id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.108 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190703.10 Arrest- Rolnummer: 108/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-20 Raadplegingen: 288 - laatst gezien 2026-06-28 22:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATIONALITEIT - Verkrijging Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1, § 2, eerste lid, 4°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Publiek recht - Nationaliteit - Verkrijging van de Belgische nationaliteit - Verkrijging door nationaliteitsverklaring - Beletsel - Gewichtige feiten eigen aan de persoon. Tekst van de beslissing Rolnummer 6915 Arrest nr. 108/2019 van 3 juli 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1, § 2, eerste lid, 4°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 25 april 2018 in zake A.K., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 mei 2018, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1, § 2, 4°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, waarin wordt aangegeven dat het begrip ‘ gewichtige feiten eigen aan de persoon ’ met name ‘ het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd ’ dekt, niet onder meer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het EVRM (recht op een eerlijk proces, wapengelijkheid, beginsel van de tegenspraak, enz.), zo geïnterpreteerd dat een eenvoudig, te dezen bondig schrijven van die Veiligheid van de Staat, waarin wordt vermeld dat de persoon die de nationaliteit aanvraagt door haar diensten bekend is ‘ (…) wegens talrijke contacten met extremistische kringen ’, volstaat om onder dat begrip te vallen, terwijl het
(1)de betrokkene bij ontstentenis van verdere precisering belet het bewijs van het tegendeel te leveren en
(2)de rechter belet het hem voorgelegde dossier correct te beoordelen ? Is een met de voormelde bepalingen overeenstemmende interpretatie mogelijk ? Dient de Veiligheid van de Staat, om met de voormelde wettelijke bepalingen in overeenstemming te zijn en om het dilemma te voorkomen waarmee de rechter noodgedwongen wordt geconfronteerd en waarvan sprake is in de motieven van de onderhavige beslissing, niet ertoe te worden verplicht haar advies te staven ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 24 april 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 mei 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 15 mei 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 27 april 2017 diende een persoon van Russische nationaliteit een verzoek in tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring. Dat verzoek werd ingediend overeenkomstig artikel 15, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Namen. 3 Op 21 augustus 2017 bracht het openbaar ministerie, op grond van artikel 15, § 3, van hetzelfde Wetboek, een negatief advies uit, overwegende dat er een beletsel was wegens gewichtige feiten eigen aan de persoon, te dezen, overeenkomstig artikel 1, § 2, van hetzelfde Wetboek, « het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd ». In casu verzet het openbaar ministerie zich tegen het verzoek om de reden - die wordt afgeleid uit één enkel schrijven van de Veiligheid van de Staat - dat de verzoeker bij die diensten gekend is « wegens talrijke contacten met extremistische kringen ». In dat schrijven voegt de Veiligheid van de Staat eraan toe dat hij « tekenen van radicalisering zou vertonen » en dat hij « onder het toezicht staat van de LTF Ops NAMUR ». De verzoeker heeft vervolgens de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Namen gevraagd om zijn dossier aan het verwijzende rechtscollege over te zenden, overeenkomstig artikel 15, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. De verwijzende rechter heeft vragen bij het volgens hem bondige karakter van het schrijven van de Veiligheid van de Staat, en heeft beslist aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat, doordat hij de categorieën van personen waarop de mogelijke ongrondwettigheid van artikel 1, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit betrekking heeft niet precies kan identificeren, hij zich in de onmogelijkheid bevindt om een verschil in behandeling te verantwoorden dat, volgens hem, noch uit de prejudiciële vraag, noch zelfs uit de motivering van het vonnis blijkt. A.1.
- In ondergeschikte orde voegt hij eraan toe dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de verwijzende rechter zouden kunnen zijn vermeld teneinde, in fine, de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te laten toetsen. Die laatste bepaling heeft evenwel een beperkt toepassingsgebied omdat zij enkel betrekking heeft op betwistingen betreffende burgerlijke rechten of de gegrondheid van een strafvervolging. Te dezen is het contentieux, dat betrekking heeft op de nationaliteit, van politieke aard. De prejudiciële vraag is bijgevolg niet dienstig voor de oplossing van het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil. A.1.
- In nog meer ondergeschikte orde oordeelt de Ministerraad dat de prejudiciële vraag meer betrekking heeft op het standpunt van de Veiligheid van de Staat, die haar advies niet heeft willen staven, dan wel op een mogelijke onverenigbaarheid tussen de getoetste regel en de referentiebepalingen. In die zin is het « probleem » waarmee de rechter wordt geconfronteerd, geen gevolg van de getoetste regel. De rechter - zo meent overigens de Ministerraad - kan beslissen aan het advies van het openbaar ministerie dat steunt op het schrijven van de Veiligheid van de Staat, het gewicht te geven dat hij pertinent acht. De prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. -B- B.1.
- De nationaliteitsverklaring is één van de wijzen, naast het verzoek tot naturalisatie, waarop een vreemdeling de Belgische nationaliteit kan verkrijgen. 4 De vreemdeling moet daartoe aan bepaalde voorwaarden voldoen, vermeld in artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, en voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn hoofdverblijfplaats de verklaring afleggen, bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek. Als de verklaring volledig en ontvankelijk is, en het verschuldigde registratierecht werd voldaan, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een ontvangstbewijs af en zendt hij een afschrift van het dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied (artikel 15, § 2, vierde en achtste lid, van het vermelde Wetboek). B.1.
- Artikel 15, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalt : « De procureur des Konings kan, binnen vier maanden te rekenen van de datum van het in § 2 bedoelde ontvangstbewijs, een negatief advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten eigen aan de persoon, die hij in de motivering van zijn advies dient te omschrijven, of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn ». In het geval van een negatief advies kan de vreemdeling aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen zijn dossier over te zenden aan de rechtbank van eerste aanleg, die uitspraak doet over de gegrondheid van het negatieve advies (artikel 15, § 5, van het voormelde Wetboek). B.1.
- Het in het geding zijnde artikel 1, § 2, eerste lid, 4°, b), van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : […] 4° gewichtige feiten eigen aan de persoon zijn, met name : […] b) het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd; ». 5 B.
- Uit de feiten en uit de motivering van het vonnis alsook uit de formulering van de prejudiciële vraag volgt dat aan het Hof wordt gevraagd of het voormelde artikel 1, § 2, eerste lid, 4°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het « bondige » schrijven van de Veiligheid van de Staat waarop het negatief advies van het openbaar ministerie, uitgebracht overeenkomstig het voormelde artikel 15, § 3, van hetzelfde Wetboek, steunt, niet zou toelaten, noch aan diegene die een nationaliteitsaanvraag indient het bewijs van het tegendeel te leveren, noch aan de verwijzende rechter « het hem voorgelegde dossier correct te beoordelen », waardoor hij voor een « dilemma » wordt geplaatst dat hij hoopt te kunnen oplossen door aan het Hof een vraag te stellen. B.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is omdat zij de vergeleken categorieën van personen niet identificeert. In ondergeschikte orde voert hij aan dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waarvan de schending wordt aangevoerd door de verwijzende rechter, niet van toepassing is op de politieke rechten, waartoe het recht op een nationaliteit zou behoren. B.
- Uit het voormelde artikel 15, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit volgt dat het openbaar ministerie een negatief advies « kan » uitbrengen, en uit artikel 15, § 4, dat dit advies met redenen moet zijn omkleed. Het openbaar ministerie is dus niet verplicht de inlichtingen die het van de Veiligheid van de Staat ontvangt, te volgen. Overigens doet de familierechtbank waarbij de persoon die een negatief advies heeft gekregen zijn dossier aanhangig heeft gemaakt, luidens artikel 15, § 5, van hetzelfde Wetboek, uitspraak, bij een met redenen omklede beslissing en na de belanghebbende te hebben gehoord, over het negatief advies bedoeld in artikel 15, §
- De prejudiciële vraag betreft in werkelijkheid de toepassing, op het geschil, van de in het geding zijnde bepaling en niet de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- De prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div