← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.100

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.100 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190619.15 Arrest- Rolnummer: 100/2019 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-07-24 Raadplegingen: 265 - laatst gezien 2026-06-28 22:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van hoofdstuk 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 december 2017 « houdende wijziging van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het beheer en de uitbating van de regionale luchthavens Oostende-Brugge, Kortrijk-Wevelgem en Antwerpen en aan bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 », ingesteld door de gemeente Staden. Fiscaliteit - Vlaams Gewest - Gewestwegen - Kilometerheffing - Uitbreiding van het tolnetwerk. Tekst van de beslissing Rolnummer 6979 Arrest nr. 100/2019 van 19 juni 2019 In zake : het beroep tot vernietiging van hoofdstuk 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 december 2017 « houdende wijziging van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het beheer en de uitbating van de regionale luchthavens Oostende-Brugge, Kortrijk-Wevelgem en Antwerpen en aan bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 », ingesteld door de gemeente Staden. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 juli 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 juli 2018, heeft de gemeente Staden, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. G. Vyncke, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, beroep tot vernietiging ingesteld van hoofdstuk 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 december 2017 « houdende wijziging van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het beheer en de uitbating van de regionale luchthavens Oostende-Brugge, Kortrijk-Wevelgem en Antwerpen en aan bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2018). De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet en Mr. Y. Peeters, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 27 februari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 maart 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Vlaamse Regering om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 maart 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 24 april

  1. Op de openbare terechtzitting van 24 april 2019 : - zijn verschenen : . Mr. T. Quintens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, loco Mr. S. Ronse en Mr. G. Vyncke, voor de verzoekende partij; . Mr. B. Van den Berghe, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, loco Mr. J. Vanpraet en Mr. Y. Peeters, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  2. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partij, aangezien deze volgens haar niet aantoont in welke mate de bestreden bepaling een rechtstreekse en ongunstige weerslag heeft op de uitoefening van de activiteiten van openbare dienst die haar als publiekrechtelijke rechtspersoon zijn toevertrouwd. A.1.
  3. De verzoekende partij antwoordt dat zij als gemeente instaat voor de openbare veiligheid, de verkeersveiligheid en het welzijn van haar inwoners, en dat de uitoefening van die bevoegdheden ongunstig kan worden beïnvloed door het sluipverkeer dat ontstaat op de N36, als gevolg van de opname van de N35 in het tolnetwerk. De opname van de N36 in het tolnetwerk bij het decreet van 13 juli 2018 « houdende wijziging van bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de kilometerheffing betreft » (hierna : het decreet van 13 juli 2018), doet het belang van de verzoekende partij niet verloren gaan, aangezien de vernietiging van de bestreden bepaling het vrachtverkeer op de N36 nog verder zou doen afnemen. A.
  4. De Vlaamse Regering voert aan dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de wijze van aanneming van een decreet, en dat het tweede, het derde en het vierde middel bijgevolg onontvankelijk zijn. Daarnaast wordt niet uiteengezet in welke mate de bestreden bepaling tot een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau leidt, en zijn de middelen bijgevolg onontvankelijk in zoverre ze zijn afgeleid uit een schending van artikel 23 van de Grondwet. Ten gronde A.3.
  5. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de zorgvuldigheidsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij klaagt aan dat er geen redelijke verantwoording is voor het feit dat de N35 wel werd opgenomen in het tolnetwerk, en de N36 niet. Volgens haar werd de bestreden bepaling onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. A.3.
  6. Volgens de Vlaamse Regering zijn gewestwegen geen houders van rechten, en geeft de verzoekende partij bijgevolg niet aan welke categorieën van personen moeten worden vergeleken. Het feit dat de N36 niet werd opgenomen in het tolnetwerk, werd verantwoord door de nood aan bijkomend onderzoek naar de oorsprong van het sluipverkeer op die gewestweg. Bovendien werd de vermeende ongelijkheid opgeheven door de opname van de N36 in het tolnetwerk bij het decreet van 13 juli
  7. A.4.
  8. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7nonies van de richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, doordat de uitbreiding van het tolnetwerk niet aan de Europese Commissie werd gemeld. De verzoekende partij verwijst hierbij naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.4.
  9. De Vlaamse Regering antwoordt dat enkel een nieuwe tolregeling moet worden aangemeld bij de Europese Commissie, wat gebeurde bij de oorspronkelijke invoering van de kilometerheffing. 4 A.5.
  10. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 4 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, doordat geen voorafgaande milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd. A.5.
  11. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7 en 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus), met de richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 « tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad » en met artikel 7 van de wet van 13 februari 2006 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s en de inspraak van het publiek bij de uitwerking van de plannen en programma’s in verband met het milieu. De verzoekende partij klaagt aan dat er geen mogelijkheid tot inspraak werd georganiseerd. A.5.
  12. Volgens de Vlaamse Regering kan de bestreden bepaling op basis van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet als een plan of programma worden beschouwd, waardoor noch een inspraakprocedure, noch een milieueffectbeoordeling verplicht was. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.
  13. Bij hoofdstuk 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 december 2017 « houdende wijziging van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het beheer en de uitbating van de regionale luchthavens Oostende-Brugge, Kortrijk-Wevelgem en Antwerpen en aan bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 » wordt de kilometerheffing uitgebreid tot een aantal gewestwegen, waaronder de N
  14. De enige bepaling in dat hoofdstuk, artikel 14, luidt : « In bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt tabel ‘ 2) Overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent ’ vervangen door hetgeen volgt : 5 ‘ 2) Overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent : […] N35 Deinze – Tielt N35 Pittem (de kruising met N50) – (de kruising met) N330 […] ’ ». B.1.
  15. De verzoekende partij vraagt de vernietiging van die bepaling, in zoverre deze de N35 opneemt in het tolnetwerk. Ten aanzien van het belang B.2.
  16. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partij. B.2.
  17. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
  18. De verzoekende partij baseert haar belang uitdrukkelijk op de toename van het vrachtverkeer op de N36, die het gevolg zou zijn van de opname van de N35 in het tolnetwerk. Uit het eindrapport van het wetenschappelijk herkomst-bestemmingsonderzoek dat werd uitgevoerd in het kader van de monitoring van het ontwijkingsverkeer ten gevolge van de kilometerheffing blijkt dat de bestreden bepaling niet tot een toename van het vrachtverkeer op de N36 heeft geleid (Mint en Geo Solutions, « Eindrapport HB-onderzoek met OBU-data kilometerheffing vrachtwagens > 3,5 ton », 14 juni 2018, pp. 154-157). Zoals blijkt uit de verkeersstudie die de verzoekende partij in 2015 liet uitvoeren, werd de N36 reeds vóór de opname van de N35 in het tolnetwerk, door het vrachtverkeer als een verbindingsas gebruikt (Technum, « Verkeersstudie Centrum Staden », 11 februari 2015, p. 29). 6 Bij artikel 3 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « houdende wijziging van bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de kilometerheffing betreft », werd de N36 bovendien eveneens opgenomen in het tolnetwerk. B.2.
  19. De verzoekende partij toont niet aan dat haar situatie door de bestreden bepaling rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt, en doet derhalve niet van het vereiste belang blijken om beroep in te stellen tegen die bepaling. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 juni
  20. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.