id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.115 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190718.7 Arrest- Rolnummer: 115/2019 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-28 22:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof
- verwerpt de vorderingen tot schorsing;
- schort het onderzoek van de beroepen tot vernietiging op totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-336/19 een arrest heeft gewezen in antwoord op de vragen die het Hof bij zijn arrest nr. 53/2019 van 4 april 2019 heeft gesteld. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Dieren - Dierenwelzijn PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vorderingen tot gedeeltelijke schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 4 oktober 2018 betreffende het Waalse Dierenwelzijnwetboek, ingesteld door Rabah Bouazza en anderen en door Albert Guigui en anderen. Bescherming en welzijn van dieren - Waals Gewest - Toegelaten methodes voor het slachten van dieren - Slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst. Tekst van de beslissing Rolnummers 7154 en 7155 Arrest nr. 115/2019 van 18 juli 2019 In zake : de vorderingen tot gedeeltelijke schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 4 oktober 2018 betreffende het Waalse Dierenwelzijnwetboek, ingesteld door Rabah Bouazza en anderen en door Albert Guigui en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 april 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 april 2019, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen D.57, § 1, en D.105, § 1, 18°, vervat in artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 4 oktober 2018 betreffende het Waalse Dierenwelzijnwetboek, alsook van artikel 26 van hetzelfde decreet (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2018) door Rabah Bouazza, de vzw « Mosquée Arrahma - Association de foi et pratique de la religion islamique de Marchienne-au-Pont », de vzw « Assakina », de vzw « Association de Foi et Pratique de la Religion islamique de Charleroi », de vzw « Association de foi et de pratique de la religion islamique », de vzw « Mosquée At-Touba », de vzw « Verli » en de bvba « Goraya », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I. Akrouh, advocaat bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 april 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 april 2019, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen D.4, § 1, 2°, 16° en 26°, D.57 en D.59, vervat in artikel 1 van hetzelfde decreet, alsook van artikel 26 ervan, door Albert Guigui, Pinkas Kornfeld, Nissan Haim Roth en het « Centraal Israëlitisch Consistorie van België », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Maes, Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7154 en 7155 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij beschikking van 24 april 2019 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vorderingen tot schorsing bepaald op 15 mei 2019, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 9 mei 2019 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. X. Drion, advocaat bij de balie te Luik. Memories van tussenkomst zijn ingediend door : 3 - het « Executief van de Moslims van België », de « Coördinatieraad van de islamitische instellingen van België », de ivzw « Internationale vereniging Diyanet van België », de vzw « Islamitische Federatie van België », de vzw « Rassemblement des Musulmans de Belgique », de vzw « Union des mosquées de la Province de Liège », de vzw « Unie van Moskeeën en Islamitische verenigingen van Limburg », Hasan Batakli, Tahar Chahbi en Semsettin Ugurlu, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets, advocaat bij de balie te Antwerpen (in de twee zaken); - de vzw « Coördinatie Comité van Joodse Organisaties van België. Section belge du Congrès juif mondial et Congrès juif européen », Yohan Benizri, Liliane Seidman en Jacques Grunicky, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Cloots en Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie te Antwerpen (in de twee zaken); - Moishe Friedman (in de zaak nr. 7155). Op de openbare terechtzitting van 15 mei 2019 : - zijn verschenen : . Mr. I. Akrouh, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7154; . Mr. E. Maes en Mr. C. Caillet, tevens loco Mr. E. Jacubowitz, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7155; . Mr. J. Roets, voor het « Executief van de Moslims van België » en anderen; . Mr. T. Van Diest, advocaat bij de balie te Antwerpen, loco Mr. E. Cloots en Mr. S. Sottiaux, voor de vzw « Coördinatie Comité van Joodse Organisaties van België. Section belge du Congrès juif mondial et Congrès juif européen » en anderen; . Mr. X. Drion, voor de Waalse Regering; . Mr. V. De Schepper, tevens loco Mr. J.-F. De Bock, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A– Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vorderingen A.1.
- De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 7154 is aanhanger van de islamitische godsdienst en doet gelden dat haar geloof haar verbiedt vlees te eten dat afkomstig is van dieren die bedwelmd werden geslacht en dat het bestreden decreet het haar aldus onmogelijk, dan wel bijzonder moeilijk maakt vlees te kopen dat in overeenstemming is met haar geloof. De tweede tot de zevende verzoekende partij in dezelfde zaak zijn verenigingen zonder winstoogmerk die zich tot doel stellen de islamitische godsdienst en het onderwijs in de Koran te onderhouden en te bevorderen. Zij wijzen erop dat zij tevens verschillende moskeeën beheren en menen dat zij hun doel slechts kunnen nastreven voor zover de elementen die essentieel zijn voor het belijden van de islamitische godsdienst en voor het praktiseren van religieuze riten in België kunnen worden vervuld. De achtste verzoekende partij in dezelfde zaak is een vennootschap die een slagerij uitbaat en die halal vlees verkoopt aan haar klanten. Zij meent dat het bestreden decreet haar verhindert haar professionele activiteiten uit te oefenen op een wijze die in overeenstemming is met haar geloof en met dat van haar klanten. A.1.
- De eerste en de tweede verzoekende partij in de zaak nr. 7155 zijn de opperrabbijn van Brussel en rabbijn verbonden aan het Consistorie en de voorzitter van de orthodoxe israëlitische gemeenschap te Antwerpen. Zij wijzen erop dat zij ook in hun hoedanigheid van aanhangers van het joodse geloof optreden tegen het bestreden decreet. De derde verzoekende partij in dezelfde zaak is sjocheet, meer bepaald een persoon die erkend is om slachtingen uit te voeren overeenkomstig de regels van het joodse geloof. Zij voert aan dat het decreet voor haar neerkomt op een beroepsverbod. De vierde verzoekende partij, het « Centraal Israëlitisch Consistorie van België », is het officiële vertegenwoordigingsorgaan van de israëlitische gemeenschap in België. Zij voert aan dat zij onder meer tot doel heeft de belangen van de joodse godsdienst te verdedigen, de israëlitische gemeenschap te vertegenwoordigen bij de publieke overheden en de shohatim (sjocheten) te erkennen. A.1.
- Het « Executief van de Moslims van België » en anderen, en de vzw « Coördinatie Comité van Joodse Organisaties van België. Section belge du Congrès juif mondial et Congrès juif européen » (hierna : CCOJB) en anderen, tussenkomende partijen, voeren aan dat zij belang erbij hebben in de procedure tussen te komen teneinde de verzoekschriften tot vernietiging en de vorderingen tot schorsing te steunen. A.1.
- M. Friedman, tussenkomende partij, meent in verschillende opzichten een actueel en persoonlijk belang erbij te hebben in de procedure tussen te komen teneinde de verenigbaarheid van het bestreden decreet met de Grondwet en met de andere aangevoerde referentienormen te verdedigen. Hij zet uiteen dat het in de zaak nr. 7155 ingestelde beroep niet wordt gesteund door de meerderheid van de joodse gemeenschap en wenst bijgevolg de stem te laten horen van de joden die van mening zijn dat de voorafgaande (omkeerbare) bedwelming niet onverenigbaar is met de door de joodse godsdienst opgelegde verplichtingen. A.2.
- De Waalse Regering en de Vlaamse Regering voeren een exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis van de vordering tot schorsing aan. Zij doen gelden dat de vordering, de dato 1 april 2019, niet tijdig is ingediend. Zij stellen vast dat aangezien het bestreden decreet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 31 december 2018, de termijn voor het indienen van de vordering tot schorsing is ingegaan op 1 januari 2019, zodat de laatste dag van de termijn, krachtens artikel 21, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 31 maart 2019 was. 5 A.2.
- De Waalse Regering voert aan dat het verzoekschrift tot vernietiging in de zaak nr. 7155, dat geen enkele aanwijzing bevat omtrent de rechtsvorm van het Consistorie, in dat opzicht niet ontvankelijk is. A.2.
- De Vlaamse Regering voert een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 7155 aan, in zoverre het verzoekschrift niet zou toelaten te begrijpen welke bestreden bepaling in strijd zou zijn met welke aangevoerde referentienorm. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.3.
- De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 7154 zet uiteen dat het ritueel slachten een absolute voorwaarde vormt voor de uitoefening van haar vrijheid van eredienst, die zowel wordt gewaarborgd door de Grondwet als door internationaalrechtelijke bepalingen. Zij voert aan dat het ritueel slachten zoals het bij het bestreden decreet is geregeld, niet verenigbaar is met een bedwelming van het dier, zowel ten aanzien van de islam als ten aanzien van het jodendom. Zij verwijst naar het advies van de raad van theologen verbonden aan het « Executief van de Moslims van België », die gekant is tegen de bedwelming en die in strijd acht met de voorschriften van de islamitische ritus. Zij leidt hieruit af dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden decreetsbepalingen tot gevolg heeft de uitoefening van haar eredienst te belemmeren. Zij is van mening dat, daar het gaat om een fundamenteel recht, de ernst van het nadeel niet kan worden betwist en dat een later vernietigingsarrest niet van dien aard zal zijn dat daardoor het nadeel kan worden hersteld dat zij zal lijden vanaf de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, namelijk 31 augustus
- A.3.
- De tweede tot de zevende verzoekende partij in de zaak nr. 7154 zetten uiteen dat de inwerkingtreding van de bestreden decreetsbepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, in die zin dat de bestreden bepalingen een onoverkomelijke hinderpaal vormen om hun statutair doel na te streven en de belangen van hun leden te verdedigen. A.3.
- De achtste verzoekende partij in de zaak nr. 7154 zet uiteen dat haar klantenkring uitsluitend bestaat uit personen die vlees willen consumeren dat beantwoordt aan de voorschriften van de islamitische ritus en dat het verbod op het ritueel slachten in Wallonië ertoe zal leiden dat zij in de onmogelijkheid zal verkeren haar klanten vlees aan te bieden dat aan die vereisten voldoet, waardoor haar bestaan zelf in het gedrang zal komen. Zij zet uiteen dat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wat haar betreft, dus niet een louter financieel nadeel is, maar wel het verlies van haar klantenkring en het faillissement van haar activiteiten inhoudt. Zij haalt in dat verband de arresten nrs. 60/92, 69/2009 en 119/2014 van het Hof aan. Zij voegt eraan toe dat het vernietigingsarrest dat later zal worden uitgesproken, geen effect zal hebben op de onherstelbare gevolgen die zij vanaf 31 augustus 2019 zal lijden. A.4.
- De Waalse Regering is van mening dat het door de tweede tot de zevende verzoekende partij aangevoerde nadeel louter moreel is en dat dat nadeel dus zou verdwijnen indien de bestreden norm wordt vernietigd. A.4.
- De Vlaamse Regering is van mening dat de verzoekende partijen zich beperken tot zeer vage beweringen en nalaten concrete elementen aan te brengen ter ondersteuning van het door hen aangevoerde risico van een ernstig nadeel. Zij merkt op dat de verzoekende partijen niet beweren dat de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen ertoe zou leiden hen te beletten het beroep van slager uit te oefenen, maar enkel verder vlees te verkopen dat afkomstig is van dieren die in Wallonië volgens de religieuze voorschriften zijn geslacht. Zij voegt eraan toe dat het nadeel met betrekking tot de vrijheid van godsdienst en de uitoefening van de vrijheid van eredienst zou verdwijnen indien de bestreden bepalingen worden vernietigd, zodat het niet moeilijk te herstellen is. A.4.
- M. Friedman is van mening dat geen enkele van de verzoekende partijen het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont. A.5.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7155 voeren aan dat het bestreden decreet een beroepsverbod oplegt aan de shohatim, die hun beroep vanaf 31 augustus 2019 niet meer in Wallonië zullen kunnen uitoefenen. Zij herinneren eraan dat, om als sjocheet te worden erkend, een opleiding van minstens acht jaar moet worden gevolgd. Zij verwijzen naar de arresten nrs. 170/2016 en 183/2018, waarbij het Hof reeds heeft aangenomen dat een 6 beroepsverbod of het risico zijn beroepsactiviteit te verliezen, een ernstig nadeel vormt dat niet door een latere vernietiging kan worden hersteld. De derde verzoekende partij in die zaak voert in die zin aan dat zij, vanaf 31 augustus 2019, niet langer in staat zal zijn haar beroep in Wallonië uit te oefenen en dat zij bijgevolg naar het buitenland zal moeten vertrekken om haar beroep uit te oefenen. A.5.
- De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden bepalingen in werkelijkheid de shohatim ertoe aanzetten België te verlaten om hun beroep uit te oefenen in een andere Staat waar de slachting volgens de joodse ritus is toegestaan, en dat die uittocht van personen die bevoegd zijn om dieren volgens de joodse religieuze voorschriften te slachten, een nadeel inhoudt voor de praktiserende leden van de joodse gemeenschap in het algemeen, nadeel dat niet zal kunnen worden hersteld door een vernietigingsarrest, daar die personen, zodra zij in het buitenland zijn gevestigd, niet meer zullen terugkeren, zodat er nog onvoldoende personen zullen zijn die de slachting volgens de joodse ritus in Wallonië mogen uitvoeren. Zij voegen eraan toe dat, indien het bestreden decreet niet wordt geschorst, de hele Belgische sector van de koosjer slachting zal worden genoopt te verhuizen, hetgeen een onomkeerbare hinder met zich zal meebrengen, alsook een aantasting van de leefomgeving van de verzoekende partijen. Zij halen in dat verband het arrest nr. 107/2008 van het Hof aan. A.6.
- De Waalse Regering betoogt dat het aangevoerde risico van een nadeel niet persoonlijk is wat de eerste, de tweede en de vierde verzoekende partij betreft. Ten aanzien van de derde verzoekende partij merkt de Waalse Regering op dat zij geen enkel objectief element aangeeft aan de hand waarvan haar hoedanigheid van sjocheet kan worden aangetoond. A.6.
- De Vlaamse Regering is van mening dat de verzoekende partijen zich beperken tot zeer vage beweringen en nalaten concrete elementen aan te brengen ter ondersteuning van het door hen aangevoerde risico van een ernstig nadeel. Zij merkt op dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7155 de schorsing van de bestreden bepalingen alleen vorderen ingeval het Hof zou beslissen om een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. Zij merkt in dat verband op dat het Hof, in zijn arrest nr. 53/2019 van 4 april 2019, heeft geoordeeld dat het niet nuttig was het Hof van Justitie te verzoeken de versnelde procedure toe te passen waarin artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie voorziet en besluit hieruit dat, te dezen, niet zou kunnen worden beweerd dat de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou veroorzaken. A.7.
- Het « Executief van de Moslims van België » en anderen, alsook de vzw « CCOJB » en anderen, tussenkomende partijen, herinneren eraan dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 53/2019, prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij zijn van mening dat hieruit moet worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat dat het absolute verbod op het ritueel slachten zonder voorafgaande bedwelming op zijn minst mogelijk problematisch is in het licht van het Europees recht en de grondrechten. Zij zijn van mening dat die vaststelling op zich volstaat om de schorsing van de bestreden bepalingen te verantwoorden, in het licht van het voorzorgsbeginsel, teneinde een ernstige en onomkeerbare aantasting van de in het geding zijnde grondrechten te voorkomen. A.7.
- M. Friedman is van mening dat geen enkele van de verzoekende partijen het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont. Volgens hem leidt het gegeven dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 53/2009 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld en dat dat Hof zijn arrest niet in de komende maanden zal uitspreken, tot de ontstentenis van een belang om de schorsing van het bestreden decreet te vorderen, daar die schorsing krachtens artikel 25 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof slechts drie maanden effectief zou kunnen zijn. Ten aanzien van de middelen In de zaak nr. 7154 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7154 betreft A.
- Het eerste middel in de zaak nr. 7154 is afgeleid uit de schending van de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, 7 met de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat. A.9.
- In een eerste onderdeel van hun eerste middel, voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet bestaanbaar zijn met de vrijheid van godsdienst, zoals gewaarborgd door de in het middel vermelde grondwets- en verdragsbepalingen, doordat zij de uitvoering van een religieuze rite onmogelijk maken en doordat zij de aanhangers van het islamitische geloof verhinderen zich vlees te verschaffen, evenals vlees te verkopen, dat in overeenstemming is met de voorschriften van hun geloof. A.9.
- Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leiden de verzoekende partijen af dat rituele slachtingen dienen te worden beschouwd als vallend onder het toepassingsgebied van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit adviezen van de Nederlandse en de Belgische Raad van State leiden zij af dat bij het zoeken naar een evenwicht tussen het welzijn van dieren, enerzijds, en de vrijheid van godsdienst, anderzijds, een hoger belang dient te worden toegekend aan de vrijheid van godsdienst, omdat die vrijheid een grondrecht is, dat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bovendien wordt beschouwd als één van de pijlers waarop een democratische samenleving steunt. De verzoekende partijen menen dat uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 18 mei 2017 « tot wijziging van de artikelen 3, 15 en 16 en tot invoeging van een artikel 45ter in de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren », waarnaar de decreetgever heeft verwezen bij de aanneming van de bestreden bepalingen, blijkt dat die laatste niet heeft gezocht naar een evenwicht tussen het dierenwelzijn en de vrijheid van godsdienst. Uit die parlementaire voorbereiding leiden zij af dat de decreetgever als uitgangspunt heeft gehanteerd dat de voorafgaande bedwelming van dieren bij de slachting ervan geen afbreuk doet aan de vrijheid van godsdienst. Zij zijn van oordeel dat slechts in subsidiaire orde de hypothese aan bod is gekomen dat er wel degelijk sprake is van een inmenging in die vrijheid, en dat in dat kader werd geponeerd dat die inmenging evenredig is met het nagestreefde doel, omdat het decreet geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om halal of koosjer vlees in te voeren. Zij menen dat de decreetgever daarbij ten onrechte ervan is uitgegaan dat de elektronarcose (omkeerbare bedwelming) in overeenstemming is met de religieuze voorschriften. A.9.
- De verzoekende partijen doen gelden dat voor de meerderheid van de moslims in België en in Europa, het eten van vlees dat afkomstig is van dieren die bij de slachting werden bedwelmd, niet in overeenstemming is met de voorschriften van hun geloof. Zij menen dat de mogelijkheid om vlees in te voeren geen verantwoording kan vormen voor de door het decreet veroorzaakte inmenging in de vrijheid van godsdienst, omdat geïmporteerd halal vlees niet steeds afkomstig is van dieren die werden geslacht zonder voorafgaande bedwelming. Zij wijzen erop dat het Duitse Grondwettelijk Hof van oordeel is geweest dat de mogelijkheid tot het invoeren van halal vlees onvoldoende waarborgen biedt aan de gelovige dat het ingevoerde vlees voldoet aan de voorschriften van zijn geloof. Zij zijn van oordeel dat alleen de aankoop van vlees bij een lokale slager ter zake voldoende waarborgen biedt. Bovendien menen zij dat het toekomt aan de Waalse decreetgever om de vrijheid van godsdienst te vrijwaren en dat hij zich niet kan verschuilen achter het eerbiedigen van die vrijheid door andere wetgevers, in België en in het buitenland. Zij zien overigens niet in hoe het dierenwelzijn kan worden bevorderd door een verplaatsing van het slachten zonder bedwelming naar het buitenland. Ze verwijzen daarbij naar rechtspraak van het Poolse Grondwettelijk Hof. De verzoekende partijen zijn bovendien van oordeel dat de technieken om een zogenaamde omkeerbare bedwelming toe te dienen nog niet volledig zijn uitgewerkt en verwijzen daarbij naar de parlementaire voorbereiding. Zij menen dat dit tot gevolg heeft dat niet kan worden gewaarborgd dat het dier na die bedwelming nog levend is. Zij menen dat aldus ook aan de gelovigen voor wie de omkeerbare bedwelming niet in strijd is met hun geloof, niet kan worden gewaarborgd dat de slachting verloopt overeenkomstig de voorschriften van hun geloof. 8 A.9.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het onevenredige karakter van de bestreden bepalingen des te meer vaststaat, nu niet is aangetoond dat een slachting met voorafgaande bedwelming minder pijn veroorzaakt bij het dier dan een rituele slachting. Ze verwijzen in dit kader naar standpunten van deskundigen, naar rechtspraak van het Duitse en het Poolse Grondwettelijk Hof en naar de conclusie van advocaat-generaal Niels Wahl bij het arrest nr. C-426/16 van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij zijn eveneens van oordeel dat de decreetgever de plicht had om na te gaan of het niet mogelijk was om andere maatregelen, die de vrijheid van godsdienst niet beperken, te nemen ter bevordering van het welzijn van dieren, wat hij echter niet heeft gedaan. A.9.
- Voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat de bestreden bepalingen bestaanbaar zijn met de grondwetsbepalingen die de vrijheid van godsdienst waarborgen, verzoeken de verzoekende partijen het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, en dit overeenkomstig de versnelde procedure, bedoeld in artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie : « Schendt artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), van de verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, zo geïnterpreteerd dat het een wetgever toelaat het slachten zonder bedwelming te verbieden, terwijl het ritueel slachten dat vereist wordt door het joodse of islamitische geloof op het grondgebied van de Staat in kwestie, indruist tegen het principe volgens hetwelk het te slachten dier, na fixatie, moet worden bedwelmd, artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ? ». A.10.
- In het tweede onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet bestaanbaar zijn met het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat, zoals het wordt gewaarborgd door de in het middel vermelde grondwets- en verdragsbepalingen, doordat de Waalse decreetgever zich met die bepalingen heeft uitgesproken over de legitimiteit van geloofsovertuigingen en over de wijze waarop die worden geuit, terwijl het niet toekomt aan de Staat om daarover een standpunt in te nemen. A.10.
- De verzoekende partijen menen dat uit de parlementaire voorbereiding met betrekking tot de bestreden bepalingen blijkt dat de decreetgever heeft geoordeeld dat een slachting met voorafgaande bedwelming niet in strijd is met religieuze voorschriften, en meer in het bijzonder met de religieuze voorschriften van de islam. De omstandigheid dat er verschillende strekkingen bestaan binnen de islam met betrekking tot de vraag of het slachten van dieren met bedwelming in overeenstemming is met de religieuze voorschriften, kan volgens hen door de decreetgever niet worden aangewend om te poneren dat de religieuze voorschriften zich niet verzetten tegen het slachten met bedwelming, des te meer nu de meerderheid van de moslims in België zich verzet tegen die vorm van slachten. A.11.
- De Waalse Regering betwist niet dat een slachting van dieren overeenkomstig de religieuze voorschriften dient te worden beschouwd als een religieuze rite in de zin van de in het middel vermelde verdragsbepalingen. Zij meent evenwel dat het bestreden decreet geen schending inhoudt van die bepalingen. Zij doet gelden dat de inmenging in de vrijheid van godsdienst die de bestreden bepalingen veroorzaken, in ieder geval een wettelijke grondslag heeft. Zij meent daarnaast dat de bestreden bepalingen een wettig doel nastreven, namelijk het bevorderen van het dierenwelzijn, dat deel uitmaakt van de goede zeden, zoals bedoeld in artikel 9, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij is van oordeel dat het bevorderen van het dierenwelzijn dient te worden beschouwd als beantwoordend aan een maatschappelijke behoefte, die niet uitsluitend is ontstaan ten gevolge van het optreden van de Waalse decreetgever. Zij beklemtoont daarbij dat het bestreden decreet niet kan worden voorgesteld als de enige maatregel die het Waalse Gewest heeft genomen ter bevordering van het dierenwelzijn en wijst in dit kader erop dat de Waalse Regering, op 26 april 2018, in het Waals Parlement een ontwerp van « Code wallon du Bien-être animal » heeft ingediend. De Waalse Regering is van oordeel dat artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), van de verordening (EG) nr. 1099/2009 uitdrukkelijk erin voorziet dat de lidstaten van de Europese Unie kunnen afwijken van de uitzondering op de verplichting om te slachten met bedwelming, vervat in artikel 4, lid 4, van die verordening. Zij wijst erop dat er binnen de Europese Staten geen consensus bestaat met betrekking tot de voorrang van de religieuze riten op het dierenwelzijn, en dat, hoewel in sommige Staten, op wetgevend vlak dan wel op het vlak van de rechtspraak, wordt uitgegaan van zulk een voorrang, in andere Staten (Denemarken, Zweden, Griekenland, Finland, Zwitserland, 9 Liechtenstein, IJsland en Noorwegen) een algemene verplichting geldt om dieren met bedwelming te slachten. Zij verwijst naar het arrest nr. 66/2015 van het Hof, waaruit zij afleidt dat, ten eerste, de enkele omstandigheid dat de ene lidstaat van de Europese Unie voor een ander stelsel van bescherming van dieren heeft gekozen dan de andere, geen invloed heeft op de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van bepalingen die het Hof dient te onderzoeken en, ten tweede, de Europese Commissie heeft geoordeeld dat dierenbescherming een gevoelig onderwerp is waarover door de bevolking van de lidstaten, afhankelijk van de sociale, culturele en religieuze kenmerken van de desbetreffende maatschappij, zeer verschillend kan worden gedacht, zodat de lidstaten zich in de beste positie bevinden om gepaste maatregelen te nemen. A.11.
- De Waalse Regering is van oordeel dat de meerderheid van de wetenschappelijke wereld het standpunt inneemt dat een bedwelming van een dier bij de slachting ervan de pijn doet verminderen en verwijst daarbij naar meerdere adviezen van instanties en van deskundigen, die onder meer werden uitgebracht naar aanleiding van de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet. Zij meent dat de verzoekende partijen, die het tegenovergestelde beweren, zich aansluiten bij een minderheidsvisie binnen de wetenschappelijke wereld. A.11.
- De Waalse Regering voert aan dat de Waalse decreetgever zich niet heeft gemengd in de godsdienst of in de voorwaarden inzake de uiting van de eredienst, maar dat hij de slachtingsmethodes heeft gekozen die toelaten het dierenwelzijn en de praktijk van de religieuze riten zo goed mogelijk met elkaar te verzoenen. A.12.
- De Vlaamse Regering herinnert eraan dat de bepalingen betreffende de vrijheid van godsdienst die in het middel worden aangehaald, niet toelaten eender welke handeling uit te voeren onder het mom van religieuze voorschriften. Zij benadrukt dat het verbod op het slachten zonder bedwelming een beginsel van het recht van de Europese Unie is. Zij erkent dat het recht van de Unie een uitzondering op dat beginsel toelaat voor het ritueel slachten, maar is van mening dat de Waalse decreetgever de belangen goed heeft afgewogen, met toepassing van artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/
- Zij verwijst naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 juni 2000, gewezen in grote kamer in de zaak Cha’are Shalom Ve Tsedek, waaruit zij afleidt dat de vrijheid van godsdienst niet is geschonden wanneer, voor de volgelingen, de mogelijkheid bestaat om zich vlees te verschaffen conform de voorschriften van hun godsdienst. Zij is van mening dat een en ander te dezen wel degelijk het geval is. Zij herinnert eraan dat het bestreden verbod volkomen neutraal is en op dezelfde manier op iedereen van toepassing is. Zij onderstreept dat het doel van de wetgever niet erin bestond het dierenwelzijn en de uitoefening van de vrijheid van eredienst met elkaar te laten concurreren, maar wel een evenwicht tussen beide te bereiken door te voorzien in de alternatieve oplossing van de omkeerbare bedwelming. A.12.
- In ondergeschikte orde wenst de Vlaamse Regering aan te tonen dat de bestreden reglementering noodzakelijk is in een democratische maatschappij, dat zij beantwoordt aan een dwingende sociale behoefte en dat zij evenredig is met de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen. Zij wijst erop dat de nagestreefde doelstellingen bestaan in de bescherming van de volksgezondheid en van de openbare orde, doelstellingen waartoe het dierenwelzijn bijdraagt. De Vlaamse Regering voert aan dat het slachten zonder bedwelming niet verenigbaar is met het doel dat erin bestaat elk nodeloos dierenleed te voorkomen, daar elke maatregel die minder strikt is, niet zal kunnen beletten dat een aanzienlijke aantasting van het dierenwelzijn blijft bestaan. Zij voegt in dat opzicht eraan toe dat wetenschappelijk is bewezen dat de dieren lijden tijdens de slachting zonder bedwelming. Ze voegt eraan toe dat ook de Europese wetgever duidelijk heeft geoordeeld dat een verbod op het slachten zonder bedwelming noodzakelijk was. Ten slotte wijst zij erop dat het bestreden decreet geen enkele weerslag heeft op de invoer van vlees vanuit landen waar slachten zonder bedwelming is toegestaan, zodat de volgelingen zich nog vlees kunnen verschaffen dat afkomstig is van dieren die zijn geslacht volgens de door hen gevolgde ritus. Zij onderstreept dat de publieke opinie de bestreden reglementering ruimschoots steunt en dat die reglementering unaniem is goedgekeurd door het Parlement. A.12.
- De Vlaamse Regering voert in verband met het principe van de scheiding tussen de Staat en de religieuze autoriteiten aan dat het verbod op slachten zonder bedwelming een neutrale maatregel is die geen enkele vorm van vooringenomenheid voor of tegen eender welke godsdienst inhoudt. Zij is van mening dat het bestreden decreet de desbetreffende rituele praktijken absoluut niet ter discussie stelt, maar zich ertoe beperkt een voorafgaande bedwelming op te leggen. 10 Wat het tweede middel in de zaak nr. 7154 betreft A.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7154 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 9 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 18, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 10, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de bestreden bepalingen een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen onder de activiteiten die niet verenigbaar zijn met een voorafgaande bedwelming bij het doden van een dier, en doordat categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, zonder redelijke verantwoording gelijk worden behandeld. A.14.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat er verschillende activiteiten bestaan die niet verenigbaar zijn met een voorafgaande bedwelming bij het doden van dieren. Ze halen in dit kader de jacht, de visvangst, de bestrijding van schadelijke organismen en de religieuze slachtingen aan. Door te voorzien in een uitzondering op de bedwelmingsplicht voor de jacht, de visvangst en de bestrijding van schadelijke organismen, maar niet voor de religieuze slachtingen, heeft de decreetgever volgens hen een verschil in behandeling in het leven geroepen dat niet kan worden verantwoord, mede gelet op het feit dat de religieuze slachting wordt beschermd door een grondrecht. A.14.
- De verzoekende partijen menen bovendien dat de decreetgever de aanhangers van de islamitische en de joodse godsdienst zonder redelijke verantwoording op dezelfde wijze behandelt als de aanhangers van andere godsdiensten en als niet-gelovigen, terwijl zij zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, vermits de personen van de eerste categorie, in tegenstelling tot die van de tweede categorie, geen vlees mogen eten of verkopen dat afkomstig is van dieren die na bedwelming werden geslacht. A.
- De Waalse Regering is van mening dat het slachten van dieren in een slachthuis niet vergelijkbaar is met het slachten van dieren in het kader van de jacht of de visvangst. Zij voegt eraan toe dat het bestreden decreet de verzoekende partijen niet de toegang ontzegt tot vlees dat beantwoordt aan de vereisten van hun godsdienst, daar zij het nog steeds in het buitenland kunnen verkrijgen. A.
- De argumentatie van de Vlaamse Regering in antwoord op dat middel wordt uiteengezet in haar antwoord op het derde middel in de zaak nr.
- Wat het derde middel in de zaak nr. 7154 betreft A.17.
- Het derde middel in de zaak nr. 7154 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 9 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 18, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10, 15, 16, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, doordat de bestreden bepalingen de slagers en de slagerijen die in hoofdzaak halal vlees verkopen, verhinderen om vlees aan te bieden dat in overeenstemming is met hun geloof en met dat van hun klanten en doordat aldus een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen die slagers en slagerijen, enerzijds, en slagers en slagerijen die geen vlees verkopen afkomstig van dieren die werden geslacht overeenkomstig religieuze voorschriften, anderzijds. A.17.
- Volgens de verzoekende partijen verhinderen de bestreden bepalingen de slagers en de slagerijen om vlees aan te bieden aan hun klanten waarbij zij kunnen garanderen dat het afkomstig is van dieren die werden geslacht overeenkomstig de religieuze voorschriften. De betrokken slagers en slagerijen kunnen aldus de beroepswerkzaamheden die ze zelf hebben gekozen, niet voortzetten. Zij menen dat het recht om zijn beroepswerkzaamheden zelf te kiezen onder de bescherming valt van het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en verwijzen daarbij naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 11 De verzoekende partijen menen dan ook dat het bestreden decreet de vrijheid van ondernemen schendt. Zij voegen eraan toe dat dit decreet een discriminatie invoert op grond van religie, omdat slagers en slagerijen die geen vlees verkopen afkomstig van dieren die werden geslacht overeenkomstig religieuze voorschriften, niet worden gehinderd in hun economische activiteiten. A.
- De Waalse Regering is van mening dat geenszins is aangetoond dat de slagers mogelijk hun economische activiteit zouden zien verdwijnen. Zij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 134/
- A.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het verbod op het slachten zonder voorafgaande bedwelming het recht op arbeid voor de slagers niet beperkt. In de zaak nr. 7155 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7155 betreft A.
- Het eerste middel in de zaak nr. 7155 is afgeleid uit de schending van de artikelen 19, 21, eerste lid, en 23, derde lid, 5°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2 en 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 18 en 27 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en met de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.21.
- In een eerste onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de vrijheid van godsdienst, omdat het de aanhangers van het joodse geloof onmogelijk wordt gemaakt hun godsdienst te beleven door zich vlees te verschaffen afkomstig van dieren die werden geslacht overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij beklemtonen daarbij dat die voorschriften zich ook verzetten tegen de techniek van de omkeerbare bedwelming. A.21.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat door religies voorgeschreven voedselvoorschriften dienen te worden beschouwd als religieuze praktijken die worden beschermd door artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij menen dat het voormelde artikel 9 weliswaar geen absoluut recht inhoudt en dat in bepaalde omstandigheden de vrijheid van godsdienst kan worden beperkt, maar stellen vast dat het nastreven van dierenwelzijn geen geldige rechtsgrond vormt voor zulk een beperking, vermits er in artikel 9 geen melding van wordt gemaakt. Zij menen dan ook dat de bestreden bepalingen artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schenden. Zij zijn van oordeel dat de bescherming van de gezondheid en van de openbare orde evenmin kan worden aangewend ter verdediging van de bestreden bepalingen. Uit de omstandigheid dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk van 27 juni 2000, de gezondheid en de openbare orde als wettige doelstellingen heeft omschreven, kan volgens hen niet worden afgeleid dat die doelstellingen ook in de voorliggende zaak kunnen worden aangewend, vermits het in het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ging om een verbod op toegang tot slachthuizen met het oog op het controleren van slachtingen. A.21.
- De verzoekende partijen menen daarnaast dat de bestreden bepalingen een onevenredige beperking inhouden van de vrijheid van godsdienst. Zij zijn van oordeel dat het nastreven van dierenwelzijn weliswaar legitiem is, maar menen dat niet is aangetoond dat het slachten volgens de joodse voorschriften bij dieren meer pijn veroorzaakt dan het slachten na een bedwelming. Zij verwijzen daarbij naar standpunten van deskundigen en menen dat uit de studies en adviezen die de Waalse Regering aanhaalt, blijkt dat daarin geen rekening werd gehouden met de wijze waarop dieren worden geslacht overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij verwijzen ter zake ook naar de conclusie van advocaat-generaal Niels Wahl in de zaak C-426/16 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en naar een arrest van het Poolse Grondwettelijk Hof. Zij menen dat de parlementaire voorbereiding van het decreet van 18 mei 2017 « tot wijziging van de artikelen 3, 15 en 16 en tot invoeging van een artikel 45ter in de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren », waarnaar de decreetgever heeft verwezen bij de aanneming van de bestreden bepalingen, aantoont dat de decreetgever geen enkel evenwicht heeft willen zoeken tussen het bevorderen van het dierenwelzijn en het eerbiedigen van de vrijheid van godsdienst van de joodse gemeenschap. Gelet op de draagwijdte van de inmenging in de vrijheid van godsdienst, dient volgens hen 12 wetenschappelijk te worden aangetoond dat een slachting overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften pijnlijker is dan een slachting na het toedienen van bedwelming. A.21.
- De verzoekende partijen menen dat het gegeven dat koosjer vlees kan worden geïmporteerd uit andere landen en het gegeven dat een rituele slachting nog mogelijk is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet kunnen worden aangevoerd om te argumenteren dat er voldoende alternatieven voorhanden zijn om de religieuze voorschriften te kunnen naleven. Zij zijn van oordeel dat de feiten die ten grondslag lagen aan het arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk van 27 juni 2000 van het Europees Hof voor de Rechten van Mens verschillen van de feitelijke elementen die in de huidige zaak voorliggen. Zij beklemtonen dat de bestreden bepalingen de vrijheid van godsdienst van de gehele joodse gemeenschap in het Waalse Gewest aantasten en dus niet enkel de vrijheid van godsdienst van een minoritair deel van die gemeenschap. Zij leiden daaruit af dat het onderzoek naar het voorhanden zijn van alternatieven strikter dient te gebeuren dan is gebeurd in het voormelde arrest van 27 juni
- Zij wijzen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het voormelde arrest, niet alleen het bestaan van alternatieven heeft vereist, maar ook het bestaan van voldoende alternatieven. Zij menen dat niet kan worden gewaarborgd dat de joodse gemeenschap zich voldoende vlees kan verschaffen dat afkomstig is van dieren geslacht overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften, omdat sommige Europese landen zelf een verbod op het slachten zonder bedwelming hebben ingevoerd, omdat andere landen de uitvoer van vlees dat afkomstig is van ritueel geslachte dieren verbiedt, en omdat het niet is uit te sluiten dat ook andere landen een verbod op het slachten van dieren zonder bedwelming invoeren. Zij wijzen erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State daaruit heeft afgeleid dat het verbod op het slachten zonder bedwelming een onevenredige beperking van de vrijheid van godsdienst met zich meebrengt. A.21.
- De verzoekende partijen menen dat de bestreden bepalingen eveneens onevenredig zijn, gelet op het geringe aantal dieren dat overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften in België wordt geslacht. Zij beweren dat het vlees afkomstig van runderen geslacht overeenkomstig die voorschriften slechts 0,1 % bedraagt van de totale hoeveelheid in België geproduceerd vlees en dat het aantal gevallen waarin het bedwelmen van dieren faalt een hoger percentage bereikt. A.21.
- De verzoekende partijen menen dat noch artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, noch de verordening (EG) nr. 1099/2009 kunnen worden aangevoerd ter verantwoording van de door de bestreden bepalingen veroorzaakte aantasting van de vrijheid van godsdienst. Zij wijzen erop dat artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet alleen erin voorziet dat het welzijn van dieren bij het bepalen en het uitvoeren van het beleid in bepaalde materies dient te worden nagestreefd, maar ook dat religieuze rites dienen te worden geëerbiedigd. Zij menen dat de artikelen 4 en 26 van de verordening (EG) nr. 1099/2009 niet in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat het de lidstaten is toegestaan de vrijheid van godsdienst, zoals gewaarborgd bij artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, te schenden. A.21.
- In het kader van het eerste onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen nog aan dat de bestreden bepalingen niet bestaanbaar zijn met artikel 23, derde lid, 5°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 27 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, omdat zij afbreuk doen aan het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing. Zij zijn van oordeel dat dit recht onder meer betrekking heeft op het belijden van zijn godsdienst, het praktiseren van de rites en ceremonies die daaraan zijn verbonden en het eten van voedsel dat in overeenstemming is met de religieuze voorschriften. Zij zijn bovendien van oordeel dat de bestreden bepalingen, zonder dat daarvoor een reden van algemeen belang voorhanden is, een aanzienlijke achteruitgang veroorzaken in de bescherming van dat recht, zodat de uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeiende standstill-verplichting wordt geschonden. A.22.
- In een tweede onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de vrijheid van godsdienst, omdat het de aanhangers van het joodse geloof onmogelijk wordt gemaakt om dieren te slachten overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. A.22.
- Volgens de verzoekende partijen vormt de shehita, namelijk de slachting van dieren overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften, op zich een religieuze rite die wordt beschermd door de vrijheid van godsdienst. Dit leiden zij onder meer af uit het arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk van 27 juni 2000 van het Europees 13 Hof voor de Rechten van Mens. Zij verwijzen in dit kader ook naar een advies van de Nederlandse Raad van State en naar een arrest van het Duitse Grondwettelijk Hof. Zij menen dat de omstandigheid dat vlees afkomstig van dieren geslacht overeenkomstig de religieuze voorschriften kan worden ingevoerd vanuit het buitenland, niet in overweging kan worden genomen in het kader van de beperking van de vrijheid van godsdienst die erin bestaat dat de shehita niet kan worden uitgevoerd. A.23.
- In een derde onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat, zoals onder meer gewaarborgd bij artikel 21, eerste lid, van de Grondwet, doordat de decreetgever zich bemoeit met de inhoud en de strekking van religieuze overtuigingen. A.23.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de Waalse decreetgever zich met de bestreden bepalingen wel degelijk heeft uitgesproken over de legitimiteit van de religieuze opvattingen en praktijken en verwijzen daarbij naar verschillende passages uit de parlementaire voorbereiding van het voormelde decreet van 18 mei
- Zij menen dat dit eveneens blijkt uit het feit dat de bestreden bepalingen erin voorzien dat indien het doden van dieren het voorwerp uitmaakt van bijzondere slachtmethodes, voorgeschreven door de ritus van een eredienst, het bedwelmingsprocedé omkeerbaar moet zijn en het niet de dood van het dier tot gevolg mag hebben. Zij zijn van oordeel dat daaruit blijkt dat de decreetgever als uitgangspunt heeft genomen dat elke religieuze slachtmethode noodzakelijkerwijze compatibel is met een omkeerbaar bedwelmingsprocedé dat niet de dood van het dier veroorzaakt. Zij preciseren dat dit niet het geval is voor de shehita. A.
- De Waalse Regering herinnert eraan dat de inmenging van de Staat in de vrijheid van godsdienst is onderworpen aan drie voorwaarden, namelijk dat de wet daarin moet voorzien, hetgeen te dezen het geval is, dat daarmee een legitiem doel wordt beoogd en dat die noodzakelijk is in een democratische maatschappij. Zij is van mening dat het bestreden decreet een adequate en evenredige maatregel is om een billijk evenwicht te bewerkstelligen tussen de aanwezige belangen. Zij voert aan dat de bescherming van het dierenwelzijn thans deel uitmaakt van de sociale noden. Zij is van mening dat vandaag unaniem wordt aangenomen dat de slachting zonder voorafgaande bedwelming meer dierenleed veroorzaakt dan de slachting met voorafgaande bedwelming. Volgens haar is het onjuist te verklaren dat de alternatieven om koosjer vlees te verkrijgen in andere landen, niet volstaan. Zij voegt eraan toe dat de decreetgever zich behoorlijk heeft gedocumenteerd alvorens het bestreden decreet aan te nemen en dat hij dus met kennis van zaken wetgevend is opgetreden. A.
- De argumentatie van de Vlaamse Regering in antwoord op dat middel is uiteengezet in haar antwoord op het eerste middel in de zaak nr.
- A.
- M. Friedman, tussenkomende partij, voert aan dat de voorafgaande omkeerbare bedwelming niet verboden is volgens de voorschriften van de joodse godsdienst. Wat het tweede middel in de zaak nr. 7155 betreft A.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7155 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 26, 28 tot 37 en 56 tot 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. A.28.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen het de shohatim, die na een opleiding van meerdere jaren erkend dienen te worden, onmogelijk maken hun beroep nog langer uit te oefenen in het Waalse Gewest. Zij menen dat hun recht op arbeid en op vrije keuze van beroepsarbeid, zoals gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, aldus in het gedrang komt. Zij wijzen erop dat het Duitse Grondwettelijk Hof reeds in die zin heeft geoordeeld. A.28.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen eveneens de mededinging verstoren tussen slachthuizen gevestigd in het Waalse Gewest en slachthuizen gevestigd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een andere lidstaat van de Europese Unie. Zij menen dat de bestreden bepalingen tot 14 gevolg hebben dat de slachtingen die voorheen zonder voorafgaande bedwelming werden uitgevoerd in slachthuizen gevestigd in het Waalse Gewest, na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen zullen worden uitgevoerd in andere slachthuizen, wat een negatieve economische invloed zal hebben op de in het Waalse Gewest gevestigde slachthuizen, en meer bepaald in die sectoren die voornamelijk zijn gericht op de export van vlees. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen aldus de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, vermits de in België gevestigde slachthuizen zich alle in dezelfde economische situatie bevinden, maar niettemin verschillend worden behandeld, naar gelang van het Gewest waarin ze zijn gevestigd. Zij menen dat die grondwetsartikelen eveneens worden geschonden doordat vlees afkomstig van dieren die zonder voorafgaande bedwelming werden geslacht in slachthuizen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie nog steeds kan worden ingevoerd in het Waalse Gewest, terwijl de slachthuizen gevestigd in het Waalse Gewest geen vlees kunnen produceren door middel van slachtingen uitgevoerd overeenkomstig de religieuze voorschriften. Zij menen ook dat de bestreden bepalingen niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van het vrij verkeer van goederen en van het vrij verkeer van diensten, doordat het de in het Waalse Gewest gevestigde slachthuizen onmogelijk wordt gemaakt om koosjer vlees (goederen) te verkopen en rituele slachtingen (diensten) uit te voeren. A.29.
- De Waalse Regering voert aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre daarin de situatie wordt vergeleken van de slachthuizen vóór en na de inwerkingtreding van het decreet van 18 mei
- Daar geen enkel slachthuis is opgenomen onder de verzoekende partijen, besluit zij hieruit dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij dat middel. A.29.
- De Waalse Regering is van mening dat de decreetgever beschikt over een uitgebreide beoordelingsbevoegdheid in sociaaleconomische aangelegenheden. A.
- De Vlaamse Regering is van mening dat het verbod op slachten zonder voorafgaande bedwelming geen beperking inhoudt van het recht op arbeid voor de slagers die hun beroep volgens de rituele voorschriften van de joodse godsdienst uitoefenen. Zij is van mening dat die slagers hun activiteit kunnen behouden, op voorwaarde dat zij de voorafgaande bedwelming toepassen. Zij voegt eraan toe dat de bestreden bepalingen de slagers niet beletten andere slagerij-activiteiten te ontwikkelen. Zij is overigens van mening dat het doel dat erin bestaat onnodig dierenleed te voorkomen, de eventuele aantasting van het recht op arbeid kan verantwoorden. Wat het derde middel in de zaak nr. 7155 betreft A.
- Het derde middel in de zaak nr. 7155 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 19, 21, eerste lid, en 23, derde lid, 5°, van de Grondwet, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2 en 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 18 en 27 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en met de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.32.
- In een eerste onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen zonder redelijke verantwoording de aanhangers van de joodse godsdienst, enerzijds, en de personen die niet onderworpen zijn aan specifieke door een godsdienst ingegeven voedselvoorschriften, anderzijds, gelijk behandelen. A.32.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het verbod op het slachten zonder bedwelming geen pertinente maatregel is ten aanzien van het doel het dierenwelzijn te bevorderen, omdat het niet is bewezen dat een slachting met voorafgaande bedwelming minder pijnlijk zou zijn voor het dier dan een slachting uitgevoerd overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij verwijzen daarbij naar standpunten van meerdere deskundigen. Zij doen daarbij ook gelden dat uit de statistieken blijkt dat in een groot aantal gevallen de voorafgaande bedwelming van het dier mislukt, zodat in die gevallen de slachting met voorafgaande bedwelming in ieder geval pijnlijker is voor het dier dan een slachting uitgevoerd overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij zijn bovendien van oordeel dat het gebruik van bepaalde bedwelmingsmethoden op zich een bron van pijn voor het dier kan zijn. 15 Zij wijzen erop dat een slachting overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften dient te voldoen aan verschillende vereisten, onder meer op het vlak van de scherpte van het mes en op het vlak van de handeling zelf. Zij wijzen eveneens erop dat de shohatim, in tegenstelling tot de niet-religieuze slachters, een jarenlange opleiding hebben genoten en worden gecontroleerd door de religieuze autoriteiten van de joodse gemeenschap. Zij merken op dat de Waalse decreetgever de specifieke slachtingsmethode die de shehita is, niet heeft onderzocht en dat daaruit dient te worden afgeleid dat de bestreden bepalingen niet tegemoetkomen aan de criteria van noodzakelijkheid en evenredigheid die inherent zijn aan de in het middel beoogde toetsingsnormen. Voorts onderstrepen zij dat de wetenschappelijke adviezen die de voorzitter van het « Centraal Israëlitisch Consistorie van België » aan de decreetgever heeft voorgelegd, zijn afgewezen omdat zij niet zouden overeenstemmen met andere ingewonnen wetenschappelijke adviezen, en zijn zij van mening dat een en ander op zijn minst wijst op een controverse in de veterinaire wereld. A.32.
- De verzoekende partijen zijn eveneens van oordeel dat het niet is bewezen dat de omkeerbare bedwelming die bij een rituele slachting dient te worden gebruikt, zou leiden tot minder pijn bij het dier dan de slachting overeenkomstig de joodse religieuze voorschriften. Zij wijzen bovendien erop dat de bestreden bepalingen niet verbieden om na het toedienen van de bedwelming, de gevolgen van de bedwelming te laten vervagen waardoor het dier ontwaakt vóór de slachting ervan. In zulk een geval brengt de bedwelmingsmethode volgens hen uitsluitend meer pijn voor het dier met zich mee. Zij menen dan ook dat de uitzondering waarin is voorzien om tegemoet te komen aan de religieuze gemeenschappen niet pertinent is ten aanzien van het nagestreefde doel van dierenwelzijn. A.33.
- In een tweede onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen zonder redelijke verantwoording de aanhangers van de joodse godsdienst, enerzijds, en de aanhangers van de islamitische godsdienst, anderzijds, gelijk behandelen. A.33.
- Uit de parlementaire voorbereiding van het voormelde decreet van 18 mei 2017 leiden de verzoekende partijen af dat de decreetgever ervan is uitgegaan dat de islamitische godsdienst zich in beginsel niet verzet tegen de voorafgaande bedwelming van dieren bij de slachting ervan met het oog op de productie van halal vlees. Zij zijn van oordeel dat de decreetgever zich er wel degelijk van bewust was dat de joodse godsdienst op dat punt verschilt van de islamitische godsdienst. Zij menen dan ook dat de bestreden bepalingen zonder redelijke verantwoording de aanhangers van de joodse godsdienst op dezelfde wijze behandelen als de aanhangers van de islamitische godsdienst. A.34.
- In een derde onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen zonder redelijke verantwoording de aanhangers van de joodse godsdienst, enerzijds, en de jagers, anderzijds, verschillend behandelen. A.34.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel D.57, § 1, tweede lid, 2°, van het Waalse Dierenwelzijnwetboek voorziet in een uitzondering voor de jacht en de visvangst op de verplichting om een voorafgaande bedwelming toe te passen bij de slachting van dieren. Zij menen dat, vermits het in beide gevallen gaat om het doden van dieren met het oog op het verkrijgen van voedsel, de jagers en de vissers zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de aanhangers van het joodse geloof. Het verschil in behandeling dat de bestreden bepaling in het leven roept tussen de aanhangers van het joodse geloof, enerzijds, en de jagers en de vissers, anderzijds, is volgens hen niet redelijk verantwoord ten aanzien van het nagestreefde doel van dierenwelzijn. Zij menen dat de omstandigheid dat de jacht en de visvangst zich voordoen in een andere context dan het slachten van dieren in een slachthuis, geen verantwoording kan vormen voor het verschil in behandeling. Zij zien bovendien niet in waarom de slachting in een slachthuis « pijnloos » moet zijn voor een dier (artikel D.4, § 1, 26°, van het Waalse Dierenwelzijnwetboek), terwijl het doden van een dier in het kader van de jacht enkel « volgens […] de minst pijnlijke methode » moet gebeuren. Zij merken op dat de onderscheiden behandeling van verschillende situaties onevenredig is, daar de bestreden bepalingen het de jagers mogelijk maken een vrijetijdsbesteding verder uit te oefenen, terwijl de personen die de joodse godsdienst belijden, een element van hun eredienst niet meer kunnen uitoefenen, element dat gedekt is door het fundamenteel recht op de vrijheid van godsdienst. 16 A.35.
- De Waalse Regering herinnert eraan dat geen enkele slachtingsmethode onfeilbaar is en dat de wetgever bijzondere aandacht heeft geschonken aan de gedifferentieerde benaderingen van het pijngevoel van het dier op het ogenblik dat het wordt gedood. Zij erkent dat uiteenlopende adviezen bestaan in verband met de beoordeling van het dierenleed op het ogenblik dat het dier wordt gedood, ongeacht of daaraan al dan niet een bedwelming is voorafgegaan. Zij blijft evenwel ervan overtuigd dat de opinie volgens welke de dieren niet minder zouden lijden wanneer zij vooraf worden bedwelmd, een minderheidsopinie is. Zij preciseert dat de interpretatie volgens welke het decreet de slachting na het verdwijnen van de gevolgen van de bedwelming zou toestaan, ingaat tegen de wil van de decreetgever. A.35.
- Ten aanzien van het tweede onderdeel van dat middel is de Waalse Regering van mening dat de aangeklaagde discriminatie niet is aangetoond. A.35.
- De Waalse Regering is van mening dat de criteria van vergelijking die de verzoekende partijen voorstellen in het derde onderdeel van het middel, niet relevant zijn, daar de context van het doden van het dier niet dezelfde is. A.36.
- De Vlaamse Regering is van mening dat de personen die zich onderwerpen aan religieuze voedingsvoorschriften en de personen die zich daar niet aan onderwerpen, zich bevinden in vergelijkbare situaties in het licht van de bestreden reglementering, zodat het niet discriminerend is hen gelijk te behandelen. Voor het overige is zij van mening dat de gelijke behandeling van die categorieën van personen redelijk verantwoord is door het doel dat erin bestaat elk onnodig dierenleed te voorkomen, en dat dat doel niet zou kunnen worden bereikt door maatregelen die de vrijheid van eredienst minder aantasten. A.36.
- Ten aanzien van de gelijke behandeling van joden en moslims betwist de Vlaamse Regering dat die categorieën van personen zich in verschillende situaties bevinden, daar de verschillen die bestaan tussen de betrokken riten, niet relevant zijn ten opzichte van het doel van het bestreden decreet. Voor het overige is zij van mening dat het feit dat het bestreden decreet geen onderscheid maakt tussen die twee groepen van personen, redelijk verantwoord is en evenredig is met het nagestreefde doel. A.36.
- Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de personen die zich onderwerpen aan religieuze riten inzake de consumptie van vlees, en de jagers en vissers, die een uitzondering genieten op het verbod op het slachten zonder voorafgaande bedwelming, is de Vlaamse Regering van mening dat de situaties niet vergelijkbaar zijn, gelet op de context waarin de dieren worden geslacht. Daarnaast herinnert zij eraan dat de dieren waarop wordt gejaagd en gevist, eveneens op de meest selectieve en snelle manier moeten worden gedood en volgens de minst pijnlijke methode. Zij voegt eraan toe dat er specifieke reglementeringen bestaan voor de jacht en de visvangst. Ten slotte is zij van mening dat het bestreden verschil in behandeling verantwoord is door het nagestreefde doel, dat erin bestaat onnodig dierenleed te voorkomen wanneer dat technisch mogelijk is. Wat het vierde middel in de zaak nr. 7155 betreft A.
- Het vierde middel in de zaak nr. 7155 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/2009 en met de artikelen 10, 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat het bestreden decreet niet ter kennis werd gebracht van de Europese Commissie. A.38.
- De verzoekende partijen merken op dat noch het voormelde decreet van 18 mei 2017, noch het bestreden decreet ter kennis werden gebracht van de Europese Commissie, hetgeen een schending inhoudt van artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1099/
- Zij menen eveneens dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden, omdat de personen die onderworpen zijn aan het bestreden decreet verstoken blijven van de nuttige werking verbonden aan de verplichting om het decreet ter kennis te brengen van de Europese Commissie, terwijl andere personen die onderworpen zijn aan andere regelgeving die ter kennis dient te worden gebracht van de Europese Commissie, niet ervan verstoken zijn. 17 A.38.
- De verzoekende partijen zijn ook van oordeel dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de artikelen 10, 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- De Waalse Regering herinnert eraan dat het bestreden decreet past in het kader van de regeling die is ingevoerd bij artikel 26, lid 2, van de verordening (EG) 1099/
- Zij wijst erop dat de kennisgeving waarin dat artikel voorziet, is gedaan aan de algemeen afgevaardigde bij de Europese Unie op 28 januari
- In ondergeschikte orde stelt zij vast dat het middel in werkelijkheid is afgeleid uit de schending van die bepaling, die niet valt onder het toezicht van het Grondwettelijk Hof. A.
- De Vlaamse Regering is niet op de hoogte van het feit of van de bepaling al dan niet is kennisgegeven, maar merkt op dat artikel 26, lid 2, van de voormelde verordening in geen enkele sanctie voorziet indien geen kennisgeving heeft plaatsgehad. Ten aanzien van de tussenkomsten van het « Executief van de Moslims van België » en anderen en van de vzw « CCOJB » en anderen A.
- Het « Executief van de Moslims van België » en anderen, alsook de vzw « CCOJB » en anderen, tussenkomende partijen, zetten een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die van de verzoekende partijen in beide zaken. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en het onderwerp van de vorderingen tot schorsing B.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7154 vorderen de vernietiging en de schorsing van de artikelen D.57, § 1, en D.105, § 1, 18°, van het Waalse Dierenwelzijnwetboek, vastgesteld bij artikel 1 van het decreet van 4 oktober 2018 betreffende het Waalse Dierenwelzijnwetboek. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7155 vorderen de vernietiging en de schorsing van de artikelen D.4, § 1, 2°, 16° en 26°, D.57 en D.59 van hetzelfde Wetboek, alsook van artikel 26 van het voormelde decreet van 4 oktober
- B.1.
- Artikel D.4, § 1, van het Waalse Dierenwelzijnwetboek bepaalt : « Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder : […] 2° het slachten: het doden van dieren bestemd voor menselijk verbruik; 18 […] 16° bedwelmen : elk opzettelijk toegepast procédé dat een pijnloos bewustzijns- en gevoeligheidsverlies veroorzaakt, met inbegrip van elk procédé waarbij de dood onmiddellijk intreedt; […] 26° het doden : elk opzettelijk procédé dat de dood van een dier veroorzaakt; […] ». Artikel D.57 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek bepaalt : « §
- Een dier mag slechts worden gedood door een persoon die daarvoor de nodige kennis en bekwaamheid heeft en volgens de meest selectieve, de snelste en de minst pijnlijke methode voor het dier. Een dier wordt enkel gedood na verdoving of bedwelming, behoudens : 1° overmacht; 2° beoefenen van jacht of visvangst; 3° bestrijding van schadelijke organismen; 4° dodingsacties waarin wordt voorzien krachtens de wet op het natuurbehoud. Indien het doden van dieren het voorwerp uitmaakt van bijzondere slachtmethodes, voorgeschreven door de ritus van een eredienst, moet het bedwelmingsprocedé omkeerbaar zijn en mag het niet de dood van het dier tot gevolg hebben. §
- De Regering kan het slachten van dieren op de plaats waar ze gekweekt worden, volgens de door haar bepaalde voorwaarden en modaliteiten toelaten. §
- In afwijking van § 1 worden de modaliteiten m.b.t. het doden van dieren bedoeld in Hoofdstuk 8 bij en krachtens artikel D.90 vastgesteld ». Artikel D.59 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek bepaalt : « De Regering stelt de voorwaarden en de nadere regels vast voor : 19 1° de vaardigheid van het personeel werkzaam in de slachthuizen en van de personen die deelnemen aan het doden van de dieren, met inbegrip van het invoeren van vormingen en examens, evenals het afleveren, het intrekken en het opschorten van in dat kader afgeleverde getuigschriften; 2° de kwalificatie van de personen die gemachtigd zijn om het doden van een dier uit te voeren; 3° de controle en de autocontrole van de slachtvoorwaarden vanaf de aankomst de dieren in het slachthuis tot het doden; 4° de bouw, inrichting en uitrusting van slachthuizen; 5° het gebruik van producten of materieel bestemd voor het doden van dieren ». Artikel D.105, § 1, van het Waalse Dierenwelzijnwetboek bepaalt : « Een inbreuk van de tweede categorie in de zin van Boek I van het Milieuwetboek begaat, hij die : […] 18° een pijnlijke ingreep bij een dier verricht of laat verrichten [lees : een dier doodt of laat doden] zonder een voorafgaande verdoving of bedwelming, in overtreding met artikel D.57 of met de voorwaarden vastgesteld krachtens dat artikel; […] ». Artikel 26 van het decreet van 4 oktober 2018 betreffende het Waalse Dierenwelzijnwetboek bepaalt : « Tot 31 augustus 2019 is artikel D.57 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek niet van toepassing op slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst. De Regering kan voorzien in de controleprocedure en -voorwaarden waarbij aangetoond wordt dat het slachten ondernomen wordt in het kader van de ritus van een eredienst ». B.2.
- Die bepalingen vervangen de bepalingen met een identieke draagwijdte die in de wet van 14 augustus 1986 « betreffende de bescherming en het welzijn der dieren » waren ingevoerd bij het decreet van 18 mei 2017 « tot wijziging van de artikelen 3, 15 en 16 en tot invoeging van een artikel 45ter in de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren ». 20 B.2.
- Bij het Hof zijn verschillende beroepen tot vernietiging ingesteld tegen de bepalingen van het voormelde decreet van 18 mei
- Bij zijn arrest nr. 52/2019 van 4 april 2019 heeft het vastgesteld dat de bestreden bepalingen van het decreet van 18 mei 2017 waren opgeheven bij artikel 24, eerste lid, 1°, van het decreet van 4 oktober 2018 « betreffende het Dierenwelzijnwetboek » en dat zij, gelet op de datum die voor de inwerkingtreding ervan was vastgesteld, nooit uitwerking hebben gehad. Het Hof heeft derhalve vastgesteld dat die beroepen zonder voorwerp waren geworden. B.2.
- Vóór de wijzigingen bij het decreet van 18 mei 2017 en bij het bestreden decreet voorzag de wet van 14 augustus 1986, voor de slachtingen die zijn voorgeschreven door een religieuze ritus, in een uitzondering op de principiële verplichting om het dier vooraf te bedwelmen. Het decreet van 18 mei 2017 en het bestreden decreet heffen die uitzondering op. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vorderingen tot schorsing B.
- Het bestreden decreet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december
- De vorderingen tot schorsing dragen een poststempel van maandag 1 april
- Op grond van artikel 119, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof wordt de dag waarop de termijn vervalt, wanneer het een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag betreft, verplaatst tot de eerstvolgende werkdag. De excepties van niet-ontvankelijkheid ratione temporis die door de Waalse en de Vlaamse Regering zijn aangevoerd, worden verworpen. B.
- De Waalse Regering betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift in de zaak nr. 7155 wat het « Centraal Israëlitisch Consistorie van België » betreft. 21 Daar de ontvankelijkheid van het verzoekschrift in die zaak niet wordt betwist ten aanzien van de andere verzoekende partijen, dient de door de Waalse Regering opgeworpen exceptie niet te worden onderzocht. B.5.
- De Vlaamse Regering voert aan dat het verzoekschrift in de zaak nr. 7155 niet ontvankelijk zou zijn in zoverre de artikelen D.4, § 1, 2°, 16° en 26°, D.57, §§ 2 en 3, en D.59 van het Waalse Dierenwelzijnwetboek en artikel 26 van het bestreden decreet worden beoogd, daar de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin die bepalingen de door hen aangevoerde referentienormen zouden schenden. B.5.
- Het Hof bepaalt de draagwijdte van de vordering tot schorsing op basis van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en de middelen. Het beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot de delen van de bestreden bepalingen ten aanzien waarvan wordt uiteengezet, enerzijds, in welke zin de toepassing ervan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen veroorzaken en, anderzijds, in welke zin zij de in de middelen aangevoerde referentienormen zouden schenden. Het beperkt zijn onderzoek daarnaast tot de referentienormen ten aanzien waarvan is uiteengezet in welke zin zij zouden zijn geschonden. B.5.
- Uit de in beide zaken ingediende verzoekschriften blijkt dat de verzoekende partijen de schorsing van de bestreden bepalingen vorderen in zoverre die laatste niet langer voorzien in een uitzondering, vanaf 31 augustus 2019, op de verplichte verdoving of bedwelming vóór het doden van de dieren met het oog op de in het kader van de religieuze riten voorgeschreven slachtingen. Het Hof onderzoekt de vorderingen tot schorsing zoals zij aldus zijn afgebakend. 22 Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.7.
- De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 7154 is een natuurlijke persoon die aanhanger is van het islamitische geloof. De islamitische ritus omvat voorschriften met betrekking tot de slachting van dieren. Die verzoekende partij zet uiteen dat de slachting met voorafgaande bedwelming, ook al is die omkeerbaar, in strijd is met de voorschriften van de islamitische ritus. Het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij aanvoert, bestaat bijgevolg in het belemmeren van de uitoefening van haar eredienst door de onmogelijkheid om zich vlees te verschaffen dat voldoet aan de vereisten daarvan. De tweede tot de zevende verzoekende partij in dezelfde zaak zijn vzw’s die zich tot doel hebben gesteld de materiële voorwaarden in te voeren die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eredienstpraktijken van de aanhangers. Het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij aanvoeren, bestaat in de onmogelijkheid om hun statutair doel verder na te streven en de belangen van hun leden te verdedigen, in zoverre het, vanaf de inwerkingtreding van de 23 bestreden bepalingen, onmogelijk zou zijn zich vlees te verschaffen dat beantwoordt aan de vereisten van de islamitische ritus die de leden ervan praktiseren. Die verzoekende partijen tonen onvoldoende aan dat het onmogelijk zou zijn zich vlees te verschaffen dat afkomstig is van dieren die zijn geslacht overeenkomstig de islamitische ritus buiten het Waalse Gewest, in afwachting van een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen. B.7.
- De achtste verzoekende partij in de zaak nr. 7154 is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die aan haar klantenkring, die hoofdzakelijk bestaat uit personen die het islamitische geloof belijden, vlees verkoopt dat afkomstig is van dieren die overeenkomstig de islamitische ritus zijn geslacht. Het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij aanvoert, bestaat in het verlies van haar klantenkring, te wijten aan het feit dat het voor haar onmogelijk is haar klanten vlees aan te bieden dat beantwoordt aan hun religieuze vereisten, hetgeen zou kunnen leiden tot haar faillissement. Die verzoekende partij toont onvoldoende aan dat het voor haar onmogelijk zou zijn om zich, bij producenten van vlees die buiten het Waalse Gewest zijn gevestigd, vlees te verschaffen dat voldoet aan de vereisten van haar klanten, in afwachting van een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen. B.8.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7155 voeren in de eerste plaats aan dat het bestreden decreet een beroepsverbod instelt ten aanzien van de shohatim (slachters volgens de israëlitische ritus), die het verbod opgelegd krijgen om hun beroep in het Waalse Gewest uit te oefenen. De derde verzoekende partij in die zaak zet uiteen dat zij de functie van shohet uitoefent en dus rechtstreeks wordt beoogd door het beroepsverbod dat uit de bestreden bepalingen voortvloeit. Die verzoekende partij is gedomicilieerd in het Vlaamse Gewest. Zij toont niet aan dat zij haar beroepsactiviteit thans in het geheel of een deel van het Waalse Gewest uitoefent. Het nadeel dat zij aanvoert, is derhalve hypothetisch. De andere verzoekende partijen in dezelfde zaak 24 beweren niet het beroep van shohet uit te oefenen en zijn dus niet rechtstreeks betrokken bij het verbod om dat beroep op Waals grondgebied uit te oefenen. B.8.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7155 voeren vervolgens aan dat het voormelde beroepsverbod het vertrek van de shohatim naar het buitenland zal veroorzaken. Zij zetten uiteen dat dat vertrek van en het daaruit voortvloeiende tekort aan personen die zijn opgeleid om dieren volgens de israëlitische ritus te slachten, hun een nadeel berokkent dat niet zal kunnen worden hersteld door een eventueel vernietigingsarrest, daar op dat ogenblik onvoldoende personen zullen overblijven die ertoe gemachtigd zijn de slachting volgens de israëlitische ritus in het Waalse Gewest uit te voeren. Het aangevoerde nadeel is niet moeilijk te herstellen, daar niets erop wijst dat de shohatim die zich op een andere plaats dan in het Waalse Gewest zouden zijn gaan vestigen na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, in geval van vernietiging ervan, hun activiteiten niet zouden kunnen hervatten in het Waalse Gewest. B.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat voor geen enkele verzoekende partij een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is aangetoond. De vorderingen tot schorsing dienen bijgevolg te worden verworpen. Ten aanzien van het onderzoek van de beroepen tot vernietiging B.10.
- Bij het Hof zijn beroepen tot vernietiging ingesteld tegen het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2017 « houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft ». Die beroepen zijn samengevoegd en ingeschreven onder het rolnummer
- De door de verzoekende partijen in die zaken bestreden bepalingen hebben een inhoud die vergelijkbaar is met die van de bepalingen van het in de onderhavige zaak bestreden Waalse decreet. 25 B.10.
- Bij zijn arrest nr. 53/2019 van 4 april 2019 heeft het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Dient artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), van de verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, te worden geïnterpreteerd in die zin dat het de lidstaten is toegestaan om, in afwijking van de in artikel 4, lid 4, van die verordening vervatte bepaling en met het oog op het bevorderen van het dierenwelzijn, voorschriften aan te nemen zoals vervat in het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2017 ‘ houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft ’, voorschriften die voorzien, enerzijds, in een verbod op het onverdoofd slachten van dieren dat ook geldt voor de in het kader van een religieuze rite uitgevoerde slachting en, anderzijds, in een alternatief verdovingsprocedé voor de in het kader van een religieuze rite uitgevoerde slachting, gebaseerd op de omkeerbare verdoving en op het voorschrift dat de verdoving niet de dood van het dier tot gevolg mag hebben ?
- Schendt, indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord, artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), van de voormelde verordening, in de in de eerste vraag vermelde interpretatie, artikel 10, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ?
- Schendt, indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord, artikel 26, lid 2, eerste alinea, c), in samenhang gelezen met artikel 4, lid 4, van de voormelde verordening, in de in de eerste vraag vermelde interpretatie, de artikelen 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat voor het doden van dieren volgens speciale methodes die vereist zijn voor religieuze riten slechts is voorzien in een voorwaardelijke uitzondering op de verplichting het dier te verdoven (artikel 4, lid 4, juncto artikel 26, lid 2), terwijl voor het doden van dieren tijdens de jacht, de visserij en tijdens sportieve en culturele evenementen, om de redenen vermeld in de overwegingen van de verordening, is voorzien in bepalingen naar luid waarvan die activiteiten niet onder het toepassingsgebied van de verordening vallen, dan wel niet onder de verplichting het dier te verdoven bij het doden ervan (artikel 1, lid 1, tweede alinea, en lid 3) ? ». B.10.
- De vragen inzake de uitlegging en de geldigheid van de verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden rijzen op dezelfde manier bij het onderzoek van de onderhavige beroepen. B.10.
- Hieruit vloeit voort dat het Hof zich niet kan uitspreken over de onderhavige beroepen tot vernietiging alvorens te hebben kunnen kennisnemen van het arrest dat het Hof van Justitie zal wijzen in antwoord op de in B.10.2 weergegeven prejudiciële vragen (zaak C-336/19). 26 Om die reden dient het onderzoek van de beroepen tot vernietiging, op dat punt, te worden opgeschort totdat het Hof van Justitie in de voormelde zaak een arrest heeft gewezen. 27 Om die redenen, het Hof
- verwerpt de vorderingen tot schorsing;
- schort het onderzoek van de beroepen tot vernietiging op totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-336/19 een arrest heeft gewezen in antwoord op de vragen die het Hof bij zijn arrest nr. 53/2019 van 4 april 2019 heeft gesteld. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.