met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) PUBLIEK
ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 187, § 6, 1°,
, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Strafrecht - Strafrechtspleging - Bij verstek gewezen vonnis - Verzet dat als gedaan wordt beschouwd - Gerecht in hoger beroep - Verzet dat als ongedaan wordt beschouwd in hoger beroep. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 187,§9,L2 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - 14,§5 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Tekst van de beslissing Rolnummers 6874
6875 Arrest nr. 123/2019 van 26 september 2019 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 187, § 6, 1°,
, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût
A. Alen,
de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman
M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen
rechtspleging Bij twee arresten van 14 maart 2018, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 20 maart 2018, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, geïnterpreteerd in die zin dat het het rechtscollege in hoger beroep, waarvan de saisine beperkt is tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, verhindert zich uit te spreken over de grond van de zaak indien dat rechtscollege in hoger beroep van mening is dat de eerste rechter een verzet ten onrechte als gedaan heeft beschouwd, de artikelen 12, 13
14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6
7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de legitieme verwachtingen dwarsboomt van de rechtzoekende wiens veroordeling op verzet werd herzien
die de op dat verzet genomen beslissing niet opnieuw in het geding wilde brengen ? 2. Brengt artikel 187, § 6, 1°,
, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in het stadium van de berechting, geen discriminatie met zich mee die niet objectief verantwoord is tussen de beklaagde,
erzijds,
het openbaar ministerie, anderzijds, ondanks de verschillende belangen die zij verdedigen, aangezien de eerstgenoemde niet over een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep beschikt met betrekking tot het als ongedaan beschouwde karakter van het verzet terwijl de laatstgenoemde wel over een jurisdictioneel beroep beschikt met betrekking tot het als gedaan beschouwde karakter van datzelfde verzet, met schending van de artikelen 10, 11, 12
13 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
14 van het Internationaal Verdrag van New York inzake burgerrechten
politieke rechten ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6874
6875 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan
vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 15 mei 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul
T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,
dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 juni 2019
de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen
kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 5 juni 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten
de rechtspleging in de bodemgeschillen Bij het Hof van Beroep te Luik wordt hoger beroep ingesteld tegen twee vonnissen die op tegenspraak zijn gewezen door de Correctionele Rechtbank Luik
door de Correctionele Rechtbank Namen, op verzet tegen meerdere verstekvonnissen gewezen door dezelfde Rechtbanken. Het hoger beroep wordt ingesteld door het openbaar ministerie dat het, overeenkomstig artikel 206 van het Wetboek van strafvordering, beperkt tot de kwestie van het als gedaan beschouwde karakter van het verzet. Voor het Hof van Beroep is het openbaar ministerie van mening dat de Correctionele Rechtbank Luik
de Correctionele Rechtbank Namen ten onrechte het door de beklaagden ingestelde verzet als gedaan hebben beschouwd. Het doet gelden dat het begrip « wettige reden van verschoning » dat door die Rechtbanken wordt gehanteerd, onwettig is. Het Hof van Beroep wijst erop dat artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering de mogelijkheid, voor het gerecht in hoger beroep om de grond van het geschil te onderzoeken beperkt tot de hypothese van een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt. Het merkt op dat in dat geval, een beklaagde die heeft geoordeeld geen hoger beroep te moeten instellen tegen de beslissing die het verzet als gedaan heeft beschouwd
ten gronde uitspraak heeft gedaan, wegens het hoger beroep van de openbare partij dat beperkt is tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, zijn situatie volkomen veranderd kan zien wanneer het gerecht in hoger beroep vaststelt dat die beklaagde niet in staat was om een verschoningsgrond aan te voeren. In zulk een hypothese heeft het verstekvonnis immers, wegens het als ongedaan beschouwde karakter van het verzet, volledige uitwerking. Het Hof van Beroep vraagt zich af « of het niet paradoxaal is, aan een versteklatende beklaagde die geen verzet meer kan aantekenen, de mogelijkheid te bieden om het verstekvonnis te bestrijden via een beroep voor het Hof van Beroep, maar daarentegen, aan een beklaagde die met succes de verzetprocedure heeft kunnen aanwenden
die geen hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing op tegenspraak in het kader van een procedure waarin hij is gehoord in zijn verweermiddelen, elke mogelijkheid om het verstekvonnis te bestrijden te weigeren wanneer, op hoger beroep van het openbaar ministerie, de motieven van de eerste rechter om het verzet als gedaan te beschouwen door het Hof zouden worden verworpen ». Het Hof van Beroep stelt bijgevolg de bovenvermelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1.1. De Ministerraad wijst erop dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken, bij zijn arresten nr. 148/2017 van 21 december 2017
nr. 56/2018 van 17 mei 2018, over de bestaanbaarheid van artikel 187 van het Wetboek van strafvordering zoals gewijzigd bij artikel 83 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht
de strafvordering
houdende diverse bepalingen inzake justitie », met de artikelen 10, 11, 12, 13
14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6
7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten. A.1.2. Hij zet uiteen dat artikel 187, § 9, van het Wetboek van strafvordering, aan diegene die bij een verstekvonnis werd veroordeeld
wiens verzet als ongedaan is beschouwd, de mogelijkheid biedt om opnieuw te worden berecht
een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen. 4 A.2.1. Hij onderzoekt in de eerste plaats het in de tweede prejudiciële vraag in het geding zijnde verschil in behandeling tussen het openbaar ministerie
de beklaagde. Hij wijst erop dat die vraag noopt tot een vergelijking van de uitoefening van verschillende rechtsmiddelen door verschillende personen,
besluit eruit dat het verschil in behandeling geen discriminatie vormt. Hij is van mening dat de verwijzende rechter ten onrechte oordeelt dat de beklaagde niet zou beschikken over een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep met betrekking tot het als ongedaan beschouwde karakter van het verzet terwijl het openbaar ministerie wel zou beschikken over een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep met betrekking tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, omdat artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat, in de hypothese dat de beklaagde hoger beroep instelt tegen een vonnis op verzet dat zijn reden van verschoning niet aanvaardt
het verzet als ongedaan beschouwt, het hele geschil aanhangig wordt gemaakt bij het gerecht in hoger beroep, precies om zijn recht op toegang tot een rechter te waarborgen. A.2.2. Hij wijst erop dat de in het geding zijnde bepaling niet uitdrukkelijk erin voorziet dat het openbaar ministerie over een jurisdictioneel beroep beschikt tegen het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, maar dat het, krachtens artikel 187, § 9, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, hoger beroep kan instellen tegen de beslissing die op verzet is gewezen. Hij voegt eraan toe dat het met toepassing van artikel 206 van het Wetboek van strafvordering is dat het openbaar ministerie zijn hoger beroep kan beperken tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet. Hij leidt eruit af dat noch de schending van het beginsel van voorzienbaarheid
wettigheid van de strafrechtspleging, die wordt aangevoerd in de eerste prejudiciële vraag, noch de discriminatie die wordt vermeld in de tweede prejudiciële vraag, hun oorsprong vinden in de in het geding zijnde norm. A.3.1. Hij oordeelt vervolgens dat de situatie die door de verwijzende rechter wordt beoogd, voortvloeit uit een gebrek aan bedachtzaamheid vanwege de beklaagde. Hij doet gelden dat, indien het openbaar ministerie zijn hoger beroep beperkt, in het formulier van hoger beroep op grieven, tot de kwestie van het als gedaan beschouwde karakter van het verzet of indien het dat op een later tijdstip doet op de griffie van het hof van beroep vóór het verstrijken van de termijn van hoger beroep, de beklaagde in staat is om de aan dat hoger beroep verbonden risico’s in te schatten
het hoger beroep kan volgen, waardoor hij niet zal terechtkomen in de situatie die in de verwijzingsbeslissingen wordt beschreven. Hij voegt eraan toe dat indien het openbaar ministerie zijn hoger beroep beperkt op de terechtzitting voor het gerecht in hoger beroep, die beperking slechts geldt voor zover het hof van beroep aan het openbaar ministerie akte verleent van die beperking. Hij preciseert dat de beklaagde zich daartegen kan verzetten om het risico dat door die beperking ontstaat, te ondervangen. Hij leidt eruit af dat de in het geding zijnde norm niet de mogelijkheid belemmert, voor de beklaagde, in geval van een beperking van het hoger beroep van het openbaar ministerie tot de kwestie van het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, om de gevolgen van zulk een beperking in te schatten. A.3.2. Hij preciseert ten slotte dat de beklaagde een cassatieberoep kan instellen tegen de beslissing van het gerecht in hoger beroep die de beperking van het hoger beroep van het openbaar ministerie tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet inwilligt
die de beslissing gewezen door de rechter die uitspraak doet over het verzet tenietdoet, zodat de beklaagde niet verstoken is van een rechtsmiddel. -B- B.
vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter; […] §
14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6
7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.2.2. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt
in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». 6 Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». B.2.3. In zoverre het het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgt, heeft artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte die analoog is aan die van de artikelen 12, tweede lid,
14 van de Grondwet. B.2.4. Artikel 13 van de Grondwet impliceert een recht op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt ook gewaarborgd door artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 14, lid 1, van Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten
door een algemeen rechtsbeginsel. B.3.1. Er dient ook rekening te worden gehouden met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten, dat door de verwijzende rechter wordt vermeld in de tweede prejudiciële vraag,
waarvan lid 5 aan eenieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld, het recht waarborgt zijn veroordeling
vonnis opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege,
met artikel 2 van het ten opzichte van België op 1 juli 2012 in werking getreden Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat bepaalt : «
mogen zij niet de essentie zelf van dat recht aantasten (Haser t. Zwitserland (beslissing), nr. 33050/96, 27 april 2000, niet gepubliceerd) » (EVRM, 13 februari 2001, Krombach t. Frankrijk, § 96; 25 juli 2017, Rostovtsev t. Oekraïne, § 27). B.4. Het Hof van Beroep te Luik interpreteert artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering in die zin dat het het gerecht in hoger beroep, waarvan de saisine beperkt is tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, verhindert zich uit te spreken over de grond van de zaak wanneer het het op verzet gewezen vonnis tenietdoet door het verzet als ongedaan te beschouwen. In die situatie verliest de bij verstek veroordeelde rechtzoekende die verzet had ingesteld
wiens situatie ten gronde werd verbeterd door het vonnis op verzet, het voordeel van dat vonnis ingevolge het als ongedaan beschouwde karakter van zijn verzet, dat voor de eerste keer is vastgesteld in hoger beroep. Bijgevolg kan zijn bij verstek uitgesproken veroordeling, die definitief is geworden ingevolge de beslissing in hoger beroep die beperkt is tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, niet meer worden voorgelegd aan een hoger rechtscollege. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling in die interpretatie. B.5.1. Artikel 187 van het Wetboek van strafvordering werd vervangen bij artikel 83 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht
de strafvordering
houdende diverse bepalingen inzake justitie ». De wetgever wilde het vroegere systeem van het verzet in strafzaken wijzigen, na te hebben vastgesteld dat « [er] misbruik [van werd] gemaakt door bepaalde beklaagden in wiens geval het verstek ofwel te wijten is aan hun eigen onachtzaamheid ofwel ingezet wordt als vertragingsmanoeuvre in hun verdedigingsstrategie, met het oog op een overschrijding van de redelijke termijn of zelfs een verjaring van het misdrijf waarvoor zij worden vervolgd » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, 8 p. 73). De nieuwe bepaling beoogt « het codificeren, vereenvoudigen
rationaliseren van de verzetprocedure, zonder daarbij het recht op een tweede aanleg te beperken » (ibid., p. 72). B.5.
B.39.3 van dat arrest werd geïnterpreteerd, artikel 187, § 6, van het Wetboek van strafvordering niet op onevenredige wijze afbreuk deed aan het recht van de beklaagde op toegang tot de rechter. Bij zijn arrest nr. 56/2018 van 17 mei 2018 voegde het Hof daaraan toe dat hetzelfde gold voor paragraaf 6, 1°, juncto paragraaf 9 van hetzelfde artikel, aangezien die twee bepalingen waarborgen, aan diegene die bij verstek is veroordeeld, « dat hij de mogelijkheid behoudt om opnieuw te worden berecht
een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen ». De prejudiciële vraag die aanleiding gaf tot het arrest nr. 56/2018 van het Hof, werd gesteld naar aanleiding van een strafzaak waarin de rechter in eerste aanleg, uitspraak doende op verzet, had geoordeeld dat de persoon die bij verstek was veroordeeld geen wettige reden van verschoning kon doen gelden ter rechtvaardiging van zijn verstek,
bijgevolg diens verzet ongedaan had verklaard. Het hoger beroep tegen die beslissing was ingesteld door de bij verstek veroordeelde persoon. Met toepassing van artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, werden zowel de beslissing waarbij het verzet ongedaan werd verklaard als de beslissing die bij verstek was gewezen aan het gerecht in hoger beroep voorgelegd, zodat het Hof kon vaststellen dat de bij verstek veroordeelde persoon, krachtens de in het geding zijnde bepaling, het voordeel van een dubbele aanleg genoot. 9 B.6.1. In de gevallen die aanleiding gaven tot de voorliggende prejudiciële vragen werd de situatie van de bij verstek veroordeelde personen daarentegen verbeterd door de vonnissen die werden gewezen op verzet. In dat geval wordt de grond van de zaak niet automatisch aanhangig gemaakt bij het gerecht waarbij het hoger beroep, aangetekend door het openbaar ministerie
beperkt tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, is ingesteld, omdat de in het geding zijnde bepaling
kel betrekking heeft op het « hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt ». Daaruit volgt dat de beklaagde die zich in die situatie bevindt, zijn bij verstek uitgesproken veroordeling die definitief wordt ingevolge de beslissing in hoger beroep waarbij zijn verzet ongedaan wordt verklaard, niet kan laten voorleggen aan een andere rechter, noch op verzet, noch op hoger beroep. B.6.2. Een bij verstek veroordeelde beklaagde wiens verzet niet ongedaan is verklaard door de rechter bij wie het verzet werd ingesteld, verliest aldus de mogelijkheid om opnieuw te worden berecht
een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen in geval van een hoger beroep van het openbaar ministerie dat beperkt is tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, in tegenstelling tot een bij verstek veroordeelde beklaagde wiens verzet ongedaan wordt verklaard door de rechter bij wie het verzet is ingesteld, die met toepassing van de in het geding zijnde bepaling de mogelijkheid behoudt om opnieuw te worden berecht
een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen. B.7. Een dergelijk gevolg is niet bestaanbaar met het recht op toegang tot een rechter, dat is gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een dubbele aanleg in strafzaken, gewaarborgd bij artikel 2 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
bij artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten. B.8.
om een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen, aangezien het debat voor het Hof van Cassatie
kel betrekking kan hebben op het als gedaan of ongedaan beschouwde karakter van het verzet,
niet op de grond van de zaak. B.9.1. De schending van de in B.7 vermelde bepalingen vindt haar oorsprong in de omstandigheid dat het in het geding zijnde artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering,
kel de hypothese beoogt van een hoger beroep tegen de beslissing waarbij het verzet ongedaan wordt verklaard,
niet de omgekeerde hypothese van een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan heeft beschouwd. In zoverre het niet bepaalt dat een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep wanneer die laatste het verzet voor het eerst ongedaan verklaart in hoger beroep, is artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten. B.9.2. Aangezien de in B.9.1 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige
volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen. B.10. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Bijgevolg dient de tweede prejudiciële vraag niet te worden onderzocht. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre het niet bepaalt dat een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep wanneer die laatste het verzet voor het eerst ongedaan verklaart in hoger beroep, schendt artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten. Aldus gewezen in het Frans
het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 september 2019. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.123 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.