id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.121 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20190926.1 Arrest- Rolnummer: 121/2019 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-10-11 Raadplegingen: 695 - laatst gezien 2026-06-28 22:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - wijst de afstand toe in zoverre het beroep betrekking heeft op de woorden « en de leden van het wetenschappelijk secretariaat » in artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 12 december 2016 « tot wijziging van het wetboek van economisch recht, wat de bevoegdheid van de commissie voor boekhoudkundige normen betreft »; - verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BOEKHOUDING EN JAARREKENING - ALGEMEEN - Algemeen (boekhouding en jaarrekening - algemeen) - Commissie voor Boekhoudkundige Normen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 12 december 2016 « tot wijziging van het wetboek van economisch recht, wat de bevoegdheid van de commissie voor boekhoudkundige normen betreft », ingesteld door Michel De Wolf. Wijziging van het Wetboek van economisch recht - Commissie voor boekhoudkundige normen - Taalsamenstelling van de Commissie - eind van de mandaten. Tekst van de beslissing Rolnummer 6682 Arrest nr. 121/2019 van 26 september 2019 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 12 december 2016 « tot wijziging van het wetboek van economisch recht, wat de bevoegdheid van de commissie voor boekhoudkundige normen betreft », ingesteld door Michel De Wolf. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 juni 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 juni 2017, heeft Michel De Wolf beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 12 december 2016 « tot wijziging van het wetboek van economisch recht, wat de bevoegdheid van de commissie voor boekhoudkundige normen betreft » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2016, tweede editie). Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - Jan Verhoeye, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Aerts en Mr. M. E. Storme, advocaten bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 24 april 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 mei 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 15 mei 2019 de dag van de terechtzitting bepaald op 5 juni
- Op de openbare terechtzitting van 5 juni 2019 : - zijn verschenen : . Mr. K. Munungu, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. M. E. Storme, tevens loco Mr. P. Aerts, voor Jan Verhoeye; . Mr. J.-F. De Bock, tevens loco Mr. V. De Schepper, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie van de Ministerraad A.
- Michel De Wolf voert aan dat, met toepassing van artikel 86 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de memorie van de Ministerraad uit de debatten moet worden geweerd omdat zij pas op 8 september 2017 bij het Hof is ingediend, terwijl de termijn van 45 dagen, bepaald bij artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op 26 augustus 2017 was verstreken. Michel De Wolf stelt het Hof dus ervan in kennis dat, rekening houdend met de niet-ontvankelijkheid van de memorie van de Ministerraad, hij niet erop antwoordt in zijn memorie van antwoord. Hij is van mening dat, indien het Hof zou oordelen dat de memorie van de Ministerraad ontvankelijk is, het met toepassing van artikel 107 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 een heropening van de debatten zou moeten bevelen, om de verzoeker in staat te stellen te antwoorden op de opmerkingen van de Ministerraad. A.
- De Ministerraad antwoordt dat zijn memorie niet moet worden geweerd omdat het Hof de wettelijke termijn van 45 dagen had verlengd tot 12 september
- Hij betwist bovendien de pertinentie van een heropening van de debatten, aangezien zulk een beslissing enkel zou kunnen worden genomen om de partijen toe te laten opmerkingen te formuleren over de weerslag, op het beroep tot vernietiging, van een nieuw element. Hij onderstreept dat er te dezen geen enkel nieuw element is en dat het de verzoeker vrijstond om, in zijn memorie, minstens subsidiair, te antwoorden op de argumenten van de Ministerraad. Jan Verhoeye deelt het standpunt van de Ministerraad. Ten aanzien van de gedeeltelijke afstand van Michel De Wolf A.
- Na kennis te hebben genomen van de memorie ingediend door Jan Verhoeye, ziet Michel De Wolf ervan af de vernietiging te vorderen van de woorden « en de leden van het wetenschappelijk secretariaat » in artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 12 december 2016 « tot wijziging van het wetboek van economisch recht, wat de bevoegdheid van de commissie voor boekhoudkundige normen betreft ». Ten aanzien van het belang van Michel De Wolf A.4.
- Michel De Wolf is van mening dat de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 12 december 2016 zijn situatie als lid van de Commissie voor boekhoudkundige normen (hierna : de Commissie), benoemd bij een koninklijk besluit van 25 april 2013 voor een termijn van zes jaar op voorstel van de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, rechtsreeks en ongunstig raken. A.4.
- Hij oordeelt dat, in zoverre het verbiedt, in het jaarlijks ministerieel verslag over de activiteiten van het binnen de Commissie ingestelde College (hierna : het College), de identiteit van de leden van het College te vermelden, artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 12 december 2016, de voorwaarden wijzigt voor de uitoefening van zijn mandaat van lid van de Commissie. Hij meent er belang bij te hebben dat de Kamer van volksvertegenwoordigers, ter attentie waarvan dat jaarverslag wordt opgesteld, in kennis wordt gesteld van zijn deelname of niet-deelname aan de activiteiten van het College, waarin niet alle leden van de Commissie zitting hebben. A.4.
- Michel De Wolf oordeelt dat, door de vereiste dat de Commissie en het College evenveel Franstalige als Nederlandstalige leden tellen, artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 4 van 12 december 2016, de voorwaarden wijzigt voor een eventuele hernieuwing van zijn mandaat van lid van de Commissie. 4 Hij preciseert dat die vereiste het gewicht vermindert van de andere benoemingscriteria die de Koning in aanmerking kan nemen, zoals de wetenschappelijke en professionele verdiensten. A.4.
- Michel De Wolf is van oordeel dat, doordat het ieder lid van de Commissie tot geheimhouding verplicht, artikel III.93/2, § 3, eerste zin, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 12 december 2016, de voorwaarden wijzigt voor de uitoefening van het ambt van lid van de Commissie. Hij preciseert dat die regel kan worden geïnterpreteerd in die zin dat hij het recht van de verzoeker beperkt om wetenschappelijke of professionele artikels te publiceren over de onderwerpen die door de Commissie worden behandeld. A.4.
- Michel De Wolf oordeelt dat, in zoverre het een einde maakt aan de mandaten van de leden van de Commissie, artikel 5, eerste lid, van de wet van 12 december 2016 de duur wijzigt van het mandaat van zes jaar dat hem was verleend bij artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2013 « houdende aanstelling van de leden van de Commissie voor boekhoudkundige normen ». Hij merkt op dat, indien de uitoefening van zijn functie binnen de Commissie, met toepassing van de bestreden bepaling, zou eindigen vóór het verstrijken van de periode van zes jaar die is ingegaan op de dag van zijn indiensttreding, hij niet de eretitel van lid van de Commissie zou mogen voeren, met toepassing van artikel 4bis van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 « houdende oprichting van een Commissie voor boekhoudkundige normen ». A.5.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye betwisten het belang van de verzoeker om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepalingen van de wet van 12 december
- A.5.
- Met betrekking tot artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, verklaart de Ministerraad niet te begrijpen in welk opzicht de verzoeker er belang bij zou hebben dat de Kamer van volksvertegenwoordigers in kennis wordt gesteld van zijn deelname of niet-deelname aan de activiteiten van het College. Jan Verhoeye merkt op dat de samenstelling van het College in elk geval niet geheim is, vermits het koninklijk besluit dat de leden ervan benoemt, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Hij is ook van mening dat de ontstentenis van belang van de verzoeker kan worden afgeleid uit het feit dat hij niet de vernietiging vordert van artikel III.93/1, § 6, van het Wetboek van economisch recht, dat eist dat de beslissingen van het College op anonieme wijze worden gepubliceerd. A.5.
- De Ministerraad voert aan dat artikel 5 van de wet van 12 december 2016, dat een einde maakt aan het mandaat van de leden van de Commissie bij de inwerkingtreding van die wet, het Instituut van de Bedrijfsrevisoren niet verhindert nogmaals, met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 « houdende oprichting van een Commissie voor boekhoudkundige normen », de benoeming van de verzoeker op de post van lid van de Commissie voor te stellen. Hij is van mening dat een eventuele wijziging van de voorwaarden voor de uitoefening van die functie, van de duur van het verleende mandaat en van de voorwaarden voor de hernieuwing ervan zou voortvloeien uit een handeling van de uitvoerende macht en niet uit een handeling van de wetgevende macht. De Ministerraad onderstreept ook dat, overeenkomstig artikel 5, tweede lid, van de wet van 12 december 2016, de verzoeker lid van de Commissie blijft totdat in zijn vervanging is voorzien. A.5.
- De Ministerraad oordeelt dat de andere bestreden bepalingen van de wet van 12 december 2016 de situatie van de verzoeker evenmin rechtstreeks en ongunstig kunnen raken omdat zij geen betrekking hebben op zijn rol binnen de Commissie. Wat artikel III.93/2, § 2, van het voormelde Wetboek betreft, merkt de Ministerraad op dat de wet van 12 december 2016 niet de benoemingscriteria van de leden van de Commissie vaststelt en dat artikel 2, vierde lid, van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 enkel vereist dat de leden van het College over een bewezen uitmuntende kennis van het Belgisch boekhoudrecht dienen te beschikken. Met betrekking tot artikel III.93/2, § 3, eerste zin, van het voormelde Wetboek, doet de Ministerraad opmerken dat de adviezen van de Commissie worden bekendgemaakt en dat die bepaling het recht van de verzoeker om wetenschappelijke artikels over onderwerpen die door die instelling worden behandeld te publiceren, niet beperkt. 5 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie van Jan Verhoeye A.
- Jan Verhoeye, die zich voorstelt als boekhouder en belastingconsulent, leidt zijn belang om, met toepassing van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, opmerkingen aan het Hof te richten, af uit zijn mandaat van voorzitter van de Commissie. Hij meent de redenen te kunnen aanvoeren waarom het beroep tot vernietiging moet worden verworpen, omdat hij ervan overtuigd is dat de wet van 12 december 2016 de werking verbetert van de Commissie die hij heeft voorgezeten met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 april 2013 « houdende aanstelling van de leden van de Commissie voor boekhoudkundige normen », en die hij nog steeds voorzit met toepassing van artikel 5, tweede lid, van die wet. A.
- Michel De Wolf wijst erop dat de memorie van Jan Verhoeye de naam vermeldt van de advocaten die in de voorliggende zaak door de Ministerraad zijn gekozen, terwijl zij aan het Hof is gericht op dezelfde dag als de memorie van de Ministerraad. Hij leidt eruit af dat Jan Verhoeye en de Ministerraad overleg hebben gepleegd bij het opstellen van hun memories en dat de eerstgenoemde zijn schriftelijke opmerkingen aan het Hof zou hebben gericht enkel omdat de Ministerraad niet meer in staat was de zijne erin uiteen te zetten vermits de termijn bepaald bij artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 was verstreken. Hij is van mening dat indien het Hof, in die omstandigheden, de tussenkomst van de voorzitter van de Commissie zou beschouwen als die van een gevolmachtigde van de Ministerraad, het de memorie van Jan Verhoeye, die door de verzoeker de voornaamste begunstigde van de wet van 12 december 2016 wordt genoemd, zou moeten weren. Michel De Wolf betwist ook de ontvankelijkheid van de memorie van Jan Verhoeye omdat dat document, dat is opgesteld in het Nederlands, niet in overeenstemming zou zijn met artikel 63 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dat de taal van het onderzoek van een aan het Hof voorgelegde zaak bepaalt. Hij preciseert dat artikel 87, § 2, van die wet, op grond waarvan de voormelde memorie werd toegezonden, een bepaling is die, gelet op de structuur van die wet, het onderzoek van een dergelijke zaak regelt. A.
- Jan Verhoeye antwoordt dat er geen reden is om zijn memorie uit de debatten te weren. Hij merkt op dat, volgens artikel 62, tweede lid, 6°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, de personen die voor het Hof doen blijken van een belang, in principe de taal kunnen gebruiken die zij verkiezen. Ten aanzien van het middel betreffende artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht A.
- Michel De Wolf voert aan dat artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 12 december 2016, de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen of in samenhang met de artikelen 2, lid 1, 25, c), en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het « algemeen beginsel van het recht op rechtszekerheid », schendt in zoverre de bestreden bepaling, zonder pertinente verantwoording, op onevenredige wijze en met schending van de vereiste van rechtszekerheid, een regel formuleert die onduidelijk is omdat zij de term « taalrol » niet definieert. A.10.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye merken in hoofdorde op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift niet toelaat te begrijpen in welk opzicht de bestreden bepaling onbestaanbaar zou zijn met de regels waarvan de schending wordt aangevoerd. Jan Verhoeye preciseert dat het verzoekschrift niet aangeeft in welk opzicht de regel van taalpariteit die vervat is in de bestreden bepaling discriminerend zou zijn in de zin van de Grondwet of de aangevoerde internationale normen. Hij wijst erop dat dit verzoekschrift geen enkel verschil in behandeling aanklaagt. Hij merkt ook op dat er, voor de titularis van een administratieve functie, geen fundamenteel recht bestaat om niet te worden meegerekend binnen een taalrol. Jan Verhoeye voert ook aan dat, in zoverre het steunt op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het middel niet ontvankelijk is omdat de bestreden bepaling niet valt onder het recht van de Europese Unie en er geen uitvoering aan geeft. A.10.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye merken in ondergeschikte orde op dat het middel niet gegrond is. 6 Zij verklaren dat de regel van taalpariteit vervat in de bestreden bepaling verantwoord is door de wil om de representativiteit van de federale organen te versterken. Jan Verhoeye herinnert eraan dat de invoering van taalkaders voor de administratieve functies de Grondwet, die uitdrukkelijk waarborgt dat de taalgroepen worden vertegenwoordigd in federale instellingen als de Hoge Raad voor de Justitie, en de wetgevende macht impliciet toestaat in zulk een vertegenwoordiging te voorzien voor een groot aantal andere federale instellingen zoals het Grondwettelijk Hof, zowel letterlijk als naar de geest in acht neemt. De Ministerraad citeert artikel 43, § 4, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en wijst ook erop dat het begrip « taalrol » vaak wordt gebruikt in administratieve aangelegenheden. De Ministerraad en Jan Verhoeye voegen eraan toe dat het rechtszekerheidsbeginsel geen definitie van de term « taalrol » vereist en dat, indien nodig, een koninklijk besluit de criteria zou kunnen preciseren die bepalen tot welke van beide taalrollen men behoort. Jan Verhoeye oordeelt dat die criteria, die niet moeten worden vermeld in de wet, evengoed zouden kunnen worden bepaald door de beroepsorganisaties die gemachtigd zijn om de benoeming van leden van de Commissie voor te stellen. Hij voegt eraan toe dat, ook al is het niet van toepassing op die laatste instelling, artikel 43 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten toelaat de vrees weg te nemen met betrekking tot de rechtsonzekerheid die zou kunnen ontstaan door de invoering van het taalkader waarin de bestreden bepaling voorziet. A.
- Michel De Wolf antwoordt dat het middel geenszins het legitieme doel van taalpariteit ter discussie stelt, maar enkel gericht is op de onduidelijkheid van de term « taalrol », die wordt bevestigd door het feit dat artikel 43 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten niet van toepassing is op de Commissie. Hij voegt eraan toe dat het koninklijk besluit van 3 september 2017 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 houdende oprichting van een Commissie voor boekhoudkundige normen en van het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen », dat werd aangenomen ingevolge de wet van 12 december 2016, de betekenis van het in het geding zijnde woord van de bestreden bepaling niet heeft verduidelijkt. Michel De Wolf merkt ook op dat de Commissie zich bezighoudt met aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Europese Unie vallen, omdat de meeste regels van het Belgische boekhoudrecht voortvloeien uit de omzetting van Europese richtlijnen. Ten aanzien van het middel betreffende artikel III.93/2, § 3, van het Wetboek van economisch recht A.
- Michel De Wolf voert aan dat de eerste zin van artikel III.93/2, § 3, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 12 december 2016, de artikelen 10, 11 en 32 van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen of in samenhang met de wet van 11 april 1994 « betreffende de openbaarheid van bestuur » en met artikel 15, leden 1, c), 2 en 3, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, schendt in zoverre de bestreden bepaling, zonder pertinente verantwoording en op onevenredige wijze, erin voorziet dat de geheimhouding waartoe de leden van de Commissie gehouden zijn, betrekking heeft op de adviezen en aanbevelingen die door die instelling worden geformuleerd met toepassing van artikel III.93, § 1, van het Wetboek. A.13.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye wijzen in hoofdorde erop dat het middel niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift niet toelaat te begrijpen in welk opzicht de bestreden bepaling onbestaanbaar zou zijn met de regels waarvan de schending wordt aangevoerd. Jan Verhoeye merkt op dat het verzoekschrift geen enkel verschil in behandeling vermeldt. Hij wijst ook erop dat geen enkele tekst de titularis van een openbaar mandaat het recht geeft om informatie te verspreiden die werd verkregen bij de uitoefening van zijn functie. De Ministerraad en Jan Verhoeye voegen eraan toe dat het middel ook onontvankelijk is in zoverre het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met de artikelen 10, 11 en 32 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde wet van 11 april 1994, vermits het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van een wetskrachtige bepaling met die wet. A.13.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye merken in ondergeschikte orde op dat het middel niet gegrond is. De Ministerraad is van mening dat dat middel berust op een onjuiste interpretatie van de bestreden bepaling. Hij preciseert dat de erin vermelde verplichting tot geheimhouding enkel betrekking heeft op de zaken die tot de opdracht behoren van het College dat is ingesteld binnen de Commissie, zodat zij niet geldt voor de adviezen en aanbevelingen die in het middel worden beoogd. 7 Jan Verhoeye onderstreept dat de betwiste verplichting tot geheimhouding niet geldt voor de adviezen en ontwerpadviezen, die de Commissie moet publiceren, en dat die verplichting enkel geldt voor de informatie die nog niet door de Commissie is gepubliceerd en die onder het geheim van de beraadslaging valt. Hij oordeelt dat dit beroepsgeheim de leden van de Commissie in geen enkel opzicht discrimineert en evenmin afbreuk doet aan het recht van iedere burger om elk bestuursdocument te raadplegen. Hij is van mening dat die verplichting tot geheimhouding des te meer gerechtvaardigd is omdat die leden toegang kunnen hebben tot gevoelige economische gegevens. A.
- Michel De Wolf antwoordt dat hij enkel naar de wet van 11 april 1994 verwijst om de interpretatie te verduidelijken die moet worden gegeven aan artikel 32 van de Grondwet. Hij voegt eraan toe dat de adviezen en aanbevelingen die door de Commissie worden verstrekt met toepassing van artikel III.93, § 1, 2°, van het Wetboek van economisch recht, kunnen worden beschouwd als een « wetenschappelijk werk » in de zin van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Michel De Wolf betwijfelt of de interpretatie die Jan Verhoeye aan de bestreden bepaling geeft bestaanbaar is met de bewoordingen van die laatste, maar geeft toe dat die bepaling, aldus geïnterpreteerd, niet ongrondwettig is. Ten aanzien van het middel betreffende artikel 5, eerste lid, van de wet van 12 december 2016 A.
- Michel De Wolf voert aan dat artikel 5, eerste lid, van de wet van 12 december 2016 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen of in samenhang met artikel 107 van de Grondwet, met het « algemeen beginsel van het recht op gewettigd vertrouwen » en met het « algemeen beginsel van het recht op rechtszekerheid », schendt in zoverre, zonder pertinente verantwoording en op onevenredige wijze, de bestreden bepaling van rechtswege een einde maakt aan het mandaat van de leden van de Commissie die bij het koninklijk besluit van 25 april 2013 voor zes jaar zijn benoemd. A.16.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye merken in hoofdorde op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift niet toelaat te begrijpen in welk opzicht de bestreden bepaling onbestaanbaar zou zijn met de regels waarvan de schending wordt aangevoerd. Jan Verhoeye merkt op dat het middel geen enkel verschil in behandeling vermeldt en dat geen enkel fundamenteel recht het behoud van een mandaat in een instelling als de Commissie waarborgt. A.16.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye merken in ondergeschikte orde op dat het middel niet gegrond is. Zij zijn van mening dat de beslissing om een einde te maken aan de mandaten van de leden van de Commissie die in 2013 werden benoemd, redelijk verantwoord is door de uitbreiding van de bevoegdheden van die instelling, die voortvloeit uit de wet van 12 december
- Jan Verhoeye voegt eraan toe dat de vroegtijdige beëindiging van de mandaten noodzakelijk is om de Commissie samen te stellen met inachtneming van de vereiste van taalpariteit die is vastgelegd bij het nieuwe artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht. Hij preciseert dat de Commissie die in 2013 werd benoemd, elf Franstalige en zes Nederlandstalige leden telde. Jan Verhoeye wijst ook erop dat de bestreden bepaling noodzakelijk was om de Commissie samen te stellen volgens de nieuwe regels van het koninklijk besluit van 21 oktober
- Hij voert aan, wat die regels betreft, dat de wetgevende macht de Koning machtigt om van de leden van de Commissie bijkomende competenties te eisen die op zijn minst nuttig zijn voor de uitoefening van de nieuwe opdrachten die aan die instelling worden toevertrouwd. Hij doet in dat verband opmerken dat, in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, reeds werd aangekondigd dat het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 zou worden gewijzigd om het College te verplichten om, in bepaalde gevallen, de gehele Commissie te raadplegen in het kader van de uitvoering van zijn nieuwe opdrachten. Jan Verhoeye merkt verder nog op dat louter het feit dat een wetskrachtige bepaling niet verantwoord zou zijn ten aanzien van één persoon, niet volstaat om ze onbestaanbaar te maken met de Grondwet. 8 A.
- Michel De Wolf antwoordt dat, tijdens de parlementaire voorbereiding, de bestreden bepaling niet werd verantwoord vanuit de bekommernis om de taalpariteit in de samenstelling van de Commissie na te leven. Hij merkt in dat verband op dat, rekening houdend met de samenstelling van de Commissie gedurende 40 jaar, die bekommernis niet dermate dringend was dat niet kon worden gewacht tot de hernieuwing van de Commissie, voorzien voor mei
- Michel De Wolf voegt eraan toe dat de wil om de Commissie opnieuw samen te stellen teneinde rekening te houden met de uitbreiding van haar bevoegdheden, enkel betrekking had op de samenstelling van het binnen die instelling opgerichte College, en niet rechtvaardigde dat een einde zou worden gemaakt aan het mandaat van alle leden van de Commissie. Hij verzet er zich niet tegen dat het Hof de bestreden bepaling enkel zou vernietigen in zoverre zij een einde maakt aan de mandaten van de leden van de Commissie die, volgens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, geen deel zouden moeten uitmaken van dat College, dat wil zeggen diegenen die geen voorzitter van de Commissie waren en die niet waren benoemd op voorstel van de minister van Economie, de minister van Financiën, de minister van Justitie of de minister van Middenstand. Ten aanzien van het middel betreffende alle bestreden bepalingen A.
- Michel De Wolf voert aan dat elk van de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen of in samenhang met hoofdstuk II van de wet van 15 december 2013 « houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging », met het « algemeen beginsel van het recht op gewettigd vertrouwen » en met het « algemeen beginsel van het recht op rechtszekerheid », schendt in zoverre die bepalingen zijn aangenomen nadat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers een « geïntegreerd impactanalyseformulier » was bezorgd waarin wordt vermeld dat die analyse werd uitgevoerd door de Commissie, terwijl die instelling nooit heeft beraadslaagd over de analyse betreffende het voorontwerp van wet dat ten grondslag ligt aan de bestreden bepalingen. A.19.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye merken in hoofdorde op dat het middel niet ontvankelijk is. Zij zijn van mening dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van een wet met de voormelde wet van 15 december
- Jan Verhoeye voegt eraan toe dat het verzoekschrift niet toelaat te begrijpen in welk opzicht de bestreden bepalingen onbestaanbaar zouden zijn met de bepalingen van de Grondwet en de beginselen waarvan de schending wordt aangevoerd. Hij merkt onder meer op dat het middel geen enkel verschil in behandeling vermeldt. Hij voert ook aan dat het middel veel weg heeft van een actio popularis en dat de verzoeker geen belang heeft bij dat middel. A.19.
- De Ministerraad en Jan Verhoeye merken in ondergeschikte orde op dat het middel niet gegrond is. Zij zetten uiteen dat in de aan de Kamer van volksvertegenwoordigers voorgelegde documenten niet wordt aangegeven dat de Commissie over de « impactanalyse » heeft beraadslaagd, hetgeen, volgens de Ministerraad, de wet van 15 december 2013 overigens niet vereist. Zij preciseren dat, indien er sprake is van een raadpleging van de Commissie in het « geïntegreerd impactanalyseformulier », dat enkel is omdat, overeenkomstig het huishoudelijk reglement van de Commissie, de voorzitter ervan aan de bevoegde minister statistische gegevens heeft bezorgd waarom die laatste hem had verzocht. De Ministerraad en Jan Verhoeye voegen eraan toe dat de grondwettigheid van de bestreden bepalingen geenszins afhangt van de betrouwbaarheid van die gegevens. A.
- Michel De Wolf antwoordt dat, zelfs indien de voorzitter van de Commissie zich heeft beperkt tot het doorgeven van statistische gegevens aan de bevoegde minister, in de aan het Parlement voorgelegde documenten niet mag worden vermeld dat die gegevens uitgaan van de Commissie. Hij trekt ook de betrouwbaarheid in twijfel van de inlichtingen die aan het Parlement zijn voorgelegd om de uitbreiding van de bevoegdheden van de Commissie te verantwoorden, en verzoekt het Hof een deskundige aan te stellen om na te gaan of die inlichtingen overeenstemmen met de werkelijkheid. 9 Ten aanzien van het verzoek om personen te horen die geen partij zijn voor het Hof A.
- Michel De Wolf verzoekt het Hof de leden van de Commissie die zijn benoemd bij het koninklijk besluit van 25 april 2013, de personen die vlak vóór de aanneming van dat koninklijk besluit lid waren van die instelling, alsook leden van het kabinet van de minister van Economie die het wetsontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 12 december 2016 heeft verdedigd, te horen. Volgens Michel De Wolf zal dat verhoor toelaten de onwettige disfuncties van de Commissie bloot te leggen die hijzelf zowel vóór als na de benoemingen van 2013 kon waarnemen en die onder meer betrekking hebben op de besluitvorming zonder inachtneming van het vereiste quorum en op het feit dat de rekeningen van de instelling niet openbaar werden gemaakt in haar activiteitenverslag. De verzoeker voert ook aan dat het is omdat de voorzitter van de Commissie voelde dat hij door die disfuncties in opspraak kwam dat hij de minister van Economie, met wie hij erg bevriend zou zijn, ervan heeft overtuigd aan de wetgevende macht en aan de uitvoerende macht voor te stellen om artikel 5 van de wet van 12 december 2016 en sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 3 september 2017 aan te nemen. Die teksten zouden de belangen van de voorzitter van de Commissie dienen in zoverre zij hem een bijkomende hernieuwing van zijn mandaat waarborgen, op initiatief van de voornoemde minister, en wijzigingen aanbrengen in het huishoudelijk reglement van de Commissie die hij niet zou hebben kunnen doen aanvaarden door de andere leden van die instelling. A.
- Jan Verhoeye houdt eraan te verduidelijken dat, sinds 2010, de Commissie elk jaar een lijvig activiteitenverslag publiceert. Hij onderstreept ook dat de wet van 12 december 2016 voortvloeit uit de stemming van een wetsontwerp dat door de hele federale Regering, en niet alleen door haar minister van Economie, werd ingediend. Hij merkt ten slotte op dat de twee ministers die, vóór de inwerkingtreding van die wet, aan de Koning zijn benoeming tot voorzitter van de Commissie hadden voorgesteld, geen lid zijn van de politieke partij waartoe de minister behoort die het voormelde wetsontwerp aan het federale Parlement heeft voorgelegd. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
- Ingesteld door de Koning, heeft de Commissie voor boekhoudkundige normen hoofzakelijk als opdracht het federale Parlement en de federale Regering adviezen te verlenen, « door middel van adviezen en aanbevelingen bij de dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden » en « de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding » (artikel III.93, § 1, van het Wetboek van economisch recht, vervangen bij artikel 2 van de wet van 12 december 2016 « tot wijziging van het wetboek van economisch recht, wat de bevoegdheid van de commissie voor boekhoudkundige normen betreft », hierna : de wet van 12 december 2016). 10 Binnen die Commissie stelt de Koning een « afzonderlijk College in dat tot taak heeft door middel van een Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht vragen te beantwoorden betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen van het Belgisch Boekhoudrecht die onder de bevoegdheid van de Commissie vallen en waarvoor het op formele wijze wordt gevat » (artikel III.93, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 12 december 2016). B.2.
- Artikel 3 van de wet van 12 december 2016 voegt, in het Wetboek van economisch recht, een artikel III.93/1 in, dat bepaalt : « §
- Onder Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht wordt verstaan het antwoord waarbij het College overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen vaststelt hoe de wet in hoofde van de aanvrager wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting die op jaarrekeningrechtelijk vlak nog geen uitwerking heeft gehad. [...] §
- De Koning bepaalt wie de leden van het College dient voor te dragen, gekozen uit de leden van de Commissie waarbij minstens één lid tevens deel uitmaakt van het College dat overeenkomstig artikel 26 van de wet van 24 december 2002 belast is met de leiding van de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken bij de Federale Overheidsdienst Financiën, benoemt de leden van het College, bepaalt de werkingsmodaliteiten van het College, bepaalt de in paragraaf 4, eerste lid, 2°, bedoelde materies en bepalingen, stelt nadere regels op met betrekking tot de termijn waarvoor een individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht kan worden gegeven en duidt aan wanneer een Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht ophoudt te bestaan. §
- De Individuele Beslissingen inzake Boekhoudrecht worden op anonieme wijze gepubliceerd op de website van de Commissie. §
- De minister van Economie zendt elk jaar een verslag over de toepassing van artikel III.93, § 2, van het Wetboek van economisch recht naar de Kamer van volksvertegenwoordigers. De identiteit van de aanvragers, de leden van het College en de leden van het wetenschappelijk secretariaat wordt niet in het verslag vermeld. Het verslag wordt door de Kamer van volksvertegenwoordigers openbaar gemaakt ». B.2.
- Artikel 4 van de wet van 12 december 2016 voegt, in het Wetboek van economisch recht, een artikel III.93/2 in, dat bepaalt : 11 « [...] §
- Op de voorzitter na moeten de leden van de Commissie en van het College telkens voor de helft bestaan uit natuurlijke personen behorend tot de Nederlandse taalrol en voor de helft uit natuurlijke personen van de Franstalige taalrol. §
- Elk lid van de Commissie, elk lid van het College en de medewerkers van de Commissie zijn, buiten het uitoefenen van hun opdracht, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan zij wegens de uitvoering van hun opdracht kennis hebben. Voor wat betreft de dossiers Individuele Beslissingen inzake Boekhoudrecht oefenen de leden van het College en de medewerkers van de Commissie hun opdracht uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, daaronder begrepen de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtsmachten, en van de Gemeenschappen en de Gewesten en de openbare instellingen of inrichtingen, inlichtingen verstrekken welke voor die diensten, instellingen of inrichtingen nodig zijn voor de hun opgedragen uitvoering van wettelijke of reglementaire bepalingen ». B.2.
- Artikel 5 van de wet van 12 december 2016 bepaalt : « Aan de mandaten van de leden van de Commissie, die bij de inwerkingtreding van deze wet in functie zijn, wordt van rechtswege een einde gesteld. De leden van de Commissie oefenen hun mandaat verder uit tot in hun vervanging voorzien is ». B.
- De voormelde bepalingen, die werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2016, zijn in werking getreden op 30 december 2016, met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de wet van 31 mei 1961 « betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen ». Ten aanzien van de gedeeltelijke afstand met betrekking tot artikel 3 van de wet van 12 december 2016 B.
- Michel De Wolf verklaart afstand te doen van het beroep tot vernietiging in zoverre het betrekking heeft op de woorden « en de leden van het wetenschappelijk secretariaat » in artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 12 december
- B.
- Niets verzet zich te dezen ertegen dat het Hof die afstand toewijst. 12 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie van de Ministerraad B.
- Bij brief van 11 juli 2017 heeft de griffier van het Hof het beroep tot vernietiging ter kennis gebracht van de Ministerraad, met toepassing van artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Bij beschikking van dezelfde dag, genomen met toepassing van artikel 89bis van dezelfde wet, heeft de voorzitter van het Hof beslist de termijn waarbinnen het de Ministerraad vrijstond een memorie bij het Hof in te dienen met toepassing van artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, te verlengen tot 12 september
- Die beschikking werd gevoegd bij de voormelde brief van 11 juli
- Bij een op 8 september 2017 ter post aangetekende brief heeft de Ministerraad zijn memorie bij het Hof ingediend. B.
- Aangezien die memorie tijdig bij het Hof is ingediend, is zij ontvankelijk en moet zij niet uit de debatten worden geweerd. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie van Jan Verhoeye B.
- Wanneer bij het Hof een beroep tot vernietiging wordt ingesteld, kan « ieder die van een belang doet blijken » zijn opmerkingen in een memorie aan het Hof richten (artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989). Doet blijken van een belang in de zin van die bepaling, de persoon die aantoont dat zijn situatie rechtstreeks kan worden geraakt door het arrest dat het Hof in verband met het beroep tot vernietiging dient te wijzen. 13 B.
- In de opmerkingen die hij aan het Hof richt, zet Jan Verhoeye uiteen dat de bestreden bepalingen van de wet van 12 december 2016 de werking van de Commissie voor boekhoudkundige normen die hij voorzit met toepassing van artikel 5, tweede lid, van die wet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 april 2013 « houdende aanstelling van de leden van de Commissie voor boekhoudkundige normen », verbeteren. Hij werd opnieuw tot voorzitter van die instelling benoemd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 december 2018 « tot benoeming van de leden van de Commissie voor boekhoudkundige normen ». Zijn situatie van voorzitter van die instelling zou bijgevolg rechtstreeks kunnen worden geraakt door een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen. Hij doet dus blijken van het vereiste belang. B.10.
- Artikel 62 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : « De zaken worden bij het Grondwettelijk Hof ingediend in het Nederlands, in het Frans of in het Duits. In de akten en verklaringen : [...] 6° gebruiken de personen die doen blijken van een belang, de taal die zij verkiezen behalve indien zij onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, in welk geval zij de taal gebruiken die hen is opgelegd door de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966; [...] ». B.10.
- Uit die bepaling volgt dat de memorie die bij het Hof wordt ingediend door een persoon « die van een belang doet blijken » in de zin van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, kan worden opgesteld in het Frans, in het Nederlands of in het Duits, behalve indien die persoon « onderworpen » is aan de toepassing van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, in welk geval hij van de drie voormelde talen de taal moet gebruiken waarvan het gebruik door die wetten is voorgeschreven. 14 Het is noch namens de Commissie voor boekhoudkundige normen, noch in zijn hoedanigheid van voorzitter van die instelling dat Jan Verhoeye zijn opmerkingen bij het Hof heeft ingediend, zodat niet ervan kan worden uitgegaan dat hij onderworpen is aan de toepassing van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten. Het stond hem dus vrij die opmerkingen te formuleren in een in het Nederlands opgestelde memorie. B.
- De memorie van Jan Verhoeye is ontvankelijk. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging Wat de bevoegdheid van het Hof betreft B.
- In het middel dat gericht is tegen elk van de bestreden bepalingen wordt het Hof verzocht de manier te onderzoeken waarop de « impactanalyse » van het voorontwerp van wet dat ten grondslag ligt aan de wet van 12 december 2016 aan het federale Parlement werd voorgesteld door het bevoegde lid van de federale Regering. B.13.
- Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. 15 B.13.
- Het Hof is enkel bevoegd om de wijze van totstandkoming van wetten te toetsen wanneer de regels die die wijze van totstandkoming mee bepalen, worden beschouwd als regels die de onderscheiden bevoegdheid bepalen van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, als regels die bijdragen tot de inachtneming van de federale loyaliteit of als regels die ertoe strekken de rechten en vrijheden te waarborgen die zijn erkend door titel II of door de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.
- Een « impactanalyse » van een voorontwerp van wet is een « evaluatie van de potentiële gevolgen » van dat voorontwerp die wordt uitgevoerd door het bevoegde lid van de federale Regering (artikelen 5, § 1, en 6, van de wet van 15 december 2013 « houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging »). Zij maakt deel uit van de wijze van totstandkoming van een wet. B.
- Aangezien het Hof bijgevolg niet bevoegd is om kennis te nemen van het middel, is dat middel onontvankelijk. Wat betreft het belang om de vernietiging te vorderen van artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.
- Artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 12 december 2016, verbiedt de minister van Economie de identiteit van de leden van het College dat is ingesteld met toepassing van artikel III.93, § 2, van hetzelfde Wetboek, te vermelden in het jaarverslag dat hij naar de Kamer van volksvertegenwoordigers moet zenden. 16 De verzoeker legt niet uit en het blijkt niet in welk opzicht het feit dat de identiteit van de leden van dat College niet wordt vermeld, zijn situatie van lid van de Commissie voor boekhoudkundige normen ongunstig kan raken. Hij doet dus niet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht. B.
- In zoverre het die bepaling beoogt, is het beroep tot vernietiging niet ontvankelijk. Wat betreft de ontvankelijkheid van het middel betreffende artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht B.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereiste is niet louter formeel. Zij strekt ertoe aan het Hof alsook aan de instellingen en personen die aan het Hof een memorie kunnen richten een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen te geven. B.
- Het middel dat gericht is tegen artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 12 december 2016, is afgeleid, onder meer, uit de schending van de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, lid 1, 25, c), en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.
- In het middel wordt enkel uiteengezet dat de bestreden bepaling, zonder pertinente verantwoording en op onevenredige wijze, een onduidelijke regel formuleert in zoverre zij de term « taalrol » niet definieert. 17 Het zet dus niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de voormelde bepalingen zou schenden. B.
- In zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepalingen, is het middel niet ontvankelijk. Wat betreft de ontvankelijkheid van het middel betreffende artikel III.93/2, § 3, eerste zin, van het Wetboek van economisch recht B.
- Het middel dat gericht is tegen artikel III.93/2, § 3, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 12 december 2016, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 32 van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen of in samenhang met artikel 15, leden 1, c), 2 en 3, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. B.
- In het middel wordt enkel uiteengezet dat, zonder pertinente verantwoording en op onevenredige wijze, de bestreden bepaling de leden van de Commissie voor boekhoudkundige normen verplicht tot geheimhouding, wat betreft de adviezen en aanbevelingen die door die instelling worden geformuleerd met toepassing van artikel III.93, § 1, van het Wetboek. Het zet dus niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de voormelde bepalingen zou schenden. B.
- Het middel is niet ontvankelijk. 18 Ten gronde Wat artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht betreft B.
- In het middel wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre de bestreden bepaling, doordat zij niet definieert wat moet worden verstaan onder « taalrol », onvoldoende precies is en afbreuk doet aan het recht op rechtszekerheid van iedere kandidaat voor een mandaat van lid van de Commissie voor boekhoudkundige normen. B.
- Artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht definieert niet wat moet worden verstaan onder « taalrol ». Het rechtszekerheidsbeginsel vereist niet van de wetgevende macht dat zij alle door haar gebruikte termen definieert. Overigens werd gepreciseerd, tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, dat deze een « taalpariteit » invoert, wat betekent dat, met uitzondering van de voorzitter van de Commissie voor boekhoudkundige normen en het binnen die Commissie ingestelde College, elk van die twee instellingen voor de helft moet bestaan uit « Nederlandstalige » leden en voor de helft uit « Franstalige » leden (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2090/003, p. 8). De bestreden bepaling doet dus geen afbreuk aan het belang van een kandidaat voor een mandaat van lid van de Commissie voor boekhoudkundige normen, om in staat te zijn de rechtsgevolgen van zijn kandidaatstelling te voorzien. B.
- In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, is het middel niet gegrond. 19 Wat artikel 5, eerste lid, van de wet van 12 december 2016 betreft B.
- Het middel dat gericht is tegen artikel 5, eerste lid, van de wet van 12 december 2016 is afgeleid, onder meer, uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met het vertrouwensbeginsel. B.30.
- Op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 12 december 2016, was de Commissie voor boekhoudkundige normen samengesteld uit zeventien personen die tot lid van die instelling waren benoemd bij een koninklijk besluit van 25 april 2013, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 16 mei 2013 en in werking getreden op de tiende dag na de bekendmaking ervan, namelijk op 26 mei
- Dat koninklijk besluit werd uitgevaardigd met toepassing van artikel 3, eerste lid, eerste zin, van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 « houdende oprichting van een Commissie voor boekhoudkundige normen », dat bepaalt dat de leden van de Commissie « voor een [...] periode van zes jaar » worden benoemd. B.30.
- De bestreden bepaling heeft tot gevolg dat vanaf 30 december 2016 een einde wordt gemaakt aan het mandaat van de voormelde personen. Vóór de aanneming van die bepaling konden die personen niet voorzien dat hun mandaat vroegtijdig, dat wil zeggen vóór 26 mei 2019, van rechtswege zou worden beëindigd. B.31.
- De vroegtijdige beëindiging van de mandaten die zijn verleend bij het koninklijk besluit van 25 april 2013 wordt verantwoord door de grondige hervorming van de Commissie voor boekhoudkundige normen en door de toewijzing, aan die instelling, van de bevoegdheid bedoeld in artikel III.93, § 2, van het Wetboek van economisch recht (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2090/001, p. 9; ibid., DOC 54-2090/003, p. 9). Zij laat eveneens de Koning toe de samenstelling van de Commissie in overeenstemming te brengen met de regel vermeld in artikel III.93/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zonder dat Hij moet wachten totdat de mandaten die zijn verleend bij het koninklijk besluit van 25 april 2013, zijn geëindigd. 20 B.31.
- Ten slotte bepaalt artikel 5, tweede lid, van de wet van 12 december 2016 dat de door de bestreden bepaling beoogde leden van de Commissie « hun mandaat verder [uitoefenen] tot in hun vervanging voorzien is ». B.31.
- Uit het voorgaande blijkt dat de bestreden bepaling niet zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk doet aan het belang van de leden van de Commissie voor boekhoudkundige normen die zijn benoemd bij koninklijk besluit van 25 april 2013, om hun functies uit te oefenen tot het einde van het mandaat dat hun toen werd verleend. B.
- In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met het vertrouwensbeginsel, is het middel niet gegrond. 21 Om die redenen, het Hof - wijst de afstand toe in zoverre het beroep betrekking heeft op de woorden « en de leden van het wetenschappelijk secretariaat » in artikel III.93/1, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 12 december 2016 « tot wijziging van het wetboek van economisch recht, wat de bevoegdheid van de commissie voor boekhoudkundige normen betreft »; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.121 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div