waardebepalingen van onroerende goederen uit te voeren, zowel door hun opleiding als door permanente bijscholing, én dergelijke activiteiten beroepsmatig uitvoeren, in aanmerking komen om te worden erkend. Die decretale criteria garanderen dat de uitgevoerde schatting op een onafhankelijke en onpartijdige wijze gebeurt door een expert ter zake. De herhaaldelijke verwijzing door de verzoekende partijen naar het arrest nr. 64/2012 is, volgens de Vlaamse Regering, niet relevant. In voormeld arrest was het Hof van oordeel dat het niet onredelijk was de schattingen voor de provincies, de gemeenten en de OCMW’s voor te behouden aan de landmeter-experten, maar daarmee heeft het Hof geenszins gezegd dat dergelijke schattingen enkel door landmeters-experten zouden mogen worden uitgevoerd. Het Hof heeft enkel geoordeeld dat het redelijk verantwoord is die mogelijkheid te koppelen aan een aantal voorwaarden inzake opleiding en professionele activiteit. De voornaamste doelstelling blijkt dus een kwaliteitsdoelstelling te zijn. A.4.2.
- Ook de door de verzoekende partijen aangehaalde elementen die zouden moeten bewijzen dat een erkend schatter-expert niet op gelijke voet staat met een landmeter-expert kunnen, volgens de Vlaamse Regering, niet worden gevolgd. De inhoudelijke voordelen die aan een tableau-inschrijving verbonden zijn, worden ook gewaarborgd door de bestreden bepalingen. Een erkend schatter-expert is iemand die beroepsmatig schattingen en waarderingen opmaakt, waardoor ook hij vertrouwd is met het opmaken van schattingsverslagen. Een erkend schatter-expert valt onder een eigen regeling inzake toezicht en controle, zodat het irrelevant is op te merken dat de landmeter-experten onder een specifieke tuchtregeling vallen. De eedaflegging van landmeter-experten strekt zich niet uit tot de schatting van onroerende goederen. De Vlaamse Regering ziet dan ook niet in waarom het afleggen van een eedformule een bijzondere meerwaarde zou hebben. A.4.2.
- Als laatste element verwijst de Vlaamse Regering naar de regeling inzake het nationaal register voor gerechtsdeskundigen (artikelen 991ter tot 991undecies van het Gerechtelijk Wetboek). De federale wetgever heeft een soortgelijk systeem van « erkenning » uitgedacht, met specifieke criteria waaraan moet worden voldaan maar zonder dat de erkenning beperkt wordt tot één bepaalde beroepscategorie. A.4.
- De tussenkomende partij merkt op dat de verzoekende partijen uitgaan van een verkeerd uitgangspunt, namelijk de vaststelling dat een bindende schatting door een vastgoedexpert betekent dat men een taak van openbare dienst uitvoert en dat men aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van een ambtenaar moet beantwoorden. 5 Het arrest nr. 64/2012 betekent niet dat het ongrondwettig zou zijn de schatters-experten niet meer te beperken tot landmeters-experten. Rekening houdend met de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de zogenaamde Bolkestein-richtlijn), is het zelfs aan te bevelen dat men de schatter-expert niet meer beperkt tot het beroep van landmeter-expert. A.4.
- De verzoekende partijen herhalen dat de schatter-expert een taak van algemeen belang uitoefent en een functionele openbare dienst verleent. Ook de verwijzing van de tussenkomende partij naar de voormelde richtlijn om zo de erfbelastingschatting te kwalificeren als geprivatiseerde dienst kan niet worden gevolgd, omdat die richtlijn expliciet niet van toepassing is op het gebied van de belastingen en op diensten van algemeen belang. Het Europees Unierecht verschaft zelf specifieke grondslagen. Aangaande de opmerkingen van de Vlaamse Regering, wijzen de verzoekende partijen erop dat er geen enkel onderzoek is naar de onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarvan de schatter-expert, die een ambtenaar in functionele zin is, ab initio blijk moet geven. De verzoekende partijen gaan niet akkoord met de Vlaamse Regering wanneer ze stelt dat de inschrijving als schatter-expert wordt toegestaan op grond van een eigen regeling inzake toezicht en controle, omdat het in casu om een beperkt Vlaams toezicht gaat en dat toezicht zich fixeert op enkele ingediende schattingsverslagen op een ogenblik dat de gecontroleerde schatter-expert reeds is ingeschreven op de lijst van de erkende schatters-experten. Het argument betreffende de decretaal vastgestelde onverenigbaarheidsregeling is, volgens de verzoekende partijen, slechts een mistgordijn, want daardoor worden niet de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid gewaarborgd. Ook de argumentatie als zou de eedaflegging geen betrekking hebben op de schattingsactiviteit kan, volgens de verzoekende partijen, niet worden gevolgd. Overeenkomstig de artikelen 2 en 7 van de wet van 11 mei 2003 heeft de eedaflegging betrekking op alle personen die de beroepstitel van landmeter-expert mogen voeren en op de naleving ervan houden de tuchtoverheden toezicht. De landmeter-expert moet de eed naleven bij de uitoefening van zijn schattingsactiviteit (artikel 18 van het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert). De verzoekende partijen menen dat er geen analogie met de gerechtsdeskundigen bestaat. Immers, de gerechtsdeskundigen moeten wel een eed afleggen bij hun inschrijving en moeten schriftelijk verklaren dat zij zich ertoe verbinden permanent opleidingen te volgen. A.4.
- De Vlaamse Regering voert aan dat, naast de criteria die moeten worden vervuld vooraleer men als schatter-expert kan worden erkend, er ook een kwaliteitscharter van de Vlabel bestaat met de daaruit voortvloeiende kwaliteitseisen inzake de op te stellen schattingsverslagen, waardoor kan worden aangenomen dat de schatting op een onafhankelijke en onpartijdige wijze gebeurt door de erkende schatter-expert in kwestie. De voorstelling door de verzoekende partijen van het ingestelde toezichts- en controlemechanisme is, volgens de Vlaamse Regering, niet correct. Dat mechanisme omvat een kwaliteitscontrole op de ontvangen schattingsverslagen en een evaluatie van het functioneren van de schatter-expert zelf. A.4.
- De tussenkomende partij bevestigt nogmaals dat een schatter-expert geen ambtenaar in de functionele zin is. Het gaat immers niet over het beoordelen van een fiscale aangifte of fiscaal bezwaar. De bestreden bepalingen zijn er om de bewijsvoering te vergemakkelijken in het kader van de verschuldigde belasting met betrekking tot onroerend goed in het Vlaamse Gewest, naar aanleiding van nalatenschappen. A.5.
- Het tweede onderdeel van het enige middel dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, heeft betrekking op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat de bestreden bepalingen een landmeter-expert, die is ingeschreven op het tableau van de landmeters-experten, ten onrechte gelijk behandelt als een andere schatter-expert die niet over een dergelijke inschrijving beschikt, aangezien beide categorieën door de bestreden bepalingen ertoe gemachtigd worden schattingen op te maken die bindend zijn voor de Vlabel. De eis van permanente vorming voor op het tableau ingeschreven landmeters-experten staat een gelijke behandeling ten aanzien van andere kandidaat-schatters-experten in de weg, omdat de Vlaamse Regering niet gemachtigd is toezicht te houden op de permanente bijscholing van de erkend schatter-expert die geen landmeter-expert is, en dit is wel het geval voor de op het tableau ingeschreven landmeters-experten. 6 A.5.2.
- Allereerst herhaalt de Vlaamse Regering dat de gelijke behandeling van kandidaat-schatters-experten verantwoord is, ongeacht of zij op het tableau van landmeters-experten zijn ingeschreven. De bestreden bepalingen bieden immers dezelfde waarborgen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid, gelet op de decretale vereisten om als schatter-expert te worden erkend, de decretaal vastgestelde onverenigbaarheidsregeling en het eigen toezichts- en controlemechanisme dat voor de erkende schatters-experten ten aanzien van de wijze waarop zij hun functie uitoefenen, wordt ingesteld. A.5.2.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de bewering van de verzoekende partijen onjuist is. De bestreden bepalingen en de parlementaire voorbereiding tonen aan dat de Vlabel toezicht en controle kan uitoefenen op de permanente vorming, en dat het niet langer naleven van de eis tot permanente bijscholing tot de schrapping van de lijst van erkende schatters-experten kan leiden. Bovendien is het optreden van het eigen intern toezichts- en controleorgaan bij de landmeter-experten louter facultatief en er bestaat derhalve geen zekerheid of waarborg dat als de landmeter-expert een inbreuk begaat, die organen effectief iets zullen ondernemen. A.5.
- De tussenkomende partij merkt op dat de weglating op het tableau van de landmeters-experten ook te wijten kan zijn aan beslissingen van de schatter-expert, die geenszins tuchtrechtelijk gerelateerd zijn. Een landmeter-expert kan beslissen zijn activiteiten over te dragen aan een ander landmeter-expert en een van de voorwaarden kan erin bestaan dat hij niet meer is ingeschreven op het tableau. Het kan ook zijn dat de schatter-expert een welbepaalde leeftijd heeft waardoor hij zijn activiteiten wenst te beperken. Hij wenst niet meer de activiteit uit te voeren van landmeter-expert, doch wel in aanmerking te komen als schatter-expert door de Vlabel. De weglating op een tableau kan derhalve onmogelijk een criterium zijn om te worden geschrapt als schatter-expert. A.5.
- De verzoekende partijen herhalen dat het toezicht op een eventuele latere vorming ontbreekt; dit blijkt duidelijk uit artikel 3.3.1.0.9/1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dat niet anders kan worden gelezen. De verwijzing van de Vlaamse Regering naar artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, dat handelt over een permanente bijscholing, heeft enkel betrekking op de modaliteiten van de initiële inschrijving, zonder dat de Vlaamse Regering aantoont dat er ook een later toezicht op de verdere permanente vorming is. De vaststelling van de tussenkomende partij dat de weglating op het tableau kan worden verklaard door een beslissing van de schatter-expert die geenszins tuchtrechtelijk gerelateerd is, is ongegrond. De weglating op het tableau vindt dikwijls plaats om een formele tuchtrechtelijke veroordeling te vermijden. Vermits betrokkene dan niet meer aangesloten is bij de beroepsvereniging, mag over hem geen informatie worden uitgewisseld. A.6.
- Het derde onderdeel van het enige middel heeft, volgens de verzoekende partijen, betrekking op de mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de beginselen van neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, omdat de bestreden bepalingen voorzien in een ongelijke behandeling van de erkende schatters-experten natuurlijke personen enerzijds, en erkende schatters-experten die hun activiteiten als schatter-expert uitoefenen onder een commerciële benaming, anderzijds. De erkende schatters-experten van de tweede categorie zullen met hun commerciële benaming worden vermeld op de door de Vlabel gepubliceerde lijst van erkende schatters-experten, terwijl dit niet het geval is voor de eerste categorie. Daardoor wordt de eerste categorie gediscrimineerd en benadeeld, met name door een vermelding die in essentie de commerciële activiteiten van andere personen benadrukt. A.6.2.
- Allereerst werpt de Vlaamse Regering op dat het derde onderdeel onontvankelijk is, vanwege de exceptio obscuri libelli. Nergens tonen de verzoekende partijen aan in welk opzicht de vermelding van de commerciële benaming nadelig zou zijn voor erkende schatters-experten natuurlijke personen. In ondergeschikte orde merkt de Vlaamse Regering op dat het derde onderdeel minstens deels onontvankelijk is vanwege de onbevoegdheid van het Hof. De verzoekende partijen tonen nergens aan hoe de door hen aangevoerde beginselen van neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid passen in het kader van de grondwettigheidstoets met betrekking tot de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 7 A.6.2.
- Ten gronde mist de kritiek van de verzoekende partijen, volgens de Vlaamse Regering, feitelijke grondslag. Artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, laatste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt immers dat de commerciële benaming waaronder de activiteiten worden uitgevoerd, zal worden opgenomen op de door de Vlabel gepubliceerde lijst, zonder hierbij enig onderscheid te maken met betrekking tot de personen die het voorwerp uitmaken van die vermelding. Zo wordt bijvoorbeeld geen onderscheid gemaakt tussen natuurlijke en rechtspersonen. De decreetgever behandelt dus alle personen gelijk, waardoor er geen sprake is van een ongelijke behandeling. De Vlaamse Regering begrijpt ook niet welk nadeel die vermelding aan erkende schatters-experten natuurlijke persoon zou berokkenen. Iedere schatter-expert die aan de decretale voorwaarden voldoet en wordt erkend, wordt op de lijst van de erkende schatters-experten opgenomen. De lijst zal frequent worden gepubliceerd op de website van de Vlabel. Het is voor de Vlaamse Regering een raadsel waarom de aangifteplichtigen veeleer een beroep zouden doen op een erkend schatter-expert die de activiteiten onder een commerciële naam uitoefent dan op een erkend schatter-expert natuurlijke persoon die geen dergelijke commerciële benaming voert. Volgens de Vlaamse Regering zal de keuze voornamelijk samenhangen met voor de aangifteplichtige essentiële elementen, zoals de prijs voor de opmaak van het verslag, vestiging of nabijheid van de schatter-expert, enzovoort. A.6.
- De tussenkomende partij merkt op dat het gebruiken van een commerciële benaming geenszins als discriminerend kan worden beschouwd. A.6.4.
- De verzoekende partijen stellen vast dat de exceptio obscuri libelli niet kan worden gevolgd. Zowel de Vlaamse Regering als de tussenkomende partij hebben het middelonderdeel begrepen. Voor wat de gedeeltelijke onontvankelijkheid betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar de arresten nrs. 74/2014 en 103/2015 van het Hof, waarin is geoordeeld dat een bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter en aan de waarborg van de formele motiveringsplicht. A.6.4.
- Ten gronde benadrukken de verzoekende partijen dat het eigen is aan een openbare dienst dat hij elke commercie moet weren omdat hij moet beantwoorden aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van een ambtenaar. Elke commerciële melding schendt die minimale eisen. A.6.
- De door de verzoekende partijen vermelde arresten van het Hof nrs. 74/2014 en 103/2015 zijn, volgens de Vlaamse Regering, niet relevant, aangezien zij betrekking hebben op de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter en van de scheiding der machten. Die beginselen worden niet aangevoerd door de verzoekende partijen. Ten gronde meent de Vlaamse Regering dat de memorie van de verzoekende partijen geen enkele meerwaarde biedt. A.7.
- Als vierde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de vrijheid van vereniging (artikel 27 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens), het recht op privacy (artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens) en het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet). Artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt immers dat de Vlabel in het kader van het door hem georganiseerde toezicht en controle informatie kan uitwisselen met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten en dit is strijdig met de vrijheid van vereniging, het recht op privacy en het gelijkheidsbeginsel. De overheid moet zich onthouden van inmenging in de statuten van een vereniging en mag in beginsel de vereniging niet verplichten, noch uitnodigen om informatie uit te wisselen zonder de toestemming van het lid over wie informatie wordt uitgewisseld. Dat verbod heeft ook als autonome grondslag de bescherming van het recht op eerbiediging van de privacy. A.7.2.
- Allereerst werpt de Vlaamse Regering opnieuw de exceptio obscuri libelli op. De verzoekende partijen laten na de vrijheid van vereniging, het recht op privacy en het gelijkheidsbeginsel concreet toe te passen op de bestreden bepalingen. Minstens dient het vierde onderdeel deels als onontvankelijk te worden afgewezen, met name wat de aangevoerde artikelen 10, 11 en 27 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft. 8 A.7.2.
- Ten gronde meent de Vlaamse Regering dat het middelonderdeel feitelijke grondslag mist. De bedoeling van de bestreden bepaling is dat de Vlabel informatie kan uitwisselen met de beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten, in die zin dat de Vlabel die beroepsverenigingen zal kunnen inlichten in geval van stelselmatige inbreuken van de schatter-expert en de schatter-expert om die reden wordt geschorst of geschrapt van de lijst. Met andere woorden, het is de Vlabel die informeert en niet omgekeerd, waardoor de bestreden bepaling geen betrekking heeft op het doorspelen van informatie door beroepsverenigingen aan de Vlabel. En zelfs al zou de informatie-uitwisseling in omgekeerde richting werken, dan nog valt, volgens de Vlaamse Regering, niet in te zien op welke manier die mogelijkheid tot informatie-uitwisseling zou ingaan tegen de vrijheid van vereniging, nu het slechts gaat om een mogelijkheid en die mogelijkheid geen inperking van de vrijheid van vereniging inhoudt. Ook begrijpt de Vlaamse Regering niet waarom daardoor het gelijkheidsbeginsel zou worden geschonden. Beide categorieën worden immers aan de mogelijkheid tot informatie-uitwisseling onderworpen. Wat betreft de mogelijke schending van het recht op privacy, merkt de Vlaamse Regering op dat de mogelijkheid tot informatie-uitwisseling beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte. Het is noodzakelijk dat er vanwege de Vlabel toezicht en controle wordt uitgeoefend op de erkende schatters-experten en de taken die zij uitoefenen, namelijk het opmaken van schattingsverslagen van onroerende goederen met een in beginsel bindend karakter voor de Vlabel. De zwaarwichtigheid van die taak kan niet worden onderschat : eenieder die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen, zal in principe een beroep moeten doen op een erkende schatter-expert, en het schattingsverslag dat wordt opgemaakt is bindend voor de Vlabel. Er is met die taak dus veel belastinggeld gemoeid, zodat het onontbeerlijk is dat een effectieve en gedegen controle op de taken van de schatter-expert wordt uitgevoerd. De mogelijkheid tot informatie-uitwisseling is bovendien evenredig met de nagestreefde doelstelling. Door de aanvraag tot erkenning als « erkend schatter-expert » voor de Vlabel en de daaropvolgende ondertekening van de modelovereenkomst, bevestigt de kandidaat-schatter-expert ook dat hij op de hoogte is van en instemt met de decretale regeling zoals daarin is voorzien in de bestreden bepalingen, waaronder de mogelijkheid voor de Vlabel om in het kader van haar toezicht en controle informatie uit te wisselen met zijn eventuele beroepsvereniging. Bovendien wordt de betrokken informatie niet publiekelijk bekend gemaakt. A.7.
- De tussenkomende partij stelt vast dat artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, eerste lid, tweede zin, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit geenszins de verplichting inhoudt om tot een beroepsvereniging te behoren, waardoor de vrijheid van vereniging is gerespecteerd. Wat betreft de mogelijke schending van het recht op privacy merkt de tussenkomende partij op dat de beroepsverenigingen de verordening (EU) 2016/679 aan het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG » (algemene verordening gegevensbescherming) zullen moeten respecteren. Naar gelang van datgene waarin is voorzien in de statuten en in het toetredingscontract zal er een voorafgaande toestemming moeten zijn van de kandidaat-schatter-expert opdat zijn beroepsvereniging de vereiste informatie zal kunnen verschaffen. A.7.4.
- De verzoekende partijen stellen opnieuw vast dat de exceptio obscuri libelli niet kan worden gevolgd. De tussenkomende partij en de Vlaamse Regering hebben de grief perfect begrepen. Wat de mogelijke gedeeltelijke onontvankelijkheid van het middelonderdeel betreft, merken de verzoekende partijen op dat die exceptie verbonden is met de grond van de zaak. A.7.4.
- De verzoekende partijen merken op dat de stelling van de Vlaamse Regering niet kan worden gevolgd; de uitwisseling van informatie vindt plaats in een welbepaald decretaal dubbel cumulatief kader, namelijk, enerzijds, in het kader van de organisatie van het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, §§ 1 tot 3, en, anderzijds, voorafgaand aan het eventueel schrappen van de schatter-expert van de lijst. De organisatie van het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen is enkel aan de orde ten aanzien van een persoon die nog is ingeschreven op de lijst van de erkende schatters-experten. Hierbij voorziet de bestreden bepaling erin dat de administratie in het kader van de organisatie van het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen, informatie verkrijgt van beroepsverenigingen waarbij de nog niet geschrapte schatter-expert per hypothese ook is aangesloten. Louter de betrokken beroepsvereniging informeren is vreemd aan het voormelde toezicht en de voormelde controle. 9 Ook de verwijzing van de Vlaamse Regering naar de regeling inzake het nationaal register voor gerechtsdeskundigen bewijst de gegrondheid van de stelling van de verzoekende partijen; de bestreden regeling heeft wel degelijk betrekking op het doorspelen van informatie door de beroepsvereniging aan de Vlabel. Het doorspelen van informatie kan enkel worden opgevat als het achterhalen van informatie over die persoon bij de beroepsvereniging waarbij hij is aangesloten, waarbij het uitwisselen van informatie gebeurt zonder toestemming van de schatter-expert. De verzoekende partijen stellen vast dat de bestreden informatie-uitwisseling met beroepsverenigingen niet beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en derhalve het gelijkheidsbeginsel schendt. Allereerst is de aansluiting bij een beroepsvereniging van geen enkel belang bij de inschrijving op de lijst van erkende schatters-experten. Bovendien is er eveneens sprake van discriminatie bij het gekozen criterium : het gegeven van de aansluiting bij een beroepsvereniging, geconcretiseerd door een inschrijving op een tableau voor bepaalde beroepscategorieën, is nu eens niet relevant, namelijk bij de inschrijving op de lijst van erkende schatters-experten, en dan wel relevant, namelijk bij het vaststellen van inbreuken in het kader van de organisatie van het toezicht en de controle op de naleving van de bestreden bepalingen. De verwijzing door de tussenkomende partij naar de algemene verordening gegevensbescherming is relevant, maar volgens de verzoekende partijen is de tussenkomende partij te voorzichtig. Aangezien de decreetgever een met de algemene verordening gegevensbescherming strijdige regeling heeft aangenomen, komt het aan het Hof toe die regeling te vernietigen, zo nodig op grond van een ambtshalve opgeworpen middel. A.7.
- De Vlaamse Regering merkt op dat de verzoekende partijen niet aantonen dat er gegevens of informatie van persoonlijke aard zouden worden uitgewisseld, waardoor een mogelijke inmenging op het recht op privacy zou kunnen ontstaan. Aangaande de verwijzing naar de algemene verordening gegevensbescherming stelt de Vlaamse Regering vast dat de principes van de bestreden regeling dezelfde zijn als die van de algemene verordening gegevensbescherming. Bovendien wordt in artikel 6, lid 1, van de algemene verordening gegevensbescherming bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is indien en voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot de bescherming van de persoonsgegeven nopen, zwaarder wegen dan die belangen. Bovendien kan de enige informatie die nuttig uitgewisseld kan worden met de beroepsverenigingen om de naleving van de bestreden regeling na te gaan, enkel betrekking hebben op de schattingsverslagen zelf om de kwaliteit en de inhoud ervan te controleren. Overeenkomstig de voormelde verordening is de toestemming van de betrokken schatter-expert niet vereist voor een rechtmatige verwerking van dergelijke persoonsgegevens in het kader van de uitwisseling van gegevens tussen de Vlabel en de beroepsverenigingen. De door de verzoekende partijen opgeworpen ambtshalve mogelijkheid om de bestreden regeling te toetsen aan de voormelde verordening klopt niet. Bovendien is het nieuwe middelonderdeel niet ontvankelijk, omdat het niet in hun verzoekschrift is uitgewerkt. A.8.
- In het vijfde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het fiscaal wettigheidsbeginsel schenden, omdat daardoor een bevoegd personeelslid wordt aangewezen om louter discretionair te bepalen of voor de erkenning als schatter-expert de aanvrager beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en de aanvrager over de beroepskwalificatie daarvoor beschikt door de opleiding die hij gevolgd heeft, en door permanente bijscholing. Die te ruime discretionaire bevoegdheid is strijdig met het fiscaal wettigheidsbeginsel. Bovendien kunnen het bevoegde personeelslid en het besluitvormingsorgaan beslissen tot schrapping van de erkende schatter-expert van de lijst, zonder daarbij de hoorplicht, het recht van verdediging en het evenredigheidsbeginsel te moeten naleven, hetgeen eveneens een schending van de artikelen 10, 11, 170, 171 en 172 van de Grondwet uitmaakt. Een dergelijke omvattende regeling waar de decreetgever niets anders bepaalt en hij de bevoegde instanties vrijstelt van de naleving van de hoorplicht, de rechten van verdediging en het evenredigheidsbeginsel, schendt de voormelde grondwetsartikelen. A.8.2.
- Allereerst werpt de Vlaamse Regering opnieuw de exceptio obscuri libelli op. De verzoekende partijen leggen niet uit hoe de bestreden bepalingen strijdig zouden kunnen zijn met de artikelen 10, 11, 170, 171 en 172 van de Grondwet. 10 In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat het Hof niet bevoegd is om een wetskrachtige norm te toetsen aan artikel 171 van de Grondwet. A.8.2.
- Ten gronde meent de Vlaamse Regering dat niet valt te begrijpen hoe de betwiste beoordeling door het bevoegde personeelslid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou kunnen schenden, nu beide categorieën op dezelfde wijze aan de hand van dezelfde criteria zullen worden beoordeeld. Wat het fiscaal wettigheidsbeginsel betreft, merkt de Vlaamse Regering op dat het bestreden artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit geen belasting invoert, maar enkel de voorwaarden bepaalt waaraan een kandidaat-schatter moet voldoen om door de Vlabel te worden erkend. Bovendien bevat de bestreden bepaling ook geen delegatie aan de Vlaamse Regering. Er kan derhalve geen sprake zijn van een verboden delegatie, vermits er geen verordenende bevoegdheid wordt toegekend aan het bevoegde personeelslid van de Vlabel. Dat personeelslid krijgt enkel de bevoegdheid toegekend om over een erkenningsaanvraag als schatter-expert te beslissen. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat er toch sprake is van een delegatie van bevoegdheid, merkt de Vlaamse Regering op dat die niet in strijd is met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. Een delegatie aan een andere macht is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig omschreven is en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. De bestreden bepaling is nauwkeurig omschreven en omschrijft de essentiële elementen van de beoordeling. Dienaangaande bevat de parlementaire voorbereiding nog meer duidelijkheid over de wijze waarop het bevoegde personeelslid van de Vlabel de aanvraag tot erkenning moet beoordelen. Daarnaast bepaalt de modelovereenkomst die bij de aanvraag tot erkenning als schatter-expert moet worden gevoegd, dat de motivering moet worden opgegeven « die aantoont dat [de aanvrager] over de vereiste beroepskwalificaties beschikt om schattingen van onroerende goederen uit te voeren ». Wat betreft de mogelijke schending van het recht van verdediging, stelt de Vlaamse Regering vast dat het beginsel van het recht van verdediging, in tegenstelling tot de hoorplicht, enkel geldt in tuchtzaken en dus niet van toepassing is. Bovendien zijn de beginselen van behoorlijk bestuur steeds van toepassing, ook zonder een normatieve bepaling. De Vlaamse Regering merkt op dat de aangehaalde beginselen wel worden gewaarborgd door de bestreden bepaling. Het enkele gegeven dat artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit voorziet in de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen een beslissing (tot schrapping) van een bevoegd personeelslid bij een besluitvormingsorgaan, houdt in dat aan de hoorplicht is voldaan. En de betrokken instanties zullen bij hun beslissing het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel in acht moeten nemen. A.8.
- De tussenkomende partij meent dat het systeem van een bindend advies of derdepartijenbeslissing niet in strijd is met het fiscaal wettigheidsbeginsel. Het is eigen aan het betreffende personeelslid om de bewijsmiddelen te beoordelen die worden benut in het kader van de te heffen belasting inzake nalatenschappen. Het voorzien in een lijst van schatters-experten om de betreffende bewijsvoering te vergemakkelijken, schendt niet het fiscaal wettigheidsbeginsel. A.9.
- Het zesde onderdeel van het enige middel vloeit, volgens de verzoekende partijen, voort uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit erin voorziet dat als er geen beslissing wordt genomen over de aanvraag tot erkenning als schatter-expert of over het beroep tegen de weigering tot opname binnen dertig werkdagen, de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden wordt opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over de aanvraag, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, vervalt de tijdelijke opname en moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Ingevolge die bestreden bepaling wordt de kandidaat-schatter-expert bij gebrek aan een beslissing binnen dertig werkdagen tijdelijk opgenomen op de lijst zonder dat die persoon voldoet aan de voorwaarden, hetgeen de personen discrimineert die wel eraan voldoen. Ook zal de schatter-expert die bij gebrek aan beslissing binnen dertig werkdagen tijdelijk is opgenomen op de lijst, op een verschillende manier worden behandeld ten opzichte van de schatter-expert die eveneens tijdelijk is opgenomen op de lijst maar na zes maanden van de lijst wordt gehaald zonder dat een beslissing is genomen. Ook is er een verschil in behandeling tussen de belastingplichtigen onderling naargelang zij een schatter-expert hebben gekozen die na zes maanden van de lijst is gehaald. 11 A.9.
- Allereerst merkt de Vlaamse Regering op dat de verzoekende partijen vertrekken van een verkeerd uitgangspunt. De bestreden regeling geldt op gelijke wijze voor eenieder en voor elke kandidaat-schatter-expert. Elke kandidaat-schatter-expert moet op grond van de bestreden bepaling een erkenningsaanvraag indienen en zal, na het uitblijven van een beslissing na dertig werkdagen, voor een periode van maximaal zes maanden worden opgenomen op de lijst. De bestreden bepaling is in redelijkheid te verantwoorden. De decreetgever heeft in de stilzwijgende goedkeuring van de aanvraag tot erkenning als schatter-expert na dertig werkdagen voorzien vanuit de bezorgdheid om de rechtsonderhorigen na verloop van een beperkte tijd rechtszekerheid te verschaffen over hun situatie. Concreet is de vervaltermijn van dertig werkdagen een drukkingsmiddel voor de overheid om binnen de vooropgestelde termijn een beslissing te nemen, zodat daardoor de rechten van de kandidaat-schatter-expert die de aanvraag of het beroep heeft ingediend worden gevrijwaard. De decreetgever heeft er tevens voor geopteerd de tijdelijke goedkeuring niet onbeperkt in de tijd te laten gelden, en heeft voorzien in een getrapt systeem. Ook die regeling is, volgens de Vlaamse Regering, logisch en verantwoord vanuit de bezorgdheid om het maximaliseren van de rechtszekerheid voor de rechtsonderhorigen te verzoenen met het feit dat voor een definitieve opname op de lijst een uitdrukkelijke goedkeuring vereist is. Wat betreft de mogelijke ongelijke behandeling van diverse belastingplichtigen, stelt de Vlaamse Regering vast dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij dat middelonderdeel. Bovendien is het nadeel dat de verzoekende partijen hier opwerpen niet het gevolg van de bestreden bepalingen, maar wel van het eventueel nalaten van de schatter-expert om zelf zijn cliënt correct te informeren. In voorkomend geval zal het aan de belastingplichtige toekomen om zijn eventuele schade te verhalen bij de schatter-expert die hem niet correct heeft geïnformeerd. Bovendien wordt de lijst van de Vlabel minstens maandelijks aangepast en gepubliceerd, zodat de belastingplichtige steeds over de juiste informatie kan beschikken. Volgens de Vlaamse Regering is de bestreden regeling redelijk verantwoord, gelet op het delicate evenwicht dat de decreetgever heeft willen bereiken tussen, enerzijds, het maximaliseren van de rechtszekerheid voor rechtsonderhorigen en, anderzijds, de bekommernis om ervoor te zorgen dat een definitieve opname op de lijst onderbouwd wordt door een uitdrukkelijke goedkeuring en erkenning vanwege de Vlabel, waaraan concreet gestalte is gegeven via het getrapte goedkeurings- en erkenningssysteem. A.9.
- Volgens de tussenkomende partij is het onjuist te stellen dat de schatter-expert functioneert als ambtenaar. De schatter-expert geeft enkel een bindend advies en faciliteert als dusdanig de bewijsvoering, maar kan niet worden aangemerkt als ambtenaar. A.9.
- De verzoekende partijen wijzen erop dat het niet aan de schatter-expert toekomt de belastingplichtige correct te informeren, maar aan de overheid die tijdig moet beslissen en zich niet moet verschuilen achter haar stilzwijgen. De Vlaamse Regering gaat hierbij voorbij aan het feit dat het stilzwijgen in beginsel steeds een ongeoorloofde handeling is waarvoor het bestuur, en niet de burgers, verantwoordelijk is. Volgens de verzoekende partijen verbiedt het rechtzekerheidsbeginsel de wetgever om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. Zolang een aanvrager van een inschrijving niet is ingeschreven, heeft hij evenwel geen enkele aanspraak op rechtszekerheid, want de overheid moet zijn deskundigheid nog nagaan. Bovendien stellen de verzoekende partijen dat als iemand « tijdelijk » is ingeschreven, er geen geldige reden is om die persoon na verloop van zes maanden stilzwijgend uit te sluiten. Het is onredelijk te stellen dat de belastingplichtige maandelijks de Vlabel-lijst moet raadplegen om na te gaan of de reeds gekozen en ingeschreven schatter-expert intussen niet is geschrapt wegens het stilzwijgen van de overheid. A.9.
- De stelling van de verzoekende partijen als zou een inschrijving op de lijst van de erkende schatters-experten gemakkelijk zijn, kan, volgens de Vlaamse Regering, niet worden gevolgd. Er zijn diverse criteria waaraan iemand moet voldoen om te kunnen worden erkend als schatter-expert. Bovendien kan de Vlabel een kwaliteitscontrole uitvoeren op de ontvangen schattingsverslagen. Indien daaruit zou blijken dat het betrokken schattingsverslag niet voldoet aan de vooropgestelde kwaliteitseisen, dan zal de schatting niet bindend zijn voor de Vlabel en kan de schatter-expert van de lijst worden geschrapt. De schattingsverslagen zelf moeten aan een aantal strenge kwaliteitseisen voldoen. 12 A.10.
- In het zevende onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van het vermoeden van onschuld. Artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit voorziet erin dat een erkende schatter-expert van de lijst kan worden geschrapt en een dergelijke schrapping onmiddellijk uitvoerbaar is, terwijl de schatter-expert nog een beroep kan instellen bij het besluitvormingsorgaan. De verzoekende partijen stellen zich vragen bij de aard van de beslissing tot schrapping, namelijk of die beslissing reeds uitvoerbaar is, onverminderd het instellen van een beroep of de mogelijkheid om er een in te stellen. A.10.2.
- De Vlaamse Regering werpt de exceptio obscuri libelli op, omdat opnieuw niet wordt duidelijk gemaakt in welk opzicht de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de schrapping van de lijst, terwijl tegen die schrapping nog een beroepsmogelijkheid openstaat, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden. Er wordt enkel gesproken over een « tegenstrijdigheid » tussen, enerzijds, « de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de schrapping beslist door het bevoegde personeelslid » en, anderzijds, « de tijdelijke terugopname bij het uitblijven van een beslissing en daarna het opgenomen blijven in graad van beroep ». In ondergeschikte orde meent de Vlaamse Regering dat het middelonderdeel minstens deels onontvankelijk is vanwege de onbevoegdheid van het Hof. Het Hof is niet bevoegd om rechtstreeks te toetsen aan internationale bepalingen en beginselen; in zoverre de schending wordt opgeworpen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is het middelonderdeel onontvankelijk. A.10.2.
- De Vlaamse Regering bevestigt dat de beslissing van het bevoegde personeelslid aangaande schrapping uitvoerbaar is, niettegenstaande daartegen nog beroepsmogelijkheden openstaan. De Vlabel is evenwel een overheidsinstelling, die beschikt over het « privilège du préalable » en het « privilège de l’exécution d’office ». In lijn met die principes zijn de beslissingen van de Vlabel uitvoerbaar zonder dat die voorafgaandelijk door een rechter moeten worden getoetst. De rechtmatigheids- en uitvoerbaarheidsprivileges van de administratie verhinderen wel niet dat het recht op een behoorlijke rechtsbedeling moet worden gewaarborgd. Concreet bepaalt artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat diegene die in zijn rechten wordt geraakt het geschil moet kunnen voorleggen aan een onafhankelijke en onpartijdige instantie die bij wet is ingesteld en dat die instantie daarover beslist binnen een redelijke termijn. Bovendien streeft de uitvoerbaarheid van de schrappingsbeslissing door het bevoegde personeelslid een wettig doel na, te weten ervoor zorgen dat de van de lijst geschrapte schatters-experten hun taak niet meer kunnen uitoefenen. De maatregel is bovendien redelijk verantwoord, aangezien daartegen beroep kan worden ingesteld en de decreetgever in een systeem heeft voorzien waarbij de schatter-expert, indien er niet tijdig een beslissing wordt genomen, opnieuw opgenomen wordt op de lijst. A.10.
- De tussenkomende partij meent dat het onmiddellijk uitvoerbaar zijn van de schrapping enkel dan een schending kan uitmaken van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wanneer een beroepstermijn tegen die onmiddellijk uitvoerbare beslissing veel te lang zou duren en onwerkzaam zou zijn. Het mechanisme is een tijdelijke beveiligingsmaatregel om te beletten dat een schatter-expert verder zou optreden bij vastgestelde inbreuken en als dusdanig de bewijsvoering ernstig in gevaar zou kunnen brengen. Het feit dat de niet-beslechting van de beroepsprocedure binnen dertig werkdagen leidt tot een opname op de lijst van de schatters-experten is niet discriminerend. Het is een garantie dat bij het niet voorhanden zijn van evidente inbreuken en gelet op de mogelijkheid om het intern administratief beroep te beslechten binnen dertig werkdagen, men opnieuw op de lijst mag komen, wat volkomen redelijk is. A.10.4.
- De verzoekende partijen menen dat zowel de tussenkomende partij als de Vlaamse Regering ten gronde hebben geantwoord op het middelonderdeel, zodat de exceptio obscuri libelli moet worden afgewezen. A.10.4.
- De verzoekende partijen menen dat de Vlaamse Regering niet betwist dat de schrapping strafrechtelijk is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; het is immers een indringende sanctie, vermits ze de getroffen schatter-expert raakt in de essentie van zijn activiteit. 13 A.11.
- Als achtste onderdeel van het enige middel werpen de verzoekende partijen de schending op van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van de hoorplicht, het recht van verdediging, de motivering, de zorgvuldigheid, de evenredigheid en van behoorlijk bestuur en de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Door de bestreden bepalingen kunnen het bevoegde personeelslid en, in beroep, het besluitvormingsorgaan beslissen tot schrapping van de erkende schatter-expert van de lijst van de Vlabel, zonder daarbij de hoorplicht, het recht van verdediging en het evenredigheidsbeginsel moeten worden nageleefd. Het beginsel audi alteram partem, de hoorplicht en de rechten van verdediging zijn cruciale waarborgen die de overheid steeds moet instellen in elke procedure die kan leiden tot maatregelen. De schrappingsbeslissing heeft, volgens de verzoekende partijen, ook een repressief karakter en is bijgevolg strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 86/2017 geoordeeld dat algemene waarborgen zoals de hoorplicht elk formeel onderscheid naar gelang van de kwalificatie van de functie van de betrokkene overstijgen. Er is, volgens de verzoekende partijen, geen redelijke verantwoording voor het ontbreken van de waarborgen van hoorplicht, zorgvuldigheid en evenredigheid bij het uitoefenen van de bevoegdheid om te beslissen tot schrapping bij vastgestelde inbreuken in het kader van het toezicht en de controle op de naleving van de bestreden bepalingen. Er is des te minder verantwoording omdat het bevoegde personeelslid niet eens gehouden is om een beslissing te nemen binnen een welbepaalde termijn na de vaststelling van de inbreuken. A.11.2.
- Voorafgaandelijk merkt de Vlaamse Regering op dat het achtste middelonderdeel in zeer grote mate een overname is van het vijfde middelonderdeel. Derhalve neemt de Vlaamse Regering haar opmerkingen aangaande de exceptio obscuri libelli en de gedeeltelijke onontvankelijkheid om reden van onbevoegdheid van het Hof over. De vaststelling dat thans ook de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden opgeworpen als zijnde mogelijkerwijs geschonden, verandert, volgens de Vlaamse Regering, hieraan niets. A.11.2.
- Ook ten gronde herhaalt de Vlaamse Regering haar opmerkingen en voegt daaraan toe dat een vermelding van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel hieraan niets verandert. Wat het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, stelt de Vlaamse Regering vast dat dit beginsel ook geldt zonder dat een normatieve bepaling dit voorschrijft en het bevoegde personeelslid en het besluitvormingsorgaan zullen het zorgvuldigheidsbeginsel moeten naleven. Wat het motiveringsbeginsel betreft, merkt de Vlaamse Regering op dat artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit uitdrukkelijk bepaalt dat de beslissing van het bevoegde personeelslid en het besluitvormingsorgaan gemotiveerd moet zijn. A.11.
- Volgens de tussenkomende partij kan men geenszins stellen dat wanneer een procedure van intern administratief toezicht is voorgeschreven, men verplicht is, overeenkomstig het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, om expressis verbis in een ganse procedure te voorzien met hoorplicht en garanties voor de rechten van verdediging. Het spreekt ook voor zich dat het bevoegde personeelslid en de besluitvormingscommissie zich dienen te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. A.11.4.
- Opnieuw menen de verzoekende partijen dat zowel de tussenkomende partij als de Vlaamse Regering ten gronde hebben geantwoord op het middelonderdeel, zodat de exceptio obscuri libelli moet worden afgewezen. A.11.4.
- Ten gronde herhalen de verzoekende partijen dat de decreetgever de beginselen van de hoorplicht, het recht van verdediging, de motivering, de zorgvuldigheid, de evenredigheid en van behoorlijk bestuur onwerkzaam maakt, door de voortvarendheid waarvan het bevoegde personeelslid en vervolgens het besluitvormingsorgaan blijk moeten geven. Het ontbreken van die essentiële waarborgen is niet te verantwoorden. De decreetgever voorziet ook niet in een afdoende formele motivering. 14 A.12.
- Het negende middelonderdeel van de verzoekende partijen heeft betrekking op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, hoorplicht, rechten van verdediging en de beginselen van behoorlijk bestuur, omdat artikel 3.3.1.0.9/1, §§ 2 tot 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt dat een beroep tegen de beslissing van weigering tot opname op de lijst, respectievelijk schrapping van de lijst, moet worden ingesteld binnen een termijn van een maand na de beslissing. Voormelde bepaling gaat in tegen de vaste rechtspraak van het Hof die oplegt dat een beroepstermijn pas kan beginnen te lopen na kennisgeving van de beslissing. Het is kennelijk onredelijk dat de beroepstermijn aanvangt op een ogenblik dat de geadresseerde nog geen kennis heeft van de inhoud van de griefhoudende beslissing en van de motivering ervan. A.12.2.
- Allereerst werpt de Vlaamse Regering de exceptio obscuri libelli op. De verzoekende partijen laten immers na aan te tonen waarom een beroepstermijn van een maand, die aanvangt op het ogenblik van de beslissing, strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In ondergeschikte orde meent de Vlaamse Regering dat het negende middelonderdeel minstens als deels onontvankelijk moet worden afgewezen, wegens de onbevoegdheid van het Hof. De mogelijke schending van de aangevoerde beginselen van rechtszekerheid, hoorplicht, rechten van verdediging en de beginselen van behoorlijk bestuur, wordt nergens uiteengezet. Bovendien is het Hof niet bevoegd om wettelijke normen rechtstreeks te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. A.12.2.
- Ten gronde merkt de Vlaamse Regering op dat geen enkele grondwetsbepaling de decreetgever verbiedt de beroepstermijn te doen aanvangen op het ogenblik van de beslissing zelf. In de regelgeving bestaat ook geen uniformiteit omtrent het vertrekpunt van een bepaalde beroepstermijn, noch qua gebeurtenis, noch qua terminologie. Er is geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de beslissing onmiddellijk aan de (kandidaat-) schatter-expert ter kennis wordt gebracht, geen schending van de hoorplicht en de rechten van verdediging, aangezien er een beroepsmogelijkheid bestaat zodat die rechten worden gevrijwaard, en geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Indien het Hof toch van oordeel zou zijn dat het negende middelonderdeel gegrond is, stelt de Vlaamse Regering het Hof voor de bestreden bepalingen grondwetsconform te interpreteren : de termijn om een beroep in te stellen tegen de beslissing tot weigering tot opname op de lijst, respectievelijk tot schrapping daarvan loopt vanaf de kennisgeving van de betrokken beslissing aan de (kandidaat-) schatter-expert. In die interpretatie is er geen schending van het gelijkheidsbeginsel en is het middelonderdeel ongegrond. A.12.
- De tussenkomende partij wijst erop dat ook zij binnen dertig kalenderdagen haar memorie van tussenkomst diende te verzenden naar het Hof en dat die termijn niet loopt vanaf het ogenblik dat men een afschrift heeft gekregen van het verzoekschrift tot vernietiging. De tussenkomende partij zal zich evenwel gedragen naar de wijsheid van het Hof. A.12.4.
- De verzoekende partijen menen dat zowel de tussenkomende partij als de Vlaamse Regering ten gronde hebben geantwoord op het middelonderdeel, zodat de exceptio obscuri libelli moet worden afgewezen. A.12.4.
- De verzoekende partijen wijzen het Hof erop dat de vaststelling van een discriminatie het Hof niet machtigt om zelf de decretale tekst aan te passen bij wijze van grondwetsconforme interpretatie. A.12.
- De Vlaamse Regering meent dat zij het Hof niet vraagt de bestreden decretale regeling aan te passen, maar enkel die te interpreteren. De verzoekende partijen tonen niet aan dat er geen marge tot interpretatie zou zijn en/of dat de door de Vlaamse Regering voorgestelde interpretatie te ver zou gaan. A.13.
- Het tiende middelonderdeel van de verzoekende partijen heeft betrekking op de schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat artikel 3.3.1.0.9/1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit niet voorziet in de mogelijkheid voor belanghebbende derden om beroep in te stellen bij het besluitvormingsorgaan tegen de opname van een schatter-expert op de lijst van de erkende schatters-experten van de Vlabel. Het staat de decreetgever in beginsel vrij om bestuurlijke beroepen in te stellen, maar dit dient te gebeuren met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. Het ontbreken van een administratief beroep tegen een « opname op de lijst » en « een tijdelijke opname op de lijst » is niet verantwoord. 15 A.13.2.
- De Vlaamse Regering werpt op dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het tiende middelonderdeel. Het argument van de verzoekende partijen inzake de onmogelijkheid voor derden om beroep aan te tekenen bij het besluitvormingsorgaan is een argument dat eenieder kan maken, waardoor het erkennen van een dergelijk belang neerkomt op het aanvaarden van een actio popularis. Bovendien valt ook niet in te zien welk nadeel derden bij een opname van een schatter-expert op de lijst zouden kunnen hebben. Eenieder die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen, kan een schatter-expert naar keuze aanstellen; er wordt dus nooit een schatter-expert aan de belastingplichtige opgedrongen, zodat een loutere opname op de lijst van erkende schatters-experten nooit grievend kan zijn ten aanzien van de indiener van de nalatenschap. A.13.2.
- In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat het middelonderdeel moet worden afgewezen wegens de exceptio obscuri libelli. De verzoekende partijen laten immers na aan te tonen in welk opzicht de onmogelijkheid voor derden om een beroep in te stellen strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.13.2.
- Ten gronde stelt de Vlaamse Regering vast dat het loutere gegeven dat de verzoekende partijen het « bijzonder storend » en « allerminst proceseconomisch » vinden dat belanghebbende derden zich meteen tot de rechter moeten wenden, geen schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel. Er is geen grondwetsbepaling die de decreetgever ertoe verplicht een beroep tegen een individuele administratieve rechtshandeling ook open te stellen voor alle belanghebbende derden. Bovendien bestaat de mogelijkheid voor derde belanghebbenden om tegen een opname op de lijst van erkende schatters-experten beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechter. A.13.
- De tussenkomende partij wijst erop dat het bestreden decreet geenszins verhindert dat een derde een klacht indient bij het bevoegde personeelslid dat die klacht zal onderzoeken. Bij tuchtrechtelijke organen, zoals bij de landmeters-experten, kan men ook een klacht indienen, doch er is in geen rechten voorzien voor die derde-klagende partijen wanneer geen gevolg wordt gegeven aan hun klacht. A.13.4.
- In zoverre de Vlaamse Regering het belang van de verzoekende partijen betwist, volstaat het, volgens de verzoekende partijen, eraan te herinneren dat, wanneer de verzoekende partijen een belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling, zij daarenboven niet moeten doen blijken van een belang bij elk van de middelen (arrest nr. 150/2017). Daarnaast merken de verzoekende partijen op dat het gebrek aan een bestuurlijk beroep, per hypothese in te stellen door belanghebbende derden, een proceseconomisch nadeel is. Temeer omdat het later gerechtelijk toezicht beperkt is in vergelijking met de discretionaire bevoegdheid van de beroepsinstantie. A.13.4.
- De verzoekende partijen menen ook dat zowel de tussenkomende partij als de Vlaamse Regering ten gronde hebben geantwoord op het middelonderdeel, zodat de exceptio obscuri libelli moet worden afgewezen. A.13.4.
- Het gegeven van een willig beroep, zoals opgeworpen door de tussenkomende partij, volstaat, volgens de verzoekende partijen, niet. De beroepsinstantie bepaalt immers zelf of zij wel een beslissing neemt of niet, en de termijn om zich tot de bevoegde rechter te wenden, is reeds aangevangen. A.14.
- Als elfde middelonderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 170, 171 en 172 van de Grondwet, omdat artikel 3.3.1.0.9/1, § 1, tweede lid, juncto artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit in geen termijn voorziet voor het vaststellen van inbreuken in het kader van het toezicht en de controle door de diensten van de Vlabel, noch voor het instellen van de procedure die bij de vastgestelde inbreuken kan leiden tot schrapping van de schatter-expert van de lijst van erkende schatters-experten. Volgens de verzoekende partijen schendt het ontbreken van een normatieve termijnstelling voor het vaststellen van inbreuken en het instellen van de voormelde procedure het gelijkheidsbeginsel, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ook de artikelen 170, 171 en 172 van de Grondwet worden geschonden, omdat het aan de wetgever toekomt om zelf de termijnen vast te stellen zonder hierbij te steunen op de inzichten van het bevoegde personeelslid, dat enkel gebonden is door het redelijkheidsbeginsel. 16 A.14.2.
- Allereerst werpt de Vlaamse Regering de exceptio obscuri libelli op. Opnieuw laten de verzoekende partijen na uit te leggen waarin de mogelijke schending zou kunnen bestaan. In ondergeschikte orde werpt de Vlaamse Regering op dat het elfde middelonderdeel minstens deels onontvankelijk is, om reden van de onbevoegdheid van het Hof. Het Hof is immers niet bevoegd om rechtstreeks te toetsen aan artikel 171 van de Grondwet. A.14.2.
- Ten gronde voert de Vlaamse Regering aan dat de schorsingsprocedure die wordt ingesteld door het bevoegde personeelslid geen procedure is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en derhalve niet moet beantwoorden aan de vereisten van artikel
- Daarnaast moet worden aangenomen dat de redelijke termijn wordt gewaarborgd, omdat artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt dat het besluitvormingsorgaan binnen dertig werkdagen moet beslissen bij consensus, en de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte moet brengen. De verzoekende partijen tonen ook niet aan dat het ontbreken van een « normatieve termijnstelling » in het kader van de schrappingsprocedure onredelijk zou zijn. De schatter-expert wordt pas van de lijst geschrapt nadat de schrappingsprocedure tot een einde is gebracht. De schatter-expert ondervindt geen enkel nadeel van de schrappingsprocedure totdat de schrappingsbeslissing en de redenen daarvoor aan hem worden meegedeeld. En op dat moment kan de schatter-expert beroep instellen bij het besluitvormingsorgaan, dat aan een termijn van dertig werkdagen gebonden is voor de afhandeling van het beroep. Ook de aangevoerde artikelen 170, 171 en 172 van de Grondwet zijn, volgens de Vlaamse Regering, niet relevant. A.14.
- De tussenkomende partij meent dat de betrokken schatter-expert, wanneer hij wordt geconfronteerd met te oude feiten, overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur, de niet-relevantie ervan kan aanvoeren voor zijn huidige taak. Noch diens rechten van verdediging, noch de fiscale bepalingen in de Grondwet vereisen dat hiervoor in een duidelijke termijnregeling is voorzien. A.14.4.
- Allereerst menen de verzoekende partijen dat zowel de tussenkomende partij als de Vlaamse Regering ten gronde hebben geantwoord op het middelonderdeel, zodat de exceptio obscuri libelli moet worden afgewezen. A.14.4.
- Ten gronde herhalen de verzoekende partijen dat het bevoegde personeelslid niet is gehouden aan enige termijn. Het is niet relevant op te merken dat het besluitvormingsorgaan, in geval van beroep, moet beslissen binnen dertig werkdagen. Ten slotte is het bevoegde personeelslid in eerste aanleg niet gehouden aan termijnen. -B- B.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 8, 1°, en 23 van het Vlaamse decreet van 8 december 2017 « houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken » (hierna : het decreet van 8 december 2017). 17 De bestreden bepalingen wijzigen artikel 1.1.0.0.2 van het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna : de Vlaamse Codex Fiscaliteit) en voegen een artikel 3.3.1.0.9/1 toe aan dat decreet. Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.2.
- Artikel 5, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten voorziet in de mogelijkheid, voor de gewesten, om zelf, in plaats van de federale Staat, de dienst van onder meer de registratie- en successierechten te verzekeren, op voorwaarde dat die overname per groep van belastingen gebeurt. In navolging hiervan bepaalt artikel 10 van het decreet van 9 november 2012 houdende diverse bepalingen betreffende financiën en begroting, dat het Vlaamse Gewest, vanaf 1 januari 2015, de dienst van de belastingen, « bedoeld in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, overeenkomstig artikel 5, § 3, van dezelfde bijzondere wet », verzekert. Derhalve behoort de inning van de erfbelasting, met ingang van 1 januari 2015, toe aan het Vlaamse Gewest, dat hiervoor een beroep doet op de Vlaamse Belastingdienst. Artikel 217 van het decreet van 19 december 2014 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 » (hierna : het decreet van 19 december 2014) voegt een artikel 3.3.1.0.9 toe, dat aan de erfgenamen, de algemene legatarissen en begiftigden en al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van een nalatenschap, de mogelijkheid geeft om aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een bindende schatting te vragen van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in de nalatenschap bevinden. De inwerkingtreding van artikel 3.3.1.0.9 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit moet echter nog worden vastgesteld (artikel 325 van het decreet van 19 december 2014), hetgeen te wijten is aan het feit dat de Vlaamse Belastingdienst nog niet beschikt over voldoende vergelijkingspunten voor alle categorieën van onroerende goederen, die de noodzakelijke basisgegevens vormen voor een voorafgaande schatting. Daarom kan nog niet worden overgegaan tot de aanvraag van een voorafgaande, bindende schatting van onroerende goederen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. 18 B.2.
- In afwachting van de inwerkingtreding van artikel 3.3.1.0.9 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit kon een beroep worden gedaan op een expert voor de raming van onroerende goederen, tenzij de erfgenamen zelf wensten over te gaan tot een schatting. Daartoe heeft de Vlaamse Belastingdienst een « kwaliteitscharter » uitgewerkt, in samenwerking met de Koninklijke Federatie der Landmeters-Experten en de Beroepsorganisatie voor Landmeters-Experten. Het betrof een tijdelijke maatregel. Op grond van dat kwaliteitscharter kwamen enkel landmeters-experten in aanmerking om schattingen van nalatenschappen te doen. Ten gevolge van beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State die het schattingssysteem, zoals ingesteld door het kwaliteitscharter, ter discussie stelden wegens de exclusiviteit van de samenwerking met de landmeters, heeft de decreetgever ervoor geopteerd het systeem te vervangen door de thans bestreden decretale regeling van schattingen door schatters-experten. B.3.
- Artikel 8, 1°, van het decreet van 8 december 2017 voegt in artikel 1.1.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit een punt 18°/1 in, dat bepaalt : « 18°/1 schatter-expert : natuurlijk persoon die beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en daarvoor beschikt over de beroepskwalificatie, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, 2° ». B.3.
- Artikel 23 van het decreet van 8 december 2017 voegt in dezelfde Codex een artikel 3.3.1.0.9/1 in, dat bepaalt : « §
- De erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen, kunnen een schatter-expert aanstellen om een schatting te maken van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven. De schatting is alleen bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie als : 1° de schatter-expert op het moment van de schatting is opgenomen op de lijst van aan te stellen erkende schatters-experten, vermeld in paragraaf 2, na naleving van de voorwaarden daarvoor; 2° de schatting deugdelijk wordt gemotiveerd in een deskundig schattingsverslag dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3; 19 3° het deskundige schattingsverslag wordt gevoegd bij de aangifte van nalatenschap, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, binnen de termijnen, bepaald in dat artikel. Na de ontvangst van de schriftelijke aanvraag bevestigt de schatter-expert schriftelijk dat hij de aanvraag heeft ontvangen en meldt hij of hij de opdracht al dan niet aanvaardt. Hij werkt zijn opdracht af binnen een termijn die wordt bepaald in onderling overleg met de opdrachtgever, zonder dat daaraan rechten ontleend kunnen worden voor de verlenging van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.
- §
- De schatter-expert die opgenomen wil worden op een lijst van aan te stellen schatters-experten als vermeld in paragraaf 1, dient daarvoor een aanvraag in door een modelovereenkomst te ondertekenen die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ter beschikking stelt, waarbij de nodige bewijsstukken zijn gevoegd die aantonen dat : 1° de aanvrager beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert; 2° de aanvrager over de beroepskwalificatie daarvoor beschikt door de opleiding die hij gevolgd heeft, en door permanente bijscholing. Om te voldoen aan het eerste lid, 2°, bezorgt hij een afschrift van relevante diploma's, getuigschriften of attesten. Het bevoegde personeelslid beoordeelt binnen een termijn van dertig werkdagen of aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Als dat het geval is, kent het bevoegde personeelslid aan de schatter-expert een uniek identificatienummer toe en voegt hij de schatter-expert toe aan de lijst. Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet is voldaan, deelt het bevoegde personeelslid de beslissing van weigering tot opname op de lijst en de redenen daarvoor mee aan de aanvrager. Tegen die beslissing kan de aanvrager, op straffe van verval, binnen een maand na de weigering tot opname een gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het beroep wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat is samengesteld uit het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de taxatie van de erf- en registratiebelastingen, en het afdelingshoofd van de afdeling Vastgoedtransacties. Ze beslissen over het beroep bij consensus en brengen de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over het beroep. Als er geen beslissing wordt genomen over de aanvraag binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van de aanvraag en de bijbehorende bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, of van het beroep tegen de weigering tot opname, wordt de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over de aanvraag, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, vervalt de tijdelijke opname en moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kunnen niet optreden als schatter-expert. 20 De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie publiceert de lijst, vermeld in het eerste lid, minstens maandelijks op haar publiek toegankelijke website als er schatters-experten toegevoegd of geschrapt worden. Op de lijst worden de voor- en achternaam van de schatter-expert opgenomen, het KBO-nummer waaronder zijn beroepsactiviteit is geregistreerd, het adres van de plaats van vestiging en, in voorkomend geval, de commerciële benaming waaronder de activiteiten worden uitgevoerd, de datum van opname op de lijst en de eventuele periodes van tijdelijke schorsing. §
- Het schattingsverslag wordt opgebouwd als een uitgebreid deskundig rapport en bestaat uit : 1° een inleidend gedeelte, dat de volgende elementen omvat : a) de datum waarop het schattingsverslag is opgemaakt of het laatst is gewijzigd; b) de identificatie van de schatter-expert, namelijk voor- en achternaam, beroepstitel en het door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie toegekende identificatienummer voor schatters-experten; c) de identificatie van de opdrachtgever, namelijk voor- en achternaam of benaming, rijksregister- of ondernemingsnummer, adres en, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger van de opdrachtgevende overheidsinstantie; d) het doel van de schatting, namelijk de volgende vermelding : ‘ Dit schattingsverslag is opgemaakt met naleving van het kwaliteitscharter van de Vlaamse Belastingdienst voor schatters-experten en dient als waardering bij de aangifte van nalatenschap ’; e) de referentiedatum van de schatting, namelijk de datum van overlijden van de erflater; f) de datum van het plaatsbezoek; g) de identificatie van het te schatten goed, namelijk : 1) het postnummer en de gemeente, het dorp of gehucht, de straat en eventueel het huisnummer, en eventueel de CRAB-gegevens van het onroerend goed; 2) de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom; 3) de eigendomstoestand van het onroerend goed, met een beschrijving van de rechten van elke houder van een zakelijk recht, alsook van zijn aandeel in de volledige eigendomssituatie. Voor onroerende goederen in mede-eigendom worden de aandelen in het hele onroerend goed meegedeeld; 2° de beschrijving van het te schatten goed, die de volgende elementen omvat, in voorkomend geval toegevoegd als bijlage : a) een algemene beschrijving, namelijk : 21 1) de ligging in de straat en de ruimere omgeving, de toestand en uitrusting van de straat, de openbare nutsvoorzieningen; 2) de voorzieningen in een ruimere omgeving, zoals scholen, zorgvoorzieningen, administratieve gebouwen en ontspanningsmogelijkheden; 3) de bereikbaarheid met openbaar of privévervoer; 4) zowel voor het terrein als de gebouwen : de bestemming en de aanwending; 5) alleen voor het terrein : de volledige grondoppervlakte, de vorm, de breedte aan de straat, de rooilijnbreedte, de relatieve hoogteligging ten opzichte van de straat of omgeving, de oriëntatie en de bodemoccupatie; 6) alleen voor de gebouwen : de bouwwijze, het aantal verdiepingen en bijgebouwen, de gevelbreedte, de plaatsing op het terrein, de bebouwde oppervlakte, de nuttige oppervlakte en de algemene toestand op het vlak van onderhoud, afwerking en comfort; b) een bijzondere beschrijving van de gebouwen, namelijk : 1) het bouwjaar, de constructiewijze, de kwaliteit van de constructie en de gebruikte materialen voor gevels, vloeren, muren, plafonds, daken en schrijnwerk, en de algemene staat van onderhoud; 2) de indeling en, volgens de indeling van de gebouwen, de afwerking, de uitrusting en voorzieningen op het vlak van comfort; c) de stedenbouwkundige ligging en voorschriften, de toestand op het vlak van onroerend erfgoed, van voorkooprecht en van de watertoets; d) de gegevens over de zakelijke rechten en de overeenkomstige datum en wijze van verwerving. Als het onroerend goed verhuurd is, wordt het type contract, de duurtijd ervan en de overeengekomen huurprijs weergegeven; e) de liggingsplannen en per verdieping schetsen van de indeling, waarbij een foto van de voorgevel is gevoegd, en, in voorkomend geval, bijkomende foto's als die noodzakelijk zijn om de waarde van het onroerend goed te bepalen en om de situatie op de datum van het plaatsbezoek vast te leggen; 3° de beschrijving van de gebruikte vergelijkingspunten, vermeld in punt 4°, die telkens de volgende elementen omvat : a) algemene gegevens over de ligging en de kadastrale gegevens van het vergelijkingspunt, namelijk : 1) het postnummer en de gemeente, het dorp of gehucht, de straat en, in voorkomend geval, het huisnummer; 22 2) de kadastrale gegevens van het vergelijkingspunt, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer, het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privé-eigendom; 3) in voorkomend geval het bouwjaar van het vergelijkingspunt; b) de gegevens van de overdracht die aan de basis liggen van de opname als vergelijkingspunt : de aard en datum van de overdracht, en de belastbare grondslag ervan; c) bijzondere gegevens over de ligging, bestemming en eventuele bebouwing; 4° de analyse die leidt tot de geschatte waarde. De analyse wordt in principe uitgevoerd aan de hand van een afweging ten opzichte van vergelijkingspunten. Uitzonderlijk en voor specifieke eigendommen waarvoor geen vergelijkingspunten beschikbaar zijn, geeft de schatter-expert weer hoe de waarde dan wel wordt bepaald. De schatter-expert motiveert die afwijking in zijn verslag; 5° het besluit, dat de hoofdkenmerken van de analyse herneemt, de referentiedatum voor de waardebepaling en als finale conclusie de geschatte waarde; 6° de eedformule ‘ Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten getrouw heb vervuld ’, de dagtekening en de ondertekening. §
- De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie organiseert het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met
- Daarbij kan informatie uitgewisseld worden met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten. Bij vastgestelde inbreuken kan het bevoegde personeelslid beslissen tot schrapping van de schatter-expert van de lijst van schatters-experten. Die beslissing tot schrapping en de redenen daarvoor worden aan de schatter-expert meegedeeld. Tegen die beslissing kan de aanvrager, op straffe van verval, binnen een maand na de beslissing gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het beroep wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat is samengesteld uit het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de taxatie van de erf- en registratiebelastingen, en het afdelingshoofd van de afdeling Vastgoedtransacties. Ze beslissen binnen de dertig werkdagen over het beroep bij consensus en brengen de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over het beroep. Een gebrek aan consensus staat gelijk aan het uitblijven van een beslissing. Als er geen beslissing wordt genomen over het beroep binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van het beroep, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden terug opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over het beroep, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, blijft de aanvrager opgenomen op de lijst ». 23 B.3.
- Het was de bedoeling van de decreetgever om de vroegere regeling van schattingen van nalatenschappen, die « juridisch onder druk [kwam] te staan omwille van de exclusiviteit van de [...] samenwerking met landmeters », te vervangen door « een meer globaal juridisch kader [...] dat de [voorheen bestaande] werkwijze verruimt en verder juridisch onderbouwt » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1301/1, pp. 11-12) : « Om die reden wordt een nieuwe overgangswerkwijze ingesteld, waarbij de Vlaamse Belastingdienst in principe de geraamde venale waarde in schattingsverslagen als bindend erkent, mits de schattingsverslagen opgesteld zijn door een gekwalificeerd persoon en voldoen aan zekere vorm- en kwaliteitsvereisten. Het spreekt voor zich dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, de Vlaamse Belastingdienst, daarbij toezicht uitoefent op het naleven van de voorwaarden, zonder daarbij afbreuk te doen aan de toezichtsfunctie en de sanctionerende bevoegdheid van eventuele eigen organen van de beroepsverenigingen » (ibid., p. 12). De Vlaamse decreetgever heeft aldus bij de bestreden bepalingen een regeling uitgewerkt waarbij diegenen die een aangifte van nalatenschap moeten indienen, voor de waardering van hun onroerende goederen een beroep kunnen doen op een erkend schatter-expert die een voor de Vlaamse Belastingdienst bindende waardebepaling, in de vorm van een schattingsverslag, opmaakt. Daarbij werd ervoor geopteerd het vervullen van die opdracht niet meer voor te behouden aan een bepaalde beroepsgroep, te weten die van de landmeters-experten, maar specifieke criteria vast te stellen voor de erkenning als schatter-expert. B.3.
- Aangezien artikel 3.3.1.0.9/1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit « de tegenhanger is van de bestaande bepaling in artikel 3.3.1.0.9 VCF en de Vlaamse Regering over de inwerkingtreding daarvan kan beslissen, is het evident de bedoeling dat later ook tot de uitwerkingtreding van de nieuwe bepaling, door de Vlaamse Regering kan worden besloten » (ibid., p. 15). De bestreden bepalingen treden om die reden buiten werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum (artikel 32 van het decreet van 8 december 2017). 24 Wat betreft de ontvankelijkheid B.4.
- De Vlaamse Regering betwist het belang van de zevende verzoekende partij bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. Zij betwist ook het belang van de verzoekende partijen bij het tiende onderdeel van het enige middel. B.4.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.4.
- Uit de uiteenzetting van het beroep tot vernietiging blijkt dat vier van de zeven verzoekende partijen vzw’s zijn die landmeters-experten vertegenwoordigen. Twee verzoekende partijen zijn zelf landmeters-experten. Aangezien die verzoekende partijen doen blijken van een belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, die de opmaak van bindende erfschattingsverslagen niet meer exclusief voorbehouden aan landmeters-experten, is er geen aanleiding om na te gaan of de zevende verzoekende partij over het vereiste belang beschikt. B.4.
- Wanneer een verzoekende partij belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, dient zij niet daarnaast te doen blijken van een belang bij elk van de door haar aangevoerde middelen of onderdelen ervan. B.4.
- De exceptie is niet gegrond. B.5.
- Met betrekking tot de meerdere onderdelen van het enige middel werpt de Vlaamse Regering de onontvankelijkheid op, op grond van de exceptio obscuri libelli. Nergens zouden de verzoekende partijen aantonen in welk opzicht de bestreden bepalingen de door de verzoekende partijen vermelde toetsingsnormen zouden schenden. Het Hof zou bovendien niet bevoegd zijn om rechtstreeks aan bepaalde van die normen te toetsen. 25 B.5.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.5.
- Uit de memories van de Vlaamse Regering blijkt dat zij telkens op adequate wijze heeft kunnen antwoorden op de grieven van de verzoekende partijen. De grondwets- en verdragsbepalingen en algemene beginselen waaraan het Hof niet rechtstreeks vermag te toetsen, worden samen aangevoerd met grondwetsbepalingen waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te toetsen, zodat al die bepalingen en beginselen in samenhang moeten worden gelezen. B.5.
- De exceptie is niet gegrond. Ten gronde B.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 8, 1°, en 23 van het decreet van 8 december
- Daartoe voeren zij één middel aan, opgesplitst in elf onderdelen. Ten aanzien van het eerste en het tweede onderdeel B.
- In het eerste en tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden artikelen 8 en 23 ongelijke situaties op een gelijke wijze zouden behandelen zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. 26 De landmeters-experten, die onder het toepassingsgebied van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert vallen, worden op een gelijke wijze behandeld als de andere personen die kunnen worden opgenomen op de lijst van de schatters-experten, in de zin van punt 18°/1 van artikel 1.1.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, terwijl de landmeters-experten, in tegenstelling tot de andere schatters-experten, ingeschreven zijn op het tableau van de beoefenaars van het beroep van landmeter-expert en bijzondere waarborgen bieden in termen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen ongrondwettig zijn, doordat thans ook personen in aanmerking worden genomen voor het opmaken van erfschattingsverslagen, die niet op het tableau van de landmeters-experten zijn ingeschreven, hetgeen evenwel onredelijk zou zijn omdat daardoor personen zouden worden aangewezen als schatter-expert die, ongeacht de aard van hun juridische relatie met de administratie, een taak van algemeen belang verrichten en aldus een openbare dienst verlenen in de functionele betekenis van het woord (eerste onderdeel). Bovendien staat de eis van permanente vorming voor op het tableau ingeschreven landmeters-experten een gelijke behandeling ten aanzien van andere kandidaat-schatters-experten in de weg, omdat de Vlaamse Regering niet gemachtigd is toezicht te houden op de permanente bijscholing van de erkend schatter-expert die geen landmeter-expert is, en dat dit wel het geval is voor de op het tableau ingeschreven landmeters-experten (tweede onderdeel). B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich er overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 27 B.9.
- De parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat het bestreden artikel 8, 1°, van het decreet van 8 december 2017 een definitie van het begrip « schatter-expert » toevoegt aan de begrippenlijst van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. « De schatter-expert wordt gedefinieerd als een natuurlijk persoon die beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en daartoe beschikt over de beroepskwalificatie, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, 2°. Gelet op de draagwijdte van de schattingen en op het in principe bindend karakter ervan wordt de nodige expertise van de schatters vereist » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1301/1, p. 5). B.9.
- Artikel 23 van het decreet van 8 december 2017 voert de thans geldende werkwijze voor bindende schattingsverslagen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit in : « Essentieel is dat deze nieuwe werkwijze de garantie wil bieden dat de uitgevoerde expertise op een onafhankelijke en onpartijdige wijze gebeurt door een schatter-expert ter zake, en dat de resultaten degelijk gemotiveerd zijn. Enkel mits naleving van de opgenomen voorwaarden wordt de schatting als bindend aanvaard, uiteraard onder voorbehoud van de kwaliteitscontroles die de Vlaamse Belastingdienst kan uitvoeren » (ibid., p. 12). B.10.
- Ingevolge de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert worden alle landmeters verplicht houder te zijn van een bepaald diploma (artikel 2) en een eed af te leggen (artikel 7). Daarenboven moeten de zelfstandige landmeters zijn ingeschreven op een door de Federale Raad van landmeters-experten vastgesteld tableau (artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten) en de voorschriften inzake de plichtenleer naleven (artikel 8). Sedert de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert zijn « het voeren van de titel en de uitoefening van het beroep [...] voorbehouden aan de houders van een diploma, die een eed moeten afleggen » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2152/001, p. 7) : « De beschrijving van de gereglementeerde activiteit geldt zowel voor landmeters in overheidsdienst, bij de uitoefening van hun activiteit als ambtenaar, als voor de zelfstandigen en de loontrekkenden. [...] Bovendien moeten de zelfstandige landmeters ingeschreven zijn op een tableau die opgesteld en bijgehouden wordt door een Federale Raad van landmeters-experten, opgericht bij het wetsontwerp tot oprichting van Federale Raden van landmeters-experten » (ibid., p. 7). 28 De opname op het tableau van de landmeters-experten impliceert dat die personen de titel van landmeter-expert mogen dragen en dat erkende beroep mogen uitoefenen op basis van de vereiste kwalificaties; zij zijn daarbij onderworpen aan de plichtenleer van het koninklijk besluit van 15 december 2005 « tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert », onder toezicht van de Federale Raad van landmeters-experten en de Federale Raad van Beroep van landmeters-experten. B.10.
- Zoals in B.2.2 is vermeld, werd ingevolge het « Kwaliteitscharter voor schattingsverslagen » de erkenning als schatter-expert exclusief voorbehouden aan één bepaalde beroepsgroep, namelijk de landmeters-experten. Aangezien het schattingssysteem het voorwerp uitmaakte van beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State, vanwege de exclusiviteit die was toegekend aan de landmeters-experten, heeft de decreetgever een nieuw systeem ingevoerd en heeft hij geopteerd voor een niet-exclusief systeem van schatters-experten. B.11.
- De kandidaat-schatter-expert dient aan te tonen dat hij beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en dat hij over de beroepskwalificatie daarvoor beschikt door de opleiding die hij heeft gevolgd, en door permanente bijscholing (artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit). Derhalve heeft de decreetgever een regeling ingevoerd waarbij enkel diegenen die én zijn opgeleid om waardebepalingen van onroerende goederen uit te voeren, zowel door hun opleiding als door permanente bijscholing, én dergelijke activiteiten beroepsmatig uitvoeren, in aanmerking komen om te worden erkend als schatter-expert. Daarnaast zijn de schatters-experten onderworpen aan een eigen regeling inzake toezicht en controle (artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit). De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Hoewel de schatting opgemaakt door een schatter-expert in principe bindend is, kan de Vlaamse Belastingdienst een kwaliteitscontrole uitvoeren op de ontvangen schattingsverslagen, en nagaan of de schatter-expert blijft voldoen aan de voorwaarden om op de lijst van schatters-experten te blijven staan. [...] 29 Het niet voldoen aan de kwaliteitseisen om nog te kunnen spreken van deskundige schattingsverslagen, het stopzetten van de beroepsuitoefening, het niet langer volgen van de nodige bijscholing en dergelijke meer, kunnen elementen zijn om de schatter-expert van de lijst te schrappen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1301/1, pp. 14-15). B.11.
- De door de verzoekende partijen aangehaalde eedaflegging van de landmeters-experten, zoals vastgesteld in artikel 7 van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert, is niet van die aard dat aan landmeters-experten een voordeel inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid wordt gegeven in vergelijking met de andere beroepscategorieën die voor de erkenning van schatter-expert in aanmerking komen. Allereerst strekt de beroepsactiviteit van de landmeters-experten, zoals omschreven bij artikel 3 van de voormelde wet van 11 mei 2003, zich niet uit tot de schatting van onroerende goederen, zodat ook de eedaflegging geen betrekking kan hebben op die werkzaamheid. Vervolgens dienen de schatters-experten in hun schattingsverslag een eedformule aan te brengen, waarin wordt bevestigd dat zij de opdracht in eer en geweten getrouw hebben vervuld (artikel 3.3.1.0.9/1, § 3, 6°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit). B.11.
- Zoals vermeld in B.11.1 oefent de Vlaamse Belastingdienst toezicht en controle uit op de naleving van de decretale eis van permanente bijscholing. In artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, wordt uitdrukkelijk bepaald dat « de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie [zijnde de Vlaamse Belastingdienst] het toezicht en de controle [organiseert] op de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3 », en dat « daarbij [...] informatie uitgewisseld [kan] worden met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten ». Aldus kan niet worden aangenomen dat de Vlaamse Belastingdienst geen toezicht en controle uitoefent op de eis van de permanente vorming voor de schatters-experten. 30 B.11.
- De decreetgever kan derhalve redelijkerwijze van oordeel zijn dat ook andere beroepscategorieën dan de landmeters-experten, op onafhankelijke en onpartijdige wijze, bindende schattingsverslagen kunnen opmaken. De regeling, zoals uitgewerkt in het bestreden decreet van 8 december 2017, waarborgt dat niet iedereen kan worden erkend als schatter-expert, maar enkel die personen die beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoeren en daarvoor beschikken over de vereiste beroepskwalificatie door de opleiding die zij gevolgd hebben en door permanente bijscholing zodat de uitgevoerde schatting op een onafhankelijke en onpartijdige wijze zal gebeuren. Daarnaast wordt door de bestreden bepalingen een eigen regeling inzake controle en toezicht ingesteld (artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit) op de door de Vlaamse Belastingdienst erkende schatters-experten. De eigen regeling omvat niet alleen een kwaliteitscontrole op de ontvangen schattingsverslagen, maar tevens een controle op het functioneren van de schatter-expert zelf, door toezicht te houden op het blijven voldoen aan de voorwaarden om als schatter-expert te worden erkend. B.11.
- De gelijke behandeling van de landmeters-experten en de andere schatters-experten is derhalve redelijk verantwoord. Het enige middel, in het eerste en het tweede onderdeel ervan, is niet gegrond. Ten aanzien van het derde onderdeel B.
- In het derde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de beginselen van neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, in zoverre de bestreden bepalingen een verschil in behandeling invoeren tussen erkende schatters-experten natuurlijke personen, enerzijds, en erkende schatters-experten die hun activiteiten als schatter-expert uitoefenen onder een commerciële benaming, anderzijds. De erkende schatters-experten van de tweede categorie zouden met hun commerciële benaming, waaronder de activiteiten worden uitgevoerd, worden vermeld op de door de Vlaamse Belastingdienst gepubliceerde lijst van erkende schatters-experten, terwijl dit niet het geval is voor de eerste categorie. Daardoor zou 31 de eerste categorie worden benadeeld, omdat daardoor de commerciële activiteiten van de tweede categorie worden benadrukt, hetgeen evenwel irrelevant is. B.
- Artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, laatste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt dat « de commerciële benaming waaronder de activiteiten worden uitgevoerd » zal worden opgenomen, na onder meer de voor- en achternaam van de schatter-expert, op de door de Vlaamse Belastingdienst gepubliceerde lijst van erkende schatters-experten, zonder dat hierbij enig onderscheid wordt gemaakt met betrekking tot de persoon die het voorwerp uitmaakt van die vermelding. Alle erkende schatters-experten worden op een gelijke manier behandeld en worden opgenomen op de lijst van erkende schatters-experten, waaruit de personen die ertoe gehouden zijn een aangifte van nalatenschap in te dienen, kunnen kiezen om een schattingsverslag te laten maken. B.
- Het enige middel, in het derde onderdeel ervan, is niet gegrond. Ten aanzien van het vierde onderdeel B.
- In het vierde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10, 11, 22 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt dat de Vlaamse Belastingdienst, in het kader van het door hem georganiseerde toezicht en controle, informatie kan uitwisselen met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten, wat strijdig zou zijn met de vrijheid van vereniging, het recht op privacy en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De overheid zou zich ervan dienen te onthouden zich te mengen in de statuten van een vereniging en zou in beginsel de vereniging niet kunnen verplichten, noch uitnodigen om informatie uit te wisselen zonder de toestemming van het lid over wie informatie wordt uitgewisseld. 32 B.16.
- De grieven van de verzoekende partijen gaan uit van een schending van het recht op vereniging en het recht op privacy, zodat enkel de eventuele schending van artikel 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dient te worden onderzocht. B.16.
- De opmerking van de Vlaamse Regering als zou het vierde onderdeel feitelijke grondslag missen, omdat er enkel een informatie-uitwisseling zou zijn van de Vlaamse Belastingdienst naar de beroepsverenigingen en niet omgekeerd, kan niet worden gevolgd. Het bestreden artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit handelt immers over het uitwisselen van informatie met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten, waarbij het begrip « uitwisseling » van informatie in zijn dagelijkse betekenis moet worden begrepen, te weten « het wederzijds doorgeven » van informatie. B.17.
- Artikel 27 van de Grondwet bepaalt : « De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen ». B.17.
- Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
- De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat ». 33 Die bepaling heeft een draagwijdte die analoog is met die van artikel 27 van de Grondwet, waardoor de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel vormen met die welke zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepalingen, rekening houdt met die verdragsbepaling. B.17.
- De bestreden bepaling voorziet enkel in de mogelijkheid van informatie-uitwisseling, hetgeen niet kan worden geacht een weerslag te hebben op de vrijheid van vereniging. Doordat informatie « kan » worden uitgewisseld met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is betrokken, bestaat noch voor de Vlaamse Belastingdienst, noch voor de beroepsverenigingen een verplichting, maar enkel een mogelijkheid, en heeft de betrokken vereniging het recht die uitwisseling van informatie te weigeren. B.17.
- De aangevoerde schending van artikel 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is niet gegrond. B.18.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.18.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». 34 De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.18.
- Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd bij de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. B.18.
- De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn evenwel niet absoluut. Zij sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78). De appreciatiemarge is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. B.19.
- Overeenkomstig artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit « kan informatie uitgewisseld worden met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten ». Een dergelijke maatregel valt onder de artikelen 22 van de Grondwet en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 35 B.19.
- De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, namelijk de Vlaamse Belastingdienst, is belast met de organisatie van het toezicht en de controle op de naleving van artikel 3.3.1.0.9/1, §§ 1 tot 3, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Het is noodzakelijk dat de Vlaamse Belastingdienst controle en toezicht uitoefent op de erkende schatters-experten en de opdracht die zij uitoefenen, namelijk het opmaken van schattingsverslagen van onroerende goederen met een in beginsel bindend karakter voor de Vlaamse Belastingdienst. B.19.
- Door de aanvraag tot erkenning als « erkend schatter-expert » voor de Vlaamse Belastingdienst en de ondertekening van de modelovereenkomst, bevestigt de kandidaat-schatter-expert dat hij op de hoogte is van en instemt met de decretale regeling zoals daarin is voorzien in de bestreden bepalingen, waaronder de mogelijkheid voor de Vlaamse Belastingdienst om in het kader van zijn toezichts- en controlefunctie informatie uit te wisselen met de beroepsvereniging waarbij de kandidaat-schatter-expert is aangesloten. Bovendien wordt de informatie die wordt uitgewisseld tussen de Vlaamse Belastingdienst en de beroepsvereniging niet openbaar gemaakt. Indien een dergelijke uitwisseling van informatie tot gevolg zou hebben dat een bepaalde schatter-expert van de lijst van erkende schatters-experten wordt geschrapt, dan zou alleen de naam van de desbetreffende schatter worden geschrapt en zou de reden daarvan niet openbaar worden gemaakt. Derhalve is de mogelijkheid tot informatie-uitwisseling evenredig met de nagestreefde doelstelling. B.
- Het enige middel, in het vierde onderdeel ervan, is niet gegrond. 36 Ten aanzien van het vijfde onderdeel B.
- In het vijfde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het fiscaal wettigheidsbeginsel schenden, omdat zij voorzien in de aanwijzing van een bevoegd personeelslid om louter discretionair te bepalen of voor de erkenning als schatter-expert de aanvrager beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en hij over de beroepskwalificatie daarvoor beschikt door de opleiding die hij gevolgd heeft, en door permanente bijscholing. Bovendien zouden het bevoegde personeelslid en het besluitvormingsorgaan kunnen beslissen tot schrapping van de erkende schatter-expert van de lijst, zonder daarbij de hoorplicht, het recht van verdediging en het evenredigheidsbeginsel te moeten naleven, hetgeen eveneens een schending van de artikelen 10, 11, 170, 171 en 172 van de Grondwet uitmaakt. B.
- Het bestreden artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit voert noch een belasting, noch een essentieel element van de belasting in, en stelt enkel de voorwaarden vast waaraan een kandidaat-schatter-expert dient te voldoen om te kunnen worden erkend als een schatter-expert door de Vlaamse Belastingdienst. De artikelen 170 tot 172 van de Grondwet zijn dus niet van toepassing. B.23.
- In geval van schrapping van een schatter-expert van de lijst van erkende schatters-experten, dient de Vlaamse Belastingdienst de algemene beginselen van behoorlijk bestuur na te leven. B.23.
- Daarnaast voorziet het bestreden artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit in de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen de beslissing van het bevoegde personeelslid tot schrapping, bij « een besluitvormingsorgaan ». Ook dat orgaan dient de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. B.
- Het enige middel, in het vijfde onderdeel ervan, is niet gegrond. 37 Ten aanzien van het zesde onderdeel B.
- In het zesde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt dat, als er geen beslissing wordt genomen over de aanvraag tot erkenning als schatter-expert of over het beroep tegen de weigering tot opname binnen dertig werkdagen, de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden wordt opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over de aanvraag, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, vervalt de tijdelijke opname en moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Ingevolge die bestreden bepaling zou aldus de kandidaat-schatter-expert bij gebrek aan een beslissing binnen dertig werkdagen tijdelijk worden opgenomen op de lijst zonder dat die persoon moet voldoen aan de voorwaarden, hetgeen dus de personen zou discrimineren die wel voldoen aan de voorwaarden en daarom al zijn opgenomen. Ook zou de schatter-expert, die bij gebrek aan beslissing binnen dertig werkdagen tijdelijk is opgenomen op de lijst, op een verschillende manier worden behandeld ten opzichte van de schatter-expert, die eveneens tijdelijk is opgenomen op de lijst maar na zes maanden stilzwijgen van de lijst wordt gehaald. Tevens zou er een verschil in behandeling bestaan tussen de belastingplichtigen onderling naar gelang van de vaststelling of zij een schatter-expert hebben gekozen die na zes maanden van de lijst is gehaald. B.26.
- Zoals de Vlaamse Regering opmerkt, vertrekken de verzoekende partijen van een verkeerd uitgangspunt. De bestreden regeling geldt op gelijke wijze voor eenieder; elke kandidaat-schatter-expert moet op grond van de bestreden bepaling een erkenningsaanvraag indienen en zal, na het uitblijven van een beslissing over de aanvraag of het beroep na dertig werkdagen, voor een periode van maximaal zes maanden worden opgenomen op de lijst. Als dan nog geen beslissing is genomen, vervalt de tijdelijke opname en moet een nieuwe aanvraag worden ingediend (artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, vijfde lid, laatste zin, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit). Immers, voor een definitieve opname op de lijst is een uitdrukkelijke goedkeuring vereist. De vervaltermijn van dertig werkdagen is een drukkingsmiddel voor de overheid om binnen de vooropgestelde termijn een beslissing te nemen, zodat de rechten van de kandidaat-schatter-expert die de aanvraag of het beroep heeft ingediend, worden gevrijwaard. 38 B.26.
- Er is derhalve geen verschil in behandeling. B.26.
- Overigens, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, worden, enerzijds, de personen die, bij ontstentenis van een beslissing binnen dertig werkdagen, voorlopig op de lijst van de schatters-experten worden opgenomen zonder dat zij voldoen aan de daartoe noodzakelijke voorwaarden, en, anderzijds, de personen die op de lijst worden opgenomen en die wel voldoen aan de daartoe noodzakelijke voorwaarden, wel degelijk verschillend behandeld aangezien, in de eerste hypothese, de opname op de lijst slechts voor een maximumduur van zes maanden geldt, wat niet het geval is in de tweede hypothese. B.26.
- Het enige middel, in het zesde onderdeel ervan, is niet gegrond. Ten aanzien van het zevende onderdeel B.
- In het zevende onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het vermoeden van onschuld. Artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit zou bepalen dat een erkende schatter-expert van de lijst kan worden geschrapt en een dergelijke schrapping onmiddellijk uitvoerbaar zou zijn, terwijl hij nog een beroep kan instellen bij het besluitvormingsorgaan. B.28.
- Artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, vierde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt dat als het besluitvormingsorgaan geen beslissing neemt over het beroep, ingesteld door de geschrapte schatter-expert, tegen de schrapping door een bevoegd personeelslid binnen dertig werkdagen na de ontvangst ervan, de geschrapte schatter-expert « terug opgenomen » wordt op de lijst voor een periode van maximaal zes maanden. De beslissing tot schrapping, genomen door het bevoegd personeelslid, is derhalve uitvoerbaar, terwijl nog beroepsmogelijkheden openstaan. 39 B.28.
- Aangezien de Vlaamse Belastingdienst een overheidsdienst is, kan zij een administratieve beslissing nemen die uitvoerbaar is, zonder dat die voorafgaandelijk door een rechter moet worden getoetst. Het recht op een behoorlijke rechtsbedeling, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, houdt in dat een belanghebbende een administratieve beslissing moet kunnen voorleggen aan een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie met volle rechtsmacht, die « bij de wet » is ingesteld en die binnen een redelijke termijn uitspraak doet. Op grond van artikel 3.3.1.0.9/1, § 4, vierde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit kan de schatter-expert tegen een beslissing tot schrapping door een bevoegd personeelslid, een gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de « bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie », namelijk het besluitvormingsorgaan. Daarna kan tegen die schrappingsbeslissing beroep worden ingesteld bij de Raad van State, die over de vereiste volle rechtsmacht beschikt. B.28.
- De uitvoerbaarheid van de schrappingsbeslissing door het bevoegde personeelslid streeft een wettig doel na, namelijk ervoor zorgen dat, in het belang van de belastingplichtige, de van de lijst geschrapte schatter-expert zijn taak niet meer kan uitoefenen. De bestreden maatregel is bovendien in redelijkheid te verantwoorden, aangezien beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld, zowel bij de administratie zelf als bij de Raad van State, en indien, in het kader van het door de schatter-expert ingediende beroep bij het besluitvormingsorgaan, er niet tijdig een beslissing wordt genomen, de betrokken schatter-expert opnieuw wordt opgenomen op de lijst. B.28.
- Het enige middel, in het zevende onderdeel ervan, is niet gegrond. 40 Wat het achtste onderdeel betreft B.
- In het achtste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van de hoorplicht, het recht van verdediging, de motivering, de zorgvuldigheid, de evenredigheid en behoorlijk bestuur en v
🔗 Vers la source officielle
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.