id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.130 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191010.4 Arrest- Rolnummer: 130/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 286 - laatst gezien 2026-06-28 22:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 4.8.11, § 2, en 4.7.26, § 4, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Verdrag van Aarhus. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 4.8.11, § 2, in samenhang met artikel 4.7.26, § 4, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gesteld door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Vergunningenbeleid - Raad voor Vergunningsbetwistingen - Rechtspleging - Indiening van de beroepen - Vervaltermijn - Ingang van de termijn - Ontstentenis van kennisgeving van de herstelbeslissing aan derde- belanghebbenden die een beroep hebben ingesteld tegen de initiële vergunningsbeslissing. Tekst van de beslissing Rolnummer 6976 Arrest nr. 130/2019 van 10 oktober 2019 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4.8.11, § 2, in samenhang met artikel 4.7.26, § 4, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gesteld door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 19 juni 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juli 2018, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het in het voorliggende geval geldende artikel 4.8.11, § 2 VCRO, in samenhang gelezen met artikel 4.7.26, § 4, 5° en 6° VCRO, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het door het Verdrag van Aarhus gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, in zoverre derde belanghebbenden die reeds ten aanzien van een initiële vergunningsbeslissing in de bijzondere vergunningsprocedure als verzoekende partijen tot voor de Raad optraden niet bij wijze van betekening in kennis worden gesteld van een navolgende herstelbeslissing na vernietiging in vergelijking met de situatie waarin derde belanghebbenden reeds ten aanzien van een initiële vergunningsbeslissing in de reguliere procedure tot voor de deputatie optraden, vervolgens tot voor de Raad de vernietiging van de bestreden beslissing verkregen en bij toepassing van artikel 4.7.23, § 3 VCRO bij wijze van betekening in kennis worden gesteld van een navolgende herstelbeslissing na vernietiging ? ». Memories zijn ingediend door : - Jeroen Leirs en anderen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. W. Mertens, advocaat bij de balie van Limburg; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. Jeroen Leirs en anderen hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 mei 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 juni 2019 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 5 juni 2019 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 26 juni 2012 heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar met toepassing van de zogenaamde « bijzondere » procedure bedoeld in de toenmalige artikelen 4.7.26 en 4.7.26/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO) aan de nv « Eneco Wind Belgium » een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning verleend voor de bouw van twee windturbines op het industrieterrein Klein-Gent, gelegen op het grondgebied van de gemeenten Herentals, Grobbendonk en Herenthout. Bij arrest nr. A/2013/0360 van 2 juli 2013 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen die beslissing vernietigd omdat de motivering ervan onvoldoende rekening hield met de in de omgeving bestaande toestand, waaronder de bedrijfsgebouwen van Jeroen Leirs, de comm.v « Demeyere » en de bvba « Van Herck ». Zij waren de verzoekende partijen in het beroep voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Op 4 oktober 2013 heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een nieuwe voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning met hetzelfde voorwerp verleend. Bij arrest nr. RvVB/A/1516/0673 van 23 februari 2016 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen die vergunning vernietigd omdat de concrete impact van de windturbines op de bedrijfsgebouwen van dezelfde verzoekende partijen nog steeds niet voldoende werd onderzocht. Op 1 juli 2016 heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een derde voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning met hetzelfde voorwerp verleend. Uit het attest van aanplakking blijkt dat die vergunning door middel van aanplakking werd bekendgemaakt op 28 juli 2016. Jeroen Leirs, de comm.v « Demeyere » en de bvba « Van Herck » hebben met een aangetekende brief van 13 september 2016 een beroep tot vernietiging bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ingesteld tegen die derde vergunning. De Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt vast dat het beroep laattijdig is ingediend, omdat de vervaltermijn overeenkomstig artikel 4.8.11, § 2, 1°, van de VCRO is verstreken op maandag 12 september 2016. Tegelijk stelt de Raad vast dat de verzoekende partijen reeds geruime tijd bekend waren bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, gelet op hun betrokkenheid bij de eerdere beroepen tot vernietiging. Indien toepassing zou zijn gemaakt van de zogenaamde « reguliere » procedure, zou de vergunningsbeslissing aan hen zijn betekend, omdat zij derde-belanghebbenden zijn. In de bijzondere procedure dient die beslissing daarentegen enkel te worden betekend aan de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen, maar niet aan de derde-belanghebbenden. De Raad legt dat verschil in behandeling voor aan het Hof. III. In rechte -A- Standpunt van Jeroen Leirs, de comm.v « Demeyere » en de bvba « Van Herck » A.1.1. De derde-belanghebbende in de reguliere en die in de bijzondere procedure bevinden zich in een vergelijkbare situatie wanneer zij de vernietiging van een vergunning bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen hebben verkregen. In beide gevallen zijn hun naam en adres bekend bij de overheid die zich opnieuw over de vergunningsaanvraag uitspreekt. Zij kunnen dus allebei persoonlijk op de hoogte worden gebracht van de nieuwe vergunningsbeslissing. Nochtans wordt alleen de derde-belanghebbende in de reguliere procedure met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die nieuwe beslissing, terwijl de derde-belanghebbende in de bijzondere procedure niet over die waarborg beschikt. Hij wordt slechts over die beslissing geïnformeerd aan de hand van haar aanplakking, hoewel dit een minder doeltreffende manier van bekendmaking is. A.1.2. De parlementaire voorbereiding van de VCRO verklaart niet waarom derde-belanghebbenden in de ene procedure wel het recht hebben om op de beste manier te worden ingelicht over de nieuwe vergunningsbeslissing, terwijl zij dat recht niet hebben in de andere procedure. De derde-belanghebbende heeft overigens geen invloed op de keuze om de vergunningsaanvraag volgens de reguliere of volgens de bijzondere procedure in te dienen. 4 A.1.3. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 73/2017 van 15 juni 2017 overigens reeds geoordeeld dat het recht om te worden gehoord in de bijzondere procedure ook moet gelden voor de beroepsindieners die de eerste vergunning hebben aangevochten. A.2.1. De ruime discretionaire bevoegdheid van de bevoegde wetgever inzake ruimtelijke ordening is te dezen irrelevant, omdat die veeleer betrekking heeft op de inhoud van het ruimtelijk beleid dan op de toepasselijke procedurele waarborgen. De parlementaire voorbereiding bevat overigens geen verklaring voor de gemaakte beleidskeuze. A.2.2. Evenmin kan het in het geding zijnde verschil in behandeling worden verklaard door de afwezigheid van een administratief beroep in de bijzondere procedure. Dat verschil met de reguliere procedure neemt immers niet weg dat de derde-belanghebbenden die een eerste vernietiging door de Raad voor Vergunningsbetwistingen hebben verkregen, een eenvoudig te identificeren categorie van personen vormen. A.2.3. Tot slot biedt de mogelijkheid om zich te informeren aan de hand van de aanplakking van de vergunningsbeslissing onvoldoende waarborgen, omdat de kennisname daarvan afhangt van toeval. Het Hof is niet bevoegd om rekening te houden met concrete elementen bij het beoordelen van de evenredigheid van de in het geding zijnde bepaling. Standpunt van de Vlaamse Regering A.3. De decreetgever beschikt in de materie van de ruimtelijke ordening over een ruime beoordelingsvrijheid. Het is dan ook een volstrekt legitieme beleidskeuze om, wanneer met toepassing van de bijzondere procedure een nieuwe vergunning wordt verleend nadat de eerste vergunning werd vernietigd, naast de bekendmaking via aanplakking van de herstelbeslissing, niet ook nog eens te voorzien in een individuele kennisgeving aan derde-belanghebbenden. A.4.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling wordt verklaard door objectieve verschillen tussen de reguliere en de bijzondere vergunningsprocedure, die zelf niet in het geding zijn. In het kader van de reguliere vergunningsprocedure bestaat een georganiseerd administratief beroep met devolutieve werking bij de deputatie, waarin de derde-belanghebbende die het beroep indient, een partij is. In het kader van de bijzondere procedure bestaat geen georganiseerd administratief beroep. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar beslist in eerste en laatste administratieve aanleg, zonder dat de derde- belanghebbenden partij zijn in de aanvraagprocedure. Het is dan logisch dat niet werd voorzien in een verplichting om de vergunning te betekenen aan de indiener van een onbestaand administratief beroep. A.4.2. Het is eveneens redelijk verantwoord dat de vergunningsbeslissing in de bijzondere procedure niet met een beveiligde zending ter kennis wordt gebracht aan alle derde-belanghebbenden, aangezien die categorie van personen zeer moeilijk te identificeren is. Daarentegen is de categorie van de indieners van het administratief beroep in de reguliere procedure wel duidelijk afgebakend. A.4.3. Het verschil in behandeling wordt ook gerechtvaardigd door het onderscheiden onderwerp van de reguliere en de bijzondere procedure. In de fase van het administratief beroep in de reguliere procedure ligt reeds een verleende vergunning voor en spreekt de deputatie zich uit over de grieven van de beroepsindieners. Het is een kwestie van goed bestuur dat het resultaat van die beroepsprocedure ter kennis wordt gebracht aan de indieners. Hetzelfde geldt wanneer de Raad voor Vergunningsbetwistingen vervolgens de door de deputatie verleende vergunning vernietigt. Ook in dat geval moet de deputatie zich opnieuw over het administratief beroep uitspreken, op grond van de argumenten van de beroepsindieners. In de bijzondere procedure ligt daarentegen geen verleende vergunning voor, maar slechts een aanvraagdossier. Krachtens artikel 4.7.26, § 4, 5°, van de VCRO zijn de aanvrager en het college van burgemeester en schepenen de enige partijen in die procedure. Hetzelfde geldt wanneer de Raad voor Vergunningsbetwistingen vervolgens de door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar verleende vergunning vernietigt. In dat geval moet de initiële vergunningsprocedure worden hervat, waarbij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich opnieuw over het aanvraagdossier dient uit te spreken. De derde-belanghebbende is daarbij nog steeds geen partij, zelfs niet indien hij het succesvolle beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft ingediend. Hij wordt niettemin geïnformeerd over de nieuwe vergunning, zij het enkel aan de hand van haar aanplakking. 5 A.5.1. De in het geding zijnde bepaling heeft geen onevenredige gevolgen, omdat het voor de derde-belanghebbende niet moeilijk is om tijdig kennis te nemen van de nieuwe vergunningsbeslissing. Een mededeling die te kennen geeft dat een vergunning werd verleend, moet immers gedurende dertig dagen worden aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. De gemeentesecretaris of diens gemachtigde dient de aanplakking te controleren. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 8/2011 van 27 januari 2011 geoordeeld dat de aanplakking een geschikte techniek van bekendmaking is, gelet op de bekommernis om de vergunningsaanvrager snel zekerheid te bieden. A.5.2. Op de derde-belanghebbende rust overigens een waakzaamheidsplicht. Na een vernietigingsarrest moet de vergunningverlenende overheid zich binnen de decretale vervaltermijnen opnieuw over de vergunningsaanvraag uitspreken. De verzoekende partijen weten dus wanneer de nieuwe vergunningsbeslissing zal worden genomen en aangeplakt. A.5.3. Tot slot verbieden de in het geding zijnde bepalingen niet dat de vergunningverlenende overheid die met toepassing van de bijzondere procedure een nieuwe vergunning verleent na een vernietiging door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, haar beslissing per beveiligde zending ter kennis brengt van de verzoekende partijen bij het beroep dat tot die vernietiging heeft geleid. -B- B.1.1. Vóór de inwerkingtreding, op 23 februari 2017, van het Vlaamse decreet van 25 april 2014 « betreffende de omgevingsvergunning », bestonden twee onderscheiden administratieve procedures voor het beoordelen van de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning. De bijzondere procedure, geregeld door de artikelen 4.7.26 en 4.7.26/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO), was van toepassing op handelingen van algemeen belang en op aanvragen ingediend door publiekrechtelijke rechtspersonen, behoudens de uitzonderingen vermeld in artikel 4.7.1, § 2, van de VCRO. De reguliere procedure, geregeld door de artikelen 4.7.12 tot 4.7.25 van de VCRO, was van toepassing op alle andere aanvragen. B.1.2. In de reguliere procedure besliste het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin het voorwerp van de vergunning gelegen was over de aanvraag (artikel 4.7.12 van de VCRO). Tegen die beslissing stond een georganiseerd administratief beroep met devolutieve werking open bij de deputatie van de provincie waarin die gemeente is gelegen (artikel 4.7.21, § 1, van de VCRO). Dat beroep kon onder meer worden ingesteld door derde-belanghebbenden (artikel 4.7.21, § 2, 2°, van de VCRO). In de bijzondere procedure besliste de Vlaamse Regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar over de aanvraag (artikel 4.7.26, § 1, van de VCRO). Tegen die beslissing was geen georganiseerd administratief beroep mogelijk. 6 B.1.3. Tegen die beslissingen van de deputatie, van de Vlaamse Regering en van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar stond een beroep tot vernietiging open bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (artikel 4.8.2, 1°, van de VCRO). Artikel 4.8.11, § 1, van de VCRO bepaalde welke personen dit beroep konden instellen. Hiertoe behoorden de derde-belanghebbenden, zijnde « elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing of aktename van een melding » (artikel 4.8.11, § 1, 3°, van de VCRO), althans voor zover zij een administratief beroep bij de deputatie hadden ingediend, wanneer dat mogelijk was (artikel 4.8.11, § 1, tweede lid, van de VCRO). Het in het geding zijnde artikel 4.8.11, § 2, 1°, van de VCRO, zoals van toepassing voor de verwijzende rechter, regelde de termijn waarbinnen het beroep tot vernietiging tegen een vergunningsbeslissing moest worden ingediend. Het bepaalde : « De beroepen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt : 1° wat betreft vergunningsbeslissingen :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.