← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.096

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.096 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190606.5 Arrest- Rolnummer: 96/2019 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-07-24 Raadplegingen: 688 - laatst gezien 2026-06-29 09:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :

  1. - In zoverre het, wanneer de procureur des Konings tussen de twintigste en de dertigste dag van de beroepstermijn hoger beroep instelt tegen een op tegenspraak gewezen vonnis, voor de beklaagde niet voorziet in eenzelfde bijkomende termijn, schendt artikel 203, § 1, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 204 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - De gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd voor de definitieve rechterlijke beslissingen op tegenspraak die gewezen zijn vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad.
  2. Het tweede deel van de prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Rechtspleging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 203, §§ 1 en 2, in samenhang gelezen met artikel 204, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Strafrecht - Strafrechtspleging - Hoger beroep tegen correctionele vonnissen - Vergelijking met de situatie van het openbaar ministerie en die van de beklaagde. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 203,§1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Grondwet 1994 - 19-11-1808 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Grondwet 1994 - 19-11-1808 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Rolnummer 7036 Arrest nr. 96/2019 van 6 juni 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 203, §§ 1 en 2, in samenhang gelezen met artikel 204, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 24 oktober 2018 in zake F.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 oktober 2018, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 203, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 204 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre, in geval van hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie of de burgerlijke partij, de beklaagde niet over een bijkomende termijn om hoger beroep in te stellen beschikt, terwijl een dergelijke termijn van tien dagen openstaat voor het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, voor de burgerlijke partij in het geval dat de beklaagde hoger beroep instelt, en terwijl elk van die partijen de omvang van de aanhangigmaking bij de rechters in hoger beroep kan beperken ? ». Memories zijn ingediend door : - F.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Kennes, advocaat bij de balie te Brussel; - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Mathieu, advocaat bij de balie te Charleroi; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - F.M.; - de Ministerraad. Bij beschikking van 27 februari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 maart 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 maart 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij vonnis van de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel, uitgesproken op 23 oktober 2017, wordt F.M. veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien jaar. Ook al betwist hij bepaalde motieven van die beslissing, toch verkiest hij, in een eerste fase, geen hoger beroep in te stellen, om zich niet bloot te stellen aan een nog strengere veroordeling. Dat schrijft de advocaat van F.M. op 8 november 2017 aan de substituut-procureur des Konings die belast is met het dossier, en hij voegt eraan toe dat hij enkel hoger beroep zal instellen tegen het vonnis van 23 oktober 2017 indien het openbaar ministerie hoger beroep instelt. Hij verzoekt die magistraat dus om hem in kennis te stellen van diens eventuele beslissing tot hoger beroep. De daaropvolgende dag antwoordt de substituut-procureur des Konings dat hij dienaangaande nog geen beslissing heeft genomen en dat hij weigert zich ertoe te verbinden de advocaat achteraf daarvan in kennis te stellen. Op 16 november 2017 herhaalt die laatste schriftelijk zijn informele verzoek. Op 22 november 2017, dag van het verstrijken van de termijn van hoger beroep bepaald bij artikel 203, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, verklaart de substituut-procureur des Konings aan de griffie van de bevoegde rechtbank dat hij hoger beroep instelt tegen het voormelde vonnis, zonder de advocaat van F.M. daarvan in kennis te stellen. Uit het bij die verklaring gevoegde verzoekschrift tot hoger beroep blijkt dat de grieven van het openbaar ministerie slechts betrekking hebben op bepaalde gedeelten van de veroordelingsbeslissing, zoals de herkwalificatie door de rechtbank van een van de vijf tenlasteleggingen in één van de twee zaken die ten grondslag liggen aan de veroordeling, en de strafmaat waartoe werd beslist voor het geheel van de tenlasteleggingen. F.M., die in de gevangenis verblijft, wordt de dag zelf nog in kennis gesteld van dat hoger beroep, en hij verwittigt zijn advocaat drie dagen later. Op 27 november 2017 dient die laatste op de voornoemde griffie een verzoekschrift in tot hoger beroep dat diverse grieven bevat tegen de manier waarop de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel zich heeft uitgesproken over de strafvordering. Dat verzoekschrift heeft onder meer betrekking op tenlasteleggingen die niet worden beoogd door het hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. Bij een arrest van 16 maart 2018 oordeelt het Hof van Beroep te Brussel dat het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk is, maar verklaart het het hoger beroep van F.M. niet-ontvankelijk om reden dat het niet tijdig werd ingediend. Bij een arrest van 8 juni 2018 beslist hetzelfde rechtscollege de tegen F.M. uitgesproken straf te verzwaren nadat het, na een debat op tegenspraak, uitsluitend de grieven aangevoerd in het verzoekschrift tot hoger beroep van het openbaar ministerie heeft onderzocht. Naar aanleiding van een voorziening ingesteld tegen de twee arresten van het Hof van Beroep, merkt het Hof van Cassatie op dat, krachtens artikel 203 van het Wetboek van strafvordering, wanneer de beklaagde hoger beroep instelt tegen een vonnis, zowel het openbaar ministerie als de burgerlijke partij over een bijkomende termijn van tien dagen beschikken om hoger beroep in te stellen, terwijl de beklaagde niet over een bijkomende termijn beschikt wanneer het openbaar ministerie hoger beroep instelt tegen de strafrechtelijke beschikkingen van het vonnis. Het beslist dan ook om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
  3. F.M. voert aan dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Hij zet uiteen dat de bijkomende beroepstermijn van tien dagen waarin artikel 203, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering voorziet, ertoe strekt te vermijden dat een hoger beroep van de beklaagde dat, met toepassing van het nieuwe artikel 204 van hetzelfde Wetboek, slechts op bepaalde gedeelten van het in eerste aanleg gewezen vonnis betrekking zou hebben de belangen zou schaden die door het openbaar ministerie worden verdedigd. Hij preciseert dat die bijkomende termijn het openbaar ministerie voldoende reactietijd waarborgt om na te denken over de opportuniteit om hoger beroep in te stellen tegen gedeelten van het vonnis die niet zijn betwist door het hoger beroep van de beklaagde. 4 Volgens F.M. kan de omstandigheid dat de beslissing van de wetgevende macht om de beklaagde geen soortgelijke reactietermijn toe te kennen in geval van een gedeeltelijk hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie niet werd gemotiveerd, waarschijnlijk worden verklaard door het feit dat de wetgevende macht uit het oog was verloren dat het openbaar ministerie voortaan zou worden aangespoord om de omvang van zijn hoger beroep te beperken tot bepaalde gedeelten van het in eerste aanleg gewezen vonnis, met toepassing van het nieuwe artikel 204 van het Wetboek van strafvordering. F.M. is van mening dat de wet, doordat zij de beklaagde geen bijkomende termijn van hoger beroep laat wanneer het openbaar ministerie zijn hoger beroep beperkt tot bepaalde tenlasteleggingen of tot de strafmaat, de rechten van verdediging van de beklaagde op onevenredige wijze beperkt. F.M. oordeelt dat de situatie des te oneerlijker is omdat de wet niet vereist dat de beklaagde op een andere manier in kennis wordt gesteld van de verklaring van hoger beroep van het openbaar ministerie dan via de dagvaarding om te verschijnen voor het gerecht in hoger beroep, die mogelijk pas heel wat later aan de beklaagde wordt betekend. A.1.
  4. F.M. merkt ook op dat zowel het Wetboek van strafvordering van de Franse Republiek als dat van de Zwitserse Bondsstaat bepalen dat in geval van een hoger beroep ingesteld door de vervolgende partij, de beklaagde een bijkomende termijn geniet om te beslissen om eventueel ook hoger beroep in te stellen tegen hetzelfde vonnis. A.1.
  5. F.M. zet ten slotte uiteen dat, bij het arrest nr. 2/2018 van 18 januari 2018, het Hof zich heeft uitgesproken over de grondwettigheid van de toekenning, aan het openbaar ministerie, van een bijkomende beroepstermijn van tien dagen in geval van een voorafgaand hoger beroep van de beklaagde, zonder te hebben onderzocht of de ontstentenis van zulk een termijn ten gunste van de beklaagde in geval van een voorafgaand hoger beroep van het openbaar ministerie grondwettig is. F.M. wijst erop dat de bijkomende termijn die aan het openbaar ministerie wordt toegekend, werd verantwoord door de omstandigheid dat de andere partijen de laatste nuttige dag van de gewone termijn van hoger beroep konden afwachten om hoger beroep in te stellen, en voert aan dat het noodzakelijk is om ook aan de beklaagde een bijkomende termijn van hoger beroep toe te kennen, omdat het openbaar ministerie ook de laatste nuttige dag van de gewone termijn kan afwachten om hoger beroep in te stellen en bovendien de draagwijdte van dat beroep kan beperken tot bepaalde gedeelten van het betwiste vonnis. Volgens F.M. kan het feit dat het openbaar ministerie als opdracht heeft de belangen van de samenleving te verdedigen niet rechtvaardigen dat de beklaagde niet evenzeer een bijkomende termijn van hoger beroep van tien dagen geniet in geval van hoger beroep van het openbaar ministerie. F.M. merkt ook op dat de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Ben Naceur, Gacon en Ghirea, gewezen respectievelijk op 3 oktober 2006, 22 mei 2008 en 26 juni 2012, bevestigen dat het onbillijk is dat de beklaagde geen hoger beroep kan instellen na het hoger beroep van het openbaar ministerie. A.2.
  6. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » beweert dat haar belang in de zin van artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof voortvloeit uit de omstandigheid dat het antwoord dat het Hof zal geven op de prejudiciële vraag de situatie van de rechtzoekenden rechtstreeks kan raken. A.2.
  7. Volgens de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. Zij oordeelt dat de bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen zoals bepaald bij artikel 203, § 1, tweede lid, en § 2, van het Wetboek van strafvordering, ten gunste van het openbaar ministerie en de burgerlijke partij, afbreuk doet aan het recht van de beklaagde op wapengelijkheid, vermits die laatste niet zulk een bijkomende termijn geniet en het hoger beroep van de partijen, krachtens artikel 204 van hetzelfde Wetboek, moet worden afgebakend in hun verzoekschrift tot hoger beroep. Zij onderstreept dat, in het geval van een beperkt hoger beroep van het openbaar ministerie, ingesteld op de laatste dag van de principiële termijn van dertig dagen, de beklaagde niet of slechts zeer moeilijk een beroep kan instellen tegen de gedeelten van het bestreden vonnis die niet worden beoogd door het hoger beroep van het openbaar ministerie, terwijl het openbaar ministerie van zijn kant steeds tijd heeft om te reageren op een gedeeltelijk hoger beroep van de beklaagde dat in extremis is ingesteld. 5 A.2.
  8. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » zet uiteen dat de toekenning, aan het openbaar ministerie, van een bijkomende termijn van hoger beroep van tien dagen tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 februari 2016 werd verantwoord door de wil het openbaar ministerie de mogelijkheid te bieden om hoger beroep in te stellen na de beklaagde, wanneer de gewone termijn van hoger beroep van die laatste zou verstrijken na het verstrijken van de gewone termijn van hoger beroep van het openbaar ministerie. Die bijkomende termijn zou het openbaar ministerie toelaten gedeelten van het bestreden vonnis te betwisten waarmee het niet instemde maar waarvan het een betwisting niet nuttig had geacht alvorens in kennis te zijn gesteld van het hoger beroep van de beklaagde, beroep dat enkel kan leiden tot een behoud of een verbetering van het lot van de beklaagde indien de gedeelten van het vonnis die hij betwist niet ook het voorwerp uitmaken van een hoger beroep vanwege het openbaar ministerie. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » merkt op dat, doordat geen bijkomende termijn van hoger beroep aan de beklaagde wordt toegekend, deze dreigt terecht te komen in een situatie die vergelijkbaar is met die van het openbaar ministerie, hetgeen men met de aanneming van artikel 203, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering precies wilde vermijden. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » is van mening dat de redenen op grond waarvan het Hof kon oordelen, bij het arrest nr. 49/97 van 14 juli 1997, dat het niet ongrondwettig was het openbaar ministerie een langere termijn van hoger beroep toe te kennen dan die welke op dat ogenblik aan de beklaagde werd toegekend, het verschil in behandeling tussen die twee partijen in het strafproces, dat wordt betwist in de voorliggende prejudiciële vraag, niet kunnen verantwoorden. Zij merkt daarentegen op dat de redenen die zijn uiteengezet in het arrest nr. 2/2018 ter verantwoording van de toekenning, aan het openbaar ministerie, van de bijkomende termijn van hoger beroep bedoeld in artikel 203, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, verantwoorden dat de beklaagde die wordt geconfronteerd met een voorafgaand hoger beroep van het openbaar ministerie ook een dergelijke termijn kan genieten. Zij merkt ten slotte op dat de lering van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Ben Naceur en Gacon bevestigt dat het onevenwicht tussen de respectieve rechten van het openbaar ministerie en van de beklaagde, dat voortvloeit uit de in het geding zijnde bepalingen, onbestaanbaar is met het recht van de beklaagde op wapengelijkheid, dat is erkend bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.
  9. De Ministerraad merkt in de eerste plaats op dat, wat paragraaf 1 van artikel 203 van het Wetboek van strafvordering betreft, aan het Hof enkel een vraag wordt gesteld over de grondwettigheid van het tweede lid van die paragraaf. A.3.
  10. De Ministerraad oordeelt ook dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat zij voortvloeit uit een lacune in de wet die niets te maken heeft met de in het geding zijnde bepalingen. Hij merkt in dat verband op dat indien, krachtens de wet, de procureur des Konings verplicht zou zijn de beklaagde in kennis te stellen van het hoger beroep dat hij heeft ingesteld binnen de termijn van hoger beroep die aan alle partijen wordt gelaten, F.M. de gelegenheid zou hebben gehad om ook hoger beroep in te stellen binnen die termijn. De Ministerraad oordeelt bovendien dat, in zoverre de prejudiciële vraag het Hof verzoekt de situatie van de beklaagde te vergelijken met die van de burgerlijke partij, een antwoord op die vraag kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van het voor het Hof van Cassatie hangende geschil. A.3.
  11. Wat het aangeklaagde verschil in behandeling betreft tussen het openbaar ministerie, enerzijds, en de beklaagde, anderzijds, zet de Ministerraad uiteen dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Hij onderstreept in de eerste plaats dat die vraag betrekking heeft op een andere situatie dan die welke het Hof heeft onderzocht om zich uit te spreken, bij het arrest nr. 2/2018, over de grondwettigheid van artikel 204 van het Wetboek van strafvordering. Hij voert aan dat het antwoord op de prejudiciële vraag van de voorliggende zaak moet worden begrensd door de omstandigheden waarin zij is gesteld, zodat het geen rekening kan houden met andere gevallen dan dat van het gedeeltelijk hoger beroep dat eerst door het openbaar ministerie is ingesteld kort vóór het verstrijken van de termijn van hoger beroep die aan alle partijen wordt gelaten. 6 De Ministerraad onderstreept vervolgens dat, vóór een eventueel hoger beroep van de beklaagde, die laatste over precies dezelfde termijn beschikt als het openbaar ministerie om te beoordelen of een hoger beroep opportuun is. Hij voegt eraan toe dat, wanneer zij daartoe beslissen, zowel de beklaagde als het openbaar ministerie verplicht zijn, krachtens artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, in hun verzoekschrift tot hoger beroep nauwkeurig de grieven aan te geven die tegen het vonnis van de rechtbank worden ingebracht, grieven die de aanhangigmaking bij het rechtscollege in hoger beroep afbakenen. De Ministerraad merkt ook op dat, in geval van een hoger beroep van het openbaar ministerie, de beklaagde het recht behoudt om zich te verdedigen tegen de vorderingen die aan de basis liggen van dat beroep en het rechtscollege waarbij het hoger beroep is ingesteld, met toepassing van artikel 210, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ambtshalve grieven van openbare orde kan opwerpen die gunstig zijn voor de beklaagde. De Ministerraad zet uiteen dat de manier waarop het Hof van Beroep te Brussel de grieven bepaald in het verzoekschrift tot hoger beroep van het openbaar ministerie heeft onderzocht, geen afbreuk heeft gedaan aan het recht van F.M. op toegang tot de rechtbank, dat is gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij beklemtoont dat, zelfs indien F.M. betreurt dat hij de aanhangigmaking bij het Hof van Beroep niet verder heeft kunnen uitbreiden dan de grenzen van de grieven gepreciseerd in het verzoekschrift tot hoger beroep van het openbaar ministerie, het met kennis is van de rechten van het openbaar ministerie en van de gevolgen van het feit dat hij zelf geen hoger beroep instelde dat F.M. beslist heeft geen hoger beroep in te stellen voordat het openbaar ministerie zou beslissen, om eigen redenen, een hoger beroep in te stellen kort vóór het verstrijken van de gewone termijn van hoger beroep. De Ministerraad merkt op dat een bevestigend antwoord op de prejudiciële vraag die is gesteld in de specifieke omstandigheden van de voor het Hof van Cassatie gebrachte zaak, het door de wetgevende macht gewilde en door het Hof gevrijwaarde evenwicht zou verbreken tussen de respectieve posities van het openbaar ministerie en van de beklaagde. Hij verduidelijkt dat een dergelijk antwoord het fundamentele verschil tussen het openbaar ministerie en de andere partijen in het strafproces zou ontkennen, in het bijzonder het overwicht van het algemeen belang, dat als richtsnoer dient voor het openbaar ministerie bij de uitoefening van de strafvordering, op het exclusief persoonlijke belang van de beklaagde. Hij voegt eraan toe dat het recht van de beklaagde op wapengelijkheid, zoals het voortvloeit uit de vereisten van een eerlijk proces vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet elk verschil in behandeling tussen het openbaar ministerie en de beklaagde verbiedt. De Ministerraad merkt ten slotte op dat de omstandigheden van de zaak die ten grondslag ligt aan de prejudiciële vraag, moeten worden onderscheiden van de zaken die aan de oorsprong liggen van de arresten die zijn gewezen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Ben Naceur en Gacon, omdat in die laatste zaken noch het openbaar ministerie, noch de beklaagde hoger beroep hadden ingesteld binnen de eerste termijn die hun was toegekend. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.1.
  12. Artikel 203 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 31 mei 1955 « tot wijziging van sommige termijnen van beroep en tot instelling van het incidenteel beroep in strafzaken ter verdediging van burgerlijke belangen » en vervolgens gewijzigd bij artikel 88 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie » (hierna : de wet van 5 februari 2016), bepaalt : 7 « §
  13. Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep, indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. Het openbaar ministerie beschikt over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld. §
  14. Is het hoger beroep tegen de burgerlijk partij gericht, dan beschikt deze over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig §
  15. […] §
  16. In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn ». B.1.
  17. Artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 89 van de wet van 5 februari 2016, bepaalt : « Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd. Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of van het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht. Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt. Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie ». 8 Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de beklaagde en de procureur des Konings (eerste deel van de prejudiciële vraag) B.
  18. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof in de eerste plaats wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 203, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering in zoverre de beklaagde, in geval van een op de dertigste dag van de termijn door de procureur des Konings ingesteld hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis, niet over een bijkomende termijn beschikt om hoger beroep in te stellen, terwijl de procureur des Konings, in het tegenovergestelde geval, over een bijkomende termijn beschikt en terwijl de procureur des Konings, met toepassing van artikel 204 van hetzelfde Wetboek, de aanhangigmaking bij de appelrechter kan beperken. Uit de combinatie van de twee in het geding zijnde bepalingen zou een niet-verantwoord verschil in behandeling volgen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie in zoverre de appelrechter gebonden is door de uiteenzetting van de door de appellant opgeworpen grieven zonder dat hij de draagwijdte van het hoger beroep kan uitbreiden. B.4.
  19. Tegen een op tegenspraak gewezen vonnis van de correctionele rechtbank beschikt de procureur des Konings, net zoals de beklaagde, in beginsel over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de uitspraak van het vonnis, om op de griffie van die rechtbank een verklaring van hoger beroep te doen en om bij die griffie of bij die van het rechtscollege waarvoor het hoger beroep wordt gebracht, een verzoekschrift in te dienen dat de tegen het betwiste vonnis geformuleerde grieven bepaalt (artikelen 203, § 1, en 204 van het Wetboek van strafvordering). Wanneer de beklaagde tussen de twintigste en de dertigste dag van de beroepstermijn hoger beroep instelt tegen de beschikkingen van het vonnis, beschikt de procureur des Konings nog steeds over een bijkomende termijn van tien dagen, te rekenen vanaf de dag na het hoger beroep van de beklaagde, om tegen dat vonnis hoger beroep in te stellen (Cass., 29 november 2017, P.17.0761.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171129.3). 9 Noch artikel 203, § 1, tweede lid, noch enige andere bepaling geeft de beklaagde een bijkomende termijn wanneer de procureur des Konings in dezelfde omstandigheden hoger beroep instelt. B.4.
  20. Artikel 204 legt de appellant, op straffe van verval van het hoger beroep, de verplichting op een verzoekschrift in te dienen dat nauwkeurig de grieven bepaalt die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven. B.
  21. Artikel 203, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering en artikel 204 van hetzelfde Wetboek maken allebei deel uit van een geheel van maatregelen bedoeld om « de strafzaken in hoger beroep doeltreffender te behandelen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/005, pp. 15 en 115). Zij zijn als volgt verantwoord : « Gelet op de invoering van de verplichting om de grieven te bepalen (cf. infra) wordt de termijn om hoger beroep in te stellen verlengd van vijftien tot twintig dagen. Deze wetswijziging maakt het voorwerp uit van artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering. Overeenkomstig wordt ook de termijn om hoger beroep aan te tekenen voor de burgerlijke partij (artikel 203, § 2 Sv.) en het openbaar ministerie bij het gerecht in hoger beroep (artikel 205 Sv.) verlengd. […] In bepaalde gevallen beschikt de verdediging thans […] over een ruimere beroepstermijn dan het openbaar ministerie, omdat voor hen de termijn van hoger beroep loopt vanaf de betekening, terwijl dit voor het openbaar ministerie is vanaf de beslissing zelf. Dit betekent dat voor zover het openbaar ministerie in die gevallen hoger beroep wenst in te stellen, dit zal dienen te gebeuren via het parket bij het hof of de rechtbank die van het hoger beroep kennis moet nemen. Zulks impliceert evenwel dat het hoger beroep moet worden betekend, binnen de vijfentwintig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis. Voor zover het hoger beroep wordt ingesteld door het openbaar ministerie moet een onderscheid worden gemaakt. Indien het hoger beroep wordt ingesteld door de parketmagistraat bij het gerecht dat uitspraak deed, dient dit te gebeuren door een verklaring ter griffie, zoals voor de andere partijen. Als het hoger beroep evenwel wordt ingesteld door de parketmagistraat bij het appelgerecht, dan dient dit noodzakelijkerwijze te gebeuren via een gerechtsdeurwaardersexploot houdende dagvaarding om te verschijnen voor het gerecht dat uitspraak moet doen over het hoger beroep. De ontworpen wetswijziging vermijdt dat deze meer omslachtige procedure moet worden gevolgd ingeval het openbaar ministerie hoger beroep wenst in te stellen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, pp. 83-84). 10 B.6.
  22. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Bij […] het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke […] behandeling van zijn zaak […] door een […] rechterlijke instantie […] ». B.6.
  23. Het beginsel van de wapengelijkheid is een fundamenteel element van het recht op een « eerlijk proces », dat die verdragsbepaling waarborgt. Het vereist een billijk evenwicht tussen de partijen, die elk een redelijke mogelijkheid moeten krijgen om hun zaak voor te leggen onder voorwaarden die hen niet in een duidelijk nadelige positie ten opzichte van de tegenpartij brengen (EHRM, grote kamer, Regner t. Tsjechische Republiek, 19 september 2017, § 146), onder andere in het kader van de uitoefening van rechtsmiddelen (EHRM, 5 november 2002, Wynen en Centre hospitalier interrégional Edith-Cavell t. België, § 32; 3 oktober 2006, Ben Naceur t. Frankrijk, §§ 31-32; 22 mei 2008, Gacon t. Frankrijk, §§ 31-32; 26 juni 2012, Ghirea t. Moldavië, § 31; 18 oktober 2018, Thiam t. Frankrijk, § 55). B.
  24. Tussen het openbaar ministerie en de andere partijen in een strafproces bestaat een fundamenteel verschil : het openbaar ministerie vervult, in het algemeen belang, de opdrachten van openbare dienst met betrekking tot de opsporing en de vervolging van de misdrijven (artikelen 22 tot 47 van het Wetboek van strafvordering) en vordert de toepassing van de strafwet (artikel 138 van het Gerechtelijk Wetboek); de andere partijen verdedigen hun persoonlijk belang. Dat objectief verschil tussen de situatie van het openbaar ministerie en die van de andere partijen in het strafproces is aanwezig gedurende de gehele strafvordering. B.8.
  25. De in artikel 203, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bepaalde bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, heeft tot doel te vermijden dat een hoger beroep van de beklaagde dat, met toepassing van het nieuwe artikel 204 van hetzelfde Wetboek, enkel betrekking zou hebben op bepaalde gedeelten van het in eerste aanleg gewezen vonnis, de door het openbaar ministerie behartigde belangen schaadt. Die bijkomende termijn biedt het openbaar ministerie de mogelijkheid na te denken over de opportuniteit om hoger beroep in te stellen tegen gedeelten van het vonnis die in het hoger beroep van de beklaagde niet worden betwist. 11 Bij zijn arrest nr. 2/2018 van 18 januari 2018 heeft het Hof geoordeeld dat de toekenning aan het openbaar ministerie van de bijkomende beroepstermijn om een volgberoep in te stellen, zoals blijkt uit de artikelen 203, § 1, tweede lid, en 204 van het Wetboek van strafvordering, niet zonder redelijke verantwoording is, met name gelet op het recht op een eerlijk proces. Het Hof heeft zich nog niet uitgesproken over de specifieke situatie van de beklaagde die geen hoger beroep heeft ingesteld en die niet over een redelijke termijn beschikt om dat te doen nadat het openbaar ministerie zijn hoger beroep heeft ingesteld in het bijzonder wanneer het openbaar ministerie het hoger beroep tot bepaalde grieven beperkt. De ontstentenis van een bijkomende termijn ten voordele van de beklaagde in dezelfde omstandigheden, dat wil zeggen in de hypothese van een door de procureur des Konings in het laatste derde van de beroepstermijn ingesteld hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis, heeft niet het voorwerp uitgemaakt van enige verantwoording, aangezien in de hierboven aangehaalde parlementaire voorbereiding enkel de hypothese van een bij verstek gewezen vonnis onder ogen wordt genomen. B.8.
  26. In het geval van een beperkt hoger beroep van het openbaar ministerie dat is ingesteld op de laatste dag van de termijn van dertig dagen, kan de beklaagde niet of slechts zeer moeilijk een beroep instellen tegen de gedeelten van het bestreden vonnis die niet worden beoogd in het hoger beroep van het openbaar ministerie, terwijl het openbaar ministerie van zijn kant steeds tijd heeft om te reageren op een volledig of gedeeltelijk hoger beroep van de beklaagde dat in extremis is ingesteld. Die beperking wordt nog verergerd door het feit dat geen enkele wetsbepaling vereist dat de beklaagde anderszins van de verklaring van hoger beroep van het openbaar ministerie op de hoogte wordt gebracht dan via de dagvaarding om voor het gerecht in hoger beroep te verschijnen, die mogelijk pas heel wat later aan de beklaagde wordt betekend. Omgekeerd wordt het openbaar ministerie op de dag van de neerlegging, door de beklaagde, van het verzoekschrift tot hoger beroep door de griffie op de hoogte gebracht. Door voor de beklaagde niet te voorzien in enige bijkomende termijn voor hoger beroep, met name wanneer het openbaar ministerie zijn hoger beroep beperkt tot sommige tenlasteleggingen of tot de bepaling van de op te leggen straf, beperken de in het geding zijnde bepalingen op onevenredige wijze de rechten van de verdediging van de beklaagde. 12 B.
  27. In zoverre het, wanneer de procureur des Konings tussen de twintigste en de dertigste dag van de beroepstermijn hoger beroep instelt tegen een op tegenspraak gewezen vonnis, niet voorziet in een analoge termijn voor de beklaagde, schendt artikel 203, § 1, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 204 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
  28. Het eerste deel van de prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. B.11.
  29. Uit die vaststelling van ongrondwettigheid en uit de daaraan ten grondslag liggende motivering volgt dat het hoger beroep dat door een beklaagde is ingesteld tegen een op tegenspraak gewezen vonnis waartegen de procureur des Konings tussen de twintigste en de dertigste dag van de beroepstermijn hoger beroep heeft ingesteld, ontvankelijk kan worden verklaard wanneer het is ingesteld in de tien dagen die volgen op dat hoger beroep. B.11.
  30. Aangezien de vaststelling van die lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepalingen toe te passen met inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, staat het aan de verwijzende rechter, in afwachting van een optreden van de wetgever, een einde te maken aan de schending van dat beginsel. B.11.
  31. Teneinde te vermijden dat definitieve rechterlijke beslissingen in het geding worden gebracht, dienen, met toepassing van artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van artikel 203, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering te worden gehandhaafd, zoals aangegeven in het dictum. 13 Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de beklaagde en de burgerlijke partij (tweede deel van de prejudiciële vraag) B.
  32. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof vervolgens wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 203, § 2, van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de in het geding zijnde wetsbepaling, door aan de burgerlijke partij een bijkomende termijn toe te kennen om hoger beroep in te stellen tegen een op tegenspraak gewezen vonnis van de correctionele rechtbank, in geval van een vooraf door een beklaagde tegen dat vonnis ingesteld hoger beroep, een verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, die burgerlijke partij en, anderzijds, de bij een op tegenspraak gewezen vonnis van de correctionele rechtbank veroordeelde beklaagde, aangezien in geval van een door de procureur des Konings tegen dat vonnis ingesteld hoger beroep, die beklaagde het voordeel van een bijkomende termijn om hoger beroep in te stellen tegen de beschikkingen van dat vonnis die de strafvordering betreffen, niet geniet. B.
  33. Uit de elementen van de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak en uit de motivering van het verwijzingsarrest volgt dat, in zoverre het Hof in de prejudiciële vraag wordt verzocht de situatie van de beklaagde te vergelijken met die van de burgerlijke partij, een antwoord op die vraag niet dienstig is voor de oplossing van het geschil dat voor het verwijzende rechtscollege hangende is. B.
  34. Het tweede deel van de prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  35. - In zoverre het, wanneer de procureur des Konings tussen de twintigste en de dertigste dag van de beroepstermijn hoger beroep instelt tegen een op tegenspraak gewezen vonnis, voor de beklaagde niet voorziet in eenzelfde bijkomende termijn, schendt artikel 203, § 1, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 204 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - De gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd voor de definitieve rechterlijke beslissingen op tegenspraak die gewezen zijn vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad.
  36. Het tweede deel van de prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 juni
  37. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.096 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171129.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.