← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.107

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.107 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190703.9 Arrest- Rolnummer: 107/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-07-17 Raadplegingen: 1237 - laatst gezien 2026-06-29 10:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Burgerlijk recht - Vordering tot schadevergoeding - Verjaring - Stuiting - Vergelijking met de vordering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een vonnis. Tekst van de beslissing Rolnummer 6848 Arrest nr. 107/2019 van 3 juli 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 6 februari 2018 in zake M.D. tegen de bvba « Sogesco » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 februari 2018, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in voorkomend geval ingevolge een lacune in de wetgeving, het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bedoelde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het EVRM ten aanzien van het recht op een eerlijk proces en ten aanzien van het recht op een proces binnen een redelijke termijn, in zoverre het, door de werking van de dagvaarding voor het gerecht, een onverjaarbare vordering instelt zolang er geen definitief vonnis is gewezen, terwijl artikel 2262bis, in zoverre het van toepassing is op het definitieve vonnis, de schuldenaar tien jaar na de uitspraak van de beslissing verzekert van de beëindiging van elke tenuitvoerlegging ? ». Memories zijn ingediend door : - M.D., haarzelf, en M.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Balaes, advocaat bij de balie te Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 24 april 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 mei 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 15 mei 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.D. is vanaf 1 juli 1983 aangeworven met een arbeidsovereenkomst als conciërge van de residentie « Val du Biez II », die toen werd vertegenwoordigd door de beheerder ervan, de bvba « Sogesco ». Ingevolge haar ontslag heeft M.D. de bvba « Sogesco » op 10 maart 1988 gedagvaard voor het gerecht, in haar hoedanigheid van vertegenwoordigster van de mede-eigendom. Met uitzondering van het neerleggen van conclusies door die laatste op 15 november 1988 is de procedure gedurende meer dan 25 jaar niet geëvolueerd, en zulks tot in 2016, toen de vereniging van mede-eigenaars van « la résidence Val du Biez II » vrijwillig is tussengekomen. 3 Ingevolge die vrijwillige tussenkomst heeft M.D. verzocht om de bvba « Sogesco » buiten de zaak te stellen en in de plaats de vereniging van mede-eigenaars te veroordelen. Die laatste heeft op 7 december 2016 bijgevolg een vordering tot tussenkomst en tot vrijwaring tegen de bvba « Sogesco » ingesteld. In het verwijzingsvonnis merkt de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, op dat de verenigingen van mede-eigenaars op de datum van de dagvaarding geen rechtspersoonlijkheid hadden, zodat alle mede-eigenaars, in theorie, individueel moesten dagvaarden en individueel moesten worden gedagvaard. In de praktijk aanvaardden bepaalde rechtscolleges dat mede-eigendommen werden vertegenwoordigd, met name door de beheerder (thans syndicus) ervan, in voorkomend geval met een geschikt mandaat. De Rechtbank merkt op dat de verenigingen van mede-eigenaars, sedert het instellen van de procedure, rechtspersoonlijkheid hebben verworven ingevolge de wet van 30 juni 1994, die op 1 augustus 1995 in werking is getreden. Voor de Rechtbank voert de vereniging van mede-eigenaars van « la résidence Val du Biez II » aan dat zij niet onmiddellijk op de hoogte is gebracht van de tegen de bvba « Sogesco » ingestelde vordering; zij doet gelden dat M.D. de procedure ondertussen niet heeft geregulariseerd, zodat de mede-eigendom, aangezien hij het bestaan van de lopende procedure niet kende, niet in staat is geweest om de nuttige maatregelen te nemen om zijn rechten te verdedigen. Zij doet gelden dat het procedurele gedrag van M.D. rechtsmisbruik uitmaakt, alsook een schending van het recht op een eerlijk proces en van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. M.D. zet harerzijds uiteen dat de onachtzaamheid van haar vorige raadslieden de oorzaak is voor de vertraging van de procedure. De Rechtbank beklemtoont dat, overeenkomstig artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, de gerechtelijke band niet verjaart, zodat de vordering verbonden aan de dagvaarding voor het gerecht onverjaarbaar zou zijn. Hij verwijst dienaangaande naar een arrest van het Hof van Cassatie van 18 maart 2013 (J.T., 2013, p. 138). Volgens de Rechtbank is de theorie van het rechtsmisbruik een oplossing om het hoofd te bieden aan een oneigenlijk geacht procedureel gedrag, maar is zij waarschijnlijk niet voldoende. De Rechtbank merkt in dat verband op dat het recht om een rechterlijke beslissing ten uitvoer te leggen verjaart door verloop van tien jaar, zoals het Hof van Cassatie bij een arrest van 7 november 2014 heeft beslist. Zij leidt daaruit af dat, hoewel de zorgvuldige rechtzoekende zijn recht verjaard ziet door verloop van tien jaar vanaf de uitspraak van de beslissing, diegene die volledig onzorgvuldig is, een onverjaarbaar recht geniet. Zij vraagt zich bijgevolg af of de ontstentenis van enige vorm van verjaring van de gerechtelijke band geen afbreuk doet aan het recht om een eerlijk proces binnen een redelijke termijn te genieten en of er in casu geen sprake zou zijn van een discriminatie die wordt veroorzaakt door een lacune. Zulks is de reden waarom zij de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof stelt. III. In rechte -A- A.1.

  1. De eisende partij voor de verwijzende rechter is van mening dat de prejudiciële vraag ertoe strekt het mechanisme van stuiting van de verjaringstermijn wanneer het geschil voor het gerecht werd ingeleid, opnieuw in het geding te brengen. Volgens haar zou er enkel sprake zijn van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien de procedureregels aan een van de partijen niet de mogelijkheid zouden bieden om een einde te maken aan een ingeleide procedure, wegens de belemmering die de andere partij haar zou tegenwerpen. 4 A.1.
  2. De eisende partij voor de verwijzende rechter vestigt de aandacht op de moeilijkheden die zouden voortvloeien uit een arrest waarbij het Hof zou beslissen dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt : een dergelijk arrest zou de wetgever ertoe verplichten de wetgeving te wijzigen, zodat de niet-verjaring van het geding niet meer stelselmatig zou zijn, maar enkel zou moeten plaatsvinden in bijzondere situaties, op grond van criteria die uiterst moeilijk vast te stellen zouden zijn. A.1.
  3. Zij besluit dus dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.2.
  4. Volgens de Ministerraad zijn de categorieën van personen op wie in de prejudiciële vraag de aandacht wordt gevestigd, niet vergelijkbaar. De Ministerraad zet uiteen dat het geding niet verjaart. Hij verwijst in het bijzonder naar een auteur die uitlegt dat het in het vroegere Wetboek van burgerlijke rechtspleging bedoelde mechanisme van verval van het geding in 1936 is opgeheven en dat de afschaffing van het mechanisme in de parlementaire voorbereiding wordt verantwoord door het nefaste, strenge en overbodige karakter ervan. In de parlementaire voorbereiding wordt in dat verband gepreciseerd dat « het belang van de verweerder voldoende wordt gevrijwaard door het feit dat het hem steeds vrij staat de zaak opnieuw ter zitting te brengen om te doen beslissen » en dat « moet worden opgemerkt dat het verval een te zwaarwichtige sanctie kon uitmaken voor het niet optreden van de vervolgende partij, en dat het feit dat een beroep erop werd gedaan, meer dan eens, ten aanzien van de pleiter, op een weinig loyale poging wees om zijn belangen te doen zegevieren ». Volgens de Ministerraad heeft de wetgever later bij verschillende gelegenheden zijn wil herhaald om te vermijden dat de gerechtelijke band verdwijnt ingevolge het verstrijken van de tijd, met name toen hij artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek heeft gewijzigd bij de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State ». De Ministerraad voegt ten slotte eraan toe dat de gerechtelijke band van nature onverenigbaar is met de verjaring. De Ministerraad maakt een onderscheid tussen de gerechtelijke band, die niet aan verjaring is onderworpen, en de vordering met het oog op de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing (actio judicati), die verjaart door verloop van tien jaar, overeenkomstig artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Volgens de Ministerraad bevinden beide vergeleken categorieën van personen zich in situaties die op procedureel vlak totaal verschillend zijn. Terwijl de schuldenaar, in het ene geval, de aanspraak die hem wordt tegengeworpen, aan een rechter voorgelegd ziet in afwachting van een beslissing over de grond van de aanspraak, werd de betwisting, in het andere geval, definitief beslecht door de rechter, zodat de zaak niet langer aanhangig is bij die laatste en er dus enkel nog sprake is van de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing. Het betreft twee totaal verschillende fases in het kader van een contentieux waarin twee partijen tegenover elkaar staan : de ene past in het kader van het proces, de andere komt erna. De Ministerraad beklemtoont dat de partijen, tijdens het geding, niet machteloos staan in geval van inertie van hun tegenstander. Hij haalt artikel 747, § 2, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan, dat elke partij de mogelijkheid biedt om, wanneer de zaak naar de rol is verwezen of werd verdaagd naar een latere datum, te verzoeken om de instaatstelling van de zaak, alsook artikel 730, § 2, a), derde lid, van hetzelfde Wetboek, dat het mogelijk maakt om een zaak die van de algemene rol werd weggelaten, terug in te schrijven op verzoek van de meest gerede partij. Volgens de Ministerraad zijn de twee in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen dermate verschillend dat hun situaties niet kunnen worden vergeleken ten aanzien van de referentienormen, zodat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.2.
  5. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de door de verwijzende rechter beoogde problematiek niet moet worden geanalyseerd op grond van een vergelijking tussen twee opeenvolgende fases van een contentieux, namelijk die welke overeenstemt met de procedure en die welke volgt op de uitspraak van een definitieve beslissing, maar wel op grond van een analyse van de positie van de schuldenaar tijdens het gehele contentieux. Vanuit die invalshoek worden de schuldenaars op identieke wijze behandeld, ongeacht de zorgvuldigheid van hun schuldeiser, die eiser is in het kader van het geschil. 5 De prejudiciële vraag dient dus ontkennend te worden beantwoord. A.2.
  6. Eveneens in ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust, dat overeenstemt met het stadium waarin de rechtzoekende zich in het kader van de burgerlijke procedure bevindt. Hij verwijst naar de uiteenzettingen die zijn gewijd aan de wil van de wetgever en aan de legitieme redenen om het geding en/of de band die erin wordt aangeknoopt, niet aan een verjaring te onderwerpen. Volgens de Ministerraad is het verschil in behandeling waarop in de prejudiciële vraag de aandacht is gevestigd, niet in strijd met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in zoverre het recht om een definitieve beslissing binnen een redelijke termijn te verkrijgen erin is vastgelegd. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens « wordt het redelijke karakter van de duur van een procedure beoordeeld volgens de omstandigheden van de zaak en gelet op de in de rechtspraak van het Hof vastgelegde criteria, in het bijzonder de complexiteit van de zaak, het gedrag van de verzoeker en dat van de bevoegde overheden » (EHRM, 25 maart 1999, Pélissier en Sassi t. Frankrijk, § 67). Aangezien de verweerder over verschillende middelen beschikt waardoor hij de inertie van de eiser kan verhelpen, kan hij zich, bij gebrek aan enig initiatief van zijn kant, niet op de overschrijding van de redelijke termijn beroepen. De Ministerraad is van mening dat niet kan worden aangevoerd dat het gebrek aan verjaring van de gerechtelijke band op algemene wijze tot gevolg zou hebben dat de redelijke termijn wordt overschreden. De Ministerraad is ten slotte van mening dat de verweerder, indien het onmogelijk is om de hiervoor aangehaalde procedurele middelen aan te wenden, zich op het rechtsmisbruik kan beroepen om te ontsnappen aan een veroordeling waarvan de gevolgen zouden worden verergerd door de traagheid van de instaatstelling van de zaak. Hij is dus van oordeel dat het bekritiseerde verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Hij besluit daaruit dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. -B- B.1.
  7. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. B.1.
  8. Artikel 2244, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 1394/21 van het Gerechtelijk Wetboek of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting. Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken. Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de [...] administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht ». 6 Het tweede en het derde lid van die bepaling werden ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State ». Zoals het opschrift ervan aangeeft, had die wet hoofdzakelijk tot doel de door de Raad van State uitgesproken vernietigingsarresten gepaard te doen gaan met een verjaringstuitende werking van de daarop betrekking hebbende aansprakelijkheidsvordering. Bij dezelfde wet heeft de wetgever een wettelijke grondslag verleend aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie volgens welke de stuiting van de verjaring door een dagvaarding voor het gerecht blijft duren tot het einde van het geding. De wetgever heeft zich daarbij geïnspireerd op de bewoordingen van artikel 101 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (zie amendement nr. 6, Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0832/005, p. 2; verslag, Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0832/006, pp. 8-10). B.2.
  9. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij, door de verjaringstuitende werking van een dagvaarding voor het gerecht te laten voortduren tot het einde van het geding, de bij het gerecht ingestelde vordering onverjaarbaar maakt zolang er geen definitieve beslissing is uitgesproken, terwijl de vordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing volgens artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek verjaart door verloop van tien jaar vanaf de uitspraak ervan. B.2.
  10. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de rechtzoekende die, in het kader van een burgerlijk proces, wordt geconfronteerd met de inertie van zijn vermeende schuldeiser en, anderzijds, de rechtzoekende die, na de uitspraak van een definitieve gerechtelijke beslissing waarbij een schuld te zijnen aanzien wordt vastgesteld, wordt geconfronteerd met de inertie van zijn schuldeiser wat de tenuitvoerlegging van die beslissing betreft. Terwijl in het eerste geval de verjaring van de oorspronkelijke vordering voor onbepaalde duur gestuit wordt tot de uitspraak van een definitieve gerechtelijke beslissing, kan in het tweede geval de verjaring van de vordering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het vonnis intreden na tien jaar vanaf het vonnis. 7 B.3.
  11. De Ministerraad doet gelden dat er tussen de twee categorieën van personen die in de prejudiciële vraag worden vermeld, verschillen bestaan die van dien aard zijn dat hun situaties niet kunnen worden vergeleken ten aanzien van de toetsingsnormen. B.3.
  12. De omstandigheid dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen zich in verschillende stadia van een contentieux bevinden, waarbij de ene zich bevindt in het kader van de jurisdictionele procedure tot beslechting ervan en de andere in het stadium van de tenuitvoerlegging van de beslissing waarbij het geschil definitief is beslecht, volstaat niet om te kunnen oordelen dat die categorieën van personen niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken : in beide gevallen is er sprake van de situatie van een persoon die door een andere persoon voor het gerecht is opgeroepen teneinde zijn veroordeling met betrekking tot een bepaalde schuldvordering te verkrijgen. Ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel, die de verjaring van schuldvorderingen betreft, zijn beide categorieën van personen dan ook voldoende vergelijkbaar. B.4.
  13. De verjaring is een wijze van verval van de vordering wegens het verstrijken van de door de wet vastgestelde termijn om ze in te stellen (Cass., 18 maart 2013, S.12.0084.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.8). Luidens artikel 2244, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door een dagvaarding voor het gerecht. Wanneer een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit, loopt de verjaring ervan niet meer tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken (artikel 2244, § 1, tweede lid). B.4.
  14. Wanneer de betwisting wordt beslecht bij een definitieve beslissing, neemt de stuiting van de verjaring een einde. In het geval waarin de eis wordt afgewezen, wordt de stuiting van de verjaring voor niet-bestaande gehouden (artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek). In het geval waarin de schuldeiser in het gelijk is gesteld, ontstaat een vordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling. Zoals het Hof van Cassatie bij een arrest van 7 november 2014 (C.14.0122.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.7) heeft geoordeeld, is die vordering onderworpen aan de in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verjaringstermijn van tien jaar. 8 B.
  15. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of een geding met betrekking tot de betwiste schuldvordering hangende is dan wel bij een definitieve beslissing werd beslecht. Het Hof dient nog te onderzoeken of dat verschil in behandeling gebaseerd is op een relevant criterium en of het geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. B.
  16. De verjaringstermijnen hebben verschillende doeleinden, waaronder het waarborgen van de rechtszekerheid door een termijn voor de rechtsvorderingen vast te stellen. De verjaring strekt er aldus toe een persoon ertoe aan te zetten zijn recht tijdig te doen erkennen. Het feit dat de stuiting van de verjaring, door een dagvaarding voor het gerecht, blijft duren tot de uitspraak van een definitieve beslissing, vloeit voort uit de aard zelf van die stuitingsgrond. De dagvaarding voor het gerecht is immers de handeling waarmee een persoon een vordering instelt om het bestaan van een recht door het gerecht te doen erkennen (Cass., 19 september 2016, C.16.0021.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160919.2). Het is bijgevolg niet onredelijk dat de stuiting van de verjaring, die de dagvaarding met zich meebrengt, blijft duren totdat een beslissing definitief een einde maakt aan het geschil. B.7.
  17. In tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter lijkt aan te voeren, houdt het onbepaalde karakter van de duur van de stuiting van de verjaring niet in dat de verweerder, in geval van inertie van de eiser, volledig machteloos zou staan en dat het geding bijgevolg oneindig zou duren. Tijdens het geding maakt het Gerechtelijk Wetboek het de partijen, met inbegrip van de verweerder, mogelijk om op te treden tegen de inertie van de andere partij opdat uitspraak wordt gedaan over de zaak. Aldus bepaalt artikel 747, § 2, vijfde lid, dat, wanneer de zaak naar de rol is verwezen of werd verdaagd naar een latere datum, iedere partij, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de instaatstelling van de zaak kan verzoeken, overeenkomstig het eerste tot het vierde lid. Artikel 730, § 2, a), derde lid, maakt het daarenboven mogelijk om een zaak die van de algemene rol werd weggelaten, terug in te schrijven op verzoek van de meest gerede partij. 9 In het kader van een burgerlijk proces hebben de partijen eveneens de verplichting zich loyaal te gedragen. De rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot misbruik van procesrecht maakt het de rechter aldus mogelijk de rechtzoekenden te bestraffen die de procedure gebruiken op een wijze die de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat, door rekening te houden met alle relevante omstandigheden van de zaak (Cass., 17 oktober 2008, C.07.0214.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.4; 28 juni 2013, C.12.0502.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130628.4; 2 maart 2015, C.14.0337.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150302.3; 11 juni 2015, C.14.0433.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150611.10; 26 oktober 2017, C.16.0393.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171026.3). Artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek maakt nog de veroordeling tot een burgerlijke geldboete mogelijk van de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden, onverminderd eventuele schadevergoeding. B.7.
  18. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de rechtzoekende die, in het kader van een burgerlijk proces, wordt geconfronteerd met de inertie van diegene die beweert zijn schuldeiser te zijn. B.
  19. Om dezelfde redenen houdt de stuiting van de verjaring tot de uitspraak van een definitieve beslissing op zich geenszins een overschrijding van de redelijke termijn in die in strijd zou zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het komt in voorkomend geval de verwijzende rechter toe, rekening houdend met de feitelijke elementen die eigen zijn aan het geschil, na te gaan of in een bepaalde zaak de redelijke termijn niet is overschreden. B.
  20. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 juli
  21. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.107 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130628.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150302.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150611.10 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160919.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171026.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.