id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.120 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190919.1 Arrest- Rolnummer: 120/2019 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-09-24 Raadplegingen: 890 - laatst gezien 2026-06-29 03:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof
- vernietigt artikel 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 « tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde »;
- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling ten aanzien van alle toepassingen die ervan zijn gemaakt vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;
- onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.12.2, verwerpt de beroepen voor het overige. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van artikel 5 en, al dan niet, van artikel 34 van de wet van 25 mei 2018 « tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde », ingesteld door Alphonsius Mariën en Luc Lamine, door Jelle Flo en anderen, en door de Orde van Vlaamse balies.
- Gerechtelijk recht - Taalgebruik in gerechtszaken - Nietigverklaring van een akte wegens overtreding van de taalwet in gerechtszaken - Voorwaarden
- Gerechtelijk recht - Taalgebruik in gerechtszaken - Verbetering van een louter formele miskenning van de taalwet gerechtszaken in een beslissing van een gerecht. Wettelijke bepalingen: Wet - 13-06-1935 - 40,L1 - 01 Link Justel databank 19350613-01 Tekst van de beslissing Rolnummers 6956, 7066, 7067 en 7068 Arrest nr. 120/2019 van 19 september 2019 In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 5 en, al dan niet, van artikel 34 van de wet van 25 mei 2018 « tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde », ingesteld door Alphonsius Mariën en Luc Lamine, door Jelle Flo en anderen, en door de Orde van Vlaamse balies. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 juni 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 juni 2018, hebben Alphonsius Mariën en Luc Lamine beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 « tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde » (wijziging van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 mei
- Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde wetsbepaling. Bij het arrest nr. 139/2018 van 11 oktober 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 maart 2019, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 november 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 november 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wetsbepaling door Jelle Flo, Matthias Vandenbogaerde, Pierre Thiriar, Gaby Van Den Bossche, Dirk Van Overloop, Peter Buyse, Björn Bullynck, Johan Timmermans, Amaryllis Vanderheyden, Kristien Deconinck, Lucas De Meirsman, Ann Vermeir, Esther Vanderstraeten, Joost Hendrix, Bruno Lietaert en Godelieve Scherrens, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 november 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 november 2018, heeft de Orde van Vlaamse balies, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. E. Storme, advocaat bij de balie te Gent, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 5 en 34 (gedeeltelijk) van dezelfde wet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 november 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 november 2018, hebben Alphonsius Mariën en Luc Lamine beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 5 en 34 (gedeeltelijk) van dezelfde wet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6956, 7066, 7067 en 7068 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 15 mei 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 juni 2019 en de zaken in beraad zullen worden genomen. 3 Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7066 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 5 juni 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 26 juni
- Op de openbare terechtzitting van 26 juni 2019 : - zijn verschenen : . Mr. J. Van Cauter en Mr. C. Kerckhofs, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7066; . Mr. M. E. Storme, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7067; . Mr. A. Wirtgen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging A.1.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6956 en 7068, Alphonsius Mariën en Luc Lamine, stellen dat het Hof hun belang erkend heeft bij zijn arrest nr. 139/2018 van 11 oktober 2018 over de vordering tot schorsing in de zaak nr.
- Doordat de artikelen 5 en 34 van de wet van 25 mei 2018 « tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde » (hierna : de wet van 25 mei 2018) de afdwingbaarheid regelen van de taalregeling in gerechtszaken menen zij dat de bestreden bepalingen raken aan een aspect van de behoorlijke rechtsbedeling alsook aan een aspect van de in artikel 4 van de Grondwet verankerde taalverscheidenheid die dermate belangrijk zijn, dat de vrijwaring ervan alle rechtzoekenden aanbelangt. Voorts stellen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6956 en 7068 dat de bestreden regeling de habeas corpus aantast, wat een dermate essentieel aspect is van de vrijheid van de burger, dat iedere fysieke persoon die zich op Belgisch grondgebied bevindt voortdurend belang erbij heeft dat de regels betreffende de aanhouding en de terbeschikkingstelling van het strafgerecht, met inbegrip van het taalgebruik, de individuele vrijheid waarborgen. 4 A.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7066 zijn van oordeel dat artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 op ernstige wijze de uitoefening van hun ambt als rechter bemoeilijkt. Door de wijziging van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935) beschikken zij als rechter niet meer over de mogelijkheid ambtshalve proceshandelingen nietig te verklaren wanneer deze zijn gesteld in een taal die niet de officiële taal is van het rechtscollege overeenkomstig de regels bepaald in de wet van 15 juni
- Zij zijn daarvoor volledig afhankelijk van het initiatief van de procespartijen. Daarenboven kunnen zij enkel op initiatief van de partijen in een met redenen omklede beslissing bevelen een bepaald stuk te laten vertalen overeenkomstig artikel 8 van de wet van 15 juni
- Om aan te tonen dat hun belang niet hypothetisch is, verwijzen zij naar drie recente zaken waarbij rechters reeds geconfronteerd werden met anderstalige proceshandelingen waarvan de nietigheid niet ambtshalve kon worden opgeworpen. A.1.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7067, de Orde van Vlaamse balies, stelt dat zij, overeenkomstig artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, onder meer tot taak heeft te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van haar leden. In dat kader neemt zij maatregelen ter behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende. Zij meent belang te hebben bij de vernietiging van de artikelen 5 en 34 van de wet van 25 mei 2018 doordat de bestreden bepalingen raken aan een aspect van de behoorlijke rechtsbedeling en aan het recht op toegang tot de rechter. A.
- De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6956 en 7068, aangezien zij niet aantonen op welke wijze zij rechtstreeks en ongunstig zouden worden geraakt door de bestreden bepalingen. Daarenboven zijn de beroepen tot vernietiging minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk doordat de middelen op essentiële punten onduidelijk zijn. Ten gronde Wat betreft artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 De toetsing aan de bevoegdheidverdelende regels A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 6956 voeren in het vijfde onderdeel van het enige middel aan dat de bestreden bepaling de federale loyauteit schendt, omdat zij, in strijd met de artikelen 4, laatste lid, 143, § 1, en 157bis van de Grondwet werd aangenomen bij een gewone wet en niet met de bij artikel 4, laatste lid, van de Grondwet vereiste bijzondere meerderheid. Zij wijzigt immers een essentieel element van de hervorming met betrekking tot het taalgebruik in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel, namelijk het karakter van openbare orde van de regeling. Een dergelijk essentieel element kan enkel worden gewijzigd bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid. De Senaat, waarin de belangen van de deelstaten worden behartigd bij de federale besluitvorming, heeft dan ook ten onrechte niet aan de wetgevingswerkzaamheden betreffende de bestreden bepaling kunnen bijdragen. De federale wetgever dient in de uitoefening van zijn bevoegdheid de federale loyauteit in acht te nemen. Zo mag hij de federale constructie niet verstoren en dient hij aan artikel 4 van de Grondwet een volledige en correcte uitvoering te geven, wat inhoudt dat alle taalwetten het karakter van wetten van openbare orde moeten bewaren. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7068, die dezelfde zijn als in de zaak nr. 6956, voeren in het zestiende middel om gelijkluidende redenen aan dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 157bis van de Grondwet en verwijzen ter ondersteuning naar de uiteenzettingen hieromtrent in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Voorts voeren zij in het tweede middel aan dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan de voorrang die het Nederlands geniet in het Nederlandse taalgebied, terwijl die grondwettelijke waarborg van openbare orde is. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7066 en 7067 voeren in het eerste onderdeel van het eerste middel eveneens een schending aan door de bestreden bepaling van artikel 157bis, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 30, van de Grondwet, doordat zij is aangenomen met een gewone meerderheid, terwijl, voor wat het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, op grond van artikel 157bis van de Grondwet de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bijzondere meerderheid zou zijn vereist. 5 De bestreden bepaling raakt immers rechtstreeks aan de artikelen 7bis en 7ter van de wet van 15 juni 1935, die essentiële elementen vormen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel. Doordat de rechters niet langer de mogelijkheid hebben om ambtshalve de nietigheid op te werpen, worden de regels betreffende de wijziging van taal of de verwijzing naar een rechtscollege van de andere taalrol in het gerechtelijk arrondissement Brussel uitgehold. Daarenboven zijn de verzoekende partijen in de zaak nr. 7067 van oordeel dat het Hof niet gebonden is aan de interpretatie van « essentiële elementen » die wordt gegeven in de parlementaire voorbereiding bij de totstandkoming van artikel 157bis van de Grondwet. De eentaligheid van de rechtspleging en de taalkennis van de magistraten, zoals gewijzigd bij de wet van 19 juli 2012 « betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel », vormen evenzeer essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel die niet kunnen worden gewijzigd dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bijzondere meerderheid. A.3.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7066 en 7067 aan dat de miskenning van die bijzonderemeerderheidsvereiste ook een schending inhoudt van de federale loyauteit, zoals bepaald in artikel 143, § 1, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 30, van de Grondwet. A.4.
- De Ministerraad is allereerst van oordeel dat het Hof niet bevoegd is om de middelen inzake de bevoegdheidverdelende regels te beoordelen, aangezien het taalgebruik in gerechtszaken niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een bevoegdheidsverdeling. Voorts betwist hij dat de bestreden bepaling een wijziging zou uitmaken van een essentieel element van de hervorming met betrekking tot het taalgebruik in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel die krachtens artikel 157bis van de Grondwet slechts bij bijzonderemeerderheidswet zou kunnen worden gerealiseerd. Die elementen dienen immers limitatief te worden geïnterpreteerd. In dit kader beklemtoont de Ministerraad dat de bestreden bepaling geenszins afbreuk doet aan de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken waarin is voorzien in het gerechtelijk arrondissement Brussel, maar louter de nietigheid van proceshandelingen die in de verkeerde taal zijn gesteld, onderwerpt aan het aantonen van belangenschade. De nietigheidsregeling dient dan ook te worden onderscheiden van de regeling van de taalwijziging in het gerechtelijk arrondissement Brussel. Enkel die laatste kan worden beschouwd als een essentieel element in de zin van artikel 157bis van de Grondwet. Ondergeschikt merkt de Ministerraad op dat, voor zover het Hof zou oordelen dat de bestreden bepaling met miskenning van artikel 157bis van de Grondwet tot stand zou zijn gekomen, die bepaling enkel kan worden vernietigd in zoverre ze van toepassing is op het gerechtelijk arrondissement Brussel. A.4.
- Ten aanzien van het tweede onderdeel van het eerste middel van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7066 en 7067 stelt de Ministerraad dat de plicht tot federale loyauteit niet geschonden kan worden door de bestreden bepaling, aangezien bij de totstandkoming ervan geen bijzonderemeerderheidsvereiste werd miskend. Voorts tonen de verzoekende partijen niet aan hoe de federale overheid bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot het regelen van het taalgebruik in gerechtszaken, het evenwicht van de federale constructie in haar geheel zou hebben verstoord, in het bijzonder door het onmogelijk of overdreven moeilijk maken van de uitoefening van de bevoegdheden van de andere wetgevers. Het recht op toegang tot de rechter en de behoorlijke rechtsbedeling A.5.
- Het derde, het vierde, het achtste, het negende en het elfde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6956 zijn afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6956 zijn van oordeel dat de bestreden bepaling het recht op eerlijk proces in burgerlijke zaken en in strafzaken schendt, doordat een zwakke partij in de onmogelijkheid kan zijn om haar rechten tegenover een sterke partij te laten gelden. Eenieder tegen wie een strafrechtelijke vervolging of een burgerlijke vordering is ingesteld, moet zich nochtans kunnen verweren in de taal van zijn taalgebied die hij voldoende machtig is. Daarenboven schendt de bestreden bepaling het recht op een eerlijk proces en de plicht van de Staat om een adequaat kader te scheppen voor een eerlijk proces, door niet in procedurele waarborgen te voorzien voor het onderzoek naar de taalkennis van een partij die de schending van de wet van 15 juni 1935 aanvoert. Nochtans worden er zware eisen gesteld aan militairen, ambtenaren en magistraten voor het bewijzen van hun kennis van een andere landstaal. De bestreden bepaling is evenmin verzoenbaar met het recht zich in strafzaken kosteloos te laten bijstaan door een tolk, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 3, e), van het Europees 6 Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien een rechter op grond van een procedure zonder dat in waarborgen is voorzien mogelijkerwijs ten onrechte kan oordelen dat een Nederlandstalige die in Brussel wordt vervolgd, de Franse taal voldoende beheerst. Voorts wordt het recht op een eerlijk proces geschonden door de bestreden bepaling, omdat zij een Nederlandstalige rechter die het Frans niet machtig is, kan verplichten om kennis te nemen van Franstalige stukken of pleidooien. A.5.2.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7068, die dezelfde zijn als in de zaak nr. 6956, voeren in het eerste, vijfde, zevende, achtste, tiende, elfde, twaalfde en dertiende middel om gelijkluidende redenen aan dat de bestreden bepaling in strijd is met de artikelen 10, 11, 12, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 30 ervan en met de artikelen 1, 5, 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aanvullend voeren zij aan dat de bestreden nietigheidsregeling rechtsonderhorigen in het Nederlandse taalgebied tegen hun wil aftrekt van de rechter die de wet hun toekent en die uitsluitend, of minstens bij voorrang, het Nederlands gebruikt, aangezien zij belangenschade moeten aantonen. Overigens wijzen zij erop dat het aantonen van belangenschade een onevenredige bewijslast oplegt aan de rechtzoekende. Daarenboven menen zij dat die regeling aanleiding geeft tot absurde gevolgen. Een grove schending van de wet van 15 juni 1935 in een vonnis kan immers niet worden bestreden door een benadeelde partij, aangezien die niet bij aanvang van het proces kan worden opgeworpen. Daarenboven verhindert de bestreden bepaling de rechter om de benadeling van zijn eigen belangen te verhelpen, wat ook wordt bevestigd in de verklaring van de minister van Justitie in de Commissie voor de Justitie van de Kamer op 13 juni
- De rechter en de griffier dienen in de juiste proceduretaal te worden aangesproken, zelfs als partijen geen belangenschade aantonen bij een inbreuk op de regeling van het taalgebruik. A.5.2.
- Voorts voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7068 in het vijftiende middel aan dat de bestreden bepaling een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien het niet voorzienbaar is welke handelingen aanleiding zullen kunnen geven tot een nietigheid. A.5.3.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7066 is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Allereerst geven de verzoekende partijen in de zaak nr. 7066 aan dat de rechtspraak van het Hof bevestigt dat het recht op toegang tot de rechter inhoudsloos zou zijn indien niet is voldaan aan het recht op een eerlijk proces. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het recht op een eerlijk proces enkel als effectief kan worden beschouwd als de argumenten van de procespartijen daadwerkelijk worden gehoord. Dit houdt in dat de conclusies, de argumenten en het bewijs aangebracht door de partijen naar behoren moeten worden onderzocht door de rechtbank. Het recht om daadwerkelijk te worden gehoord is ook nauw verbonden met het recht op een met redenen omkleed vonnis of arrest. A.5.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7066 stellen vast dat ingevolge de bestreden bepaling een proceshandeling enkel nog nietig kan worden verklaard wanneer dit tijdig, in limine litis wordt opgeworpen door een partij die belangenschade kan aantonen. Het wordt de rechter aldus onmogelijk gemaakt om ambtshalve de miskenning van de wet van 15 juni 1935 te sanctioneren. De afschaffing van de mogelijkheid voor de rechter om proceshandelingen ambtshalve nietig te verklaren, heeft tot gevolg dat de rechter kennis moet nemen van processtukken of mondelinge pleidooien in een andere taal dan die van de rechtspleging, ook al dient hij volgens de wettelijke regels die taal niet of slechts in beperkte mate te beheersen. Hierdoor kan niet langer worden gewaarborgd dat de procespartijen ook daadwerkelijk worden gehoord door de rechtbank. Dit wordt ook bevestigd in recente rechtspraak. In een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 16 oktober 2018 wordt gesteld dat wanneer het inleidend verzoekschrift gesteld is in een andere taal dan die van de rechtspleging, de magistraat onmogelijk op gepaste wijze kan kennisnemen van de grieven en argumenten van de procespartij, nu hij niet kan worden geacht die taal in al haar juridische nuances te begrijpen. Hierdoor komt kennelijk de goede rechtsbedeling in het gedrang. Overigens heeft de minister van Justitie dat probleem reeds erkend, aangezien hij tijdens een toespraak in het Parlement en in een brief aan het College van de hoven en rechtbanken aangaf dat een wetswijziging noodzakelijk is om dit te verhelpen. 7 A.5.3.
- Voorts merken de verzoekende partijen in de zaak nr. 7066 op dat een beroep op tolken en vertalers het recht van de procespartijen om daadwerkelijk te worden gehoord niet kan vrijwaren. Artikel 8 van de wet van 15 juni 1935 laat immers enkel aan de procespartijen toe om de vertaling van bepaalde stukken te vragen. Bovendien kan een beroep op tolken en vertalers nooit waarborgen dat alle juridische nuances worden overgebracht. In strafzaken bemoeilijkt een beroep op tolken de waarheidsvinding en beïnvloedt het negatief het recht op een eerlijk proces. Evenmin is het evident om de nodige tolken en vertalers te vinden. A.5.3.
- Tot slot kan het gebrek aan afdwingbaarheid van de wet van 15 juni 1935 niet worden gecompenseerd door het opleggen van een geldboete, overeenkomstig artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek, aan de procespartij die de taalregeling miskent. Die bepaling laat immers enkel toe een boete op te leggen indien een partij de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden. Een dergelijk bijzonder opzet is niet steeds voorhanden bij een schending van de wet van 15 juni
- Die wet kan ernstig en substantieel worden geschonden, zonder dat een procespartij de bedoeling heeft de rechtspleging te vertragen of van haar doel af te wenden. Bovendien voorziet artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek slechts in een geldboete en niet in een nietigheidssanctie of een wering van de akte van rechtspleging. Die bepaling is daarenboven niet van toepassing in strafzaken. A.5.4.
- Het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7067 zijn afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 4, 10, 11 en 30 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het rechtszekerheidsbeginsel. A.5.4.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7067 meent dat de bestreden bepaling op onevenredige wijze afbreuk doet aan de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige taalgebied of van het tweetalige karakter van het taalgebied, aangezien ze de afdwingbaarheid van de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken, en de daarin vervatte waarborgen, te drastisch inperkt. De bestreden bepaling verbiedt de rechter om bij een miskenning van de wet van 15 juni 1935 de nietigheid ambtshalve uit te spreken, zelfs op verzoek van een partij die geen belangenschade kan aantonen. De rechter kan bijgevolg verplicht worden om kennis te nemen van processtukken in een taal die hij niet begrijpt. De bestreden nietigheidsregeling, die een totale relativering inhoudt, is niet verzoenbaar met het recht op een goede rechtsbedeling. A.5.4.
- Daarenboven miskent de bestreden nietigheidsregeling het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien zowel de burger als de rechter niet op voorhand kan weten welke taalregels daadwerkelijk zullen worden gevolgd en toegepast. De effectieve bescherming van de taalwaarborg bij de rechtsbedeling, die de wet van 15 juni 1935 ter uitvoering van de artikel 4 en 30 van de Grondwet dient te verschaffen, vervalt. De relativering van de wet van 15 juni 1935 heeft tot gevolg dat men op elke mogelijke taal bedacht moet zijn. De ontstentenis van duidelijke voorwaarden veroorzaakt een grote rechtsonzekerheid. A.5.4.
- De wetgever had volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 7067 kunnen kiezen voor een minder verregaande oplossing, die niet op onevenredige wijze afbreuk deed aan de grondwettelijke waarborgen vervat in de artikelen 4 en 30 van de Grondwet, aan het rechtszekerheidsbeginsel en aan het recht op behoorlijke rechtsbedeling. Zij wijst erop dat de oude nietigheidsregeling niet de enige mogelijke grondwetsconforme regeling is om de miskenning van de wet van 15 juni 1935 te sanctioneren. Echter, de huidige regeling bouwt op een te verregaande wijze de waarborgen af van de wet van 15 juni 1935 en is geenszins noodzakelijk voor het bereiken van een wettig doel. A.6.
- De Ministerraad meent dat de bestreden nietigheidsregeling geen afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter en het recht op een behoorlijke rechtsbedeling, in het bijzonder het recht om te worden gehoord. De rechter is immers geenszins verplicht kennis te nemen van processtukken in een taal die hij niet begrijpt. De bestreden nietigheidsregeling moet niet restrictief worden uitgelegd. Het spreekt voor zich dat de rechter, uit de aard van de verplichtingen die met zijn ambt gepaard gaan, de nodige actie kan ondernemen. De bestreden bepaling maakt enkel een einde aan een excessief sanctiemechanisme zonder de vereisten van de behoorlijke rechtsbedeling aan te tasten. De aangevoerde middelen steunen dan ook op een verkeerde veronderstelling in rechte. Ten overvloede stelt de Ministerraad vast dat de rechter een beroep kan doen op de medewerking van een beëdigde tolk, wanneer hij de taal niet verstaat die door een of meerdere partijen wordt gebruikt. De tolkkosten vallen ten laste van de Staat. Daarenboven laat artikel 8 van de wet van 15 juni 1935 de rechter toe neergelegde stukken of documenten in een andere taal dan die de voormelde wet voorschrijft, te laten vertalen op verzoek van de partij tegen wie die stukken of documenten worden aangevoerd. De rechter is dan ook in staat de partijen daadwerkelijk te horen. 8 A.6.2.
- Voorts is de Ministerraad van oordeel dat het recht op een eerlijk proces niet zo kan worden begrepen dat de rechter zelf ambtshalve de nietigheid zou moeten vaststellen van een proceshandeling gesteld met miskenning van de wet van 15 juni 1935, zonder na te gaan of de betrokkene door die miskenning effectief wordt benadeeld. Aangezien een betrokken partij nog over de mogelijkheid beschikt om een dergelijke miskenning te doen sanctioneren, is er geen sprake van een inmenging in het recht op een eerlijk proces. A.6.2.
- Zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat er een inmenging is in het recht op een eerlijk proces, acht de Ministerraad het geenszins onredelijk om de miskenning van de wet van 15 juni 1935, zoals andere miskenningen van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, slechts te sanctioneren wanneer daaruit belangenschade voortvloeit en die miskenning vóór elk ander verweer wordt opgeworpen. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is bij de regeling van het taalgebruik. De wetgever vermocht te oordelen dat de handhaving van de oude nietigheidsregeling bij het taalgebruik in gerechtszaken niet langer verantwoord was. De keuze die de wetgever heeft gemaakt, is niet kennelijk onredelijk en brengt geen kennelijk onevenredige gevolgen met zich mee voor de betrokken rechtzoekenden. De rechtspraak van het Hof en van de Raad van State bevestigt dat niet elk anderstalig element in een procedure aanleiding geeft tot een schending van de rechten op een eerlijk proces. Waar de sanctie gepast is, zal de nietigheid nog steeds worden uitgesproken. A.6.2.
- De rechter is volgens de Ministerraad zonder twijfel in staat om op een ernstige en efficiënte wijze de aangevoerde belangenschade, met inbegrip van de talenkennis van de betrokken partij, te beoordelen. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bevestigd, staat de feitenrechter immers ultiem in voor de bescherming van de eerlijkheid van de procedure, daarin begrepen de beoordeling van de situatie waarin de betrokkene zich bevindt op het vlak van talenkennis. Bovendien vormt in de wet van 15 juni 1935 talenkennis reeds een relevant en pertinent criterium om te bepalen op welke wijze een geding verder zal verlopen. A.6.
- Daarnaast kan een partij die moedwillig de wet van 15 juni 1935 overtreedt, worden veroordeeld tot een geldboete en een schadevergoeding. Het ontnemen van het karakter van openbare orde aan artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 houdt dan ook geen schending in van het recht op een eerlijk proces. Het Hof heeft reeds bevestigd dat het aan de wetgever toekomt te oordelen of een onregelmatigheid naar de vorm al dan niet kan worden bestraft. Het Hof zou een dergelijke keuze enkel kunnen afkeuren indien die keuze kennelijk onredelijk is of indien zij op een kennelijk onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het recht op een eerlijk proces, wat in casu niet het geval is. Evenmin waarborgt het recht op een eerlijk proces het recht om in strafzaken de procedure in de eigen taal te zien verlopen. Voor het geval dat het geding niet in de taal van de betrokkene verloopt, gelden er ruime garanties op het vlak van vertaling, zelfs al zou dat ten gevolge van een niet-gesanctioneerde miskenning van de wet van 15 juni 1935 zijn. A.6.
- De bestreden nietigheidsregeling veroorzaakt ook geen rechtsonzekerheid. Het onderscheid tussen formele en materiële miskenningen van de wet van 15 juni 1935 is louter van toepassing op de verbetering van rechterlijke beslissingen in de zin van artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat onderscheid heeft geen invloed op de vraag welke proceshandelingen vatbaar zijn voor nietigverklaring van artikel 5 van de bestreden wet. Alle proceshandelingen die worden gesteld met miskenning van de wet van 15 juni 1935 zijn dus vatbaar voor nietigverklaring, behoudens wat betreft de formele miskenningen begaan door de rechter zelf. A.6.
- Tot slot ziet de Ministerraad niet in hoe de bestreden bepaling de voorrang van de in gerechtszaken te hanteren talen op ongrondwettige wijze zou beknotten. Integendeel, zij verandert niets aan de regels die het taalgebruik in gerechtszaken voorschrijven en heeft geen invloed op de taal die de rechter moet beheersen en hanteren. Het huidige sanctiemechanisme vormt een substantiële en gepaste waarborg voor de rechtzoekende in overeenstemming met de artikelen 4 en 30 van de Grondwet. Voorts dienen die grondwetsbepalingen steeds in samenhang te worden gelezen met de individuele taalvrijheid van de rechtzoekende. De wetgever kon dan ook redelijkerwijze oordelen dat de individuele vrijheid van de rechtzoekende, in het belang van de goede rechtsbedeling, niet langer dermate moest worden beperkt. Een minder verregaande wijziging van de oude nietigheidsregeling zou niet in staat zijn geweest om de ongelijke behandeling op het vlak van de sancties in het burgerlijk procesrecht op te heffen en had de effectiviteit van de rechtspraak niet op dezelfde wijze kunnen bevorderen. 9 De motiveringsplicht en de openbaarheid van de rechtsbedeling A.7.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7067 voeren in het derde onderdeel van het tweede middel aan dat de bestreden bepaling een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 148 en 149 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij zijn van oordeel dat indien de proceshandelingen niet in de taal van de rechtspleging zijn gesteld, de grondwettelijk vereiste controle op vonnissen en arresten niet kan worden gewaarborgd. Het gebruik van de taal van de rechtspleging, zoals vastgelegd in de wet van 15 juni 1935 in overeenstemming met artikel 4 van de Grondwet, is noodzakelijk om na te gaan of de rechter de motiveringplicht heeft geëerbiedigd en om de openbaarheid en transparantie van de rechtsbedeling naar burgers toe te verzekeren. De verstaanbaarheid van de gestelde rechtshandelingen vormt een noodzakelijke voorwaarde voor een openbare rechtspraak, een essentieel element van onze samenleving en van de grondwettelijke orde. Zolang de openbare orde niet in het geding is, beschikken partijen overigens over de mogelijkheid om hun geschil te beslechten via arbitrage. Ze worden dan ook niet in hun grondrechten geschaad door de verplichting de taal van de rechtspleging te gebruiken in procedures voor de rechterlijke macht. A.7.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7078 voeren in het negende middel aan dat de bestreden bepaling een schending inhoudt van de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 ervan, met de artikelen 1 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en met het motiveringsbeginsel. Indien in een vonnis of arrest een andere taal wordt gebruikt, kan dat gebrek in de motivering ertoe leiden dat de belanghebbende het vonnis of arrest onvoldoende begrijpt en niet in staat is om te oordelen of het aanwenden van een rechtsmiddel wenselijk is. De bestreden bepaling schept echter geen toereikend wettelijk kader om te verzekeren dat een afdoende motivering van vonnissen en arresten steeds wordt gewaarborgd. A.
- De Ministerraad beklemtoont dat de bestreden bepaling geenszins op gespannen voet staat met het beginsel van de openbare rechtspraak. Een eventuele miskenning van de wet van 15 juni 1935 kan door de rechter worden verbeterd of gesanctioneerd door een nietigverklaring. Voorts merkt de Ministerraad op dat artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek net beoogt te vermijden dat een formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 in rechterlijke beslissingen ertoe zou leiden dat de beslissing niet goed wordt begrepen. Het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, het gerecht waarnaar de beslissing werd verwezen of de beslagrechter kan te allen tijde ambtshalve of op verzoek van een partij elke louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 verbeteren, uiteraard zonder de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. De afdeling wetgeving van de Raad van State achtte de verbetering van een formele miskenning aanvaardbaar in zijn advies. Wanneer een miskenning van de wet van 15 juni 1935 in een rechterlijke beslissing een formele miskenning overstijgt, is ze hoe dan ook niet vatbaar voor een verbetering overeenkomstig artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek. Een rechtelijke beslissing waarvan het dictum of de motivering integraal in de verkeerde taal is geredigeerd, kan dus nog steeds aanleiding geven tot een vernietiging. De rechtzoekende beschikt dan ook over alle nodige middelen om op te treden. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie A.9.
- Het eerste onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 7066 is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 62 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en artikel 65 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Ingevolge de bestreden bepaling kunnen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7066, die allen rechter of raadsheer zijn bij rechtbanken en hoven van beroep, niet langer ambtshalve de nietigheid opwerpen van de stukken die worden ingediend in strijd met de regels inzake het taalgebruik, in tegenstelling tot de rechters bij het Grondwettelijk Hof en de staatsraden bij de Raad van State. Zij zijn aangewezen op de welwillendheid van de procespartijen, aangezien enkel de partijen de nietigheid kunnen aanvoeren of de rechter kunnen verzoeken de vertaling te bevelen van een bepaald stuk in een met redenen omklede beslissing. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7066 menen dat er voor die ongelijke behandeling geen redelijke verantwoording bestaat. 10 A.9.
- Het derde middel in de zaak nr. 7067 is afgeleid uit de schending door de bestreden bepaling van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 ervan en met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partij in de zaak nr. 7067 voert aan dat de bestreden bepaling een fundamenteel verschillende regeling invoert voor de afdwingbaarheid van de regels inzake het taalgebruik in de rechtspleging voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht, dan de regeling die geldt voor het Grondwettelijk Hof en voor de Raad van State. Een miskenning van de regels van het taalgebruik in gerechtszaken wordt voor de hoven en de rechtbanken enkel nog in zeer beperkte mate gesanctioneerd aan de hand van een bijzonder relatieve nietigheidsregeling. Overeenkomstig artikel 62 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en artikel 65 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, wordt de nietigheid van proceshandelingen die in strijd zijn met de wettelijk voorgeschreven taalregeling daarentegen ambtshalve uitgesproken. De verzoekende partij in de zaak nr. 7067 stelt vast dat de bestreden bepaling is ingevoerd om de nietigheidsregeling inzake taalgebruik in gerechtszaken overeen te doen stemmen met de regeling voor de andere nietigheidsgronden in de procedure voor de rechtbanken van de rechterlijke macht. Die nietigheidsgronden doen evenwel geen afbreuk aan de grondwettelijke waarborg inzake taal vastgelegd in artikel 4 van de Grondwet en aan het recht op behoorlijke rechtsbedeling. Het onderscheid steunt dan ook op een niet relevant criterium van onderscheid en is niet redelijk te verantwoorden. A.9.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7068, die dezelfde zijn als in de zaak nr. 6956, voeren in het vierde middel om gelijkluidende redenen aan dat de bestreden bepaling in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bijkomend wijzen zij erop dat de absolute nietigheid eveneens geldt als sanctie voor de miskenning van de regels inzake taalgebruik in de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en in de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna : de Bestuurstaalwet). A.
- Wat betreft de regeling van het taalgebruik voor andere rechtscolleges en in de Bestuurstaalwet, merkt de Ministerraad op dat het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, op zich geen discriminatie inhoudt. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. De situaties die de verzoekende partijen trachten te vergelijken, zijn in werkelijkheid niet vergelijkbaar. De absolute nietigheden die voor de bijzondere rechtscolleges spelen, hebben immers een zeer specifiek toepassingsgebied. De ambtshalve nietigheid geldt enkel voor de proceshandelingen van institutionele partijen en van overheden die aan de wetgeving op het taalgebruik in bestuurszaken onderworpen zijn. Die partijen dienen te worden onderscheiden van een procespartij in een gemeenrechtelijke procedure. Dit is des te meer het geval voor een bestuur dat de taalregeling in de Bestuurstaalwet miskent. Zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat die categorieën vergelijkbaar zijn, is het geheel redelijk om de institutionele partijen en de overheden die in de bijzondere procedures aan strengere normen inzake taalgebruik onderworpen zijn, ook aan een strengere nietigheidsregeling te onderwerpen. Tot slot benadrukt de Ministerraad wederom dat de bestreden bepaling er net gekomen is om de nietigheidsregeling inzake taalgebruik in gerechtszaken in overeenstemming te brengen met de veralgemeende gemeenrechtelijke nietigheidsregeling. A.11.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 6956 voeren in het tweede en zesde onderdeel van het enige middel aan dat de bestreden bepaling een niet-verantwoorde gelijkheid van behandeling invoert tussen, enerzijds, personen die het slachtoffer zijn van schendingen inzake het gebruik der talen in gerechtszaken en, anderzijds, personen die het slachtoffer zijn van gewone procedurefouten. Ingevolge de bestreden maatregel moet bijvoorbeeld een Nederlandstalige die in Brussel voor een Franstalige rechter wordt gedaagd en die niet wordt vertegenwoordigd door een raadsman, zich voortaan in het Frans verweren zonder te kunnen rekenen op een ambtshalve interventie van die Franstalige rechter. Daarenboven schendt de bestreden bepaling het gelijkheidsbeginsel doordat slachtoffers van schendingen van de wet van 15 juni 1935 niet langer de bescherming van een wet van openbare orde genieten, terwijl slachtoffers van schendingen van minder belangrijke wetten van openbare orde die bescherming wel nog genieten. A.11.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7068, die dezelfde zijn als in de zaak nr. 6956, voeren in het vierde middel om gelijkluidende redenen aan dat de bestreden bepaling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 30 ervan. 11 A.
- Wat betreft de vermeende gelijke behandeling tussen, enerzijds, personen die het slachtoffer zijn van schendingen inzake het gebruik der talen in gerechtszaken en, anderzijds, personen die het slachtoffer zijn van gewone procedurefouten, meent de Ministerraad dat er geen enkele reden is om hen anders te behandelen. Zij bevinden zich immers in dezelfde situatie. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6956 en 7068 minimaliseren ten onrechte het belang van tal van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen die zijn opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek. De bestreden bepaling beoogt daarentegen net een discriminerende behandeling te verhelpen. Door de hervorming van de gemeenrechtelijke nietigheidsregeling bestond er immers een verschillende regeling voor de nietigheden in het Gerechtelijk Wetboek, die slechts vóór elk ander verweer en onder voorwaarde van belangenschade konden worden opgeworpen, en voor de nietigheden in de wet van 15 juni 1935, die de openbare orde nog raakten en dus zelfs ambtshalve door de rechter moesten worden opgeworpen. De bestreden maatregel beoogt de procedure te deformaliseren en de toepassing van de nietigheidsregeling te harmoniseren. Hoewel een persoon die wordt geconfronteerd met een miskenning van de wet van 15 juni 1935 niet langer in het bijzonder wordt beschermd door een absolute, ambtshalve uit te spreken nietigheid, betekent dit niet dat hij geen bescherming geniet. Die regels blijven voorgeschreven op straffe van nietigheid, in zoverre een procespartij vóór elk verweer belangenschade kan aantonen. De noodzaak om aan bepaalde materieelrechtelijke bepalingen een karakter van openbaar orde te verlenen, dient evenwel te worden onderscheiden van de nietigheidsregeling voor procedureregels. A.
- Het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 7066 is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer een partij er niet in slaagt haar belangenschade aan te tonen bij de miskenning van een regel inzake het taalgebruik in gerechtszaken of wanneer partijen overeenkomen de taal van de rechtspleging te wijzigen, wordt volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 7066 van alle magistraten verwacht dat zij die taal begrijpen. Overeenkomstig artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen magistraten die het bewijs leveren van de kennis van een andere taal, aanspraak maken op een taalpremie. Het toekennen van die taalpremie wordt beperkt tot magistraten die benoemd zijn in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wet van 15 juni 1935 het bewijs moeten leveren van de kennis van meer dan één landstaal. Ingevolge de bestreden bepaling wordt echter van alle magistraten verwacht dat zij elke landstaal beheersen, zonder dat zij hiervoor een taalpremie ontvangen, nu de procespartijen zelf de taal van de zitting en van de processtukken kunnen bepalen. Dat verschil in behandeling van magistraten wordt niet redelijk verantwoord. A.
- Wat betreft het aangevoerde verschil in behandeling van magistraten naargelang zij al dan niet een premie ontvangen voor bewezen kennis van een andere landstaal, stelt de Ministerraad dat dit verschil in behandeling in werkelijkheid niet bestaat. De rechter is geenszins verplicht om kennis te nemen van processtukken in een taal die hij niet begrijpt of om beslissingen te wijzen in een taal die hij niet beheerst. De rechter dient in elk geval ambtshalve te waken over de goede rechtsbedeling. Dat kan de rechter ertoe brengen op te treden tegen een processtuk in een andere taal dan die van de rechtspleging, waarbij hij immers niet kan worden geacht die taal in al haar juridische nuances te begrijpen. Het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 7066 steunt op een verkeerde veronderstelling in rechte en is bijgevolg niet gegrond. Het recht op bescherming van het privéleven en het gezinsleven A.15.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 6956 voeren in het zevende en tiende onderdeel van het enige middel aan dat de bestreden bepaling een schending inhoudt van het zelfbeschikkingsrecht van personen, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat zij toelaat dat een rechter oordeelt over de kennis die een persoon heeft van een vreemde taal. Evenmin is zij verzoenbaar met de menselijke waardigheid en het recht op de bescherming van het privéleven, aangezien zij een Nederlandstalige dwingt te bewijzen dat hij de Franse taal niet machtig is om zich bijvoorbeeld in Brussel voor een Franstalige rechtbank te kunnen verdedigen. Het vellen van een oordeel over de kennis die een persoon heeft van een vreemde taal is nochtans een zeer moeilijke opdracht die een grondig onderzoek vereist. De kennis van een vreemde taal is een privéaangelegenheid waar niemand anders een oordeel over mag vellen. De bestreden bepaling maakt het mogelijk dat een Nederlandstalige procedure wordt geweigerd door de rechter, wanneer die van oordeel is dat de verweerder voldoende Frans kent en zijn belangen bijgevolg niet geschaad zijn. Een rechter is nochtans geen deskundige inzake het testen van iemands kennis van een vreemde taal en kan dus niet worden geacht die kennis zelf te testen zonder daarvoor een deskundigenonderzoek te moeten bevelen. 12 A.15.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7068, die dezelfde zijn als in de zaak nr. 6956, voeren in het zesde middel om gelijkluidende redenen aan dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.
- De Ministerraad ziet niet in waarom de taalkennis van een persoon een element zou zijn van diens persoonlijkheid dat niet zou kunnen worden beoordeeld door een rechter. In tal van aangelegenheden gaat de overheid de taalkennis van personen na. Het Hof heeft overigens reeds erkend dat de taalkennis van een procespartij een relevant criterium is om te bepalen op welke wijze een geding verder zal verlopen. Het is evident dat de feitenrechter kan oordelen over de aangevoerde schade, de miskenning van de wet van 15 juni 1935 en het oorzakelijk verband. De betrokkene die een exceptie opwerpt, zal met alle middelen van recht kunnen aantonen dat hij niet bij machte is zijn rechten te vrijwaren indien het geding in een bepaalde taal wordt voortgezet of indien een proceshandeling toelaatbaar wordt verklaard. Er bestaan dan ook voldoende procedurele garanties. Het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid A.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7067 voert in het vierde onderdeel van het derde middel aan dat de bestreden bepaling een schending inhoudt van de artikelen 4, 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien zij leidt tot een willekeurige en onevenredige beperking van de beroepsuitoefening voor de advocaat en aldus tot een benadeling van de belangen van diens cliënt. Een advocaat gaat immers ervan uit dat in een procedure de taal van de rechtspleging effectief zal worden gevolgd en dat hij niet zal worden geconfronteerd met proceshandelingen in een taal die zijn cliënt wel begrijpt maar hijzelf niet. De bestreden bepaling kan dit echter wel tot gevolg hebben, in gevallen waar de nietigheid niet kan worden aangevoerd omdat de belangenschade van de cliënt niet kan worden bewezen. In dergelijke gevallen zal de cliënt worden verplicht een andere advocaat aan te stellen, waardoor de eerste advocaat zijn opdracht geheel of ten dele verliest. Die belemmering van de beroepsuitoefening van de advocaat kent geen redelijke verantwoording en is niet verzoenbaar met het recht op een behoorlijke beroepsuitoefening waar een advocaat krachtens artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet recht op heeft. A.
- De Ministerraad stelt dat het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid, zoals gewaarborgd in artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, niet zo kan worden begrepen dat een raadsman nooit een aanstelling zou kunnen verliezen of volkomen autonoom van zijn cliënt zou moeten kunnen optreden. Ook zonder toepassing van de bestreden bepaling kan het gebeuren dat een taalwijziging plaatsvindt in een reeds aanhangig geschil. Voor zover daaruit voortvloeit dat een raadsman de belangen van zijn cliënt niet langer kan waarnemen, kan het eventuele financiële verlies van de raadsman niet worden beschouwd als een schending van zijn fundamentele rechten. Evenmin geeft dit aanleiding tot een onevenredige beperking van het recht op een eerlijk proces, aangezien voor de cliënt geen belangenschade is aangetoond en de cliënt in staat is om zijn raadsman te instrueren over anderstalige citaten in proceshandelingen. Het sociale en culturele recht om in zijn eigen taal te worden berecht A.19.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 6956 voeren in het eerste onderdeel van het enige middel aan dat de bestreden bepaling een schending inhoudt van de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-verplichting inzake sociale en culturele rechten, doordat ze het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. De nietigheidsregeling zoals bepaald in het vroegere artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 waarborgde het recht om in zijn eigen taal te worden berecht en de rechter diende van ambtswege een nietigheid op te werpen als gevolg van de niet-naleving van de artikelen 1 tot
- Die wet moest worden beschouwd als wetgeving van openbare orde en de nietigheid moest worden uitgesproken ook al was er geen belangenschade. De bestreden bepaling verplicht daarentegen een Nederlandstalige die in strijd met de wet van 15 juni 1935 wordt gedagvaard voor een Franstalige rechtbank, om zelf in het Frans de exceptie van onwettigheid en nietigheid op te werpen, hetgeen strijdig is met het recht op een eerlijk proces en het recht op juridische bijstand. Het opwerpen van de exceptie heeft ook niet tot gevolg dat men zal worden berecht in zijn eigen taal, nu de rechter oordeelt of er sprake is van belangenschade. 13 A.19.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7068, die dezelfde zijn als in de zaak nr. 6956, voeren in het veertiende middel om gelijkluidende redenen aan dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11, 13, 30 en 40 ervan. A.
- De Ministerraad betwist dat artikel 23 van de Grondwet een sociaal-cultureel recht zou erkennen om te worden berecht in de eigen taal. De in dat artikel vervatte standstill-verplichting kan dan ook niet worden geschonden. Zelfs indien het Hof zou aannemen dat de opsomming van de rechten in artikel 23, derde lid, van de Grondwet niet limitatief is, dan nog zouden die rechten moeten worden beschouwd als een concretisering van het recht op bescherming van het menswaardig leven. De Ministerraad ziet niet in hoe de bestreden bepaling aan dat recht afbreuk zou doen. Wat betreft artikel 34 van de wet van 25 mei 2018 A.21.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7067 vordert tevens de gedeeltelijke vernietiging van artikel 34 van de wet van 25 mei 2018, dat artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek vervangt, namelijk de zinsnede « en met inbegrip van een louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ». Zij steunt hiervoor op dezelfde gronden als diegene die zijn aangevoerd met betrekking tot artikel 5 van de wet van 25 mei
- A.21.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7068 vorderen eveneens de gedeeltelijke vernietiging van artikel 34 van de wet van 25 mei
- De drie aangevoerde middelen zijn afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11, 12, 13, 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, 149 en 187 ervan, met de artikelen 1, 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met verscheidene algemene rechtsbeginselen. Allereerst stellen zij dat die middelen in samenhang moeten worden gelezen met diegene die zijn aangevoerd tegen artikel 5 van de voormelde wet. Vervolgens voeren zij aan dat een vonnis of arrest dat absoluut nietig en ongrondwettig is, ingevolge de bestreden bepaling met terugwerkende kracht kan worden geregulariseerd door een nieuw vonnis of arrest. Een dergelijke regularisering is evenwel in strijd met de bindende kracht van de Grondwet en het verbod de Grondwet geheel of ten dele te schorsen. Bovendien stellen zij vast dat een ondeugdelijke motivering kan worden geregulariseerd zonder dat dit gevolgen heeft voor de termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden. Nochtans moet de motivering van vonnissen en arresten volledig zijn op het ogenblik van de uitspraak en in de taal van de rechtspleging zijn opgesteld. A.
- De Ministerraad acht die middelen niet gegrond om dezelfde redenen als de aangevoerde middelen met betrekking tot artikel 5 van de wet van 25 mei
- -B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6956, 7066, 7067 en 7068 vorderen de vernietiging van artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 « tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde » (hierna : de wet van 25 mei 2018), dat bepaalt : « In artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 8 maart 1948, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt : 14 ‘ Onverminderd de toepassing van de artikelen 794, 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de vorenstaande regels voorgeschreven op straffe van nietigheid. ’ ». B.1.
- Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935) : « Onverminderd de toepassing van de artikelen 794, 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de vorenstaande regels voorgeschreven op straffe van nietigheid. De akten, nietig verklaard wegens overtreding van deze wet, stuiten de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval. De voorziening in verbreking die na de verwerping van een eerste voorziening wordt ingesteld is ontvankelijk indien, op de tweede voorziening, het Hof vaststelt dat in de eerste voorziening geen andere nietigheid aanwezig was dan die welke uit een overtreding van deze wet voortspruit. In het bij de vorige alinea voorziene geval, begint de termijn die bij de wet is bepaald om zich in verbreking te voorzien, te lopen te rekenen van de dag van de uitspraak van het arrest dat de eerste voorziening heeft verworpen; indien de bij de wet bepaalde termijn meer dan één maand bedraagt, wordt hij tot die duur teruggebracht ». De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7067 en 7068 vorderen de vernietiging van artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 34 van de wet van 25 mei 2018, dat bepaalt : « Het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, het gerecht waarnaar de beslissing werd verwezen of de beslagrechter kunnen te allen tijde ambtshalve of op verzoek van een partij elke kennelijke rekenfout of verschrijving of andere kennelijke leemte dan het in artikel 794/1 bedoelde verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering, met inbegrip van een inbreuk op artikel 780, met uitsluiting van artikel 780, eerste lid, 3°, of op artikel 782 en met inbegrip van een louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. De verbetering vindt steun in de wet, het dossier van de rechtspleging of de stavingsstukken die werden voorgelegd aan de rechter die de te verbeteren beslissing heeft uitgesproken ». B.1.
- Artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 verwijst voor zijn toepassingsgebied naar het voormelde artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek en eveneens naar de artikelen 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek, die bepalen : 15 « Art.
- De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren of het niet- naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven sanctioneren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Wanneer hij vaststelt dat de bewezen belangenschade kan worden hersteld, maakt de rechter, op kosten van de opsteller van de onregelmatige akte, de verwerping van de exceptie van nietigheid afhankelijk van de uitvoering van de maatregelen waarvan hij de inhoud en de termijn waarna de nietigheid zal worden verkregen, bepaalt ». « Art.
- De nietigheid die tegen een proceshandeling kan worden ingeroepen of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zijn gedekt indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel worden voorgedragen ». B.2.
- Vóór de wijziging ervan bij artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 bepaalde artikel 40, eerste en tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 : « Vorenstaande regels zijn voorgeschreven op straf van nietigheid. Deze wordt van ambtswege door den rechter uitgesproken. Evenwel, dekt elk niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest dat op tegenspraak werd gewezen, de nietigheid van het exploot en van de overige akten van rechtspleging die het vonnis of het arrest zijn voorafgegaan ». B.2.
- Op grond van die bepaling diende de rechter een proceshandeling die werd gesteld met miskenning van de wet van 15 juni 1935, ambtshalve nietig te verklaren. B.2.
- Ingevolge de bestreden wetswijziging dient de nietigheid van een proceshandeling wegens schending van de wet van 15 juni 1935 voortaan in limine litis te worden opgeworpen door een procespartij, die dient aan te tonen dat haar belangen zijn geschaad door die schending. B.2.
- Volgens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling past deze in het kader van de doelstelling om de procedure lichter en economischer te maken en is het niet langer verantwoord de nietigheden bedoeld in artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 volledig te onttrekken aan de dekkingen waarin is voorzien in de artikelen 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek. Beoogd wordt om die nietigheidsregeling in overeenstemming te brengen met die van het gemeen recht, zoals die werd versoepeld door de wet van 19 oktober 2015 « houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen 16 inzake justitie », de zogenaamde Potpourri I-wet (hierna : de wet van 19 oktober 2015) (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, pp. 26-27). B.2.
- Met de wet van 19 oktober 2015 heeft de wetgever de procedure willen deformaliseren en de regeling van de nietigheden willen harmoniseren, door deze af te stemmen op de vroegere regeling van de zogenaamde « relatieve » nietigheden. De beginselen en mogelijkheden voor dekking bedoeld in de artikelen 860, 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de artikelen 22, 23 en 25 van de wet van 19 oktober 2015, zijn voortaan op eenvormige wijze van toepassing op de nietigheden en op de op straffe van nietigheid voorgeschreven termijnen, die aldus aan dezelfde procedureregels zijn onderworpen. Daaruit blijkt dat de nietigheid van een procedurehandeling of de sanctie van de niet-naleving van een op straffe van nietigheid voorgeschreven termijn niet kan worden uitgesproken indien het gebrek of de onregelmatigheid geen afbreuk heeft gedaan aan de belangen van de partij die zich op die exceptie beroept (artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek) en dat die nietigheid wordt gedekt indien zij niet in limine litis wordt voorgedragen, vóór enig ander middel (artikel 864 van het Gerechtelijk Wetboek). B.3.
- Vóór de vervanging ervan bij artikel 34 van de wet van 25 mei 2018 bepaalde artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek : « De materiële verschrijvingen en omissies die in een zelfs al in kracht van gewijsde gegane beslissing voorkomen, kunnen altijd worden verbeterd door het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, of door het gerecht waarnaar de beslissing wordt verwezen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. Evenzo kan de beslagrechter de materiële verschrijvingen en omissies verbeteren die een, zelfs in kracht van gewijsde gegane, beslissing aantasten, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. De gegevens van de verbetering moeten zich bevinden in de tekst zelf van de te verbeteren beslissing ». 17 B.3.
- Aldus liet die bepaling toe materiële verschrijvingen of omissies in rechterlijke beslissingen ongedaan te maken door een verbetering of uitlegging van die beslissing. Ingevolge artikel 34 van de wet van 25 mei 2018, zoals vermeld in B.1.2, wordt een dergelijke verbetering voortaan ook mogelijk bij louter formele miskenningen van de wet van 15 juni
- De bestreden bepaling past eveneens in het kader van de bedoeling van de wetgever om de rechtspleging te deformaliseren (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, pp. 16-17). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging in de zaken nrs. 6956 en 7068 B.4.
- Volgens de Ministerraad zouden de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6956 en 7068 niet doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepalingen. B.4.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.5.
- De verzoekende partijen voeren tot staving van hun belang aan dat artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 de afdwingbaarheid van de wet van 15 juni 1935 op dermate fundamentele wijze wijzigt, dat afbreuk wordt gedaan aan de indeling in taalgebieden, zoals vastgelegd in artikel 4 van de Grondwet, en aan de voorrang van de taal van het eentalige gebied en aldus alle rechtzoekenden aanbelangt. B.5.
- In haar advies bij het voorontwerp van wet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State op dat die bepaling tot gevolg heeft dat de wet van 15 juni 1935 « niet meer als een wetgeving van openbare orde kan worden beschouwd [en dat] de vraag [ook] rijst […] hoe de schendingen van de wet van 15 juni 1935 moeten worden bestraft » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, p. 79). 18 B.5.
- Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken houdt de wet van 15 juni 1935 rekening met de taalverscheidenheid die is verankerd in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan drie eentalige taalgebieden en één tweetalig taalgebied. Artikel 4 vormt de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige gebied of van het tweetalige karakter van het gebied. De regeling van het taalgebruik in gerechtszaken raakt eveneens aan het recht op toegang tot de rechter. B.5.
- Doordat de bestreden bepaling de afdwingbaarheid regelt van de taalregeling in gerechtszaken raakt zij aan een aspect van de behoorlijke rechtsbedeling alsook aan een aspect van de in artikel 4 van de Grondwet verankerde taalverscheidenheid die dermate belangrijk zijn, dat de vrijwaring ervan alle rechtzoekenden aanbelangt. B.5.
- In zoverre het toepassingsgebied van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935, zoals gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 25 mei 2018, mede wordt bepaald door artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 34 van de bestreden wet, doen de verzoekende partijen ook blijken van een belang bij de vernietiging van de laatstvermelde bepaling. B.
- De exceptie wordt verworpen. B.7.
- De Ministerraad voert voorts aan dat de middelen in de zaken nrs. 6956 en 7068 niet voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. B.7.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. 19 B.7.
- De door de verzoekende partijen aangevoerde middelen beantwoorden slechts deels aan die vereisten, nu moet worden vastgesteld dat sommige middelen slechts zeer summier en niet ondubbelzinnig zijn ontwikkeld. Het Hof onderzoekt de middelen in zoverre zij aan de in B.7.2 vermelde vereisten voldoen. Ten gronde B.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 5 en 34 van de wet van 25 mei
- Zoals is vermeld in B.1, wijzigt artikel 5 artikel 40 van de wet van 15 juni
- Artikel 34 vervangt artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek. Vermits het toepassingsgebied van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 mede wordt bepaald door artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, dient eerst de grondwettigheid van de laatstvermelde bepaling te worden onderzocht. Wat betreft artikel 34 van de wet van 25 mei 2018 B.9.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7067 leiden twee middelen af uit de schending, door artikel 34 van de wet van 25 mei 2018, van de artikelen 4, 10, 11, 30 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 148 en 149 ervan, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het rechtszekerheidsbeginsel. B.9.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7068 leiden drie middelen af uit de schending, door artikel 34 van de wet van 25 mei 2018, van de artikelen 10, 11, 12, 13, 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, 149 en 187 ervan, met de artikelen 1, 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten de mens, met het motiveringsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel en met het vertrouwensbeginsel. 20 B.10.
- Artikel 34 van de wet van 25 mei 2018 vervangt artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vermeld in B.1.
- Het past in het kader van de bedoeling van de wetgever om de rechtspleging te deformaliseren (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, pp. 16-17) en maakt het mogelijk om kennelijke rekenfouten, verschrijvingen of leemtes in rechterlijke beslissingen ongedaan te maken door een verbetering of uitlegging van die beslissing. Aldus beoogt de wetgever de aanwending van rechtsmiddelen in dergelijke gevallen te beperken om de rechtspleging efficiënter te laten verlopen en het gerechtelijk apparaat minder te belasten. B.10.
- Artikel 797, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Een rechtsmiddel als bedoeld in boek III van het vierde deel kan niet worden aangewend wanneer uitsluitend de uitlegging of verbetering van de betrokken beslissing of het herstel in die beslissing van het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering wordt beoogd ». B.10.
- De verzoekende partijen vorderen de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden bepaling, in zoverre zij voortaan ook de verbetering toelaat van rechterlijke beslissingen die een louter formele miskenning inhouden van de wet van 15 juni
- B.10.
- Zij verwijten de bestreden bepaling dat ze zou toelaten dat een miskenning, in een rechterlijke beslissing, van de regels inzake het taalgebruik in gerechtszaken, die tevens een schending zou uitmaken van de artikelen 4 en 30 van de Grondwet, wordt geregulariseerd via een procedure tot verbetering. Aldus zou die miskenning niet kunnen worden gesanctioneerd via de ter beschikking staande rechtsmiddelen en zouden grondwettelijke waarborgen tijdelijk zijn opgeschort. Doordat een verbetering te allen tijde kan worden doorgevoerd en terugwerkende kracht heeft, zou zij de initiële motivering van de rechterlijke beslissing wijzigen en zou zij de doeltreffende aanwending van rechtsmiddelen verhinderen en de afloop van een hangend geding kunnen beïnvloeden. 21 B.11.
- Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever rekening te houden met de taalverscheidenheid die verankerd is in artikel 4 van de Grondwet en met de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige gebied of van het tweetalige karakter van het gebied. Voorts dient hij eveneens de bij artikel 149 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde motiveringsplicht te eerbiedigen. B.11.
- De motivering van rechterlijke beslissingen vormt een essentiële waarborg tegen willekeur. De rechtsstaat en de bestrijding van willekeur dienen om het vertrouwen van de publieke opinie in een objectieve en transparante justitie, een van de grondslagen van elke democratische samenleving, te bewerkstelligen (EHRM, grote kamer, 16 november 2010, Taxquet t. België, § 90; 29 november 2016, Lhermitte t. België, § 67). Het recht op een eerlijk proces behelst, overeenkomstig de behoorlijke rechtsbedeling, dat rechterlijke beslissingen op voldoende wijze de redenen moeten aangeven waarop zij zijn gebaseerd (EHRM, grote kamer, 21 januari 1999, García Ruiz t. Spanje, § 26). Dit moet partijen toelaten om effectief gebruik te kunnen maken van de beschikbare rechtsmiddelen (EHRM, 27 september 2001, Hirvisaari t. Finland, § 30). B.11.
- In het voorontwerp van wet bepaalde artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek : « Het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, het gerecht waarnaar de beslissing werd verwezen of de beslagrechter kunnen te allen tijde ambtshalve of op verzoek van een partij elke kennelijke rekenfout, verschrijving of andere leemte dan het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering bedoeld in art. 794/1, met inbegrip van een inbreuk op artikel 780, eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°, en tweede lid, artikel 782 en de miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven bepaling van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verbeteren. De verbetering vindt steun in de wet, het dossier van de rechtspleging of de stavingsstukken die werden voorgelegd aan de rechter die de te verbeteren beslissing heeft uitgesproken » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, p. 32). 22 Met betrekking tot die tekst vermeldt het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State : « Het valt te begrijpen dat de ontworpen tekst de mogelijkheid wil scheppen een vonnis te verbeteren dat bijvoorbeeld een aanhaling bevat in een andere taal dan de taal van de procedure en dat de inhoud daarvan niet vermeldt in de taal van de procedure (terwijl die vermelding noodzakelijk is voor de regelmatigheid van de akte), teneinde te voorkomen dat een dergelijke vergissing zonder meer tot de vernietiging van die beslissing zou leiden. Het ontworpen artikel 794, eerste lid, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek zou echter ook letterlijk aldus kunnen worden geïnterpreteerd dat het de verbetering mogelijk maakt van een vonnis dat, met schending van artikel 37 van de wet van 15 juni 1935, volledig in een andere taal dan de taal van de procedure is opgesteld. Een dergelijk geval zou immers een geval van nietigheid bedoeld in artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 zijn, en de partijen zouden een rechtsvordering tot verbetering moeten instellen om de beslissing in de taal van de procedure te verkrijgen zonder dat ze nog over de mogelijkheid beschikken louter op die grond een beroep in te stellen. Daaruit volgt dat de mogelijkheid die de rechter heeft om ‘ de miskenning van een (…) voorgeschreven bepaling van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ’ te verbeteren, een mogelijkheid die in het ontworpen artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingevoegd zonder dat die bevoegdheid nader wordt omschreven, niet alleen het feit op de helling zet dat de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken van openbare orde is, maar ook het verbod, door die wetgeving, van bepaalde procedurele keuzes ondergraaft. Dat zou verder gaan dan de opheffing, bij het ontworpen artikel 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935, van de mogelijkheid die de rechter heeft om van ambtswege de nietigheid op te werpen en uit te spreken. Of dat overeenstemt met de bedoeling van de steller van het voorontwerp, is echter niet zeker. Niet alleen bevat de memorie van toelichting immers geen enkele uitleg die in de richting van zulk een interpretatie gaat, terwijl het gaat om een zo gevoelige materie als het gebruik van de talen, maar bovendien lijken de woorden ‘ met inbegrip van ’, die in het ontworpen artikel 794, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek onder andere de woorden ‘ de miskenning van een voorgeschreven bepaling van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ’ voorafgaan, te vereisen dat het om soortgelijke ‘ miskenningen ’ gaat als die waarin de andere delen van die bepaling voorzien, te weten een formele schending van de wet van 15 juni
- Dat lijkt ook te worden gesuggereerd door het feit dat in het ontworpen artikel 40, eerste lid, van die laatstgenoemde wet de verwijzing wordt gehandhaafd naar de ‘ nietigheid ’ waarmee de schending van de regels vervat in de artikelen 1 tot 39 van dezelfde wet wordt bestraft, en door het feit dat dezelfde bepaling tegelijkertijd een voorbehoud maakt voor de toepassing van artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek zoals het uit artikel 15 van het voorontwerp zou voortvloeien (‘ Onverminderd de toepassing … ’). Principieel zou de nietigheid dus blijven gelden, maar onder voorbehoud van de toepassing van de verbeteringsregeling waarin het ontworpen artikel 794, eerste lid, voor de louter formele aspecten van de naleving van de wet van 15 juni 1935 voorziet. 23 Als dat inderdaad de bedoeling is, moet het ontworpen artikel 794, eerste lid, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek in die zin worden aangepast » (RvSt, advies nr. 61.938/1V-2V-2-VR van 26 september 2017, ibid., pp. 80-81). B.11.
- Ingevolge het voormelde advies vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Tevens wordt ingegaan op de tekstverbeteringen voorgesteld door de Raad van State, mede omdat het inderdaad, meer bepaald wat betreft de ‘ miskenning ’ van de gerechtstaalwet - waarvan de nietigheidssancties inderdaad relatief worden - alleen om de soortgelijke ‘ miskenningen ’ gaat als die waarin de andere delen van de ontworpen bepaling voorzien, te weten de schending van loutere vormvoorschriften. Tevens moet met de Raad van State worden benadrukt dat de verbetering enkel kan slaan op de ontbrekende vermelding van een gegeven of vormvereiste dat in de beslissing moest staan, maar niet op de vervulling van het vormvereiste zelf. Indien bijvoorbeeld het openbaar ministerie in kennis moet worden gesteld van de zaak en het daadwerkelijk zijn advies heeft gegeven, is de ontbrekende vermelding dat het advies is gegeven (artikel 780, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek), het enige dat kan worden verbeterd. Dat eventueel geen advies is verleend, kan niet worden verbeterd met toepassing van artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek » (ibid., pp. 16-17). B.11.
- Rekening houdend met het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd de tekst van artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals die aanvankelijk was opgenomen in het voorontwerp van wet, aangepast en wordt uitdrukkelijk vermeld dat slechts « een louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken » aanleiding kan zijn voor een verbetering van een rechterlijke beslissing. B.11.
- Voorts vermeldt de parlementaire voorbereiding omtrent de vervanging van artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek dat « een onderscheid werd gemaakt tussen enerzijds de louter formele schendingen van de wet op het gebruik der talen en anderzijds de materiële schendingen. Dat gebeurde op verzoek van de Raad van State. Indien de rechter geen uitspraak doet in de taal van de procedure, dan is dat een materiële schending. Een fout in de vermelding van een vormvereiste is daarentegen een loutere vormfout » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/006, p. 24). « Een en ander heeft met name betrekking op de in een foute taal vermelde opmerkingen, maar niet op het feit dat een zaak in de foute taal wordt behandeld; in dat laatste geval gaat het immers om een materiële schending » (ibid., p. 30). 24 Ten slotte antwoordde de bevoegde minister op een parlementaire vraag : « De toevoeging van louter formele miskenning aan artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, waarmee gevolg werd gegeven aan het advies van de Raad van State en de door u vermelde bespreking daarvan in de commissie voor de Justitie heeft uitsluitend betrekking op artikel 794, dat het heeft over verbeteringen van het vonnis en dus uitsluitend op het herstel van vormfouten die door de rechter zijn begaan. Als gevolg daarvan kan dezelfde rechter of een andere rechter voortaan bijvoorbeeld een citaat of een adresvermelding in de verkeerde taal verbeteren, dat wil zeggen alsnog vertalen, maar niet een vonnis dat in een verkeerde taal is gewezen als zodanig overdoen, wat met het onderscheid tussen formele en materiële miskenning van de gerechtstaalwet onder woorden is gebracht » (Commissie voor de Justitie, 13 juni 2018, vraag nr. 26070, CRIV 54 COM 923, p. 31). B.12.
- Uit het bovenstaande blijkt dat de bestreden bepaling beoogt de verbetering mogelijk te maken van fouten in de vermelding van een vormvereiste die wordt opgelegd door de wet van 15 juni 1935 en dat zij in geen geval een verbetering toelaat van een niet louter formele miskenning van die wet, die met name voorhanden is wanneer de rechter uitspraak doet in een andere taal dan de verplichte taal van de rechtspleging. Van een formele miskenning van de voormelde wet is bijvoorbeeld sprake bij een tekstaanhaling in een rechterlijke beslissing in een andere taal dan die van de rechtspleging, terwijl die vermelding in de taal van de rechtspleging noodzakelijk is voor de regelmatigheid van de akte (RvSt, advies nr. 61.938/1V-2V-2-VR van 26 september 2017, Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, p. 80). Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State in het in B.11.3 vermelde advies opmerkt, gaat het bij een verbetering om soortgelijke miskenningen als die welke voorheen reeds in artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek voorkwamen, te weten kennelijke verschrijvingen of vergissingen waarover geen redelijke twijfel kan bestaan. B.12.
- Daarentegen zou een niet louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 niet ongedaan kunnen worden gemaakt via een procedure tot verbetering. Tegen een dergelijke miskenning staan de voorhanden zijnde rechtsmiddelen open. 25 De artikelen 794 en 797 van het Gerechtelijk Wetboek verhinderen immers niet dat rechtsmiddelen worden aangewend wanneer deze niet uitsluitend steunen op grieven die een verbetering van de rechterlijke beslissing beogen. Aldus vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Het ontwerp beoogt geenszins om vormgebreken die rechterlijke beslissingen beïnvloeden te minimaliseren, noch om ze te immuniseren tegen iedere sanctie. Het gaat erom te vermijden dat de beroepsinstanties worden belast met rechtsmiddelen die louter beogen vormgebreken recht te zetten, en tegelijkertijd de rechtzoekende die zich geschaad acht door deze formele onregelmatigheden een wijze van herstel te bieden die effectief, snel en minder kostelijk is, zowel voor hem als voor de openbare dienst. Om het voorgaande te verhelderen wordt artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek aangevuld » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, p. 19). Artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 25 mei 2018, bepaalt : « Middelen van nietigheid kunnen niet worden aangewend tegen vonnissen. Deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen of, in voorkomend geval, verbeterd door de procedures bij de wet bepaald ». B.12.
- Wat betreft de invloed van de bestreden bepaling op de motivering van een rechterlijke beslissing vermeldt artikel 794 uitdrukkelijk dat een verbetering niet tot gevolg kan hebben dat de in de rechterlijke beslissing bevestigde rechten worden uitgebreid, beperkt of gewijzigd. De vordering tot verbetering mag geen middel zijn om afbreuk te doen aan het gezag van gewijsde van de voorheen genomen beslissing (Cass., 5 maart 1990, Arr. Cass., 1989-1990, nr. 404). B.12.
- Ten slotte kan krachtens artikel 799 van het Gerechtelijk Wetboek de rechter zijn beslissing enkel verbeteren in zoverre die beslissing niet is bestreden. Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep wordt het geschil door en binnen de perken van het hoger beroep definitief onttrokken aan de eerste rechter en overgeheveld naar de rechter in beroep. Aldus is het voor de rechter die de eerste beslissing heeft gewezen niet langer mogelijk deze te verbeteren, wanneer tegen die beslissing een rechtsmiddel wordt aangewend. 26 B.
- Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.12.2, houdt de bestreden bepaling geen schending in van de in B.9 vermelde grondwets- en verdragsbepalingen en algemene beginselen en zijn de middelen niet gegrond. Wat betreft artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 B.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6956, 7066, 7067 en 7068 vorderen de vernietiging van artikel 5 van de wet van 25 mei
- De middelen zijn afgeleid uit de schending, door artikel 5 van de wet van 25 mei 2018, van, enerzijds, de bevoegdheidverdelende regels en, anderzijds, de artikelen 4, 10, 11, 13 en 30 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met meerdere internationale verdragsbepalingen. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan. De toetsing aan de bevoegdheidverdelende regels B.15.
- Het vijfde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6956, het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7066 en 7067 en het zestiende middel in de zaak nr. 7068 zijn afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 157bis, in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 30, van de Grondwet. De verzoekende partijen verwijten artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 dat het is aangenomen met een gewone meerderheid, terwijl, voor wat het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, op grond van artikel 157bis van de Grondwet de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bijzondere meerderheid zou zijn vereist. 27 B.15.
- Artikel 157bis van de Grondwet bepaalt : « De essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel, alsook de ermee overeenstemmende aspecten inzake het parket, de zetel en het rechtsgebied, kunnen niet worden gewijzigd dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid. Overgangsbepaling De wet stelt de datum van inwerkingtreding van dit artikel vast. Deze datum stemt overeen met de datum van inwerkingtreding van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel ». Artikel 4 van de Grondwet bepaalt : « België omvat vier taalgebieden : het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied. Elke gemeente van het Rijk maakt deel uit van een van deze taalgebieden. De grenzen van de vier taalgebieden kunnen niet worden gewijzigd of gecorrigeerd dan bij een wet, aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt ». Artikel 30 van de Grondwet bepaalt : « Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken ». B.16.
- Volgens de Ministerraad zou artikel 157bis van de Grondwet geen bevoegdheidverdelende regel zijn, zodat het Hof niet bevoegd zou zijn om de bestreden bepalingen te toetsen aan die grondwetsbepaling. 28 B.16.
- Artikel 157bis van de Grondwet werd ingevoegd bij de grondwetsbepaling van 19 juli 2012 en past in het kader van de omzetting van het institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober
- Die grondwetsbepaling is in werking getreden op 31 maart 2014 (artikel 41, 1°, van de wet van 6 januari 2014 « met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet »). B.16.
- Met betrekking tot artikel 157bis van de Grondwet vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Overeenkomstig het Institutioneel Akkoord van 11 oktober 2011 zullen de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement van Brussel (Halle-Vilvoorde) alsook de ermee overeenstemmende aspecten inzake parket, zetel en rechtsgebied slechts door de bijzondere meerderheid bedoeld in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet gewijzigd kunnen worden. Door haar voorwerp, dient de inwerkingtreding van deze grondwettelijke bepaling noodzakelijkerwijze overeen te stemmen met de inwerkingtreding van de gewone wet die de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel regelt » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2141/001, p. 3). B.16.
- Over de verhouding tussen artikel 129 van de Grondwet en artikel 157bis van de Grondwet vermeldt de parlementaire voorbereiding van de laatst vermelde bepaling : « In navolging van wat de Grondwetgever heeft bepaald in artikel 129, § 2, van de Grondwet, is de bedoeling van deze bepaling een rechtsgrond te verlenen aan de keuze om een aantal essentiële elementen van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel alleen met een bijzondere meerderheid te kunnen wijzigen. Deze grondwettelijke verankering wordt gerechtvaardigd door de vaststelling dat deze hervorming betrekking heeft op de kern van de grote evenwichten die ten grondslag liggen aan de communautaire vrede - naar analogie van wat voorzien is in andere bepalingen van de Grondwet die ook betrekking hebben op die grote evenwichten. De essentiële elementen en de zin waarin deze zullen worden vertaald in de wet, worden hieronder gepreciseerd. Deze elementen zijn in deze bijzondere dimensie reeds gekend door de Grondwetgever op het moment dat hij zich moet uitspreken over de huidige grondwetsherziening. Daardoor gaat hij akkoord met de gemaakte keuzes » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2140/001, p. 4; Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1673/3, pp. 8-9). 29 B.16.
- Het gebruik van de talen heeft het voorwerp uitgemaakt van een bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de gemeenschappen, waarbij het regelen van het gebruik van de talen in gerechtszaken aan de federale wetgever is voorbehouden (artikel 30 juncto artikel 129 van de Grondwet). Wanneer de federale wetgever evenwel de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel regelt, dan dient die wet overeenkomstig artikel 157bis van de Grondwet te worden aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bedoelde meerderheid. Die bijzonderemeerderheidsvoorwaarde maakt noodzakelijk deel uit van het systeem tot bepaling van bevoegdheden. Zij beperkt immers de bevoegdheid van de federale wetgever om het gebruik van de talen in gerechtszaken te regelen en werd in de Grondwet ingevoegd als waarborg om het communautaire evenwicht en de vrede tussen de gemeenschappen en de federale Staat te bewaren (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1673/3, p. 8). B.16.
- Er dient bijgevolg te worden onderzocht of de bestreden bepaling raakt aan de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel. B.17.
- Uit artikel 157bis van de Grondwet kan niet worden afgeleid dat de wetgever verplicht zou zijn te bepalen welke de « essentiële elementen » van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn die, overeenkomstig artikel 157bis van de Grondwet, enkel kunnen worden gewijzigd bij bijzonderemeerderheidswet. Het komt daarentegen aan de wetgever, onder het toezicht van het Hof, toe om, wanneer hij een van de elementen van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel zou willen wijzigen, na te gaan of het al dan niet om een « essentieel element » gaat in de zin van de voormelde grondwetsbepaling. B.17.
- De « essentiële elementen » waarvan sprake in artikel 157bis van de Grondwet worden opgesomd in de toelichting bij het voorstel tot herziening van de Grondwet, dat tot die bepaling heeft geleid : « De essentiële elementen van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel, die enkel gewijzigd zullen kunnen worden bij een bijzondere wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, zijn : 30 1° de regels betreffende de wijziging van taal of de verwijzing naar een rechtscollege van de andere taalrol op eenzijdig verzoek of bij gemeenschappelijk akkoord volgens de bij de wet bepaalde modaliteiten, met name : - de huidige bij wet voorziene mogelijkheden om te verzoeken om in het gerechtelijk arrondissement Brussel van taal te veranderen zullen behouden blijven, maar in voorkomend geval zal deze vraag in een vraag tot doorverwijzing worden omgezet, rekening houdend met de ontdubbeling van de rechtscolleges; - in burgerlijke zaken, zal voor de verweerders die hun woonplaats hebben in de 6 randgemeenten of in de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de appreciatiebevoegdheid van de rechter in het kader van een aanvraag tot taalwijziging en/of doorverwijzing voor alle rechtscolleges beperkt zijn tot de volgende twee motieven : wanneer de taalverandering tegengesteld is aan de taal van de meerderheid van de pertinente dossierstukken of aan de taal van de arbeidsverhouding. Voor de administratieve autoriteiten blijft de situatie ongewijzigd en blijven zij, wanneer ze een aanvraag indienen om te veranderen van taal of om door te verwijzen, onderworpen aan de op de taalkennis gebaseerde appreciatiebevoegdheid van de magistraat; - voor de Nederlandstalige of Franstalige rechtscolleges van het gerechtelijk arrondissement Brussel kunnen de partijen in gemeenschappelijk akkoord vragen om van taal te veranderen of om te worden doorverwezen. De rechter doet ambtshalve recht aan deze vraag door onmiddellijk een beslissing uit te spreken. 2° De regels betreffende de vrijwillige verschijning voor de rechtbank van de taal van hun keuze, met name dat, wanneer de partijen in een van de 54 gemeenten van het gerechtelijk arrondissement Brussel gedomicilieerd zijn en indien zij, na het ontstaan van het geschil, een onderlinge overeenstemming bereiken voor wat de taal van de rechtspleging betreft, zij krachtens artikel 706 van het Gerechtelijk Wetboek vrijwillig voor de bevoegde Nederlandstalige of Franstalige rechtbanken van hun keuze verschijnen of er een gezamenlijk verzoekschrift indienen, volgens de voorwaarden bepaald in de wet. 3° De detachering van functioneel tweetalige Franstalige magistraten van het parket van Brussel naar dat van Halle-Vilvoorde met het oog op het prioritair behandelen van Franstalige zaken, onder de bij de wet voorziene voorwaarden, met name dat zij deze zaken prioritair behandelen zodra de verdachte voor de Franse taal heeft gekozen en dat zij onder het gezag staan van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde wat de uitvoering van het strafrechtelijk beleid betreft, maar onder het hiërarchisch gezag van de procureur des Konings van Brussel. 4° Het rechtstreeks beroepsrecht en met volle rechtsmacht in geval van schending van deze rechten en procedurele waarborgen, onder de voorwaarden voorzien bij de wet, met name dat de wet zal bepalen dat de verenigde Franstalige en Nederlandstalige arrondissementsrechtbanken kennis zullen nemen van dit beroep, volgens een procedure zoals in kort geding, dat bij staking van stemmen de stem van de voorzitter doorslaggevend is en dat het voorzitterschap van dit rechtscollege alternerend wordt waargenomen door een Franstalige en een Nederlandstalige magistraat. 5° Het behoud van het territoriaal rechtsgebied van de rechtscolleges van het gerechtelijk arrondissement Brussel, omvattende de 54 gemeenten, zoals op heden voorzien bij de wet. 31 6° Het behoud van het territoriaal rechtsgebied van de twee parketten van het gerechtelijk arrondissement Brussel, zoals bepaald bij de wet, met name dat het parket wordt gesplitst in een parket van Brussel bevoegd voor het grondgebied van de 19 gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en een parket van Halle-Vilvoorde bevoegd voor het grondgebied van Halle-Vilvoorde. 7° De oprichting van het coördinatiecomité en de regels om het overleg tussen het parket van Brussel en het parket van Halle-Vilvoorde te verzekeren, onder de voorwaarden voorzien bij de wet » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2141/001, pp. 4-5). B.17.
- De staatssecretaris voor de Staatshervorming verklaarde in verband met de « essentiële elementen » het volgende : « Het is niet mogelijk a priori te bepalen of elke latere wijziging van de wetsbepalingen die de essentiële elementen wettelijk vertalen noodzakelijk moet worden beschouwd als een essentieel element van de hervorming. Evenmin betekent een latere wijziging van een andere wetsbepaling die dermate nauw verbonden is met deze elementen, dat zij bij gewone wet zou kunnen worden gewijzigd, indien zij deze essentiële elementen met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel, of een van de ermee overeenstemmende aspecten inzake het parket, de zetel en het rechtsgebied op de helling zet. Het is in functie van het voorwerp en de strekking van een latere wijziging dat zal dienen te worden uitgemaakt indien deze wijziging al dan niet voorwerp moet vormen van een bij bijzondere meerderheid aan te nemen wet » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2140/005, p. 72; Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1673/3, p. 9). B.17.
- Bij de wijziging van de wet van 15 juni 1935 door de wet van 19 juli 2012 werd aan de fundamentele beginselen van de wet van 15 juni 1935 niet geraakt en werd beklemtoond dat de rechten van de partijen die voortvloeien uit die taalwet integraal worden gevrijwaard (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2140/001, pp. 9-11, en DOC 53-2140/005, pp. 7 en 25). Wel is voorzien in bijkomende mogelijkheden tot verwijzing of wijziging van de taal van de rechtspleging (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2140/001, pp. 9-11). Ook tijdens de parlementaire voorbereiding van het ontwerp tot herziening van de Grondwet dat tot artikel 157bis van de Grondwet heeft geleid, heeft de bevoegde staatssecretaris benadrukt dat « de fundamentele uitgangspunten van de taalwetgeving niet worden gewijzigd » en dat « de rechtsleer en rechtspraak die zich hebben ontwikkeld inzake de toepassing van die regelgeving onverkort [blijven] gelden » (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1673/3, pp. 14-16 en 178). 32 B.18.
- Artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 bepaalt de sanctie die is verbonden aan de niet-naleving van de in de artikelen 1 tot 39 van die wet vervatte regels. Aldus is zij onlosmakelijk verbonden met elk van die regels doordat de afdwingbaarheid ervan wordt geregeld. Vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepaling had de niet-naleving van de in de voormelde wet opgelegde verplichtingen inzake het gebruik der talen de absolute nietigheid tot gevolg van de akten die met miskenning van de wet werden gesteld. Die nietigheid diende ambtshalve door de rechter te worden vastgesteld. Ingevolge de bestreden bepaling kan de wet van 15 juni 1935 niet meer als een wetgeving van openbare orde worden beschouwd (RvSt, advies nr. 61.938/1V-2V-2-VR van 26 september 2017, Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2827/001, pp. 78 en 80) en kan de rechter niet langer ambtshalve de niet-naleving van de wet sanctioneren. B.18.
- Door de nietigheid waarin is voorzien bij artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 gelijk te stellen met de gemeenrechtelijke nietigheidsregeling, wijzigt de bestreden bepaling de sanctieregeling die van toepassing is in geval van schending van de artikelen 1 tot 39 van die wet. Tot die bepalingen behoren de regels die, luidens de in B.17.2 uiteengezette parlementaire voorbereiding, vallen onder de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel zoals bedoeld in artikel 157bis van de Grondwet. Dit geldt met name voor de mogelijkheid voor de partijen om, krachtens de artikelen 1 tot 7ter van de wet van 15 juni 1935, zoals gewijzigd bij de wet van 19 juli 2012 « betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel », op eenzijdig verzoek of in onderlinge overeenstemming een wijziging van de taal of de verwijzing naar een rechtscollege van de andere taalrol te vragen, of vrijwillig te verschijnen voor de rechtbank van de taal van hun keuze. De sanctieregeling die van toepassing is in geval van schending van de regels die vallen onder de essentiële elementen van de wet van 19 juli 2012, maakt integrerend deel uit van die regels en van die essentiële elementen, aangezien zij de mogelijkheid voor de partijen om zich op die regels te beroepen en voor de rechter om de niet-inachtneming ervan te bestraffen, bepaalt. 33 B.18.
- In zoverre zij de sanctieregeling wijzigt die van toepassing is in geval van schending van de regels die vallen onder de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel, diende de bestreden bepaling, overeenkomstig artikel 157bis van de Grondwet, derhalve te worden aangenomen bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid. B.
- Artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 dient te worden vernietigd in zoverre het van toepassing is in het gerechtelijk arrondissement Brussel. Het recht op toegang tot de rechter en de behoorlijke rechtsbedeling B.20.
- Het derde, het vierde, het achtste, het negende en het elfde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6956 zijn afgeleid uit de schending, door artikel 5 van de wet van 25 mei 2018, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het tweede middel in de zaak nr. 7066 is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7067 zijn afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 4, 10, 11 en 30 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het rechtszekerheidsbeginsel. Het eerste en het zevende middel in de zaak nr. 7068 zijn afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 30 ervan en met de artikelen 1 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 34 B.20.
- De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling dat zij de mogelijkheid afschaft voor de rechter om proceshandelingen ambtshalve nietig te verklaren, waardoor hij kennis moet nemen van processtukken in talen die hij niet of slechts in beperkte mate wordt geacht te beheersen en zodat niet langer wordt gewaarborgd dat de procespartijen daadwerkelijk worden gehoord. Voorts zouden de afschaffing van de mogelijkheid tot ambtshalve nietigverklaring en de verplichting om belangenschade te bewijzen ertoe kunnen leiden dat de betrokken partij zich niet kan verweren in de taal van het taalgebied die zij voldoende machtig is en dat een kwetsbare partij haar rechten niet kan laten gelden. Evenmin zou de bestreden bepaling voorzien in waarborgen om te voorkomen dat procespartijen geconfronteerd worden met stukken of pleidooien die zij onvoldoende begrijpen of dat ten onrechte wordt geoordeeld dat een procespartij een bepaalde taal voldoende beheerst. Ten slotte zou de bestreden bepaling tot gevolg hebben dat de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige taalgebied of van het tweetalige karakter van het taalgebied niet meer kan worden verzekerd en dat rechtsonzekerheid ontstaat over de toe te passen taalregeling. Om al die redenen zou de bestreden bepaling de behoorlijke rechtsbedeling, het recht op toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengen. B.21.
- Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen, te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. B.21.
- Bovendien dient de wetgever daarbij rekening te houden met de taalverscheidenheid die verankerd is in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan drie eentalige taalgebieden en één tweetalig taalgebied. Artikel 4 vormt de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige gebied of van het tweetalige karakter van het gebied. B.21.
- Wanneer de wetgever het gebruik van de talen regelt voor gerechtszaken dient hij eveneens het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en het bij artikel 13 van de Grondwet en bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht van toegang tot de rechter te eerbiedigen. 35 Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken. Het recht op een eerlijk proces omvat, onder meer, het recht van procespartijen om de overwegingen die zij pertinent achten voor hun zaak, uiteen te zetten. Dat recht kan niet worden geacht effectief te zijn dan wanneer die overwegingen daadwerkelijk worden gehoord, wat betekent dat zij naar behoren worden onderzocht door het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt. Het recht op een eerlijk proces omvat aldus de verplichting voor het rechtscollege om de door de partijen aangevoerde middelen, argumenten en bewijzen naar behoren te onderzoeken (EHRM, 19 april 1993, Kraska t. Zwitserland, § 30; 19 april 1994, Van de Hurk t. Nederland, § 59; grote kamer, 12 februari 2004, Perez t. Frankrijk, § 80). B.22.
- De wet van 15 juni 1935 regelt op dwingende wijze het taalgebruik in gerechtszaken in België en hanteert daarbij als uitgangspunt de eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging, onverminderd de uitzonderingen waarin de wet voorziet en de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot verwijzing of tot verandering van taal in te dienen. De eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging en het dwingend karakter van de voorschriften van de wet werden als grondbeginselen van de wet van 15 juni 1935 beschouwd. Uit de artikelen 1 tot 4 van de voormelde wet volgt dat de gehele rechtspleging in betwiste zaken volledig eentalig wordt gevoerd in hetzij het Frans, het Nederlands of het Duits, naar gelang van de plaats waar de zetel van de betrokken rechtbank is gevestigd. Alle daarop volgende bepalingen strekken er eveneens toe hetzij op dwingende wijze in de wet zelf, hetzij op basis van een overeenkomst tussen de partijen één enkele taal voor de procedure vast te leggen. 36 B.22.
- De wet van 15 juni 1935 onderscheidt vier taalgebieden : het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied (artikel 42; Hand., Kamer, 1933-1934, 15 mei 1934, p. 1455). Zij stemt aldus overeen met de indeling in taalgebieden zoals vastgelegd in artikel 4 van de Grondwet. De rechtscolleges worden door de artikelen 1 tot 5 van de wet van 15 juni 1935 ingedeeld in taalgroepen. Die indeling heeft tot gevolg dat de rechtspleging in beginsel zal geschieden in de taal of in een van de talen die overeenstemt met die taalgroep. Voorts zullen de magistraten en gerechtelijke ambtenaren die verbonden zijn aan dat rechtscollege of in zijn rechtsgebied hun ambt uitoefenen, de taal van die taalgroep moeten kennen, en in het geval waarin het rechtscollege behoort tot een meertalige groep, in een bepaalde mate ook een kennis moeten bewijzen van een andere landstaal (artikelen 43 tot 54ter). De indeling in taalgroepen is ook van belang om het rechtscollege te bepalen dat in aanmerking komt om kennis te nemen van een zaak in de taal of in een van de talen van die taalgroep, naar aanleiding van een toegekend verzoek tot verwijzing. B.22.
- Alle akten van de rechtspleging zijn onderworpen aan de vereisten die voortvloeien uit de wet van 15 juni
- Zoals is vermeld in B.22.1, is de vrijwaring van de eenheid van taal van de rechtspleging, een van de grondbeginselen van de wet van 15 juni
- B.23.
- Vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepaling vloeide uit artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 voort dat de niet-naleving van de in die wet opgelegde verplichtingen, de nietigheid tot gevolg had van de akte die met miskenning van de wet werd gesteld. De nietigheid diende ambtshalve door de rechter te worden vastgesteld. B.23.
- Volgens het gewijzigde artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 is de naleving van de artikelen 1 tot 39 voorgeschreven op straffe van nietigheid, onverminderd de toepassing van de artikelen 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek. B.23.
- Overeenkomstig artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter een proceshandeling die in strijd is met de wet van 15 juni 1935 voortaan alleen nietig verklaren indien de onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Krachtens artikel 864 van het Gerechtelijk Wetboek is de nietigheid gedekt, indien zij niet in limine litis wordt voorgedragen, vóór enig ander middel. 37 B.
- Zoals is vermeld in B.2.4, past de bestreden bepaling in het kader van de doelstelling om de procedure lichter en economischer te maken. Ze beoogt de nietigheidsregeling in de wet van 15 juni 1935 in overeenstemming te brengen met die van het gemeen recht, zoals die werd versoepeld door de wet van 19 oktober 2015, teneinde een ongelijke behandeling te vermijden van de verschillende soorten nietigheden, die strijdig zou zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, pp. 26-27; Commissie voor de Justitie, 13 juni 2018, vraag nr. 26070, CRIV 54 COM 923, pp. 30 en 32). In haar advies bij het voorontwerp van wet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State op dat die bepaling tot gevolg heeft dat artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 « niet meer de regel [zal] bevatten dat de rechter van ambtswege een nietigheid kan (en zelfs moet) opwerpen als gevolg van de niet-naleving van de artikelen 1 tot 39 van die wet » (RvSt, advies nr. 61.938/1V-2V-2-VR van 26 september 2017, Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, p. 78). Voorts stelde zij vast dat de wet van 15 juni 1935 « niet meer als een wetgeving van openbare orde kan worden beschouwd [en dat] de vraag [ook] rijst […] hoe de schendingen van de wet van 15 juni 1935 moeten worden bestraft » (ibid., p. 79). B.25.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een onderscheid wenste te maken tussen « formele » en « materiële » schendingen, waarbij de gelijkschakeling van de nietigheidsregeling waarin is voorzien in artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 met die van het gemeen recht zou worden beperkt tot « louter formele » schendingen, en dus tot loutere vormfouten (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/006, p. 30). B.25.
- Artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek is daartoe aangepast en preciseert dat een rechtscollege enkel een louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 kan verbeteren in een beslissing (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, pp. 16-17; Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/006, p. 24). 38 B.25.
- De wetgever heeft het onderscheid tussen louter « formele » en « materiële » schendingen van de wet van 15 juni 1935 evenwel niet doorgevoerd met betrekking tot de nietigheidsregeling overeenkomstig de artikelen 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit heeft tot gevolg dat onregelmatigheden die verder reiken dan een louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 niet onttrokken zijn aan de dekkingen waarin is voorzien in de artikelen 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek. Niettemin heeft na de bestreden wetsbepaling de minister van Justitie uitdrukkelijk bevestigd dat de aanpassing van de nietigheidsregeling van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 aan de nietigheidsregeling van het gemeen recht uitsluitend voor loutere vormfouten is bedoeld en dat de rechter nog steeds moet kunnen ingrijpen om een nietige proceshandeling te weren (Commissie voor de Justitie, 13 juni 2018, vraag nr. 26070, CRIV 54 COM 923, p. 31). B.26.
- Het recht op een eerlijk proces omvat de verplichting voor het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt om de door de partijen aangevoerde middelen, argumenten en bewijzen naar behoren te onderzoeken. Eveneens veronderstelt de behoorlijke rechtsbedeling dat het rechtscollege op gepaste wijze kennis kan nemen van die overwegingen in overeenstemming met de regels inzake het taalgebruik in gerechtszaken. B.26.
- Op grond van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 zijn de regels die vervat zijn in die wet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Ingevolge de bestreden wijziging van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935, waarbij wordt verwezen naar de artikelen 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het initiatief tot nietigverklaring van een proceshandeling die in strijd is met de artikelen 1 tot 39 van die wet evenwel nog uitsluitend uitgaan van de partijen. De rechter kan een proceshandeling die in strijd is met die wet niet meer nietig verklaren indien de onregelmatigheid niet de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. 39 Artikel 8 van de wet van 15 juni 1935 geeft de rechter de mogelijkheid om een vertaling te bevelen van processtukken die niet in de wettelijk verplichte taal zijn gesteld. Hij kan dit evenwel slechts wanneer een van de partijen daarom verzoekt en dus niet op eigen initiatief. Overigens zou het systematisch laten vertalen van processtukken de procedure zeer sterk vertragen, wat in strijd is met de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de procedure lichter en efficiënter te maken. Na de wet beaamde de minister van Justitie dat de rechter, nu hij niet langer ambtshalve kan ingrijpen, machteloos kan zijn om een schending van de wet van 15 juni 1935 te verhelpen en verklaarde hij met betrekking tot de regeling van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek : « Ook al heeft het daar verwoorde adagium ‘ pas de nullité sans grief ’ uiteraard een ruimere draagwijdte, in die bepaling wordt de belangenschade tekstueel beperkt tot schade aan de belangen van de partij die de exceptie opwerpt. A contrario geldt dat dus niet voor de belangen van de andere betrokkenen bij de procedure. Vervolgens geven zowel de woorden ‘ die de exceptie opwerpt ’ als de afschaffing van de absolute nietigheden die de rechter tot ambtshalve ingrijpen verplichtten de indruk dat de rechter bij gebrek aan protest van minstens een van de partijen machteloos is en dus evenmin de benadeling van zijn eigen belangen kan verhelpen, of ruimer nog, kan verhinderen dat een vormfout de rechtsbedeling in het gedrang brengt » (Commissie voor de Justitie, 13 juni 2018, vraag nr. 26070, CRIV 54 COM 923, p. 31). Om de aldus vastgestelde tekortkomingen inzake de bevoegdheid en de belangen van de rechter te remediëren, heeft de minister een wetgevend initiatief aangekondigd teneinde geen enkele twijfel over het ambtshalve ingrijpen van de rechter te laten bestaan als de rechtsbedeling in het gedrang wordt gebracht (ibid.). Tot op heden werd de wet evenwel niet in de door hem aangegeven zin aangepast. B.26.
- Zoals is uiteengezet in B.22.1, heeft de wet van 15 juni 1935 het taalgebruik in gerechtszaken in België geregeld met de eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging als uitgangspunt, wat zijn weerslag vindt in de rechterlijke organisatie en de vereiste taalkennis van magistraten. 40 De rechter beschikt evenwel over geen enkele mogelijkheid om ambtshalve in te grijpen wanneer de partijen de regels van de artikelen 1 tot 39 van de wet van 15 juni 1935 niet naleven en hierdoor de eentaligheid van de rechtspleging, het recht op een eerlijk proces of de behoorlijke rechtsbedeling in het gedrang brengen. B.26.
- De ontstentenis van elke mogelijkheid voor de rechter om in die omstandigheden ambtshalve in te grijpen, heeft tot gevolg dat hij ertoe verplicht kan worden kennis te nemen van processtukken die niet zijn gesteld in de verplichte taal van de rechtspleging voor het rechtscollege waartoe hij behoort en die hij wettelijk niet wordt verondersteld te kennen. Dit geldt niet enkel voor de door de partijen ingediende processtukken, maar onder meer ook voor deskundigenverslagen, die volgens de voorschriften van de wet van 15 juni 1935 eveneens in de taal van de eentalige rechtspleging moeten worden gesteld (artikel 33). Aldus is niet gewaarborgd dat de rechter voorafgaand aan zijn beslissing op gepaste wijze kennis kan nemen van de grieven en argumenten van de partijen en dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. B.
- De middelen zijn gegrond. Artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 dient te worden vernietigd. B.
- Vermits de overige middelen niet kunnen leiden tot een ruimere vernietiging, dienen zij niet te worden onderzocht. B.
- Teneinde rechtsonzekerheid te vermijden en rekening te houden met het gerechtelijk contentieux dat te dezen uit een vernietiging kan voortvloeien, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, te worden gehandhaafd ten aanzien van alle toepassingen die ervan zijn gemaakt vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad. 41 Om die redenen, het Hof
- vernietigt artikel 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 « tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde »;
- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling ten aanzien van alle toepassingen die ervan zijn gemaakt vóór de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;
- onder voorbehoud van de interpretatie vermeld
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.