← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.130

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.130 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191010.4 Arrest- Rolnummer: 130/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 286 - laatst gezien 2026-06-28 22:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 4.8.11, § 2, en 4.7.26, § 4, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Verdrag van Aarhus. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 4.8.11, § 2, in samenhang met artikel 4.7.26, § 4, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gesteld door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Vergunningenbeleid - Raad voor Vergunningsbetwistingen - Rechtspleging - Indiening van de beroepen - Vervaltermijn - Ingang van de termijn - Ontstentenis van kennisgeving van de herstelbeslissing aan derde- belanghebbenden die een beroep hebben ingesteld tegen de initiële vergunningsbeslissing. Tekst van de beslissing Rolnummer 6976 Arrest nr. 130/2019 van 10 oktober 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4.8.11, § 2, in samenhang met artikel 4.7.26, § 4, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gesteld door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 19 juni 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juli 2018, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het in het voorliggende geval geldende artikel 4.8.11, § 2 VCRO, in samenhang gelezen met artikel 4.7.26, § 4, 5° en 6° VCRO, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het door het Verdrag van Aarhus gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, in zoverre derde belanghebbenden die reeds ten aanzien van een initiële vergunningsbeslissing in de bijzondere vergunningsprocedure als verzoekende partijen tot voor de Raad optraden niet bij wijze van betekening in kennis worden gesteld van een navolgende herstelbeslissing na vernietiging in vergelijking met de situatie waarin derde belanghebbenden reeds ten aanzien van een initiële vergunningsbeslissing in de reguliere procedure tot voor de deputatie optraden, vervolgens tot voor de Raad de vernietiging van de bestreden beslissing verkregen en bij toepassing van artikel 4.7.23, § 3 VCRO bij wijze van betekening in kennis worden gesteld van een navolgende herstelbeslissing na vernietiging ? ». Memories zijn ingediend door : - Jeroen Leirs en anderen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. W. Mertens, advocaat bij de balie van Limburg; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. Jeroen Leirs en anderen hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 mei 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 juni 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 5 juni 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 26 juni 2012 heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar met toepassing van de zogenaamde « bijzondere » procedure bedoeld in de toenmalige artikelen 4.7.26 en 4.7.26/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO) aan de nv « Eneco Wind Belgium » een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning verleend voor de bouw van twee windturbines op het industrieterrein Klein-Gent, gelegen op het grondgebied van de gemeenten Herentals, Grobbendonk en Herenthout. Bij arrest nr. A/2013/0360 van 2 juli 2013 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen die beslissing vernietigd omdat de motivering ervan onvoldoende rekening hield met de in de omgeving bestaande toestand, waaronder de bedrijfsgebouwen van Jeroen Leirs, de comm.v « Demeyere » en de bvba « Van Herck ». Zij waren de verzoekende partijen in het beroep voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Op 4 oktober 2013 heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een nieuwe voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning met hetzelfde voorwerp verleend. Bij arrest nr. RvVB/A/1516/0673 van 23 februari 2016 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen die vergunning vernietigd omdat de concrete impact van de windturbines op de bedrijfsgebouwen van dezelfde verzoekende partijen nog steeds niet voldoende werd onderzocht. Op 1 juli 2016 heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een derde voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning met hetzelfde voorwerp verleend. Uit het attest van aanplakking blijkt dat die vergunning door middel van aanplakking werd bekendgemaakt op 28 juli 2016. Jeroen Leirs, de comm.v « Demeyere » en de bvba « Van Herck » hebben met een aangetekende brief van 13 september 2016 een beroep tot vernietiging bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ingesteld tegen die derde vergunning. De Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt vast dat het beroep laattijdig is ingediend, omdat de vervaltermijn overeenkomstig artikel 4.8.11, § 2, 1°, van de VCRO is verstreken op maandag 12 september 2016. Tegelijk stelt de Raad vast dat de verzoekende partijen reeds geruime tijd bekend waren bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, gelet op hun betrokkenheid bij de eerdere beroepen tot vernietiging. Indien toepassing zou zijn gemaakt van de zogenaamde « reguliere » procedure, zou de vergunningsbeslissing aan hen zijn betekend, omdat zij derde-belanghebbenden zijn. In de bijzondere procedure dient die beslissing daarentegen enkel te worden betekend aan de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen, maar niet aan de derde-belanghebbenden. De Raad legt dat verschil in behandeling voor aan het Hof. III. In rechte -A- Standpunt van Jeroen Leirs, de comm.v « Demeyere » en de bvba « Van Herck » A.1.1. De derde-belanghebbende in de reguliere en die in de bijzondere procedure bevinden zich in een vergelijkbare situatie wanneer zij de vernietiging van een vergunning bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen hebben verkregen. In beide gevallen zijn hun naam en adres bekend bij de overheid die zich opnieuw over de vergunningsaanvraag uitspreekt. Zij kunnen dus allebei persoonlijk op de hoogte worden gebracht van de nieuwe vergunningsbeslissing. Nochtans wordt alleen de derde-belanghebbende in de reguliere procedure met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die nieuwe beslissing, terwijl de derde-belanghebbende in de bijzondere procedure niet over die waarborg beschikt. Hij wordt slechts over die beslissing geïnformeerd aan de hand van haar aanplakking, hoewel dit een minder doeltreffende manier van bekendmaking is. A.1.2. De parlementaire voorbereiding van de VCRO verklaart niet waarom derde-belanghebbenden in de ene procedure wel het recht hebben om op de beste manier te worden ingelicht over de nieuwe vergunningsbeslissing, terwijl zij dat recht niet hebben in de andere procedure. De derde-belanghebbende heeft overigens geen invloed op de keuze om de vergunningsaanvraag volgens de reguliere of volgens de bijzondere procedure in te dienen. 4 A.1.3. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 73/2017 van 15 juni 2017 overigens reeds geoordeeld dat het recht om te worden gehoord in de bijzondere procedure ook moet gelden voor de beroepsindieners die de eerste vergunning hebben aangevochten. A.2.1. De ruime discretionaire bevoegdheid van de bevoegde wetgever inzake ruimtelijke ordening is te dezen irrelevant, omdat die veeleer betrekking heeft op de inhoud van het ruimtelijk beleid dan op de toepasselijke procedurele waarborgen. De parlementaire voorbereiding bevat overigens geen verklaring voor de gemaakte beleidskeuze. A.2.2. Evenmin kan het in het geding zijnde verschil in behandeling worden verklaard door de afwezigheid van een administratief beroep in de bijzondere procedure. Dat verschil met de reguliere procedure neemt immers niet weg dat de derde-belanghebbenden die een eerste vernietiging door de Raad voor Vergunningsbetwistingen hebben verkregen, een eenvoudig te identificeren categorie van personen vormen. A.2.3. Tot slot biedt de mogelijkheid om zich te informeren aan de hand van de aanplakking van de vergunningsbeslissing onvoldoende waarborgen, omdat de kennisname daarvan afhangt van toeval. Het Hof is niet bevoegd om rekening te houden met concrete elementen bij het beoordelen van de evenredigheid van de in het geding zijnde bepaling. Standpunt van de Vlaamse Regering A.3. De decreetgever beschikt in de materie van de ruimtelijke ordening over een ruime beoordelingsvrijheid. Het is dan ook een volstrekt legitieme beleidskeuze om, wanneer met toepassing van de bijzondere procedure een nieuwe vergunning wordt verleend nadat de eerste vergunning werd vernietigd, naast de bekendmaking via aanplakking van de herstelbeslissing, niet ook nog eens te voorzien in een individuele kennisgeving aan derde-belanghebbenden. A.4.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling wordt verklaard door objectieve verschillen tussen de reguliere en de bijzondere vergunningsprocedure, die zelf niet in het geding zijn. In het kader van de reguliere vergunningsprocedure bestaat een georganiseerd administratief beroep met devolutieve werking bij de deputatie, waarin de derde-belanghebbende die het beroep indient, een partij is. In het kader van de bijzondere procedure bestaat geen georganiseerd administratief beroep. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar beslist in eerste en laatste administratieve aanleg, zonder dat de derde- belanghebbenden partij zijn in de aanvraagprocedure. Het is dan logisch dat niet werd voorzien in een verplichting om de vergunning te betekenen aan de indiener van een onbestaand administratief beroep. A.4.2. Het is eveneens redelijk verantwoord dat de vergunningsbeslissing in de bijzondere procedure niet met een beveiligde zending ter kennis wordt gebracht aan alle derde-belanghebbenden, aangezien die categorie van personen zeer moeilijk te identificeren is. Daarentegen is de categorie van de indieners van het administratief beroep in de reguliere procedure wel duidelijk afgebakend. A.4.3. Het verschil in behandeling wordt ook gerechtvaardigd door het onderscheiden onderwerp van de reguliere en de bijzondere procedure. In de fase van het administratief beroep in de reguliere procedure ligt reeds een verleende vergunning voor en spreekt de deputatie zich uit over de grieven van de beroepsindieners. Het is een kwestie van goed bestuur dat het resultaat van die beroepsprocedure ter kennis wordt gebracht aan de indieners. Hetzelfde geldt wanneer de Raad voor Vergunningsbetwistingen vervolgens de door de deputatie verleende vergunning vernietigt. Ook in dat geval moet de deputatie zich opnieuw over het administratief beroep uitspreken, op grond van de argumenten van de beroepsindieners. In de bijzondere procedure ligt daarentegen geen verleende vergunning voor, maar slechts een aanvraagdossier. Krachtens artikel 4.7.26, § 4, 5°, van de VCRO zijn de aanvrager en het college van burgemeester en schepenen de enige partijen in die procedure. Hetzelfde geldt wanneer de Raad voor Vergunningsbetwistingen vervolgens de door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar verleende vergunning vernietigt. In dat geval moet de initiële vergunningsprocedure worden hervat, waarbij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich opnieuw over het aanvraagdossier dient uit te spreken. De derde-belanghebbende is daarbij nog steeds geen partij, zelfs niet indien hij het succesvolle beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft ingediend. Hij wordt niettemin geïnformeerd over de nieuwe vergunning, zij het enkel aan de hand van haar aanplakking. 5 A.5.1. De in het geding zijnde bepaling heeft geen onevenredige gevolgen, omdat het voor de derde-belanghebbende niet moeilijk is om tijdig kennis te nemen van de nieuwe vergunningsbeslissing. Een mededeling die te kennen geeft dat een vergunning werd verleend, moet immers gedurende dertig dagen worden aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. De gemeentesecretaris of diens gemachtigde dient de aanplakking te controleren. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 8/2011 van 27 januari 2011 geoordeeld dat de aanplakking een geschikte techniek van bekendmaking is, gelet op de bekommernis om de vergunningsaanvrager snel zekerheid te bieden. A.5.2. Op de derde-belanghebbende rust overigens een waakzaamheidsplicht. Na een vernietigingsarrest moet de vergunningverlenende overheid zich binnen de decretale vervaltermijnen opnieuw over de vergunningsaanvraag uitspreken. De verzoekende partijen weten dus wanneer de nieuwe vergunningsbeslissing zal worden genomen en aangeplakt. A.5.3. Tot slot verbieden de in het geding zijnde bepalingen niet dat de vergunningverlenende overheid die met toepassing van de bijzondere procedure een nieuwe vergunning verleent na een vernietiging door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, haar beslissing per beveiligde zending ter kennis brengt van de verzoekende partijen bij het beroep dat tot die vernietiging heeft geleid. -B- B.1.1. Vóór de inwerkingtreding, op 23 februari 2017, van het Vlaamse decreet van 25 april 2014 « betreffende de omgevingsvergunning », bestonden twee onderscheiden administratieve procedures voor het beoordelen van de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning. De bijzondere procedure, geregeld door de artikelen 4.7.26 en 4.7.26/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO), was van toepassing op handelingen van algemeen belang en op aanvragen ingediend door publiekrechtelijke rechtspersonen, behoudens de uitzonderingen vermeld in artikel 4.7.1, § 2, van de VCRO. De reguliere procedure, geregeld door de artikelen 4.7.12 tot 4.7.25 van de VCRO, was van toepassing op alle andere aanvragen. B.1.2. In de reguliere procedure besliste het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin het voorwerp van de vergunning gelegen was over de aanvraag (artikel 4.7.12 van de VCRO). Tegen die beslissing stond een georganiseerd administratief beroep met devolutieve werking open bij de deputatie van de provincie waarin die gemeente is gelegen (artikel 4.7.21, § 1, van de VCRO). Dat beroep kon onder meer worden ingesteld door derde-belanghebbenden (artikel 4.7.21, § 2, 2°, van de VCRO). In de bijzondere procedure besliste de Vlaamse Regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar over de aanvraag (artikel 4.7.26, § 1, van de VCRO). Tegen die beslissing was geen georganiseerd administratief beroep mogelijk. 6 B.1.3. Tegen die beslissingen van de deputatie, van de Vlaamse Regering en van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar stond een beroep tot vernietiging open bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (artikel 4.8.2, 1°, van de VCRO). Artikel 4.8.11, § 1, van de VCRO bepaalde welke personen dit beroep konden instellen. Hiertoe behoorden de derde-belanghebbenden, zijnde « elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing of aktename van een melding » (artikel 4.8.11, § 1, 3°, van de VCRO), althans voor zover zij een administratief beroep bij de deputatie hadden ingediend, wanneer dat mogelijk was (artikel 4.8.11, § 1, tweede lid, van de VCRO). Het in het geding zijnde artikel 4.8.11, § 2, 1°, van de VCRO, zoals van toepassing voor de verwijzende rechter, regelde de termijn waarbinnen het beroep tot vernietiging tegen een vergunningsbeslissing moest worden ingediend. Het bepaalde : « De beroepen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt : 1° wat betreft vergunningsbeslissingen :

  1. a)hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
  2. b)hetzij de dag na de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen ». B.1.4. Indien de Raad voor Vergunningsbetwistingen een vergunningsbeslissing vernietigt, kan hij krachtens artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges » (hierna : het DBRC-decreet) aan de verwerende partij de verplichting opleggen om binnen een door de Raad bepaalde termijn een nieuwe beslissing te nemen. Toen de Raad voor Vergunningsbetwistingen op 23 februari 2016 het tweede vernietigingsarrest in het bodemgeschil uitsprak, en daarbij aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een injunctietermijn van vier maanden oplegde om een nieuwe beslissing te nemen, moest die termijn ingevolge de rechtspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden beschouwd als een vervaltermijn (RvSt, 17 maart 2015, nr. 230.559). 7 Bij artikel 12 van het decreet van 9 december 2016 « houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtscolleges betreft », dat op 24 april 2017 in werking is getreden, werd artikel 37 van het DBRC-decreet vervangen. De decreetgever heeft daarbij bepaald dat de door de Raad voor Vergunningsbetwistingen opgelegde termijn een ordetermijn is en dat hij wordt geschorst zolang een cassatieberoep bij de Raad van State hangende is. B.2.1. Artikel 4.7.23, § 3, van de VCRO, zoals van toepassing voor de verwijzende rechter, bepaalde voor de fase van het administratief beroep in de reguliere procedure wie persoonlijk in kennis moest worden gesteld van de beslissing van de deputatie : « Een afschrift van de uitdrukkelijke beslissing of een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing wordt binnen een ordetermijn van tien dagen gelijktijdig en per beveiligde zending bezorgd aan de indiener van het beroep en aan de vergunningsaanvrager. Een afschrift van de uitdrukkelijke beslissing of een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing wordt tevens bezorgd aan volgende personen of instanties, voor zover zij zelf niet de indiener van het beroep zijn : 1° het college van burgemeester en schepenen; 2° het departement; 3° de adviserende instanties, vermeld in artikel 4.7.16, § 1, eerste lid. Aan het departement wordt tevens een kopie van het volledige dossier bezorgd ». Voor het overige werd de beslissing van de deputatie over het administratief beroep bekendgemaakt aan de hand van een aanplakking, die door de gemeentesecretaris of zijn gemachtigde werd gecontroleerd. Daaromtrent bepaalde artikel 4.7.23, § 4, van de VCRO : « Een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend, wordt door de aanvrager gedurende een periode van dertig dagen aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. De aanvrager brengt de gemeente onmiddellijk op de hoogte van de startdatum van de aanplakking. De Vlaamse Regering kan, zowel naar de inhoud als naar de vorm, aanvullende vereisten opleggen waaraan de aanplakking moet voldoen. 8 De gemeentesecretaris of zijn gemachtigde waakt erover dat tot aanplakking wordt overgegaan binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de uitdrukkelijke beslissing of van de kennisgeving van de stilzwijgende beslissing. De gemeentesecretaris of zijn gemachtigde levert op eenvoudig verzoek van elke belanghebbende, vermeld in artikel 4.7.21, § 2, een gewaarmerkt afschrift van het attest van aanplakking af ». B.2.2. Het in het geding zijnde artikel 4.7.26, § 4, 5°, van de VCRO, zoals van toepassing voor de verwijzende rechter, bepaalde voor de bijzondere procedure wie persoonlijk in kennis moest worden gesteld van de beslissing van de Vlaamse Regering of van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar : « [Een] afschrift van de uitdrukkelijke beslissing of een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing wordt binnen een ordetermijn van tien dagen gelijktijdig en per beveiligde zending bezorgd aan de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen, voor zover dat niet zelf de vergunning heeft aangevraagd. Een afschrift van de uitdrukkelijke beslissing of een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing wordt ook bezorgd aan de adviserende instanties, vermeld in punt 2° ». Voor het overige werd de beslissing van de Vlaamse Regering of van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bekendgemaakt aan de hand van een aanplakking, die door de gemeentesecretaris of zijn gemachtigde werd gecontroleerd. Daaromtrent bepaalde artikel 4.7.26, § 4, 6°, van de VCRO : « [Een] mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend, wordt door de aanvrager gedurende een periode van dertig dagen aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. De aanvrager brengt de gemeente onmiddellijk op de hoogte van de startdatum van de aanplakking. De gemeentesecretaris of zijn gemachtigde waakt erover dat tot aanplakking wordt overgegaan door de aanvrager binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van een afschrift van de uitdrukkelijke beslissing tot verlening van de vergunning. De Vlaamse Regering kan, zowel naar de inhoud als naar de vorm, aanvullende vereisten opleggen waaraan de aanplakking moet voldoen ». B.3. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van de artikelen 4.8.11, § 2, en 4.7.26, § 4, 5° en 6°, van de VCRO met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het door het Verdrag van Aarhus gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, in zoverre zij derde-belanghebbenden die reeds de vernietiging van een vergunning door de Raad voor Vergunningsbetwistingen hebben verkregen, verschillend behandelen afhankelijk van de toepasselijke administratieve procedure. 9 Indien de reguliere procedure van toepassing is, wordt de nieuwe vergunningsbeslissing die wordt genomen na het vernietigingsarrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, krachtens artikel 4.7.23, § 3, van de VCRO per beveiligde zending bezorgd aan de derde- belanghebbende die het administratief beroep bij de deputatie heeft ingesteld en de vernietiging van de vergunningsbeslissing door de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft verkregen. Indien de bijzondere procedure van toepassing is, wordt die nieuwe vergunningsbeslissing krachtens artikel 4.7.26, § 4, 5°, van de VCRO niet per beveiligde zending bezorgd aan de derde-belanghebbende die de vernietiging van de vergunningsbeslissing door de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft verkregen. B.4. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.5.1. Tussen de reguliere procedure en de bijzondere procedure bestaan objectieve verschillen, die niet het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaken. B.5.2. Zoals is uiteengezet in B.1.2, worden de vergunningsbeslissingen in beide procedures op onderscheiden bestuursniveaus genomen. Met de keuze om de beslissing in de bijzondere procedure te laten nemen door de Vlaamse Regering of door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, beoogt de decreetgever te vermijden dat gemeenten voor projecten die het gemeentelijk belang overstijgen, in strijd met het algemeen belang zouden beslissen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, pp. 174 en 175). B.5.3. Zoals eveneens is uiteengezet in B.1.2, is enkel in de reguliere procedure voorzien in een georganiseerd administratief beroep. Het ontbreken van een administratief beroep in de bijzondere procedure wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : 10 « Een puur administratief beroep bij het gewestelijke vergunningverlenende bestuursorgaan (de Vlaamse Regering, de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar c.q. de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar) zou immers neerkomen op een (geïnstitutionaliseerd) ‘ willig beroep ’. De rechtsleer stelt evenwel dat het instellen van dergelijk beroep ‘ voor de burger niet steeds de efficiëntie [zal] hebben die hij ervan verwacht : het “ willig ” beroepsorgaan zal immers veelal niet vlug geneigd zijn om op een eerder genomen beslissing terug te komen, tenzij belangrijke nieuwe gegevens worden aangedragen of manifeste fouten worden aangetoond ’. Een ‘ hiërarchisch beroep ’ behoort evenmin tot de mogelijkheden : indien de beslissing genomen wordt op regeringsniveau, kan men deze moeilijk laten toetsen door een ambtelijke commissie. Zulks zou op gespannen voet staan met het feit dat de Regering binnen het constitutioneel bestel aan de ‘ top ’ van de hiërarchische piramide staat. Overigens stelt diezelfde rechtsleer ten aanzien van het hiërarchisch administratief beroep dat de slaagkansen daarvan voor de rechtsonderhorige eerder gering zijn, omdat de ambtenaar of instantie die de bestreden beslissing nam, ‘ meestal op algemene of individuele instructie van de hogere overheid zal zijn opgetreden en de hogere overheid meer aandacht zal hebben voor de belangen van het bestuur dan voor het belang van de bestuurde ’ » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 208). B.5.4. Bijgevolg hebben de nieuwe beslissingen die in beide procedures moeten worden genomen na een vernietigingsarrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, een onderscheiden voorwerp. In de reguliere procedure dient de deputatie zich opnieuw uit te spreken over een administratief beroep tegen een reeds door het college van burgemeester en schepenen genomen vergunningsbeslissing. In de bijzondere procedure dient de Vlaamse Regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich daarentegen opnieuw uit te spreken over de initiële vergunningsaanvraag. B.5.5. Die verschillen tussen beide procedures verklaren het in het geding zijnde verschil in behandeling. In de reguliere procedure worden de derde-belanghebbenden die een administratief beroep bij de deputatie instellen, daardoor partij in de administratieve procedure. Wanneer de deputatie zich na een vernietigingsarrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen opnieuw over dat administratief beroep moet uitspreken, dient het daarbij opnieuw te antwoorden op de bezwaren van de indiener van het administratief beroep. Een overheid die uitspraak doet op een administratief beroep, dient haar beslissing steeds aan de indiener ervan te betekenen, aangezien hij het recht heeft om op de hoogte te worden gebracht van het resultaat van zijn beroep. Artikel 4.7.23, derde lid, van de VCRO, zoals van toepassing voor de verwijzende rechter, verplicht de deputatie daarom om per beveiligde zending een afschrift van haar beslissing aan de indiener van het beroep te bezorgen. 11 Daarentegen kan een derde-belanghebbende geen partij worden bij enig administratief beroep in de bijzondere procedure. De Vlaamse Regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar die zich na een vernietigingsarrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen opnieuw over de vergunningsaanvraag uitspreekt, dient rekening te houden met de motieven van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, maar dient niet te antwoorden op argumenten van een indiener van een administratief beroep. Die nieuwe beslissing past dus niet in het kader van een administratieve betwisting, maar in een procedure die ingevolge de rechtsgevolgen van de vernietiging ab initio wordt hervat. Bijgevolg voorziet artikel 4.7.26, § 4, 5°, van de VCRO niet in de verplichting om de vergunningsbeslissing per beveiligde zending aan een derde-belanghebbende te betekenen. B.6.1. Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of het verschil in behandeling op het vlak van de kennisname van de vergunningsbeslissing een onevenredig nadeel voor de derde-belanghebbenden veroorzaakt in het licht van de vervaltermijn om tegen de nieuwe vergunningsbeslissing in de bijzondere procedure een beroep tot vernietiging bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in te dienen. B.6.2. De derde-belanghebbende die de vernietiging van de initiële vergunningsbeslissing genomen met toepassing van de bijzondere procedure heeft verkregen, wordt weliswaar niet persoonlijk op de hoogte gebracht van de nieuwe vergunningsbeslissing, maar hij kan er kennis van nemen aan de hand van de aanplakking bedoeld in artikel 4.7.26, § 4, 6°, van de VCRO. De aanplakking op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, blijft dertig dagen zichtbaar en de in artikel 4.8.11, § 2, van de VCRO bedoelde beroepstermijn van 45 dagen vat pas aan op de dag na de startdatum van de aanplakking. B.6.3. Die werkwijze past in het kader van de bekommernis om een snelle procedure (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 218), teneinde de aanvrager van de vergunning zo snel mogelijk rechtszekerheid te verschaffen. B.6.4. Het is niet mogelijk de aanvrager van de vergunning dezelfde rechtszekerheid te verschaffen wanneer de aanvang van de beroepstermijn afhangt van de kennisneming van de beslissing door de verzoeker. 12 Daarbij vermocht de decreetgever rekening te houden met het feit dat het in de bijzondere procedure gaat om hetzij grote projecten, waarvan genoegzaam bekend zal zijn dat de vergunning werd verleend, hetzij projecten waarvan de weerslag is beperkt tot de onmiddellijke omgeving van de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. De decreetgever kon dan ook redelijkerwijs ervan uitgaan dat de aanplakking een geschikte vorm van bekendmaking is om belanghebbenden op de hoogte te brengen van het bestaan van de vergunningsbeslissing. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 maart 2009 wordt eveneens gepreciseerd dat indien de aanplakking niet of niet correct geschiedt, dit « wordt […] ‘ gesanctioneerd ’ door middel van de beroepstermijnenregeling » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 181). Hieruit dient te worden afgeleid dat in dat geval de gemeentesecretaris de aanplakking niet vermag te attesteren, zodat de beroepstermijn geen aanvang neemt. B.6.5. Uit het bovenstaande blijkt dat de decreetgever gestreefd heeft naar een evenwicht tussen, enerzijds, de nood aan een efficiënte procedure die de vergunningsaanvrager rechtszekerheid biedt binnen een redelijke termijn en, anderzijds, de zorg om de derde-belanghebbenden snel en duidelijk te informeren over de voorgenomen projecten. Aangezien de beroepstermijn vijfenveertig dagen bedraagt, wordt het recht op toegang tot de rechter voor de derde-belanghebbenden niet onevenredig beperkt, doordat die termijn loopt vanaf de eerste dag na de aanplakking. Dit is a fortiori het geval voor de derde-belanghebbende die reeds de vernietiging van de eerste vergunning door de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft verkregen. Hij weet immers dat de Vlaamse Regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een nieuwe beslissing zal moeten nemen en kent de termijnen waarbinnen dat moet gebeuren. Indien hij zijn rechten wil vrijwaren, komt het hem toe de nodige waakzaamheid aan de dag te leggen en de aanplakking van een eventuele nieuwe vergunning op te volgen. 13 B.7. Een toetsing van de in het geding zijnde bepalingen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 9 van het Verdrag van Aarhus « betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden », leidt niet tot een andere conclusie. B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 4.8.11, § 2, en 4.7.26, § 4, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Verdrag van Aarhus. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 oktober 2019. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.130 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.