id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 augustus 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.119 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190829.2 Arrest- Rolnummer: 119/2019 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-09-04 Raadplegingen: 328 - laatst gezien 2026-06-28 22:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 54 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juli 2013 « betreffende de integrale jeugdhulp » schendt de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bepaalt dat, wanneer de sociale dienst aan de jeugdrechter meedeelt dat hulpverlening op vrijwillige basis is georganiseerd, de jeugdrechter verplicht is om onverwijld en uiterlijk de volgende dag de door hem bevolen maatregel in te trekken, zonder dat hij kan oordelen of die intrekking verantwoord is en zonder dat over die rechterlijke beslissing een op tegenspraak gevoerd debat mogelijk is. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Franse Gemeenschap - Hulpverlening aan jeugd PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 47, 2°, en 54 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juli 2013 « betreffende de integrale jeugdhulp », gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Jeugdhulp - Vlaamse Gemeenschap - Gerechtelijke jeugdhulpverlening - Hoogdringende procedure - Intrekking van de gerechtelijke jeugdhulpverlening - Optreden van de sociale dienst - Procedurele waarborgen. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 12-07-2013 - 54 - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6,§1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6,§8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 7082 Arrest nr. 119/2019 van 29 augustus 2019 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 47, 2°, en 54 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juli 2013 « betreffende de integrale jeugdhulp », gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 14 december 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 december 2018, heeft de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schenden de artikelen 47, 2° en 54 Decreet Integrale Jeugdhulp in samenhang gelezen met de artikelen 51, lid 1 Decreet Integrale Jeugdhulp en de artikelen 52ter, lid 1 en 2; 54, lid 1; 52ter, lid 6 en 59 van de Jeugdwet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre artikel 54 Decreet Integrale Jeugdhulp in het geval van organisatie van vrijwillige jeugdhulp niet in een tegensprekelijk debat voorziet waarbij de minderjarige gehoord wordt, al dan niet vertegenwoordigd door zijn raadsman en niet in de mogelijkheid van hoger beroep voorziet voor de betrokken partijen en er aldus geen toegang tot de rechter gegarandeerd wordt, terwijl deze mogelijkheid wel voorzien is voor een minderjarige wiens zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is overeenkomstig artikel 47, 1° Jeugdwet en waar de artikelen 51, lid 1 Decreet Integrale Jeugdhulp en de artikelen 52ter, lid 1 en 2; 54, lid 1; 52ter, lid 6 en 59 Jeugdwet wel van toepassing zijn, terwijl zowel in de hoogdringende verontrustende leefsituatie (artikel 47, 2° Decreet Integrale Jeugdhulp) en de gewone verontrustende leefsituatie (artikel 47, 1° Decreet Integrale Jeugdhulp) een maatregel kan worden ingetrokken omdat er vrijwillige jeugdhulpverlening kan georganiseerd worden ? 2. Schenden de artikelen 47, 2° en 54 Decreet Integrale Jeugdhulp in samenhang gelezen met de artikelen 51, lid 1 Decreet Integrale Jeugdhulp en de artikelen 52, lid 1 en 2; 54, lid 1; 52ter, lid 6 en 59 van de Jeugdwet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre artikel 54 Decreet Integrale Jeugdhulp wanneer er een hoogdringende verontrustende leefsituatie aanhangig is bij de jeugdrechtbank in de zin van artikel 47, 2° Decreet Integrale Jeugdhulp aan de sociale dienst een discretionair beslissende bevoegdheid verleent en de jeugdrechter hierdoor decretaal verplicht wordt om zonder enige vorm van (marginale) toetsing, zoals het belang van het kind of de openbare orde, een gerechtelijke beslissing te nemen waarbij er geen voorafgaandelijk tegensprekelijk debat wordt georganiseerd en aldus geen toegang tot de rechter wordt gegarandeerd, terwijl de sociale dienst wanneer een zaak aanhangig is bij de jeugdrechtbank overeenkomstig artikel 47, 1° Decreet Integrale Jeugdhulp, over een louter adviserende functie beschikt en waarbij er wel een tegensprekelijk debat wordt georganiseerd met alle betrokkenen alvorens er door de jeugdrechter een gerechtelijke beslissing wordt genomen en het recht op toegang tot de rechter wel wordt gegarandeerd ? ». De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 3 Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Vlaamse Regering binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 juli 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil K. V.E. en D.V. zijn in augustus 2017 op zeer jonge leeftijd ouders geworden van een tweeling Ma. en Mi. In oktober 2017 overleed Ma. door nalatigheid en onvoorzichtigheid van de ouders. Naar aanleiding daarvan werd door het openbaar ministerie op grond van artikel 47, 2°, van het Vlaamse decreet van 12 juli 2013 « betreffende de integrale jeugdhulp » (hierna : het Decreet Integrale Jeugdhulp) een hoogdringende vordering wegens een verontrustende situatie met betrekking tot Mi. ingesteld. Mi. werd vervolgens door de jeugdrechtbank toevertrouwd aan een begeleidingstehuis waar hij sedertdien nog steeds verblijft in afwachting van de opname in een pleeggezin. Op 15 oktober 2018 zijn K. V.E. en D.V. ouders geworden van D. Op diezelfde dag heeft het openbaar ministerie op grond van artikel 47, 2°, van het Decreet Integrale Jeugdhulp een hoogdringende vordering wegens een verontrustende situatie met betrekking tot D. ingesteld omdat de leefsituatie van beide ouders onstabiel was, gelet op hun onderlinge conflicten en op andere bezorgdheden (financieel, materieel, pedagogisch en psychisch). De jeugdrechtbank heeft op basis van die elementen en van de vaststelling dat er nog steeds verontrusting bestaat met betrekking tot de situatie van Mi. op 15 oktober 2018 beslist om ook D. toe te vertrouwen aan een begeleidingstehuis. De situatie van de kinderen Mi. en D. wordt opgevolgd door de jeugdrechtbank en door de sociale dienst voor gerechtelijke hulpverlening, die nagaat of er mogelijkheden zijn om vrijwillige jeugdhulp te organiseren. Op 12 december 2018 werd, teneinde de situatie van Mi. en D. te bespreken en op te volgen, een overleg gepland van de jeugdrechtbank met de sociale dienst en de hulpverlening. Kort vóór het overleg werd door de sociale dienst evenwel een fax verstuurd waarin wordt gesteld dat vrijwillige jeugdhulp met betrekking tot D. kon worden georganiseerd. De raadsman van D. heeft tijdens het overleg verklaard niet akkoord te gaan met een terugkeer naar de vrijwillige hulpverlening. Ook het openbaar ministerie heeft later schriftelijk meegedeeld zich niet te kunnen vinden in zulk een terugkeer. De verwijzende rechter stelt echter vast dat de jeugdrechtbank overeenkomstig artikel 54 van het Decreet Integrale Jeugdhulp, indien de organisatie van vrijwillige hulpverlening door de sociale dienst mogelijk is, verplicht is tot de intrekking van de gerechtelijke maatregel. Hij merkt vervolgens op dat in het kader van het voormelde artikel 54 geen overeenkomstige toepassing wordt gemaakt van de procedureregels, die zijn vastgesteld in de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de Jeugdbeschermingswet). Zo kan noch de minderjarige, noch zijn raadsman formeel worden gehoord. Voorts kunnen noch de ouders, noch de minderjarige of zijn raadsman, noch het openbaar ministerie een hoger beroep instellen tegen de verplichte beëindiging van de gerechtelijke maatregel. De jeugdrechter besluit dat de sociale dienst in het kader van een hoogdringende procedure over een discretionaire bevoegdheid inzake de terugkeer naar vrijwillige jeugdhulpverlening beschikt waarbij op geen enkele wijze de toegang tot de rechter en dus het op tegenspraak gevoerde debat worden gewaarborgd. 4 De verwijzende rechter stelt tegelijk vast dat de jeugdrechtbank een gerechtelijke maatregel ambtshalve of op verzoek van de minderjarige of zijn wettelijke vertegenwoordiger, de sociale dienst of het openbaar ministerie kan vervangen of intrekken met toepassing van artikel 51, eerste lid, van het Decreet Integrale Jeugdhulp (de gewone vordering wegens een verontrustende situatie). Hij wijst erop dat de procedureregels van de Jeugdbeschermingswet inzake het hoorrecht en het hoger beroep, namelijk artikel 52ter, eerste, tweede en zesde lid, artikel 54, eerste lid, en artikel 59 in acht dienen te worden genomen. Hij wijst er ook op dat de sociale dienst daarbij slechts over een adviserende bevoegdheid beschikt. Hij stelt vast dat artikel 53 van hetzelfde decreet bij een hoogdringende vordering de toepassing van artikel 51, eerste lid, niet uitsluit zodat ook in dat geval dezelfde procedureregels gelden. Dit brengt de verwijzende rechter ertoe de voormelde prejudiciële vragen voor te leggen. III. In rechte -A- A.1. Volgens de Vlaamse Regering dienen de prejudiciële vragen zo te worden begrepen dat daarin een verschil in behandeling met betrekking tot de toegang tot de rechter wordt aangevoerd tussen, enerzijds, minderjarigen in het kader van een gewone vordering voor de jeugdrechter op grond van artikel 47, 1°, van het Decreet Integrale Jeugdhulp die de waarborgen van een op tegenspraak gevoerd debat en de mogelijkheid tot hoger beroep zouden genieten en, anderzijds, minderjarigen in het kader van een hoogdringende vordering op grond van artikel 47, 2°, van dat decreet, die niet zulke waarborgen zouden genieten wanneer blijkt dat vrijwillige jeugdhulp kan worden georganiseerd. A.2. De Vlaamse Regering wijst erop dat de decreetgever inzake de integrale jeugdhulp is uitgegaan van het principe van de subsidiariteit zodat in beginsel steeds voorrang dient te worden gegeven aan vrijwillige hulpverlening en dat uitzonderlijk kan worden teruggegrepen naar een gedwongen gerechtelijke tussenkomst. Zij wijst er vervolgens op dat de in het geding zijnde bepalingen dat uitgangspunt eerbiedigen door te bepalen dat de bij hoogdringendheid opgelegde gerechtelijke maatregelen een einde nemen indien is komen vast te staan dat een vrijwillige hulpverlening kan worden georganiseerd. Volgens de Vlaamse Regering hebben zowel de gewone als de hoogdringende vordering met elkaar gemeen dat ze een uitzondering vormen op de vrijwillige jeugdhulpverlening, maar zij verschillen op een belangrijk punt. Zo vindt het onderzoek naar het bestaan van de vrijwilligheid inzake hulp in het geval van een gewone vordering plaats vóór het optreden van de jeugdrechter wordt gevorderd, terwijl dat onderzoek naar de vrijwilligheid in het kader van een hoogdringende vordering parallel met het optreden van de jeugdrechter verloopt omdat er, gelet op de hoogdringendheid, geen mogelijkheid is geweest om reeds een grondig onderzoek ter zake te verrichten. De urgentie van de verontrustende situatie noopt ertoe dat er snel in het belang van het kind dient te worden opgetreden door het in veiligheid te brengen, hetgeen het afwachten van een onderzoek naar de eventuele vrijwilligheid veelal onmogelijk, zelfs onverantwoord maakt. De Regering beklemtoont evenwel dat, zodra de minderjarige in veiligheid is gebracht, met inspraak van de minderjarige en van de opvoedingsverantwoordelijke tijdens een periode van zestig dagen dient te worden gezocht naar de meest gepaste en minst ingrijpende hulpverlening, en met name dient te worden nagegaan of vrijwillige hulpverlening mogelijk is (artikel 84 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 « betreffende de integrale jeugdhulp »). Zij wijst erop dat daarover een verslag door de sociale dienst wordt opgesteld. Indien volgens dat verslag geen vrijwillige hulpverlening kan worden georganiseerd of indien het verslag niet binnen zestig dagen wordt overgezonden, wordt de hoogdringende procedure omgezet in een gewone procedure. Dit belet volgens de Vlaamse Regering evenwel niet dat de jeugdrechter in afwachting van het verslag vrij de maatregelen kan intrekken, verlengen of vervangen waarbij dezelfde waarborgen gelden als die in het kader van de vordering op grond van artikel 47, 1°, van het Decreet Integrale Jeugdhulp. 5 Volgens de Vlaamse Regering is het een legitieme beleidskeuze van de decreetgever om te bepalen dat een gedwongen gerechtelijke maatregel een einde neemt zodra uit het onderzoek van de bevoegde administratie blijkt dat vrijwillige jeugdhulpverlening mogelijk is omdat dan een van de voorwaarden voor het hoogdringende optreden van de jeugdrechter, namelijk de onmogelijkheid van vrijwillige jeugdhulpverlening, vervalt. De beëindiging van de gerechtelijke maatregel heeft geen onevenredige gevolgen, evenmin wat de toegang tot de rechter betreft. De Vlaamse Regering betoogt dat een debat op tegenspraak kan worden gevoerd over het verslag van de sociale dienst. Volgens haar houdt artikel 54 van het Decreet Integrale Jeugdhulp in dat de betrokken partijen worden geraadpleegd vooraleer het verslag wordt opgesteld. Zij merkt nog op dat de kritiek op de afwezigheid van een mogelijkheid tot hoger beroep feitelijke grondslag mist. Ten eerste kan de omzetting van de gerechtelijke jeugdhulpverlening in de vrijwillige hulpverlening slechts gebeuren met instemming van alle betrokkenen, hetgeen de noodzaak van een hoger beroep uitsluit. Ten tweede wordt, in het geval dat geen vrijwillige hulpverlening mogelijk is, een hoogdringende vordering omgezet in een gewone vordering, in het kader waarvan alle rechtsmiddelen beschikbaar zijn. Voor zover in het verslag van de sociale dienst zou worden besloten tot de organisatie van een vrijwillige hulpverlening, wordt de toegang tot de rechter niet belemmerd. De Vlaamse Regering merkt op dat het aan de jeugdrechter toekomt de door hem bevolen maatregelen in te trekken, hetgeen een expliciete beslissing vereist, waarin wordt vastgesteld dat vrijwillige jeugdhulpverlening is georganiseerd. Ook in de fase van de vrijwillige jeugdhulpverlening is er volgens de Vlaamse Regering nog in een toegang tot de rechter voorzien. Niets belet dat het dossier op een later tijdstip opnieuw aanhangig wordt gemaakt bij de jeugdrechter, hetzij op basis van een gewone vordering, hetzij op basis van een hoogdringende vordering, zodat het recht op toegang tot de rechter gewaarborgd is. De Vlaamse Regering is derhalve van oordeel dat de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter. Volgens haar leidt een toetsing aan artikel 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet tot een andere conclusie. -B- B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 47, 2°, en 54 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juli 2013 « betreffende de integrale jeugdhulp » (hierna : het Decreet Integrale Jeugdhulp), in samenhang gelezen met artikel 51, eerste lid, van het voormelde decreet en met de artikelen 52ter, eerste, tweede en zesde lid, 54 en 59 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de Jeugdbeschermingswet). B.2.1. Artikel 47 van het Decreet Integrale Jeugdhulp bepaalt : « De jeugdrechter neemt kennis van verontrustende situaties op vordering van het openbaar ministerie om gerechtelijke maatregelen op te leggen aan de betrokken minderjarigen en, eventueel, aan hun ouders en, in voorkomend geval, aan hun opvoedingsverantwoordelijken : 1° als het openbaar ministerie aantoont dat cumulatief de volgende voorwaarden zijn vervuld : 6
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.