id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.105 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190627.12 Arrest- Rolnummer: 105/2019 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-06-28 22:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 3 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Gewaarborgd PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 3 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Sociale zekerheid - Gewaarborgde gezinsbijslag - Aanrekening van roerende kapitalen om de bestaansmiddelen te bepalen. Tekst van de beslissing Rolnummer 6965 Arrest nr. 105/2019 van 27 juni 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 3 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 13 juni 2018 in zake R.L. tegen FAMIFED, Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 juni 2018, heeft het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 1 van het aanvullend protocol bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat deze wetsbepaling niet voorziet in een bepaling die aan de Koning de bevoegdheid geeft om aanrekeningsregels voor roerende kapitalen die in het bezit zijn van de aanvrager te bepalen of niet voorziet in een regeling voor de aanrekening van roerende kapitalen, terwijl in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en in de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen wel aan de Koning de bevoegdheid wordt gegeven om een regeling uit te werken betreffende de aanrekening van roerende kapitalen, waardoor de aanvragers van de gewaarborgde gezinsbijslag zonder redelijke verantwoording slechter behandeld worden dan de aanvragers van een leefloon of van een inkomensgarantieuitkering voor ouderen nu onduidelijk is hoe er rekening wordt gehouden met de roerende kapitalen en terwijl de aanvragers van gewaarborgde gezinsbijslag onderling niet gelijk behandeld worden gelet op het ontbreken van een wettelijke regeling waardoor het gevaar bestaat van een willekeurige behandeling van de verschillende aanvragers ? ». Memories zijn ingediend door : - R.L., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Lambrechts, advocaat bij de balie te Antwerpen; - FAMIFED, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Grootjans, advocaat bij de balie te Antwerpen. FAMIFED heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid heeft bij akte van gedinghervatting van 7 mei 2019 het geding hervat namens FAMIFED. Bij beschikking van 24 april 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 mei 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 15 mei 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil R.L. ontvangt sedert 1 oktober 2006 gewaarborgde gezinsbijslag voor haar negen minderjarige kinderen. Het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag (FAMIFED) stelt begin 2017 bij zijn jaarlijkse controle vast dat R.L. in het derde kwartaal van 2016 een bedrag van 9.395 euro dat op een beleggingsrekening stond, heeft herbelegd. Volgens FAMIFED behoort dat bedrag tot de bestaansmiddelen van het gezin, die aldus hoger uitvallen dan het grensbedrag, zodat de gewaarborgde gezinsbijslag voor het betrokken kwartaal moet worden terugbetaald. R.L. tekent beroep aan tegen die beslissing. Zij is het niet eens met de terugvordering omdat geen rekening mag worden gehouden met de spaargelden, maar enkel met de opbrengst ervan. Bij vonnis van 11 oktober 2017 verwerpt de bevoegde Arbeidsrechtbank het beroep. R.L. stelt hoger beroep in tegen dat vonnis. Alvorens uitspraak te doen stelt het Arbeidshof de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. R.L. is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling aanleiding geeft tot discriminatie en willekeur, doordat zij de Koning niet machtigt om de berekening van de bestaansmiddelen te bepalen, meer bepaald wat de regeling voor de aanrekening van roerende kapitalen betreft. Daardoor zou FAMIFED zonder enige vorm van democratische controle voor elk kind de gewaarborgde kinderbijslag kunnen bepalen. Aangezien die bijslag de rechten van het kind aanbelangt, zou de wetgever zelf moeten optreden. Volgens R.L. moet de wetgever bovendien dezelfde regels toepassen voor de beoordeling van de bestaansmiddelen in de drie stelsels die de prejudiciële vraag vermeldt. Uit de in het geding zijnde bepaling blijkt overigens dat de wetgever de drie stelsels als nauw verwant beschouwt, aangezien zij de gewaarborgde gezinsbijslag zonder onderzoek naar de bestaansmiddelen toekent aan personen die een leefloon of een inkomensgarantie voor ouderen genieten. Inzake die laatste twee uitkeringen heeft de wetgever meer bevoegdheden aan de Koning gegeven, wat resulteert in een meer correcte en doorzichtige berekening van de bestaansmiddelen. De in het geding zijnde bepaling zou ter zake een lacune bevatten. Om na te gaan of er sprake is van een discriminerende lacune, dient naar het oordeel van R.L. rekening te worden gehouden met een aantal nationale en internationale bepalingen, waaronder artikel 23 van de Grondwet en de artikelen 2 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij voert ten slotte ook een discriminatie aan tussen kinderen van ouders die onder het stelsel van de sociale zekerheid van werknemers en zelfstandigen vallen en andere kinderen. A.2. FAMIFED merkt op dat de wettelijke regeling van het recht op maatschappelijke integratie, evenmin als de wettelijke regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag, in een specifieke regeling voor de aanrekening van roerende kapitalen bij de berekening van de bestaansmiddelen voorziet, of in een machtiging daartoe aan de Koning. Alleen de wettelijke regeling van de inkomensgarantie voor ouderen voorziet in een dergelijke machtiging en bevestigt aldus het principe dat ook roerend kapitaal meetelt voor de berekening van de bestaansmiddelen. Er zou overigens geen reden zijn tot vergelijking omdat elke bijstandsregeling verschillend van aard is en een andere finaliteit heeft. In elk geval is er volgens FAMIFED geen sprake van een nadeliger behandeling van de aanvrager van de gewaarborgde gezinsbijslag, vergeleken met de aanvrager van een leefloon of een inkomensgarantie voor ouderen. FAMIFED is voorts van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met de uitvoeringsbepaling in het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, voldoende objectieve criteria bevat voor de berekening van de bestaansmiddelen. Elk bestaansmiddel moet in rekening worden gebracht, behalve de uitdrukkelijk in de uitvoeringsbepaling opgesomde inkomsten. De regeling zou op die manier elk risico op willekeur of discriminatie uitsluiten. 4 -B- B.1. De wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag voorziet in een residuair stelsel van de kinderbijslag, zodat de kinderen die geen begunstigde zijn in het stelsel van de werknemers of in het stelsel van de zelfstandigen ook het voordeel van de gezinsbijslag kunnen genieten. De gewaarborgde gezinsbijslag wordt niet door bijdragen, maar door de overheid gefinancierd. B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op een verschil in behandeling van aanvragers van de gewaarborgde gezinsbijslag, enerzijds, en aanvragers van een leefloon of van een inkomensgarantie voor ouderen, anderzijds. De wetgever houdt bij de toekenning van elk van die uitkeringen rekening met de bestaansmiddelen waarover de aanvrager beschikt. Om de bestaansmiddelen te bepalen, zou het stelsel van de gewaarborgde gezinsbijslag niet voorzien in een regeling voor de aanrekening van roerende kapitalen, terwijl de twee andere stelsels daar wel in voorzien. De berekening van de bestaansmiddelen zou daardoor voor de aanvragers van gewaarborgde gezinsbijslag nadelig en willekeurig kunnen zijn, terwijl dat niet het geval is voor de aanvragers van een leefloon of van een inkomensgarantie voor ouderen. B.3. Artikel 3 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag bepaalt : « De gezinsbijslag wordt toegekend na een onderzoek naar de bestaansmiddelen. De gezinsbijslag wordt evenwel toegekend zonder onderzoek naar de bestaansmiddelen :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.