id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.112 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190718.3 Arrest- Rolnummer: 112/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-08-02 Raadplegingen: 835 - laatst gezien 2026-06-29 05:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof
- a)- stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen : 1. Dienen het Unierecht en inzonderheid de artikelen 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG » zo te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wetgeving die op de burgers van de Unie en op hun familieleden bepalingen toepast die soortgelijk zijn aan die welke, ten aanzien van de burgers van derde Staten, de omzetting vormen van artikel 7, lid 3, van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 « over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven », namelijk bepalingen die het mogelijk maken de burger van de Unie of zijn familielid ertoe te verplichten zich in overeenstemming te brengen met preventieve maatregelen om elk risico op onderduiken te voorkomen gedurende de termijn waarover hij beschikt om het grondgebied te verlaten naar aanleiding van een beslissing tot beëindiging van het verblijf om reden van openbare orde of gedurende de verlenging van die termijn ? 2. Dienen het Unierecht en inzonderheid de artikelen 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG » zo te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wetgeving die op de burgers van de Unie en op hun familieleden die zich niet hebben gevoegd naar een beslissing tot beëindiging van het verblijf om reden van openbare orde of van openbare veiligheid, een bepaling toepast die identiek is aan die welke op onderdanen van derde Staten in dezelfde situatie wordt toegepast wat de maximale termijn van vasthouding met het oog op verwijdering betreft, namelijk acht maanden ? - stelt, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op de hiervoor weergegeven vragen, het onderzoek van het zevenveertigste, achtenveertigste en eenenvijftigste middel en het derde onderdeel van het vijftigste middel in de zaak nr. 6755 uit;
- b)verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud van de in B.24.10, B.55.2, B.70.4 en B.79.3 vermelde interpretaties en rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.8.1, B.26.3.4 en B.69.4. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Toegang en verblijf Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 24 februari 2017 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken, ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en door de vzw « Association pour le droit des Etrangers » en anderen. Bestuursrecht - Vreemdelingenrecht - Toegang en verblijf - Bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid - Hervormingen. Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 2004/38/CEE - 29-04-2004 - 74 Link Justel databank 20040429-74 Verdrag EG/EU - 25-03-1957 - 20 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verdrag EG/EU - 25-03-1957 - 21 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Tekst van de beslissing ERROR GetNoECLIfromNoROLE Invalid no ROLE - Invalid no_role 2-A in A.24.2-A Rolnummers 6749 en 6755 Arrest nr. 112/2019 van 18 juli 2019 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 24 februari 2017 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken, ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en door de vzw « Association pour le droit des Etrangers » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 oktober 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 oktober 2017, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Sarolea en Mr. J. Hardy, advocaten bij de balie van Waals-Brabant, beroep tot gehele of gedeeltelijke (de artikelen 5 tot 52) vernietiging ingesteld van de wet van 24 februari 2017 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 april 2017). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 oktober 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 oktober 2017, is beroep tot gehele of gedeeltelijke (de artikelen 5, 6, 12 tot 14, 17 tot 19, 21, 22, 24 tot 26, 28 tot 31, 33, 34, 37, 41 en 45) vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Association pour le droit des Etrangers », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Etrangers », de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » en de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Van den Broeck en Mr. P. Delgrange, advocaten bij de balie te Brussel, en Mr. C. Driesen, advocaat bij de balie te Antwerpen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6749 en 6755 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Matray, Mr. S. Matray en Mr. C. Piront, advocaten bij de balie te Luik (in de zaak nr. 6749); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Decordier, advocaat bij de balie te Gent (in de zaak nr. 6755). Memories van antwoord zijn ingediend door de verzoekende partijen. Bij beschikking van 27 februari 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 maart 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 maart 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 24 april 2019. Op de openbare terechtzitting van 24 april 2019 : 3 - zijn verschenen : . Mr. R. Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. S. Sarolea, en Mr. J. Hardy, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 6749; . Mr. M. Van Laer, advocaat bij de balie te Antwerpen, loco Mr. M. Van den Broeck en Mr. P. Delgrange, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 6755; . Mr. S. Matray en Mr. C. Piront, tevens loco Mr. D. Matray, en Mr. T. Bricout en Mr. B. Heirman, advocaten bij de balie te Gent, loco Mr. C. Decordier, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 6749, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (hierna : OBFG), zet uiteen dat de bestreden wet materiële en procedurele bepalingen bevat die afbreuk doen aan de belangen van de rechtzoekenden die zij tot taak heeft te beschermen, zodat zij doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging ervan te vorderen. A.1.2. De Ministerraad werpt een exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit de ontstentenis van belang van de verzoekende partij. Hij gaat ervan uit dat, krachtens artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, de OBFG enkel bevoegd is om initiatieven te nemen die nuttig zijn voor de behartiging van de belangen van al de rechtzoekenden en dat zij dus niet bevoegd is om een beroep in te stellen in het belang van één categorie van rechtzoekenden, namelijk de in de bestreden wet beoogde vreemdelingen. Hij voegt bovendien eraan toe dat de OBFG daarbij een verschil in behandeling tussen twee categorieën van rechtzoekenden doet ontstaan en de behartiging van de belangen van de buitenlandse rechtzoekenden bevoordeelt ten nadele van de belangen van een andere categorie van rechtzoekenden, namelijk de Belgische Staat en de administratie. A.1.3. De OBFG onderstreept dat zij aandacht heeft voor het belang van alle rechtzoekenden die allen, met inbegrip van de Belgen, kunnen verwikkeld zijn in een procedure waarbij een in de wet beoogde vreemdeling betrokken is en de gevolgen ervan kunnen ondergaan. Zij doet gelden dat de advocaten van de betrokken vreemdelingen eveneens door de nadelige gevolgen van de bestreden wetgeving worden geraakt en dat zulks mogelijkerwijs alle advocaten betreft. A.2.1. De eerste tot de vierde verzoekende partij in de zaak nr. 6755 zijn vzw’s die actief zijn op het gebied van de mensenrechten en de vreemdelingenrechten. Zij zijn van mening dat zij belang erbij hebben de vernietiging te vorderen van de bepalingen van de bestreden wet. A.2.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep in die zaak niet. 4 Ten gronde Wat artikel 5 van de bestreden wet betreft (art. 1/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : de Vreemdelingenwet)) A.3.1. De OBFG, verzoekende partij in de zaak nr. 6749, leidt een eerste middel af uit de schending, door artikel 5 van de bestreden wet, van de verplichting tot eerbiediging van de menselijke waardigheid en van het verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandelingen, gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, artikel 33 van het Internationaal Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 1 tot 4, 18 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, de artikelen 17 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 7 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij klaagt eveneens de schending aan van de vereiste inachtneming van het hoger belang van het kind, inzonderheid in samenhang gelezen met de voormelde grondrechten. De verzoekende partij is van mening dat de bestreden bepaling eveneens de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna : de Terugkeerrichtlijn), inzonderheid artikel 5 ervan, alsook de verplichting tot adequate motivering van de beslissingen tot verwijdering en de beginselen van gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid schendt. A.3.2.1. In het eerste onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepaling erin voorziet dat een maatregel tot verwijdering waarvan voordien kennis is gegeven automatisch blijft bestaan ondanks de indiening van een nieuwe verblijfsaanvraag, zodat na het onderzoek van de nieuwe aanvraag, indien een negatieve beslissing wordt genomen, de vroegere maatregel tot verwijdering opnieuw van toepassing is zonder dat de situatie van de betrokkene opnieuw wordt geëvalueerd, terwijl zijn situatie intussen is kunnen evolueren in die zin dat de tenuitvoerlegging van de beslissing tot verwijdering de schending van de in het middel opgesomde grondrechten met zich zou meebrengen. In ondergeschikte orde verzoekt zij het Hof twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.3.2.2. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partij een verkeerde lezing maakt van de bestreden bepaling en dat zij een draagwijdte eraan verleent die zij niet heeft. Hij preciseert dat de bestreden bepaling niet ten doel heeft te beletten dat rekening wordt gehouden met grondrechten maar alleen vaststelt dat de indiening van een verblijfsaanvraag het bestaan van een vroegere maatregel tot verwijdering of terugdrijving niet aantast. Hij voegt eraan toe dat de situatie van de vreemdeling precies naar aanleiding van het onderzoek van de ingediende nieuwe verblijfsaanvraag of van het door de vreemdeling ingediende nieuwe verzoek om bescherming opnieuw zal worden geëvalueerd. Hij doet gelden dat de grieven van de verzoekende partij gelegen zijn buiten het toepassingsgebied van de bestreden bepaling aangezien het eerste lid ervan enkel het bestaan van de vroegere maatregel tot verwijdering of terugdrijving betreft en niet de uitvoering ervan. A.3.2.3. De verzoekende partij antwoordt dat het niet juist is dat elk grondrecht dat zich kan verzetten tegen een maatregel tot verwijdering van het grondgebied het voorwerp zou kunnen uitmaken van een procedure ad hoc en dat het soms pas naar aanleiding van een terugkeerbeslissing is dat dergelijke rechten kunnen worden aangevoerd en onderzocht. Zij leidt daaruit af dat de bestreden bepaling de facto dus wel degelijk de aangeklaagde draagwijdte heeft, in zoverre zij toestaat dat de opheffing van het in het tweede lid ervan beoogde opschortend karakter automatisch is, zodat de overheid in voorkomend geval de situatie van de betrokkene niet opnieuw zou kunnen onderzoeken omdat zij zich ten aanzien van haar eigen vroegere definitieve beslissingen in een geval van gebonden bevoegdheid zou bevinden. 5 A.3.2.4. De Ministerraad wijst erop dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen het ogenblik van de afgifte van het bevel om het grondgebied te verlaten en het ogenblik van de uitvoering ervan en hij preciseert dat het op het ogenblik van de uitvoering van de maatregel tot verwijdering of terugdrijving is dat wordt overgegaan tot een onderzoek van de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkene. Hij leidt daaruit af dat de bestreden bepaling het onderzoek van de inachtneming van de grondrechten op het ogenblik van de uitvoering van de maatregel niet belet. A.3.3.1. In het tweede onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepaling de Terugkeerrichtlijn schendt, die termijnen voor vrijwillige terugkeer voorschrijft die afhangen van de beoordeling van de elementen van het dossier, in zoverre zij noch de betrokken vreemdeling de mogelijkheid biedt een verzoek tot verlenging van de termijn voor vrijwillig vertrek te formuleren, noch de Staat de mogelijkheid biedt rekening te houden met de omstandigheden die eigen zijn aan het voorliggende geval. In ondergeschikte orde verzoekt zij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.3.3.2. De Ministerraad is van mening dat de bestreden bepaling in elk geval geenszins afbreuk doet aan de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of aan de Terugkeerrichtlijn. Hij herinnert eraan dat jurisdictionele beroepen ter beschikking staan van de vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderingsmaatregel, teneinde zijn grondrechten in acht te doen nemen, en, inzonderheid, dat wanneer de uitvoering van de maatregel imminent is, hij over een beroep bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikt. Wat de termijn voor terugkeer betreft, preciseert hij dat de betrokkene ofwel reeds het voordeel heeft genoten van de termijn voor vrijwillig vertrek waarin is voorzien bij de Terugkeerrichtlijn, ofwel het voordeel geniet van de resterende termijn na de verwerping van zijn verzoek, zodat de Terugkeerrichtlijn in beide gevallen in acht wordt genomen. A.3.4. In het derde onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepaling de verplichting tot adequate motivering van de verwijderingsbeslissingen schendt. In ondergeschikte orde verzoekt zij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.3.5.1. In het vierde onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepaling het vertrouwensbeginsel schendt, mocht zij in die zin worden geïnterpreteerd dat zij belet dat de uitreiking van een, zelfs tijdelijk, verblijfsdocument de intrekking van een vroegere verwijderingsmaatregel veronderstelt. Zij brengt dienaangaande de vaste rechtspraak van de Raad van State en van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in herinnering volgens welke een vroegere maatregel tot verwijdering van het grondgebied uit de rechtsordening verdwijnt indien, sinds de kennisgeving ervan, aan de betrokken vreemdeling een verblijfdocument is uitgereikt, aangezien een dergelijk document niet verenigbaar is met een gelijktijdige verplichting om het grondgebied te verlaten. A.3.5.2. De Ministerraad ziet niet in in welk opzicht de bestreden bepaling het vertrouwensbeginsel schendt aangezien de rechtspraak waarnaar de verzoekende partij verwijst, geenszins een duidelijke en vaste gedragsregel van de overheid of een belofte van de overheden vormt. A.3.5.3. De OBFG wijst erop dat de rechtspraak nochtans leert dat het uitreiken van een verblijfstitel op grond van een nieuwe aanvraag de voordien aangenomen verwijderingsmaatregelen doet vervallen. Zij erkent dat in die rechtspraak ook wordt onderstreept dat de verwijderingsprocedure vervolgens kan worden hervat daar waar zij was opgeschort maar zij gaat ervan uit dat de rechtspraak de argumenten die steunen op het feit dat de Terugkeerrichtlijn voorziet in onontbeerlijke beschermingsmaatregelen ten aanzien van de eerbiediging van de grondrechten, hun relevantie evenwel niet ontneemt. A.4.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 5 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het rechtszekerheidsbeginsel en met de artikelen 3 en 6, lid 4, van de Terugkeerrichtlijn. Doordat de maatregel tot verwijdering of terugdrijving automatisch herleeft op het einde van een tijdelijk verblijf in afwachting van een beslissing omtrent een verblijfsaanvraag, kan volgens de verzoekende partijen geen rekening worden gehouden met nieuwe elementen, zoals het gezinsleven of de gezondheidstoestand van de betrokkene, en is op de maatregel ook geen rechterlijke controle meer mogelijk, in het licht van die nieuwe 6 elementen. De bestreden bepaling voert daardoor een verschil in behandeling in tussen de vreemdelingen die reeds eerder een bevel kregen om het grondgebied te verlaten en de andere vreemdelingen, terwijl beide categorieën evenveel recht hebben op een correcte behandeling van hun verblijfsaanvraag. Bovendien verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen het laten voortbestaan van een bevel om het grondgebied te verlaten of een inreisverbod wanneer een verblijfsdocument wordt afgegeven. De verzoekende partijen verwijzen daarvoor naar de reeds vermelde rechtspraak van de Raad van State en van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (A.3.5.1). Ten slotte is in de Terugkeerrichtlijn geen sprake van een automatische opschorting van de uitvoerbaarheid van het terugkeerbesluit, zoals in de bestreden bepaling het geval is. A.4.2. De Ministerraad betoogt allereerst dat de betrokken vreemdelingen zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, zodat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de andere bepalingen, niet geschonden kunnen zijn. De kritiek van de verzoekende partijen is bovendien in essentie gericht tegen artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet op grond waarvan, conform artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, enkel bij het nemen van een verwijderingsmaatregel rekening moet worden gehouden met welbepaalde belangen. Die bepaling van de Vreemdelingenwet vormt evenwel niet het voorwerp van het beroep tot vernietiging. In ondergeschikte orde meent de Ministerraad dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is in het licht van de nagestreefde doelstelling van een efficiënter terugkeerbeleid. Hij wijst erop dat de wetgever uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de Terugkeerrichtlijn, meer bepaald met het arrest van de grote kamer van 15 februari 2016 in de zaak J.N. t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (C-601/15 PPU). De voormelde richtlijn zou overigens geen uitdrukkelijke beslissing vereisen tot intrekking of opschorting van een reeds uitgevaardigd terugkeerbesluit. Voor het overige bevestigt de Ministerraad zijn standpunt ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 6749. Hij verwijst in dat verband nog naar het arrest Paposhvili t. België van de grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, alsook naar de artikelen 74/14 en 74/17 van de Vreemdelingenwet op grond waarvan een verwijdering in bepaalde omstandigheden tijdelijk kan worden uitgesteld. A.4.3. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het aangehaalde arrest van het Hof van Justitie niet naar analogie kan worden toegepast op de Belgische situatie. De Ministerraad zou het fundamentele verschil negeren met de Nederlandse procedure, zoals die aan de orde was in dat arrest, volgens welke het louter indienen van de herhaalde asielaanvraag volstaat om een terugkeerbesluit te doen vervallen. In België is het louter indienen van een dergelijke aanvraag niet voldoende om het bevel om het grondgebied te verlaten uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen; daarvoor moet die aanvraag eerst ontvankelijk zijn verklaard. Ook het arrest Paposhvili t. België zou door de Ministerraad verkeerd of op zijn minst selectief worden gelezen. A.4.4. De Ministerraad betwist het fundamentele verschil met de Nederlandse verblijfswetgeving. Hij merkt op dat ook in Nederland een nieuwe procedure in de eerste plaats ontvankelijk moet worden bevonden door de asielinstanties en dat het louter indienen van de herhaalde aanvraag om internationale bescherming te krijgen niet in elke hypothese tot gevolg heeft dat een terugkeerbesluit komt te vervallen. De Ministerraad wijst daarentegen op de duidelijke conclusie van het Hof van Justitie dat een efficiënt terugkeerbeleid niet mag worden verhinderd door dilatoire beroepen en opeenvolgende verblijfsaanvragen. Wat artikel 6 van de bestreden wet betreft (artikel 3 van de Vreemdelingenwet) A.5.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 6 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 25 van de verordening (EU) nr. 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (hierna : de Schengengrenscode), met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het « non-refoulementbeginsel », vervat in artikel 33 van het Internationaal Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, en met artikel 9, lid 1, a), van de Terugkeerrichtlijn. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling toelaat een vreemdeling de toegang tot het grondgebied te weigeren, zonder daarbij de naleving van de aangevoerde artikelen en het aangevoerde beginsel te waarborgen. Daaruit vloeit een discriminatie voort tussen vreemdelingen naargelang hun recht op internationale bescherming in het land van herkomst (middels een humanitair visum) dan wel in België wordt erkend. 7 A.5.2. De Ministerraad wijst erop dat de Vreemdelingenwet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid om aan de grens een asielaanvraag in te dienen. Het is niet vereist dat een vreemdeling wordt toegelaten tot het grondgebied vooraleer hij zich op de internationale bescherming zou kunnen beroepen. De aangevoerde richtlijn is enkel van toepassing op « illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen » en dus niet op vreemdelingen die aan de grens worden teruggedreven. Het aangevoerde verschil in behandeling bestaat volgens de Ministerraad niet, of is op zijn minst verantwoord aangezien ook de vreemdeling wiens recht op internationale bescherming in het land van herkomst werd erkend aan de grens alsnog aanspraak kan maken op internationale bescherming. Bovendien volgt uit artikel 3 van de Vreemdelingenwet dat de Schengengrenscode geen afbreuk doet aan de toepassing van internationale bepalingen. A.6.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een derde middel af uit de schending, door artikel 6 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 5 van de Schengengrenscode, met de artikelen 5, 27 en 28 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna : de richtlijn 2004/38/EG) en met de artikelen 45, 49, 52 en 72 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : VWEU). Zij voeren aan dat de bestreden bepaling meer mogelijkheden biedt om de toegang van Unieburgers en hun gezinsleden te weigeren dan het Unierecht toelaat (eerste onderdeel), dat zij niet in de omzetting van bepaalde voorwaarden vervat in de richtlijn 2004/38/EG voorziet (tweede onderdeel) en dat zij op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven (derde onderdeel). Voor vreemdelingen die zich op het Belgisch grondgebied bevinden zou immers wel rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden eigen aan hun situatie, wanneer zij het bevel krijgen om het grondgebied te verlaten, terwijl dat niet het geval is voor vreemdelingen die zich niet op het grondgebied bevinden. A.6.2. Wat de eerste twee onderdelen betreft, wijst de Ministerraad op de aanhef van artikel 3 van de Vreemdelingenwet waaruit blijkt dat die bepaling geen afbreuk doet aan de afwijkende bepalingen in dezelfde wet die met name gelden voor Unieburgers en hun gezinsleden, meer bepaald in hoofdstuk I van titel II van de wet. Wat het derde onderdeel betreft, betwist de Ministerraad in de eerste plaats dat de betrokken vreemdelingen voldoende vergelijkbaar zijn. In ondergeschikte orde merkt hij op dat de bestreden bepaling in essentie overeenstemt met de Schengengrenscode. Anders dan bij vreemdelingen die aan de grens worden tegengehouden, kan bij vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven niet worden uitgesloten dat zij reeds een gezinsleven hebben op dat grondgebied. Bovendien moeten de grondrechten in elk geval worden gewaarborgd, ook bij de toepassing van artikel 3 van de Vreemdelingenwet. A.7.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een vierde middel af uit de schending, door artikel 6 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het wettigheidsbeginsel. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling toelaat een vreemdeling de toegang tot het grondgebied te weigeren « wanneer hij geacht wordt de openbare rust, de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden », zonder nader te definiëren wat onder die begrippen wordt verstaan. De wetgever laat dus aan de administratie de zorg over om daaraan een concrete invulling te geven, waardoor een vreemdeling niet kan inschatten of hem de toegang tot het grondgebied zal worden geweigerd, ook al voldoet hij aan alle overige criteria. Die vreemdeling wordt aldus gediscrimineerd ten aanzien van de andere vreemdelingen. Ten slotte voorziet de bestreden bepaling volgens de verzoekende partijen niet in een evenredigheidstoets bij het nemen van de beslissing over de toegang tot het grondgebied. A.7.2. De Ministerraad verwijst allereerst naar de rechtspraak van het Hof van Justitie, het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State, waarin meermaals toepassing wordt gemaakt van de begrippen « openbare rust », « openbare orde » en « nationale veiligheid ». Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die begrippen in hun gewone betekenis in de omgangstaal moeten worden begrepen, rekening houdend met de context waarin ze worden gebruikt en met de doelstelling van de reglementering waartoe ze behoren. Bovendien wijdt het Strafwetboek verschillende bepalingen aan misdaden en wanbedrijven tegen de openbare orde en tegen de inwendige en uitwendige veiligheid van de Staat. Ten slotte heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard dat het vereiste van voorzienbaarheid in het domein van nationale veiligheid niet op dezelfde wijze kan worden ingevuld als in andere domeinen. 8 A.8.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een vijfde middel af uit de schending, door artikel 6 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de beginselen van de rechten van de verdediging, van tegenspraak en van wapengelijkheid, met het wettigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en met het beginsel van de formele motiveringsplicht zoals gewaarborgd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling niet langer het advies vereist van de Commissie van advies voor vreemdelingen bij de beslissing over de toegang tot het grondgebied wanneer de vreemdeling « geacht wordt de internationale betrekkingen van België of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, te kunnen schaden ». A.8.2. De Ministerraad verwijst naar zijn repliek op het negenenvijftigste middel, waarin de verzoekende partijen hun grief verder hebben ontwikkeld. A.9.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een zesde middel af uit de schending, door artikel 6 van de bestreden wet, van de artikelen 19 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 19 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 11 en 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling, door het schrappen van het voormelde advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, op onevenredige wijze beperkt. De bepaling staat de bevoegde minister immers toe de toegang tot het grondgebied te weigeren wanneer hij meent dat de vreemdeling door de uitoefening van zijn voormelde rechten de internationale betrekkingen kan schaden. A.9.2. De Ministerraad merkt op dat de bestreden bepaling in grote mate op de Schengengrenscode steunt en dat ook de verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna : de Visumcode) een soortgelijke bepaling bevat, als reden om tot de weigering van een visum te besluiten. Beide voormelde Codes hebben rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde, zodat een vernietiging van de bestreden bepaling geen nuttig effect zou hebben. De Schengengrenscode vermeldt in overweging 36 overigens dat zij « [wordt] uitgevoerd met inachtneming van de verplichtingen van de lidstaten inzake internationale bescherming en non-refoulement ». Ook artikel 3 van de Vreemdelingenwet dient te worden toegepast met eerbiediging van grondrechten, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging. De door de verzoekende partijen vermelde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betrof volgens de Ministerraad geen weigering vanwege een mogelijke negatieve invloed op de internationale betrekkingen, maar een weigering vanwege kritiek op de betrokken lidstaat zelf. A.10.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een zevende middel af uit de schending, door artikel 6 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het standstill-« beginsel » zoals opgenomen in de Associatieovereenkomst met Turkije, met name in artikel 41 van het Aanvullend Protocol daarbij en in artikel 13 van het Besluit 1/80. De voormelde artikelen bepalen dat de lidstaten geen nieuwe beperkingen mogen invoeren ten aanzien van de vestiging van Turkse onderdanen in de Europese Gemeenschap (artikel 41) en ten aanzien van de toegang tot de arbeidsmarkt van Turkse werknemers en hun gezinsleden (artikel 13). De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling in strijd is met het door die artikelen ingevoerde standstill-« beginsel ». Zij voert ook een onverantwoord onderscheid in tussen de Turkse onderdanen die worden geacht de openbare orde of nationale veiligheid te schaden en de andere Turkse onderdanen. Voor de eerste categorie wordt het recht om zich in België te vestigen en er te verblijven bemoeilijkt, in strijd met de aangevoerde bepalingen. A.10.2. De Ministerraad merkt op dat maatregelen niet onder de toepassing van het standstill-« beginsel » vallen wanneer zij een verantwoording vinden in een dwingende reden van algemeen belang. Hij verwijst daarvoor naar de rechtspraak van het Hof van Justitie. De bescherming van de openbare orde en veiligheid en de bescherming van de volksgezondheid zouden een dwingende reden van algemeen belang zijn. Bovendien zijn de beperkingen die de bestreden bepaling inhoudt pertinent en evenredig ten aanzien van de voormelde doelstellingen van algemeen belang. 9 A.11.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een achtste middel af uit de schending, door artikel 6 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de algemene beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid, gelijkheid en « informationele zelfbeschikking ». De grief wordt nader uiteengezet in het middel ten aanzien van artikel 17 van de bestreden wet. A.11.2. De Ministerraad verwijst naar zijn repliek op het achtentwintigste middel, waarin de verzoekende partijen hun grief verder hebben ontwikkeld. Wat de artikelen 12 tot 14 van de bestreden wet betreft (artikelen 21 tot 23 van de Vreemdelingenwet) A.12.1.1. In het eerste onderdeel van het tweede middel klaagt de OBFG, verzoekende partij in de zaak nr. 6749, aan dat de bestreden bepalingen het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, dat is gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij de artikelen 17 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook het hoger belang van het kind, dat wordt beschermd bij artikel 22bis van de Grondwet, bij artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, al dan niet in samenhang gelezen met het standstill-« beginsel », schenden. Zij doet gelden dat het niveau van bescherming van de betrokken vreemdelingen zonder redelijke verantwoording significant is achteruitgegaan. De OBFG gaat ervan uit dat de onnauwkeurigheid van de gradatie en van het criterium van gevaarlijkheid de vereiste schendt van een wettelijke grondslag voor de inmenging in de voormelde rechten die de verwijderingsmaatregel vormt. Zij voegt eraan toe dat hetzelfde geldt voor het begrip « fundamenteel belang van de samenleving » en dat de bestreden bepalingen het mogelijk maken een vreemdeling van het grondgebied te verwijderen zelfs indien hij geen enkel misdrijf heeft gepleegd, alleen op basis van een subjectieve analyse van hypothetische feiten of gedragingen. Zij is van mening dat het evenmin mogelijk is de noodzaak en de evenredigheid van de verwijdering correct te beoordelen wegens de onnauwkeurigheid van de in de wet gebruikte termen en wegens de afschaffing van de vroegere uitzonderingen op de mogelijkheid tot verwijdering. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.1.2. De Ministerraad zet uiteen dat het met opzet is dat de wetgever de hypothesen die vallen onder het begrip « redenen van openbare orde of nationale veiligheid » en het begrip « ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid » niet uitputtend heeft opgesomd, aangezien die begrippen afhangen van de omstandigheden van de zaak. Hij preciseert dat de tekst van de bestreden wet aan de administratieve overheid een ruime beoordelingsbevoegdheid toekent, wat haar de mogelijkheid biedt alle mogelijke casuïstische situaties in ogenschouw te nemen maar die de wet niet onvoorzienbaar of onbegrijpelijk maakt. Hij voegt eraan toe dat de bevoegde overheid steeds geval per geval dient na te gaan of de bedreiging die de betrokkene voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, voldoende ernstig is en daartoe dient die overheid alle relevante feitelijke en juridische elementen in overweging te nemen. Hij brengt bovendien in herinnering dat de ruime beoordelingsbevoegdheid die de administratieve overheid geniet, wordt gecompenseerd door de aan de vreemdelingen geboden procedurele waarborgen en dat de beslissing van de overheid het gevolg is van een individueel onderzoek dat onder meer een afweging van de aanwezige belangen omvat. In verband met de afschaffing van de uitzonderingen met betrekking tot de vreemdeling die in België is geboren of vóór de leeftijd van twaalf jaar is aangekomen en die sindsdien hoofdzakelijk op het grondgebied heeft verbleven, betoogt de Ministerraad dat de achteruitgang van de bescherming te hunnen aanzien wordt verantwoord door dwingende redenen, namelijk de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid, en hij herinnert eraan dat, wanneer de administratieve overheid een einde maakt aan het verblijf, zij rekening dient te houden met het bestaan van banden met het land van verblijf of met het ontbreken van banden met het land van oorsprong, met de leeftijd van de betrokkene en met de gevolgen van de beslissing voor hem en voor zijn familie. Hij besluit daaruit dat de inmenging in het recht op een privé- en gezinsleven het voorwerp uitmaakt van een concreet onderzoek door de administratieve overheid. A.12.1.3. De verzoekende partij wijst erop dat alle feiten die door de Ministerraad als voorbeeld worden aangehaald, door het Stafwetboek gedekt zijn, zodat de vereiste van een strafrechtelijke veroordeling in de wet 10 had moeten staan. Zij herinnert eraan dat haar voornaamste grief is afgeleid uit het gebruik in de bestreden bepalingen van het woord « redenen », waardoor een op objectieve feiten gebaseerde analyse niet mogelijk is. A.12.1.4. De Ministerraad herinnert eraan dat de administratieve overheid elke situatie in haar geheel moet onderzoeken teneinde na te gaan of de vereiste graad van ernst wordt bereikt, zodat eenzelfde misdrijf, naar gelang van de omstandigheden van de zaak, een reden van openbare orde, een ernstige reden van openbare orde of een dwingende reden van nationale veiligheid kan vormen. Hij gaat ervan uit dat de bestreden wet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin wordt erkend dat in bepaalde gevallen rekening kan worden gehouden met een eenvoudige verdenking een strafbaar feit te hebben gepleegd. Ten aanzien van de dwingende redenen die de afschaffing verantwoorden van de uitzonderingen op de mogelijkheid om een einde te maken aan het verblijf, preciseert de Ministerraad dat het gaat om de bescherming en de handhaving van de openbare orde en de nationale veiligheid. A.12.2.1. In het tweede onderdeel klaagt de OBFG het feit aan dat de verwijderde vreemdeling ook het voorwerp kan uitmaken van een tweede sanctie, namelijk een inreisverbod, terwijl, aangezien het onderzoek van de evenredigheid voor elk van die sancties afzonderlijk is opgevat, de door de cumulatie van beide sancties veroorzaakte zwaarte wordt gemaskeerd. In ondergeschikte orde verzoekt zij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.2.2. De Ministerraad doet gelden dat het feit dat bij de beoordeling van het evenredige karakter van de inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven geen rekening wordt gehouden met de cumulatie van de beslissingen niet voortvloeit uit de bestreden wet maar wel uit de toepassing die ervan zal worden gemaakt door de bevoegde overheid. Hij brengt bovendien in herinnering dat de vroegere versie van artikel 26 van de Vreemdelingenwet automatisch de afgifte van een inreisverbod gelijktijdig met de verwijderingsbeslissing oplegde. A.12.3.1. In het derde onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepalingen de uitzondering op de mogelijkheid tot verwijdering hebben afgeschaft die voordien bestond en die de vreemdeling beoogde die in het Rijk is geboren of die er vóór de leeftijd van twaalf jaar was aangekomen en die er sindsdien hoofdzakelijk en regelmatig had verbleven. Zij herinnert eraan dat de vreemdelingen die bijzonder geïntegreerd zijn en die in hun land van verblijf leven alsof het hun eigen land was, bij artikel 12, lid 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten tegen verwijderingsmaatregelen gevrijwaard zijn. A.12.3.2. De Ministerraad is van mening dat artikel 12, lid 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet dienstig kan worden aangevoerd aangezien het bestreden artikel de onderdanen van derde Staten beoogt en niet ten doel heeft hun te verbieden hun eigen land binnen te komen. A.12.3.3. De verzoekende partij wijst erop dat de uitdrukking « zijn eigen land » net verwijst naar een andere en ruimere werkelijkheid dan de uitdrukking « het land van de nationaliteit ». Zij haalt dienaangaande de mededeling « Warsame t. Canada » van 1 september 2011 van het Comité voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties aan. A.12.4.1. In het vierde onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepalingen de algemene beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen en het recht op het vermoeden van onschuld schenden wegens de vereiste drempels inzake gevaarlijkheid. Zij is van mening dat de wet toelaat een vreemdeling te verwijderen op grond van subjectieve en hypothetische veeleer dan objectieve en werkelijke beoordelingen. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.4.2. De Ministerraad doet gelden dat de grief, die alleen is afgeleid uit de aantasting van de rechtszekerheid, niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort en bijgevolg onontvankelijk is. In ondergeschikte orde verwijst hij naar zijn argumentatie in antwoord op het eerste onderdeel van het middel. A.12.5.1. In het vijfde onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepalingen de aan de verwijderingsbeslissing voorafgaande procedure bij de Commissie van advies voor vreemdelingen hebben afgeschaft, zodat de waarborgen welke die procedure bood ten aanzien van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, van het recht op een eerlijke administratieve procedure, van het recht op « behoorlijk bestuur », met inbegrip van het recht om te worden gehoord, volledig werden geschrapt. Zij is van mening dat die achteruitgang significant en niet verantwoord is. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 11 A.12.5.2. De Ministerraad herinnert eraan dat de aangevoerde beginselen van toepassing blijven op de administratieve overheid, zodat de vreemdeling de mogelijkheid heeft alle elementen te doen gelden die hij dienstig acht om zijn verblijfsmachtiging te behouden, binnen dezelfde termijn van vijftien dagen als die welke voordien gold om een zaak aanhangig te maken bij de Commissie van advies voor vreemdelingen. Hij voegt eraan toe dat de vreemdelingen ook over een jurisdictioneel beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikken. A.12.6.1. In het zesde onderdeel klaagt de OBFG aan dat de artikelen 12 en 13 van de bestreden wet een niet-verantwoord verschil in behandeling tussen vreemdelingen instellen naargelang zij al dan niet gevestigd of langdurig ingezetenen zijn, aangezien de overheid, in het eerste geval, melding dient te maken van « ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid » terwijl zij, in het tweede geval, slechts melding dient te maken van « eenvoudige redenen van openbare orde of nationale veiligheid » om een einde te maken aan het verblijf. De verzoekende partij ziet niet in in welk opzicht de bedreiging voor de openbare orde die de beëindiging van het verblijfsrecht zou kunnen verantwoorden, zou moeten afhangen van de administratieve status van de betrokkene. A.12.6.2. De Ministerraad gaat ervan uit dat die categorieën van vreemdelingen zich niet in vergelijkbare situaties bevinden, dat het verschil in behandeling op een objectief en relevant criterium berust en dat het evenredig is met de nagestreefde doelstelling aangezien de vreemdelingen die sinds langere tijd in België verblijven beter beschermd zijn tegen een beslissing waarbij een einde wordt gemaakt aan hun verblijfsrecht. A.12.7.1. In het zevende onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepalingen onmiddellijk van toepassing zijn en bijgevolg het beginsel van de niet-retroactiviteit van de straffen schenden dat wordt gewaarborgd bij artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, beginsel dat van toepassing is op de administratieve maatregelen krachtens het recht op rechtszekerheid en krachtens het vertrouwensbeginsel. Zij doet gelden dat een maatregel van openbare veiligheid, zelfs indien hij door de wetgever formeel niet als straf wordt aangemerkt, aan de criteria voldoet die het mogelijk maken hem als een strafrechtelijke of repressieve maatregel te beschouwen. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.7.2. De Ministerraad doet gelden dat de administratieve maatregelen van uitzetting uit het grondgebied of verbod om het te betreden niet als straffen in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kunnen worden beschouwd. A.12.8.1. In het achtste onderdeel doet de OBFG gelden dat het bestreden artikel 12, door de procedure voor de Commissie van advies voor vreemdelingen, en bijgevolg de mogelijkheid voor de betrokken vreemdeling om te worden gehoord, af te schaffen, artikel 12 van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen schendt. A.12.8.2. De Ministerraad wijst erop dat artikel 12 van de voormelde richtlijn niet de verplichting oplegt dat de vreemdeling wordt gehoord vóór het nemen van de verwijderingsmaatregel. Hij preciseert daarenboven dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet, ingevoegd bij artikel 45 van de bestreden wet, het recht om te worden gehoord waarborgt aan elke persoon ten aanzien van wie een beslissing wordt overwogen die nadeel kan berokkenen. A.12.9.1. In het negende onderdeel doet de OBFG gelden dat het bestreden artikel 13 artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie schendt aangezien het de vreemdeling niet beschermt tegen een terugzending naar zijn land van oorsprong wanneer hij het gevaar loopt er aan foltering of onmenselijke of vernederende behandelingen te worden onderworpen, maar alleen tegen een terugzending naar een land dat het non-refoulementbeginsel mogelijkerwijs niet in acht zou nemen. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.9.2. De Ministerraad herinnert eraan dat België het non-refoulementbeginsel in acht neemt, dat integraal deel uitmaakt van het Belgisch positief recht. Hij leidt daaruit af dat in de grief wordt uitgegaan van een verkeerd postulaat. 12 A.12.10.1. In het tiende onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepalingen het vroegere voorbehoud niet hebben gehandhaafd volgens hetwelk de vreemdeling niet kan worden verweten dat hij een wetsconform gebruik heeft gemaakt van de vrijheid om zijn mening te uiten, van de vrijheid van vreedzame vergadering en van de vrijheid van vereniging. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.10.2. De Ministerraad doet gelden dat de bestreden bepalingen geen enkele beperking instellen van de uitoefening van de in de grief vermelde vrijheden, die door de Grondwet beschermd en gewaarborgd blijven. A.12.11.1. In het elfde onderdeel klaagt de OBFG aan dat de bestreden bepalingen het mogelijk maken dat een vreemdeling wordt verwijderd zodra er redenen, in voorkomend geval ernstige redenen, zijn om hem gevaarlijk te achten, los van elke strafrechtelijke procedure. Zij onderstreept dat indien een strafrechtelijke procedure lopende is of indien zij later wordt opgestart, de betrokkene niet langer het vermoeden van onschuld geniet omdat de strafrechtelijke beslissing onvermijdelijk zal worden beïnvloed door de administratieve beslissing waarin hij als gevaarlijk wordt beschouwd. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.11.2. De Ministerraad herinnert eraan dat de bestreden bepalingen geen strafrechtelijke bepalingen zijn. A.12.12.1. In het twaalfde onderdeel doet de OBFG gelden dat door geen melding te maken van de gezondheidstoestand van de betrokken persoon, noch van het hoger belang van het kind, artikel 23 van de Vreemdelingenwet, gewijzigd bij het bestreden artikel 14, artikel 4 van de Terugkeerrichtlijn, alsook artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.12.2. De Ministerraad wijst erop dat artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet, dat van toepassing is op de beslissingen genomen op grond van de bestreden bepalingen, de verplichting oplegt rekening te houden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling bij het nemen van een beslissing tot verwijdering. A.12.13.1. In het dertiende onderdeel klaagt de OBFG een discriminatie van de vreemdelingen aan, die het voorwerp kunnen uitmaken van een sanctie, namelijk een uitzetting, om « redenen » of « ernstige redenen » van openbare orde, terwijl geen enkele sanctie een eigen onderdaan kan treffen. Zij doet gelden dat de situatie van een persoon van wie het gedrag redenen of ernstige redenen van openbare orde vormt die verantwoorden dat maatregelen worden genomen om de samenleving te beschermen identiek is, ongeacht of het om een eigen onderdaan dan wel om een vreemdeling gaat, zodat de situaties vergelijkbaar zijn. Zij brengt daarenboven dienaangaande in herinnering dat de nationaliteit een zeer verdacht criterium van onderscheid is. Zij voegt eraan toe dat de onnauwkeurigheid van de wet ten aanzien van de gevaarlijkheidscriteria het niet mogelijk maakt een duidelijke doelstelling te identificeren en dus een evenredigheidstoets uit te voeren en preciseert dat de wetgever zich niet heeft afgevraagd of er, om dezelfde doelstelling van openbare veiligheid te bereiken, geen andere middelen waren die minder afbreuk doen aan de in het geding zijnde rechten. A.12.13.2. De Ministerraad herinnert eraan dat de bestreden bepalingen niet van toepassing zijn op de Belgen en leidt daaruit af dat de aangevoerde discriminatie er niet uit voortvloeit. A.13.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een negende middel af uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 14 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6, 7, 15 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het wettigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij voeren aan dat krachtens de bestreden bepaling het verblijf van een derdelander kan worden beëindigd en dat een bevel om het grondgebied te verlaten kan worden afgegeven « om redenen van openbare orde of nationale veiligheid », zonder te verantwoorden waarom de voorheen voorziene bescherming werd opgeheven, zonder nader te definiëren wat onder de voormelde redenen ressorteert en zonder dat de maatregel in verhouding staat tot het doel van de wet. 13 De bepaling is volgens de verzoekende partijen een inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, het recht op vrijheid en veiligheid en het recht om te werken. Die bepaling is niet voldoende duidelijk en laat de nadere invulling van de regeling over aan de administratie (eerste onderdeel). Om dezelfde reden is het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 191 van de Grondwet geschonden (tweede onderdeel). Bovendien zou het verschil in behandeling tussen derdelanders en de rest van de bevolking en tussen derdelanders onderling, naargelang de voormelde redenen wel of niet voorhanden zijn, niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en zou de maatregel evenmin voldoen aan de evenredigheidstoets van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (derde onderdeel). Ten slotte zou de opheffing van de vroegere, ruimere bescherming tegen uitwijzing, zonder dat in overgangsmaatregelen is voorzien, op discriminerende wijze afbreuk doen aan het vertrouwensbeginsel (vierde onderdeel) en het beginsel van rechtszekerheid en niet-retroactiviteit (vijfde onderdeel). A.13.2. Wat de grief inzake de onduidelijke draagwijdte van de begrippen « openbare orde » en « nationale veiligheid » betreft, verwijst de Ministerraad naar zijn repliek op het vierde middel van de verzoekende partijen (A.7.2) alsook naar de omstandige toelichting in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet en de invulling van die begrippen in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Bovendien formuleert artikel 14 van de bestreden wet nadere procedurele voorwaarden die de beoordelingsvrijheid van de administratie afbakenen en de evenredigheid van de maatregel waarborgen. Wat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, betwist de Ministerraad in de eerste plaats de vergelijkbaarheid van de situaties. Bovendien berust het verschil in behandeling op een objectief criterium, streeft het een wettig doel na en is het pertinent en evenredig. De Ministerraad beklemtoont dat de in artikel 12 bepaalde maatregel een administratieve maatregel inzake het verblijfsrecht van de vreemdeling betreft, die los staat van enige strafrechtelijke vervolging. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan onderzoeken of de maatregel niet op kennelijk onredelijke wijze tot stand is gekomen en die bevoegdheid beantwoordt aldus aan de vereisten van een daadwerkelijk rechtsmiddel (zie arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008). Wat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven betreft, verwijst de Ministerraad naar de zogenaamde Boultif-criteria, die ook in het arrest Üner t. Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 oktober 2006 werden samengevat en waarmee de bestreden wet volledig in overeenstemming is. Wat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel betreft, merkt de Ministerraad op dat een verwijderingsmaatregel niet louter kan steunen op feiten die dateren van vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet, indien zij geen actueel gevaar meer impliceren. A.14.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een tiende middel af uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling, door bijna alle derdelanders die op wettige wijze in België verblijven op dezelfde manier te behandelen, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt. Vóór de wijziging van artikel 21 van de Vreemdelingenwet bij de bestreden bepaling werden verschillende categorieën van vreemdelingen verschillend behandeld omdat ze zich in een andere situatie bevonden, met name wat hun privé- en gezinsleven betrof. Derdelanders die in België geboren zijn of op jonge leeftijd naar België zijn gekomen, worden bijvoorbeeld op dezelfde manier behandeld als derdelanders die pas recent naar België zijn gekomen. De versnelling en vereenvoudiging van de procedure zou niet volstaan ter verantwoording van de gelijke behandeling van de verschillende categorieën. A.14.2. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden wet, bijvoorbeeld in artikel 13, voor bepaalde categorieën van derdelanders wel degelijk in een bijzondere maatregel voorziet, naar gelang van de aard van het verblijfsrecht en de duurzaamheid van de banden met België. Daarenboven dient de administratie in elke zaak een geïndividualiseerde beslissing te nemen, zoals blijkt uit de artikelen 12 en 14. De hechtheid van de banden met België wordt in rekening gebracht bij de beoordeling van de « voldoende ernstige bedreiging ». Er zou bijgevolg geen sprake zijn van een automatische gelijke behandeling van verschillende categorieën. A.15.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een elfde middel af uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de rechten van de verdediging, met het recht op een eerlijk proces en met het vermoeden van onschuld. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling de voormelde artikelen en beginselen schendt doordat zij niet erin voorziet dat de betrokkene in België kan blijven voor de duur van de eventuele rechtszaak die tegen hem zou worden ingeleid of zelfs voor de duur van het strafonderzoek, en doordat zij niet erin voorziet dat hij in geval van vrijspraak met terugwerkende kracht zijn verblijfsrecht kan herwinnen 14 (eerste onderdeel). Zij voeren tevens aan dat de bestreden bepaling het gelijkheidsbeginsel schendt, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces, doordat de vreemdelingen die het voorwerp uitmaken van een strafproces zich voor een strafrechtbank kunnen verdedigen, in tegenstelling tot de vreemdelingen die niet het voorwerp uitmaken van een strafproces maar ten aanzien van wie louter op grond van vermoedens een administratieve beslissing wordt genomen (tweede onderdeel). Zij zijn ten slotte van oordeel dat het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen daadwerkelijk rechtsmiddel is, in vergelijking met een strafproces. Dat beroep zou niet toelaten de redenen van de betwiste maatregel daadwerkelijk te betwisten, aangezien de bewijslast van de afwezigheid van redenen van openbare orde of nationale veiligheid bijna onmogelijk is. Een effectief onderzoek, zoals vereist door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zou niet mogelijk zijn in het kader van de marginale toetsing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. A.15.2. De Ministerraad wijst allereerst op de vaste rechtspraak van de Raad van State volgens welke de Dienst Vreemdelingenzaken bij de toepassing van de vreemdelingenreglementering niet gehouden is door het strafrechtelijk vermoeden van onschuld. Hij verwijst in dat verband ook, mutatis mutandis, naar het arrest van het Hof nr. 17/2009 van 12 februari 2009 (B.37.3). Vervolgens merkt hij op dat een vreemdeling zich steeds in een strafproces door een advocaat kan laten vertegenwoordigen teneinde zijn verdediging waar te nemen, zodat zijn rechten van de verdediging zijn gewaarborgd. Bovendien kan een beslissing genomen op grond van de bestreden bepaling ter toetsing worden voorgelegd aan een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Uit de rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat die rechter, zonder de feiten als zodanig te beoordelen, op gedegen wijze kan nagaan of de administratie in alle redelijkheid tot « redenen van openbare orde of nationale veiligheid » heeft besloten. A.16.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een twaalfde middel af uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 12 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 48 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met het beginsel non bis in idem, met de rechten van de verdediging en met het vermoeden van onschuld. Zij voeren aan dat de intrekking van het verblijfsrecht een straf is volgens de criteria van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maar dat de wetgever de daarvoor geldende waarborgen niet in acht heeft genomen. De bedoelde waarborgen zijn het wettigheidsbeginsel en de daaruit voortvloeiende vereisten van voorspelbaarheid en niet-retroactiviteit (eerste onderdeel), het vermoeden van onschuld (tweede onderdeel), de rechten van de verdediging en het recht op toegang tot de rechter (derde onderdeel), het beginsel non bis in idem (vierde onderdeel) en het beginsel van de individualisering van de straf, doordat voor de verschillende mogelijke schendingen van de openbare orde en de nationale veiligheid slechts in één straf is voorzien (vijfde onderdeel). Bovendien moeten vreemdelingen die legaal op het grondgebied verblijven op strafrechtelijk vlak gelijk worden behandeld als nationale onderdanen. A.16.2. Volgens de Ministerraad is de bestreden maatregel geen straf in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aangezien de toepassing ervan los staat van een strafrechtelijke veroordeling. Bovendien valt het recht op verblijf en vestiging van vreemdelingen niet onder de toepassing van artikel 6 van hetzelfde Verdrag. Het betreft ook geen sanctie wegens het niet naleven van een bepaald opgelegd gedrag, maar een louter administratieve maatregel ter bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid. Voor het overige herhaalt de Ministerraad dat de bestreden bepaling voldoende duidelijk is, dat zij geen terugwerkende kracht heeft, dat een beroepsmogelijkheid bestaat, dat er geen sprake is van een dubbele bestraffing of van een ongelijke behandeling en dat de administratie in elke zaak een geïndividualiseerde beslissing dient te nemen. A.17.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een dertiende middel af uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de scheiding der machten. Zij voeren aan dat bestuurlijke handhaving is toegestaan, op voorwaarde dat in een rechterlijke controle met volle rechtsmacht is voorzien. Het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou niet aan die voorwaarde voldoen. In andere gevallen waarin een administratieve sanctie wordt opgelegd, hebben de betrokkenen wel toegang tot een rechter die over volle rechtsmacht beschikt. 15 A.17.2. De Ministerraad merkt op dat de administratieve beslissing die met toepassing van artikel 21 van de Vreemdelingenwet wordt genomen, geen administratieve sanctie is, gelet op het ontbreken van een bestraffende finaliteit. A.18.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een veertiende middel af uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 24 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 3, 9, 12 en 40, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling niet in de verplichting voorziet om bij elke beslissing rekening te houden met het belang van het kind (eerste en vijfde onderdeel), om minderjarige delinquenten te re-integreren (tweede onderdeel), om de persoonlijke relatie van de minderjarige met zijn ouders te vrijwaren (derde onderdeel) en om de kinderen die door de betrokken beslissing worden geraakt te horen (vierde onderdeel). Daaruit vloeit een verschil in behandeling voort tussen kinderen van wie de ouder het voorwerp is van een beslissing die met toepassing van artikel 21 van de Vreemdelingenwet wordt genomen en de andere kinderen. Voor de eerste categorie van kinderen is de naleving van de rechten van het kind niet gewaarborgd, terwijl dat voor de tweede categorie van kinderen wel het geval is. A.18.2. De Ministerraad wijst op artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet, dat de minister of zijn gemachtigde verplicht rekening te houden met het hoger belang van het kind. Krachtens artikel 24 van dezelfde wet is die bepaling van toepassing op de vreemdeling die een bevel heeft gekregen om het grondgebied verlaten. Bovendien moet op grond van artikel 23 van dezelfde wet rekening worden gehouden met de gevolgen van de beslissing voor de vreemdeling en zijn familieleden, dus met inbegrip van de minderjarige kinderen. Wat het tweede onderdeel betreft, kan de verplichting tot re-integratie van minderjarige delinquenten volgens de Ministerraad niet eraan in de weg staan dat in welbepaalde gevallen, wanneer redenen van openbare orde of nationale veiligheid daartoe nopen, tot beëindiging van het verblijfsrecht van een minderjarige kan worden besloten, mits de noodzakelijke waarborgen in acht worden genomen. Wat het derde onderdeel betreft, herhaalt de Ministerraad dat louter op basis van een eerdere strafrechtelijke veroordeling niet tot beëindiging van het verblijf kan worden besloten en dat steeds het evenredigheidsbeginsel moet worden nageleefd. Met betrekking tot het vierde onderdeel is de Ministerraad van oordeel dat het recht om te worden gehoord is gewaarborgd in het kader van administratieve beslissingen die rechtstreeks het minderjarige kind betreffen. A.19.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een vijftiende middel af uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling van toepassing is op de langdurig ingezetenen van de Europese Unie, waardoor zij een verschil in behandeling doet ontstaan ten aanzien van EU-onderdanen dat niet redelijk verantwoord is. Een EU-onderdaan die langer dan tien jaar op het grondgebied is, kan minder snel een bevel krijgen om het grondgebied te verlaten dan een langdurig ingezetene van de Europese Unie. Bovendien kan een minderjarige langdurig ingezetene worden verwijderd, doch een minderjarige EU-onderdaan niet. Ten slotte zijn de criteria waarbij men bij het beëindigen van het verblijf of bij de verwijdering rekening dient te houden, niet dezelfde voor beide categorieën. De bepaling zou daardoor ook de artikelen 11 en 12 van de richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen schenden. Uit die richtlijn blijkt immers de bedoeling dat EU-onderdanen en langdurig ingezetenen van de Europese Unie dezelfde rechten kunnen genieten in de lidstaten waar zij zich vestigen. A.19.2. De Ministerraad betwist dat de in het middel met elkaar vergeleken categorieën dezelfde rechten inzake vrijheid van verkeer zouden genieten. De langdurig ingezetenen van de Europese Unie zijn aan een eigen verblijfsreglementering onderworpen die verschilt van de reglementering voor Unieburgers en hun familieleden. Een langdurige ingezetene zal bijvoorbeeld reeds bij een afwezigheid van twaalf maanden op het grondgebied van de Europese Unie zijn verblijfsstatus verliezen alsook de daaraan verbonden rechten van vrijheid van verkeer. De Ministerraad leidt daaruit af dat de betrokken categorieën niet vergelijkbaar zijn en dat hun ongelijke behandeling in elk geval op een objectief criterium berust, een wettig doel nastreeft en pertinent en evenredig is. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat de artikelen 11 en 12 van de aangehaalde richtlijn geen betrekking hebben op het verblijf van een door een lidstaat erkende langdurig ingezetene op het grondgebied van de andere lidstaten, die immers onder een ander hoofdstuk van die richtlijn ressorteert. De bestreden regeling zou volledig in overeenstemming zijn met de vermelde richtlijn. A.20.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een zestiende middel af uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het standstill-« beginsel » zoals opgenomen in de Associatieovereenkomst met Turkije, met name in artikel 41 van 16 het Aanvullend Protocol en in artikel 13 van het Besluit 1/80. Zij verwijzen hiervoor naar hetgeen zij in het zevende middel hebben uiteengezet (A.10.1). A.20.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het zevende middel (A.10.2). A.21.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een zeventiende middel af uit de schending, door artikel 13 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 14, 105, 108 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6, 7, 15 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het wettigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij voeren aan dat krachtens de bestreden bepaling het verblijf van een gevestigde derdelander, van een langdurig ingezetene of van een vreemdeling in ononderbroken legaal verblijf van meer dan tien jaar kan worden beëindigd en dat een bevel om het grondgebied te verlaten kan worden afgegeven « om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid », zonder nader te definiëren wat onder de voormelde redenen ressorteert en zonder dat de maatregel in verhouding staat tot het doel van de wet. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling zou een brede interpretatie geven aan de rechtspraak van het Hof van Justitie en meer feiten vermelden dan degene die dat Hof daadwerkelijk als ernstig genoeg heeft beschouwd om een uitwijzing te verantwoorden. Die rechtspraak bevestigt enkel dat « ernstige redenen » ernstiger zijn dan gewone « redenen » maar minder ernstig dan « dwingende redenen ». De bepaling is volgens de verzoekende partijen een inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Die bepaling is niet voldoende duidelijk en laat de nadere invulling van de regeling over aan de administratie (eerste onderdeel). Om dezelfde reden zijn het rechtszekerheidsbeginsel en het wettigheidsbeginsel vervat in de artikelen 105, 108 en 191 van de Grondwet geschonden (tweede en zesde onderdeel). Bovendien zou het verschil in behandeling tussen langdurig verblijvende derdelanders en de anderen, naargelang de voormelde ernstige redenen wel of niet voorhanden zijn, niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en zou de maatregel evenmin voldoen aan de evenredigheidstoets van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (derde onderdeel). Doordat niet is vereist dat de betrokkene strafrechtelijk veroordeeld is, zouden het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden (vierde onderdeel) en doordat de bestreden bepaling ook van toepassing is op feiten en gedragingen die van voor haar inwerkingtreding dateren, zou het beginsel van niet-retroactiviteit zijn geschonden (vijfde onderdeel). A.21.2. De Ministerraad merkt allereerst op dat het onderscheid tussen de begrippen « redenen », « ernstige redenen » en « dwingende redenen » van openbare orde of nationale veiligheid op omstandige wijze is toegelicht in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet en de daarin vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie. Bovendien moet de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris geval per geval het gedrag van de betrokken derdelander of Unieburger beoordelen en dient hij de procedurele voorwaarden bepaald in artikel 14 van de bestreden wet in acht te nemen, die onder meer impliceren dat rekening moet worden gehouden met de duur van het verblijf in het Rijk en met de gevolgen voor de derdelander en zijn familieleden. De Ministerraad verwijst ook nogmaals naar de beroepsmogelijkheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vaststelling dat de betrokkene niet strafrechtelijk veroordeeld moet zijn, vindt bevestiging in de achtste considerans van de reeds vermelde richtlijn 2003/109/EG. Wat de betwiste retroactiviteit van de maatregel betreft, verwijst de Ministerraad naar zijn repliek op het negende middel (A.13.2). A.22.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een achttiende middel af uit de schending, door artikel 13 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de rechten van de verdediging, met het recht op een eerlijk proces en met het vermoeden van onschuld. Zij verwijzen hiervoor naar hun uiteenzetting van het elfde middel (A.15.1). A.22.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het elfde middel (A.15.2). A.23.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een negentiende middel af uit de schending, door artikel 13 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, het wettigheidsbeginsel, het beginsel non bis in idem, de rechten van de verdediging en het vermoeden van onschuld. Zij verwijzen hiervoor naar hun uiteenzetting van het twaalfde middel (A.16.1). 17 A.23.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het twaalfde middel (A.16.2). A.24.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een twintigste middel af uit de schending, door artikel 13 van de bestreden wet, van het beginsel van de scheiding der machten. Zij verwijzen hiervoor naar hun uiteenzetting van het dertiende middel (A.17.1). A.24.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het dertiende middel (A.17.2). A.25.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een eenentwintigste middel af uit de schending, door artikel 13 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 33 van het Internationaal Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en met de artikelen 44 en 45 van de richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (hierna : de Procedurerichtlijn). Het uitgangspunt dat een veroordeelde voor een bijzonder ernstig misdrijf automatisch een bedreiging vormt voor de openbare orde is volgens de verzoekende partijen in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het evenredigheidsbeginsel, omdat bij een uitwijzing in elk geval rekening moet worden gehouden met het privé- en gezinsleven, met de gezondheidstoestand en met de integratie van de betrokkene. Het automatisme is bovendien in strijd met het beginsel van non-refoulement dat door het Unierecht wordt gewaarborgd (eerste onderdeel) en met de Procedurerichtlijn die de minimumvereisten voor de asielprocedure bepaalt (tweede onderdeel). Ten slotte bestaat volgens de verzoekende partijen geen redelijke verantwoording voor het feit dat de in België erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden beter worden behandeld dan de in een andere EU-lidstaat erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden die zich later als langdurig ingezetenen in België vestigen (derde onderdeel). A.25.2. De Ministerraad merkt allereerst op dat de bestreden maatregel werd overgenomen uit de artikelen 52/4 en 55/3/1 van de Vreemdelingenwet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015 die de loutere omzetting beoogde van de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna : de Kwalificatierichtlijn). Hij verwijst voorts naar de waarborgen die voortvloeien uit de artikelen 22 en 23 van de Vreemdelingenwet, waaruit met name blijkt dat de betrokkene niet mag worden verwijderd naar een land waar hij wordt blootgesteld aan een schending van het beginsel van non-refoulement. Wat het tweede onderdeel betreft, wijst de Ministerraad op de mogelijke vorderingen op grond van artikel 39/82 van de Vreemdelingenwet. De maatregel impliceert overigens geen intrekking van de door een andere lidstaat geboden internationale bescherming, zodat de procedure niet dient te beantwoorden aan de door de Procedurerichtlijn gestelde waarborgen. Wat het derde onderdeel betreft, meent de Ministerraad dat de betrokken categorieën van vluchtelingen niet vergelijkbaar zijn en, in ondergeschikte orde, dat het verschil in behandeling verantwoord is door de doelstelling van bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid. A.25.3. De verzoekende partijen wijzen erop dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie over de geldigheid en uitlegging van artikel 14, lid 4, van de voormelde Kwalificatierichtlijn. Ook bij de omzetting van een richtlijn moet het Internationaal Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen worden nageleefd. Voorts betwisten zij dat de beschikbare beroepsmogelijkheden voldoen aan de vereisten van artikel 46, lid 3, van de Procedurerichtlijn. A.25.4. Met de verwijzing naar die prejudiciële vragen betwisten de verzoekende partijen volgens de Ministerraad in wezen de verenigbaarheid van artikel 52/4 van de Vreemdelingenwet met het voormelde Verdrag, terwijl die bepaling reeds werd ingevoegd bij wet van 10 augustus 2015 en niet het voorwerp is van het beroep tot vernietiging. Hij merkt op dat het thans bestreden artikel 13, § 2, tweede lid, van de wet van 24 februari 2017 veeleer de omzetting vormt van artikel 21 van de Kwalificatierichtlijn. De bestreden bepaling zou volkomen verenigbaar zijn met de artikelen 32 en 33 van het voormelde Verdrag. A.26.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een tweeëntwintigste middel af uit de schending, door artikel 13 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 24 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 3, 9, 12 en 40, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij voeren aan dat de 18 bestreden bepaling geen rekening houdt met het privé- en gezinsleven van de betrokken langdurig ingezetenen en dat het automatisch bevel om het grondgebied te verlaten geen ruimte laat om rekening te houden met de zogenaamde Boultif-criteria van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die in de latere rechtspraak verder werden verfijnd. Voorts verwijzen de verzoekende partijen naar hun uiteenzetting bij het veertiende middel (A.18.1). A.26.2. De Ministerraad betwist dat de bestreden bepaling in een automatische afgifte voorziet van een bevel om het grondgebied te verlaten, alsook dat een dergelijk bevel per definitie voor het grondgebied van de gehele Europese Unie zou gelden. Gelet op de artikelen 14 en 15 van de bestreden wet, is het evenmin juist dat de bestreden bepaling geen rekening houdt met het privé- en gezinsleven van de betrokken langdurig ingezetenen. De Ministerraad verwijst voorts naar zijn antwoord op het veertiende middel (A.18.2). A.27.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een drieëntwintigste middel af uit de schending, door artikel 13 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het standstill-« beginsel » zoals opgenomen in de Associatieovereenkomst met Turkije, met name in artikel 41 van het Aanvullend Protocol en in artikel 13 van het Besluit 1/80. Zij verwijzen hiervoor naar hetgeen zij in het zevende middel hebben uiteengezet (A.10.1). A.27.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het zevende middel (A.10.2). A.28.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een vierentwintigste middel af uit de schending, door artikel 13 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voeren een verschil in behandeling aan tussen Belgen en vreemdelingen doordat, wanneer een Belg een misdrijf pleegt of op een andere manier de openbare orde of nationale veiligheid in gevaar brengt, de politie en vervolgens eventueel de strafrechter zullen optreden. Hij geniet in dat geval bepaalde rechten. Wanneer een vreemdeling wordt geacht de openbare orde of nationale veiligheid te schaden, volgt doorgaans geen strafzaak waarin hij kan worden vrijgesproken of waarin kan blijken dat er een rechtvaardigingsgrond bestaat. Hij zou ook niet de gelegenheid krijgen de juistheid van de hem aangewreven feiten te betwisten of die feiten in hun context te plaatsen. De beroepsprocedure tegen de betrokken beslissing is bovendien niet schorsend. Het criterium van de nationaliteit is naar het oordeel van de verzoekende partijen niet pertinent. A.28.2. De Ministerraad betwist allereerst de vergelijkbaarheid van Belgen en vreemdelingen. In ondergeschikte orde merkt hij op dat vreemdelingen in het kader van het strafrecht dezelfde rechten en waarborgen genieten als Belgen. De loutere vaststelling dat een vreemdeling in het kader van een administratieve procedure geen aanspraak kan maken op de waarborgen uit het strafrecht, kan niet volstaan om tot een schending van het gelijkheidsbeginsel te besluiten. De Ministerraad wijst andermaal op de bestaande procedurele waarborgen, alsook op het recht om te worden gehoord als algemeen rechtsbeginsel en op de reeds herhaaldelijk vermelde beroepsmogelijkheid. A.29.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een vijfentwintigste middel af uit de schending, door artikel 14 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 24 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 3, 9, 12 en 40, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling, bij het oplijsten van de elementen waarmee de administratie rekening dient te houden bij het nemen van een beslissing om redenen van openbare orde en nationale veiligheid, nalaat te verwijzen naar de rechten van kinderen die door de beslissing kunnen worden geraakt. Voorts verwijzen de verzoekende partijen naar hun uiteenzetting bij het veertiende middel (A.18.1). A.29.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het veertiende middel (A.18.2). A.30.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een zesentwintigste middel af uit de schending, door artikel 14 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de beginselen van de rechten van de verdediging, van tegenspraak en van wapengelijkheid, met het wettigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en met het beginsel van de formele motiveringsplicht zoals gewaarborgd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling niet langer het advies vereist van de Commissie van advies voor vreemdelingen bij de terugwijzings- en uitzettingsbesluiten. 19 A.30.2. De Ministerraad verwijst naar zijn repliek op het negenenvijftigste middel, waarin de verzoekende partijen hun grief verder hebben ontwikkeld. A.31.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een zevenentwintigste middel af uit de schending, door artikel 14 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het standstill-« beginsel » zoals opgenomen in de Associatieovereenkomst met Turkije, met name in artikel 41 van het Aanvullend Protocol en in artikel 13 van het Besluit 1/80. Zij verwijzen hiervoor naar hetgeen zij in het zevende middel hebben uiteengezet (A.10.1). A.31.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het zevende middel (A.10.2). Wat artikel 17 van de bestreden wet betreft (artikel 25 van de Vreemdelingenwet) A.32.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een achtentwintigste middel af uit de schending, door artikel 17 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de algemene beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid, gelijkheid en « informationele zelfbeschikking ». Zij voeren aan dat het opnemen, krachtens de bestreden bepaling, in de Algemene Nationale Gegevensbank, van elke vreemdeling die een inreisverbod heeft gekregen niet noodzakelijk, onevenredig en discriminerend is. In het eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling niet alleen als doel heeft de vreemdeling te identificeren, maar ook hem te sanctioneren, hetgeen buiten de doelstelling van de wet op het politieambt valt. Bovendien staat de bepaling toe dat onderdanen van de Europese Unie in de Algemene Nationale Gegevensbank worden opgenomen, terwijl zij niet in het Schengen-informatiesysteem mogen worden opgenomen en aldus aanspraak kunnen maken op een bijzondere bescherming van hun privacy. In het tweede onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling geen rekening houdt met de motivering van het inreisverbod en dus de vreemdelingen met een inreisverbod onterecht gelijk behandelt. Zij merken ook op dat niet in bijkomende controle- en veiligheidsmaatregelen is voorzien en dat de bewaringstermijn van de gegevens evenmin is bepaald. A.32.2. Volgens de Ministerraad past de registratie van vreemdelingen in de Algemene Nationale Gegevensbank in de wettelijke opdracht van de bestuurlijke politie die met name erin bestaat toezicht te houden op vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven. Hij verwijst daarvoor naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. De bestreden bepaling heeft geen sanctionerende werking. De gegevens die in de Algemene Nationale Gegevensbank worden verzameld, hebben een andere finaliteit dan de gegevens die in het Schengen-informatiesysteem zijn opgenomen. Bovendien waarborgt de wet op het politieambt de bescherming van de privacy. Wat het tweede onderdeel betreft, merkt de Ministerraad op dat een inreisverbod in elke hypothese een verbod om in België te verblijven inhoudt en om die reden onder het toezicht van de politiediensten op illegaal verblijf in het Rijk valt. De gegevens worden na vijf jaar gearchiveerd, maar die archivering vindt niet plaats zolang de betrokken bestuurlijke of gerechtelijke maatregel blijft bestaan. Wat artikel 18 van de bestreden wet betreft (artikel 26 van de Vreemdelingenwet) A.33.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een negenentwintigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling de vrijheid van de vreemdeling ernstig inperkt, in welk geval een snelle en effectieve rechterlijke controle op de maatregel voorhanden moet zijn. Bovendien is onvoldoende duidelijk bepaald in welke gevallen en voor welke termijn de betrokken maatregel kan worden toegepast. Het kan bijvoorbeeld gaan om een langdurig huisarrest met politiebewaking. De verzoekende partijen verwijzen naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de 20 Rechten van de Mens. Zij merken ook op dat een soortgelijke maatregel reeds bestond in het vroegere artikel 22 van de Vreemdelingenwet, maar dat die bepaling nooit werd toegepast, hetgeen zou aantonen dat de maatregel niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. A.33.2. De Ministerraad merkt allereerst op dat de bestreden bepaling een maatregel betreft die reeds bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet werd ingevoerd om de vreemdeling die in aanmerking komt voor terugwijzing of uitzetting alsnog de mogelijkheid te bieden om, onder bepaalde voorwaarden, verder in het Rijk te verblijven. Het gaat overigens niet om een vrijheidsberoving, aangezien de Vreemdelingenwet daarvoor de begrippen « vasthouding » of « opsluiting » hanteert. De verplichting om op een bepaalde plaats te verblijven zou geen vrijheidsberoving inhouden, zodat artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing is. Bovendien is beroep mogelijk bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en kan ook bij de burgerlijke rechter een kort geding worden ingesteld in geval van een onrechtmatige aantasting van een subjectief recht. Ten slotte betoogt de Ministerraad dat de maatregel voldoet aan de vereisten van artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij het voormelde Verdrag. Hij betwist ook de bewering dat de maatregel nooit werd toegepast. A.34.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een dertigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 27, 28 en 31 van de richtlijn 2004/38/EG. Zij voeren aan dat de preventieve maatregelen, waarin de bestreden bepaling voorziet, ook gelden voor EU-onderdanen en hun familieleden, hetgeen in strijd is met de voormelde richtlijnbepalingen die het vrije verkeer van personen waarborgen. Het tweede lid van de bestreden bepaling laat immers toe dat een EU-onderdaan of zijn familielid een bevel kan krijgen om het grondgebied te verlaten, enkel omdat de maatregelen waarin het eerste lid voorziet niet werden nageleefd en zonder dat de procedurele waarborgen zijn nageleefd. A.34.2. De Ministerraad beklemtoont allereerst dat de maatregelen waarin de bestreden bepaling voorziet, uitsluitend toepassing kunnen vinden indien een vreemdeling de openbare orde of nationale veiligheid heeft geschaad, zodat die bepaling niet strijdig is met het vrije verkeer van personen zoals met name gewaarborgd door de aangevoerde richtlijnbepalingen. Voorts merkt de Ministerraad op dat de beëindiging van het verblijf en het bevel om het grondgebied te verlaten « krachtens deze wet » moet worden afgegeven, dus met toepassing van de bijzondere regels betreffende de beëindiging van het verblijf van Unieburgers, bepaald in hoofdstuk I van titel II van de Vreemdelingenwet. A.35.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een eenendertigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, met het beginsel van niet-retroactiviteit en met het rechtszekerheidsbeginsel. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling ook van toepassing is op feiten en gedragingen die van vóór haar inwerkingtreding dateren en die zich volledig vóór die datum hebben voltrokken. A.35.2. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden bepaling, met uitzondering van een technische aanpassing, reeds van bij aanvang in de Vreemdelingenwet was opgenomen. De herformulering van het tweede lid beoogt enkel rekening te houden met het verdwijnen van de terugwijzings- en uitzettingsbesluiten, zodat de aangevoerde beginselen niet zijn geschonden. A.36.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een tweeëndertigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, met de artikelen 28, 30 en 31 van de richtlijn 2004/38/EG, met de artikelen 24 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 3, 9, 12 en 40, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling niet erin voorziet dat rekening moet worden gehouden met het hoger belang van het kind en de kinderrechten. Volgens de verzoekende partijen kan de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden toegepast op de vrijheidsbeperkende maatregelen vervat in de bestreden bepaling. België werd reeds herhaaldelijk veroordeeld door dat Hof vanwege de opsluiting van minderjarigen in gesloten centra die als onaangepast werden beoordeeld. A.36.2. De Ministerraad merkt op dat de grief gestoeld is op de foutieve premisse dat een vrijheidsbeperkende maatregel waarin de bestreden bepaling voorziet, gelijk staat met een detentie. De vermelde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is dus niet van toepassing. 21 A.37.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een drieëndertigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 14 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6, 7, 15 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het wettigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling niet nader definieert wat « de openbare orde of de nationale veiligheid » inhoudt en dat zij niet vereist dat er een actueel gevaar is. A.37.2. De Ministerraad merkt op dat de administratie bij de toepassing van de betrokken maatregel gebonden is door de beginselen van behoorlijk bestuur, met inbegrip van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, en door de eerbieding van de fundamentele rechten en vrijheden. De naleving daarvan kan worden onderworpen aan de controle door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. A.38.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een vierendertigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling een onverantwoord onderscheid maakt tussen de vreemdeling die het voorwerp is van een maatregel bedoeld in de bestreden bepaling en de vreemdeling die onmiddellijk een bevel krijgt om het grondgebied te verlaten. De bepaling zou immers niet verduidelijken wanneer welke maatregel moet worden toegepast. Bovendien worden verschillende categorieën van vreemdelingen, die elders in de bestreden wet verschillend worden behandeld, door de bestreden bepaling zonder redelijke verantwoording gelijk behandeld. A.38.2. De Ministerraad betwist allereerst de vergelijkbaarheid van de bedoelde categorieën van vreemdelingen. Voorts meent hij dat de wetgever niet alle specifieke gevallen kan voorzien waarin het opleggen van de betrokken maatregel meer aangewezen wordt geacht dan de beëindiging van het verblijf, met een bevel om het grondgebied te verlaten. Wat de onterechte gelijke behandeling betreft, merkt de Ministerraad op dat de betrokken maatregel geen einde van het verblijf inhoudt, zoals wel het geval is voor andere maatregelen in de bestreden wet, zodat dezelfde verschillen in behandeling niet naar analogie in de bestreden bepaling kunnen worden toegepast. A.39.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een vijfendertigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling geen rekening houdt met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de betrokken vreemdeling. Dat recht zou worden geschonden wanneer de maatregel ertoe leidt dat een vreemdeling geheel of gedeeltelijk wordt afgesloten van zijn sociale contacten, zijn werk of zijn familie. Ook de controle op de naleving van de hem opgelegde verplichting zou een inmenging in het voormelde recht inhouden. A.39.2. De Ministerraad merkt op dat de bestreden bepaling precies beoogt de invloed op het privé- en gezinsleven van de vreemdeling die de openbare orde of de nationale veiligheid heeft geschaad, zoveel mogelijk te beperken. Voor het overige voldoet de bepaling aan de vereisten voor een inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. A.40.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een zesendertigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 19 en 26 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voeren aan dat de maatregel bedoeld in de bestreden bepaling kan worden aangewend om de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering van de vreemdelingen te beperken, met name door te verhinderen dat zij deelnemen aan een betoging of een manifestatie. A.40.2. De Ministerraad verwijst naar zijn antwoord op het zesde middel (A.9.2). Ook artikel 26 van de Vreemdelingenwet dient te worden toegepast met eerbiediging van grondrechten, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering. Die vrijheden zijn uitdrukkelijk door de Grondwet gewaarborgd, zodat het niet nodig is die waarborg in de wet te herhalen. A.41.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een zevenendertigste middel af uit de schending, door artikel 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het standstill-« beginsel » zoals opgenomen in de Associatieovereenkomst met Turkije, met name in artikel 41 van het Aanvullend Protocol en in artikel 13 van het Besluit 1/80. Zij verwijzen hiervoor naar hetgeen zij in het zevende middel hebben uiteengezet (A.10.1). 22 A.41.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het zevende middel (A.10.2). Wat artikel 19 van de bestreden wet betreft (artikel 27, § 1, eerste lid, van de Vreemdelingenwet) A.42.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een achtendertigste middel af uit de schending, door artikel 19 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de beginselen van de rechten van de verdediging, van tegenspraak en van wapengelijkheid, met het wettigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en met het beginsel van de formele motiveringsplicht zoals gewaarborgd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling niet voorziet in het recht om te worden gehoord, terwijl artikel 62 van de Vreemdelingenwet, dat het voormelde recht invoert, geen betrekking heeft op andere administratieve beslissingen dan intrekking of einde verblijf van vreemdelingen met lang verblijf. Het recht om te worden gehoord laat de vreemdeling toe de grens van zijn keuze aan te geven, zodat hij zijn recht op een effectief beroep kan aanwenden. Bovendien houdt de bestreden bepaling enkel rekening met de bevelen met termijn en niet met de bevelen zonder termijn. A.42.2. De Ministerraad merkt allereerst op dat de bestreden bepaling slechts een legistieke wijziging aan artikel 27 van de Vreemdelingenwet heeft aangebracht omdat een bevel om het grondgebied te verlaten de enige verwijderingsmaatregel is geworden. Voorts merkt hij op dat in het kader van een dergelijk bevel het in eerste instantie de betrokken vreemdeling zelf is die moet beoordelen naar welk land hij zich ter uitvoering van het bevel kan begeven. Hij verwijst daarvoor naar een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ook wanneer geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegestaan, komt het aan de vreemdeling toe om onverwijld uitvoering te geven aan de verwijderingsmaatregel en hierbij zelf te beoordelen naar welk land hij zich dient te begeven. De Ministerraad verwijst daarvoor naar een arrest van de Raad van State. A.42.3. Volgens de verzoekende partijen geeft de bestreden bepaling een nieuwe draagwijdte aan artikel 27 van de Vreemdelingenwet, in het bijzonder met betrekking tot de automatische opschorting van de uitvoerbaarheid van bevelen om het grondgebied te verlaten en de beperkte verankering van het hoorrecht. Zij bekritiseren ook de enge lezing van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en verwijzen naar een ander arrest van dezelfde Raad, waarin rekening wordt gehouden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. A.42.4. Onder verwijzing naar nog een ander arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betoogt de Ministerraad dat de beslissing om een vreemdeling onder dwang terug te leiden naar de grens een nieuwe individuele beslissing is (verwijderingsbesluit), die verschillend is van het bevel om het grondgebied te verlaten (terugkeerbesluit) en die bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan worden aangevochten. Wat de artikelen 24 en 25 van de bestreden wet betreft (artikelen 43 en 44 van de Vreemdelingenwet) A.43.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 6749, de OBFG, leidt een derde middel af uit de schending, door de artikelen 24 en 25 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre zij de burgers van de Europese Unie en hun familieleden op identieke wijze behandelen zonder een onderscheid te maken naargelang de betrokken vreemdeling persoonlijk al dan niet met bedrieglijk opzet heeft gehandeld. Zij is van mening dat de bestreden bepalingen aldus het principe omzeilen volgens hetwelk fraude een intentioneel element vereist, zodat in beginsel alleen de persoon die de fraude heeft gepleegd, om die reden het recht op verblijf kan worden ontnomen. Zij preciseert dat de familieleden eventueel hun recht op verblijf kan worden ontnomen om de reden dat de vreemdeling die hun het recht op verblijf opende, daartoe niet langer gemachtigd is om reden van fraude, maar legt de nadruk op het feit dat het in dat geval om een reden gaat die verschilt van de reden voor een intrekking of weigering van verblijf wegens fraude. A.43.2. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden bepalingen enkel bedoeld zijn om te worden toegepast op personen aan wie een fraude kan worden toegeschreven die strekt tot de erkenning van het verblijf. 23 A.43.3. De verzoekende partij stelt vast dat de Ministerraad tracht een interpretatie van de bestreden bepalingen te doen gelden die niet voortvloeit uit de redactie ervan. A.44.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een negenendertigste middel af uit de schending, door de artikelen 24 en 25 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de richtlijn 2004/38/EG. Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen toestaan het verblijf van burgers van de Unie en familieleden te weigeren (artikel 24) of in te trekken (artikel 25), zonder rekening te houden met de frauduleuze intentie van de betrokkenen (eerste onderdeel), noch met het duurzaam verblijfsrecht van dezelfde personen dat door de vermelde richtlijnbepaling wordt gewaarborgd (tweede onderdeel). Bovendien is de weigering of intrekking toegestaan voor de Unieburgers en hun familieleden, terwijl voor andere categorieën van vreemdelingen de intrekking van het verblijf slechts mogelijk is voor de persoon die effectief fraude pleegde (derde onderdeel). A.44.2. Volgens de Ministerraad steunt de grief op een onjuiste lezing van de bestreden bepalingen nu zij uitsluitend de persoon viseren die daadwerkelijk fraude heeft gepleegd, hetgeen ook steun vindt in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen. De Ministerraad betwist ook dat het duurzaam verblijfsrecht in de weg zou staan aan de toepassing van de bestreden bepalingen, die zelf de omzetting zijn van artikel 35 van de aangehaalde richtlijn. Ten slotte zou het verschil in behandeling dat de verzoekende partijen aanvoeren niet bestaan. A.45.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een veertigste middel af uit de schending, door de artikelen 24 en 25 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het standstill-« beginsel » zoals opgenomen in de Associatieovereenkomst met Turkije, met name in artikel 41 van het Aanvullend Protocol en in artikel 13 van het Besluit 1/80. Zij verwijzen hiervoor naar hetgeen zij in het zevende middel hebben uiteengezet (A.10.1). A.45.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het zevende middel (A.10.2). Wat artikel 26 van de bestreden wet betreft (artikel 44bis van de Vreemdelingenwet) A.46.1.1. In het eerste onderdeel van het vierde middel klaagt de verzoekende partij in de zaak nr. 6749, de OBFG, aan dat artikel 26 van de bestreden wet, dat, in tegenstelling tot de vroegere bepalingen, niet voorziet in een procedure bij de Commissie van advies voor vreemdelingen, de burger van de Unie of de gelijkgestelde vreemdeling niet de mogelijkheid biedt relevante elementen dienstig en daadwerkelijk te doen gelden, ofwel ten aanzien van de redenen voor de intrekking van zijn verblijfsrecht, ten aanzien van de tegen hem in aanmerking genomen elementen en ten aanzien van zijn « gevaarlijkheid », ofwel ten aanzien van zijn bindingen in België. Zij leidt daaruit af dat artikel 26 van de bestreden wet de rechten van de verdediging, het recht op een eerlijke procedure en op de eerbiediging van het beginsel van behoorlijk bestuur, met inbegrip van het recht om te worden gehoord, in voorkomend geval gecombineerd met het grondrecht van de burger van de Unie en de gelijkgestelde vreemdelingen op vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat, schendt. Zij is van mening dat de significante achteruitgang van de waarborgen met betrekking tot de administratieve procedure en van het recht om te worden gehoord het standstill-« beginsel », al dan niet in samenhang bekeken met de aangevoerde rechten, schendt. A.46.1.2. De Ministerraad verwijst naar zijn argumentatie in antwoord op het vijfde onderdeel van het tweede middel. A.46.1.3. De verzoekende partij onderstreept dat de thans voorliggende kritiek niet kan worden gelijkgesteld met die welke in het vijfde onderdeel van het tweede middel wordt uiteengezet, aangezien het de specifieke situatie van de burgers van de Unie is die in dit geval wordt beschouwd en dat zij dus moet worden bekeken ten aanzien van de normen die op Europees niveau zijn bepaald. A.46.2.1. Het tweede onderdeel van het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bestreden bepaling niet erin voorziet dat wanneer de overheid een beslissing neemt waarbij een einde wordt gemaakt aan het verblijfsrecht, zij in de eerste plaats rekening houdt met het belang van het kind dat wordt geraakt door die beslissing die wordt genomen tegen een lid van zijn familie. 24 A.46.2.2. De Ministerraad doet gelden dat de verplichting om rekening te houden met het hoger belang van het kind voortvloeit uit het Belgisch positief recht maar ook uit de bestreden bepaling, waarvan de tekst noodzakelijkerwijs impliceert dat daarmee rekening zal worden gehouden. Hij leidt daaruit af dat de verzoekende partij zich baseert op een verkeerde lezing van de bepaling. A.46.2.3. De verzoekende partij stelt vast dat de Ministerraad de bestreden bepaling, die ten aanzien van het belang van het kind klaarblijkelijk lacuneus is, tracht aan te vullen, aangezien in andere bepalingen van dezelfde wet daarvan uitdrukkelijk melding wordt gemaakt. A.46.3.1. In het derde onderdeel doet de OBFG gelden dat de bestreden bepaling artikel 27, lid 2, van de richtlijn 2004/38/EG schendt, waarbij wordt voorzien in beperkingen en voorwaarden die niet zijn overgenomen in de bestreden bepaling, in het bijzonder ten aanzien van het feit dat het bestaan van eerdere strafrechtelijke veroordelingen als zodanig geen reden vormt voor een beslissing tot beëindiging van het verblijf en tot verwijdering, en dat het gedrag van de betrokken persoon een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen. A.46.3.2. De Ministerraad wijst erop dat artikel 45 van de Vreemdelingenwet, ingevoegd bij artikel 35 van de bestreden wet, de in artikel 27, lid 2, van de voormelde richtlijn geformuleerde beperkingen en voorwaarden bevat en dat het met name van toepassing is op de beslissingen genomen op grond van het bestreden artikel 44bis. Hij besluit daaruit dat het middel, in dat onderdeel, voortkomt uit een gedeeltelijke lezing van de wet. A.46.4.1. Het vierde onderdeel van het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 17 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 27 en 28 van de richtlijn 2004/38/EG. De OBFG klaagt aan dat de bestreden bepaling gebruikmaakt van onnauwkeurige, vage en wollige begrippen om een beslissing waarbij een einde wordt gemaakt aan het verblijf en een bevel om het grondgebied te verlaten, te gronden. A.46.4.2. De Ministerraad verwijst naar zijn argumentatie in antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel. A.47.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een eenenveertigste middel af uit de schending, door artikel 26 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het VWEU en met artikel 28 van de richtlijn 2004/38/EG. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling een onvolledige omzetting vormt van de aangehaalde bepaling van de richtlijn, doordat zij nalaat de « dwingende redenen van openbare veiligheid » nader te definiëren. Ook de aangevoerde verdragsbepalingen zouden zijn geschonden daar zij enkel beperkingen van het vrije verkeer toestaan voor zover die in de voormelde richtlijn zijn vastgelegd. De aangevoerde grondwetsartikelen zijn bovendien geschonden doordat de bestreden bepaling een ongeoorloofd onderscheid maakt tussen EU-onderdanen en hun familieleden die een beslissing krijgen op grond van redenen van openbare orde of openbare veiligheid en zij die een beslissing krijgen op grond van een andere reden. A.47.2. Volgens de Ministerraad steunt de grief op een onjuiste lezing van de aangevoerde richtlijnbepaling. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie zou niet blijken dat de lidstaten in hun nationale wetgeving een welomschreven definitie moeten geven van het begrip « dwingende redenen van openbare veiligheid ». Het zou hen daarentegen toekomen om geval per geval, aan de hand van een individueel onderzoek, na te gaan of dergelijke redenen voorhanden zijn. A.48.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een tweeënveertigste middel af uit de schending, door artikel 26 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 14 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6, 7, 15 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het wettigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling niet nader definieert wat « de dwingende redenen van openbare orde of nationale veiligheid » inhouden. Voor de verdere ontwikkeling van het middel verwijzen zij naar de uiteenzetting van onder andere het negende middel (A.13.1). A.48.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het negende middel (A.13.2). 25 A.49.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een drieënveertigste middel af uit de schending, door artikel 26 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de rechten van de verdediging, met het recht op een eerlijk proces en met het vermoeden van onschuld. Voor de verdere ontwikkeling van het middel verwijzen zij naar de uiteenzetting van het elfde middel (A.15.1). A.49.2. De Ministerraad verwijst eveneens naar zijn antwoord op het elfde middel (A.15.2). A.50.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6755 leiden een vierenveertigste middel af uit de schending, door artikel 26 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 45 en 52 van het VWEU. Zij voeren aan dat op grond van de bestreden bepaling burgers van de Unie hun verblijfsrecht kunnen verliezen als er redenen van openbare orde of nationale veiligheid zijn, zonder dat enige veroordeling vereist is, dus ook op grond van vermoedens. Dat houdt een schending in van de vermelde verdragsbepalingen aangezien volgens het Hof van Justitie een beperking van het vrije verkeer op basis van de openbare orde enkel van toepassing kan zijn op feiten die tot repressieve maatregelen kunnen leiden. A.50.2. Volgens de Ministerraad geven de verzoekende partijen een verkeerde uitlegging aan de rechtspraak van het Hof van Justitie. Daaruit kan enkel worden afgeleid dat men in het kader van de beoordeling van « redenen van openbare orde of nationale veiligheid » aan een Unieburger geen gedrag kan verwijten dat men van een eigen onderdaan zonder meer zou aanvaarden. Er kan niet uit worden afgeleid dat een Unieburger daadwerkelijk moet zijn veroordeeld alvorens de bestreden bepaling toepassing kan vinden. Een louter vermoeden v
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.