← België

ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.133

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.133 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.20191010.7 Arrest- Rolnummer: 133/2019 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-10-22 Raadplegingen: 314 - laatst gezien 2026-06-28 22:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zendt de prejudiciële vragen terug naar de verwijzende rechter. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 22 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens », vóór de wijziging ervan bij artikel 32 van het decreet van het Waalse Gewest van 13 december 2017 « houdende diverse fiscale wijzigingen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Waals Gewest - Kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens - Administratieve sanctie in geval van overtreding - Beroep bij de rechtbank van eerste aanleg - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter - Beperkingen - Ontstentenis van mogelijkheid voor de rechter om de boete te verminderen of kwijt te schelden, slechts een enkele boete in aanmerking te nemen in geval van samenloop van overtredingen of de boete met uitstel gepaard te laten gaan. Tekst van de beslissing Rolnummer 7140 Arrest nr. 133/2019 van 10 oktober 2019 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 22 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens », vóór de wijziging ervan bij artikel 32 van het decreet van het Waalse Gewest van 13 december 2017 « houdende diverse fiscale wijzigingen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 27 februari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 maart 2019, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schendt artikel 22 van het decreet van 16 juli 2015 tot invoering van een kilometerheffing voor [het wegengebruik door] zware vrachtwagens, zoals opgesteld vóór de wijziging ervan bij artikel 32 van het Waalse decreet van 13 december 2017 houdende diverse fiscale wijzigingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen een op grond van dat artikel toegepaste administratieve boete, niet toelaat die boete zelf te verminderen of kwijt te schelden, indien zou worden geoordeeld dat een dergelijke boete een strafrechtelijk karakter heeft ?
  2. Schendt artikel 22 van het decreet van 16 juli 2015 tot invoering van een kilometerheffing voor [het wegengebruik door] zware vrachtwagens, zoals opgesteld vóór de wijziging ervan bij artikel 32 van het Waalse decreet van 13 december 2017 houdende diverse fiscale wijzigingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin geïnterpreteerd dat het de fiscale rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen verscheidene op grond van dat artikel toegepaste administratieve boeten, indien zou worden geoordeeld dat dergelijke boeten een strafrechtelijk karakter hebben, niet toelaat slechts een enkele boete in aanmerking te nemen in geval van samenloop van overtredingen, zoals bij artikel 65 van het Strafwetboek aan de strafrechter is toegestaan wanneer de sancties die van toepassing zijn sancties van strafrechtelijke aard zijn waarin is voorzien bij andere fiscale wetgevingen (zoals het Wetboek van de inkomstenbelastingen (artikelen 449 en volgende) of het BTW-Wetboek (artikelen 73 en volgende)), tenzij in het kader van de in het tweede en het derde lid van artikel 22 opgesomde limitatieve voorwaarden ?
  3. Schendt artikel 22 van het decreet van 16 juli 2015 tot invoering van een kilometerheffing voor [het wegengebruik door] zware vrachtwagens, zoals opgesteld vóór de wijziging ervan bij artikel 32 van het Waalse decreet van 13 december 2017 houdende diverse fiscale wijzigingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin geïnterpreteerd dat het de fiscale rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen een op grond van dat artikel toegepaste administratieve boete, niet toelaat die boete met uitstel gepaard te laten gaan, indien zou worden geoordeeld dat een dergelijke boete een strafrechtelijk karakter heeft, terwijl een heffingsplichtige het voordeel van wettelijke maatregelen tot individualisering van de straf, waaronder het uitstel, zou kunnen genieten indien hij zich bij zijn verschijning voor de correctionele rechter zou blootstellen aan straffen van strafrechtelijke aard waarin is voorzien bij andere fiscale wetgevingen (zoals het Wetboek van de inkomstenbelastingen (artikelen 449 en volgende) of het BTW-Wetboek (artikelen 73 en volgende)) ? ». 3 Op 4 april 2019 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en E. Derycke, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Het Waalse Gewest (vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de minister van Begroting, Financiën, Energie, Klimaat en Luchthavens), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Hirsch en Mr. V. Delcuve, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het kader van de toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens » (hierna : het decreet van 16 juli 2015), heeft een ambtenaar van het operationeel directoraat-generaal fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst op 30 november 2016 een proces-verbaal opgesteld waarin ten laste van de bvba « European Container » 45 overtredingen werden vastgesteld. Die overtredingen zijn gelegen in het feit dat een aan die vennootschap toebehorend voertuig 45 maal niet was uitgerust met een bij het decreet verplicht gemaakt elektronisch registratieapparaat (« OBU »). Door die overtredingen is de bvba « European Container », met toepassing van artikel 22, eerste lid, van het decreet, boeten verschuldigd voor een totaalbedrag van 45 000 euro. Op 5 december 2016 heeft de bvba « European Container » tegen die boeten een administratief beroep ingesteld. Dat beroep is op 5 april 2017 door het operationeel directoraat-generaal fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst verworpen. Bij een op 23 juni 2017 ter griffie neergelegd verzoekschrift, heeft de bvba « European Container » die beslissing betwist voor de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, te dezen de verwijzende rechter. Die laatste oordeelt dat de overtredingen vaststaan en stelt vast dat hij, met toepassing van de in het geding zijnde decreetsbepaling, ten aanzien van de omvang van de toegepaste sanctie over geen enkele beoordelingsmarge beschikt, met name in geval van samenloop van overtredingen, en dat hij de boete niet met uitstel gepaard kan doen gaan. In die context is het dat hij de hierboven weergegeven prejudiciële vragen stelt. III. In rechte -A- A.
  4. In hun conclusies, opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers, net zoals de verwijzende rechter, vastgesteld dat het in het geding zijnde artikel 22 van het decreet van 16 juli 2015 is vervangen bij artikel 32 van het decreet van 13 december 2017 « houdende diverse fiscale wijzigingen ». 4 Naar hun oordeel hebben de administratieve boeten die ten laste zijn gelegd van de eisende vennootschap voor de verwijzende rechter, een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelet op het feit dat de boete waarin is voorzien bij de in het geding zijnde bepaling oorspronkelijk is ingesteld om de overtredingen van het decreet van 16 juli 2015 en van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen te voorkomen en te bestraffen, en op het feit dat het van de belastingplichtige gevorderde bedrag « relatief aanzienlijk » is. De rechters-verslaggevers waren bijgevolg van oordeel dat zij ertoe konden worden gebracht aan het Hof voor te stellen de prejudiciële vragen terug te zenden naar de verwijzende rechter opdat hij de zaak opnieuw kan beoordelen in het licht van de nieuwe bepaling, rekening houdend met het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet, en kan oordelen of het antwoord op die vragen nog nodig is voor de oplossing van het geschil. A.2.
  5. Volgens de Waalse Regering heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vier niet- cumulatieve criteria bekrachtigd om te bepalen of een administratieve boete al dan niet een strafrechtelijk karakter heeft : de « strafrechtelijke » kwalificatie die in het interne recht aan de overtreding wordt gegeven (1°); de aard zelf van de overtreding (2°); de mate van strengheid van de sanctie (3°); de aanzienlijke omvang welke die sanctie heeft (4°). De Waalse Regering gaat ervan uit dat te dezen aan die criteria niet is voldaan of, op zijn minst, dat de betwiste sanctie niet in voldoende mate « strafrechtelijke kenmerken » vertoont. Zo wijst de Waalse Regering erop dat de betwiste boete in het interne recht niet als « strafrechtelijk » wordt aangemerkt. Wat het tweede criterium betreft, gaat zij ervan uit dat het heel goed mogelijk is dat een administratieve sanctie wordt toegepast op eenieder die een gegeven wetgeving overtreedt en dat zowel administratieve als strafrechtelijke sancties een ontradend en repressief doeleinde kunnen hebben. Zij stelt vast dat het niet de bedoeling van de decreetgever was een strafrechtelijke sanctie in te voeren. Volgens haar heeft de betwiste sanctie een vergoedend karakter, aangezien zij het Waalse Gewest de mogelijkheid biedt op forfaitaire wijze de heffing die niet is betaald, geheel of gedeeltelijk te recupereren. Wat het derde criterium betreft, doet de Waalse Regering gelden dat de betwiste sanctie een boete is, dat wil zeggen een sanctie die geen bijzonder streng karakter vertoont, dat op zich alleen een strafrechtelijke kwalificatie met zich meebrengt. Tot slot is zij, met betrekking tot het vierde criterium, van mening dat de betwiste sanctie, waarvan het bedrag 1 000 euro bedraagt, op zich geen aanzienlijke omvang heeft maar dat zij niet onbelangrijk kan worden in geval van samenloop van overtredingen. Om te bepalen of het gaat om een sanctie met een strafrechtelijk karakter dient echter rekening te worden gehouden met de sanctie als dusdanig, en niet met de opeenstapeling van de sancties. De Waalse Regering verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 25 mei 1999 waarbij het heeft geoordeeld dat een administratieve sanctie inzake belasting een strafrechtelijk karakter heeft wanneer zij, onder meer, zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. Zij geeft toe dat het bedrag van de betwiste boete in absolute waarde relatief niet onbelangrijk kan lijken, maar stelt dat het niet om een zeer zware of aanzienlijke sanctie gaat, temeer omdat die bedoeld is om te worden toegepast op beroepsbeoefenaars. De Waalse Regering is tot slot van mening dat de wijziging aangebracht bij artikel 32 van het decreet van 13 december 2017, die het gevolg is van een ingebrekestelling door de Europese Commissie volgens welke artikel 9bis van de richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 « betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen » de lidstaten de verplichting oplegt om in evenredige sancties te voorzien, aantoont dat de betwiste boete geen strafrechtelijk karakter heeft. A.2.
  6. De Waalse Regering voegt eraan toe dat in de veronderstelling dat men de betwiste boete waarin is voorzien bij artikel 22 van het decreet, vóór de wijziging ervan, als « strafrechtelijk » kan kwalificeren, een dergelijke kwalificatie niet in aanmerking zou kunnen worden genomen voor artikel 22 zoals het is gewijzigd, zodat het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet niet van toepassing is. A.2.
  7. Zij besluit daaruit dat het antwoord op de prejudiciële vragen in elk geval nodig is voor de oplossing van het geschil. 5 -B- B.1.
  8. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 22 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 « tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens » (hierna : het decreet van 16 juli 2015), dat bepaalt : « Elke overtreding van dit decreet of van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen wordt bestraft met een administratieve boete van 1.000,00 euro. In geval van vaststelling van een samenloop van overtredingen begaan met hetzelfde voertuig gedurende een ononderbroken periode van drie uren zijn de volgende regels toepasselijk : 1° de termijn van drie uren begint te lopen vanaf de eerste overtreding die vastgesteld wordt; 2° de administratieve boete is slechts voor de eerste overtreding verschuldigd. In geval van een samenloop van overtredingen vastgesteld in verschillende Gewesten in het kader van de decreten of ordonnanties tot invoering van de kilometerheffing en begaan met hetzelfde voertuig gedurende een ononderbroken periode van drie uren zijn de volgende regels toepasselijk : 1° de termijn van drie uren begint te lopen vanaf de eerste overtreding die vastgesteld wordt; 2° de administratieve boete is slechts verschuldigd als de eerste overtreding krachtens dit decreet of de desbetreffende uitvoeringsbepalingen is vastgesteld. Voor de toepassing van de leden 2 en 3 worden de niet bestrafte overtredingen niet meer in aanmerking genomen voor de samenloop van overtredingen van een andere ononderbroken periode van drie uren. De natuurlijke en rechtspersonen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve boete en de andere bedragen van om het even welke aard die aan hun aangestelden of mandatarissen opgelegd worden wegens een overtreding inzake kilometerheffing. De Regering is bevoegd om de duur van de ononderbroken periode te wijzigen en om het bedrag van de boete te indexeren volgens de modaliteiten die zij vastlegt ». B.1.
  9. Zoals de verwijzende rechter doet opmerken, is die bepaling vervangen bij artikel 32 van het decreet van 13 december 2017 « houdende diverse fiscale wijzigingen » (hierna : het decreet van 13 december 2017), zodat zij voortaan luidt : 6 « §
  10. Elke overtreding van dit decreet of van zijn uitvoeringsmaatregelen wordt bestraft met een administratieve boete. Slechts één administratieve boete kan worden opgelegd voor het geheel van de in het eerste lid bedoelde overtredingen die met hetzelfde voertuig op dezelfde dag worden begaan. Het ingehouden bedrag is het bedrag van de overtreding onderworpen aan het hoogste tarief, overeenkomstig §
  11. Er wordt geen administratieve boete opgelegd voor elke overtreding begaan binnen een periode van drie uren na de eerste overtreding van dit decreet, van zijn uitvoeringsmaatregelen, van de wetgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van de wetgeving van het Vlaams Gewest inzake kilometerheffing : 1° indien de betrokken overtredingen met hetzelfde voertuig worden begaan en; 2° indien de eerste overtreding met een administratieve boete wordt bestraft. §
  12. Het bedrag van de administratieve boetes wordt vastgesteld als volgt : Categorie Soort overtreding Bedrag van de boete A 1° ten gevolge van een opzettelijke handeling om de 1 000 EUR kilometerheffing te ontwijken detecteert het registratieapparaat de voertuigpositie of het door het voertuig afgelegde traject via satellietsignaal niet meer, 2° de documenten bij het voertuigen die nodig zijn voor de bepaling van de maximaal toegelaten massa (MTM) of van de euro-uitgifteklasse van het voertuig worden vervalst. B 1° het voertuig is voor de Belgische kilometerheffing niet uitgerust 800 EUR met een elektronisch registratieapparaat; 2° vóór het gebruik van elke weg heeft de belastingplichtige geen overeenkomst gesloten, voor het betrokken voertuig, met de dienstverlener van zijn keuze. C 1° het elektronische registratieapparaat is niet geactiveerd; 500 EUR 2° het elektronische registratieapparaat dat het voertuig uitrust, is het apparaat van een ander voertuig; 3° de met de dienstverlener gesloten overeenkomst wordt opgeschort; 4° het voertuig wordt gebruikt op het wegennet onderworpen aan een kilometerheffing nadat het elektronische registratieapparaat het signaal heeft uitgezonden dat het beschikbare saldo van de voorbetaling onvoldoende is; 5° het elektronische registratieapparaat wijst op een defect of zendt geen signaal meer uit en de dienstverlener is niet gecontacteerd; 6° het elektronische registratieapparaat wijst op een defect of zendt geen signaal meer uit; de dienstverlener is gecontacteerd maar de belastingplichtige volgt de door laatstgenoemde gegeven instructies niet. 7 D Elke andere overtreding van de regelgeving inzake de 100 EUR kilometerheffing zoals bedoeld in dit decreet en zijn uitvoeringsmaatregelen. §
  13. De bevoegde ambtenaar kan het bedrag van de boete vermeld in categorie C tot 250 euro terugbrengen wanneer het voor hetzelfde voertuig om de eerste overtreding van deze categorie vastgesteld tijdens hetzelfde kalenderjaar gaat. In geval van goede trouw door de belastingplichtige kan de bevoegde ambtenaar de in § 2 bedoelde administratieve boetes verminderen indien deze boetes : 1° eenzelfde soort overtreding bestraffen; 2° en bedoelde overtredingen zijn begaan tijdens een in de tijd beperkte periode door hetzelfde voertuig. §
  14. De natuurlijke of rechtspersonen zijn burgerlijk verantwoordelijk voor de betaling van de administratieve boete en van de andere bedragen van welke aard ook die opgelegd worden aan hun gemachtigden of mandatarissen wegens een overtreding inzake kilometerheffing. De Regering kan op grond van de door haar vastgestelde modaliteiten het bedrag van de boete indexeren ». Die wijziging is, krachtens artikel 40, eerste lid, van het decreet van 13 december 2017, in werking getreden op 1 januari
  15. Volgens de parlementaire voorbereiding wordt zij verantwoord door de omstandigheid dat, in de oorspronkelijke versie ervan, het in het geding zijnde artikel 22 « geen rekening [hield] met het soort van overtreding, noch met de zwaarte ervan (fraude of niet), maar een ‘ opeenstapeling van boeten ’ per periode van drie uren [mogelijk maakte] ». Het ging ook erom een antwoord te bieden op de door de Europese Commissie geformuleerde kritiek wegens « het onveranderlijke bedrag van de boete, het systeem van cumulatie per gewest en de onevenredigheid tussen de boeten en de ontweken heffing » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 972/1, p. 9). B.
  16. De verwijzende rechter stelt aan het Hof vragen over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling, vóór de vervanging ervan bij artikel 32 van het decreet van 13 december 2017, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 8 B.
  17. Krachtens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een maatregel een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft, of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat zij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft (EHRM, grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, §§ 105-107; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, § 53; grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland, §§ 30-31). Dat zijn alternatieve en geen cumulatieve criteria. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is echter van oordeel dat wanneer geen enkel criterium op zich alleen doorslaggevend lijkt, een cumulatieve benadering mogelijk is (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoun t. Frankrijk, § 47). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hanteert dezelfde criteria voor de toepassing van artikel 7 van het voormelde Verdrag (EHRM, 4 oktober 2016, Žaja t. Kroatië, § 86; beslissing, 9 juni 2016, Société Oxygène Plus t. Frankrijk, § 43; 15 mei 2008, Nadtochiy t. Oekraïne, § 32; beslissing, 24 november 1998, Brown t. Verenigd Koninkrijk), dat een soortgelijke draagwijdte heeft als artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en als artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, krachtens artikel 52, lid 3, van hetzelfde Handvest (HvJ, grote kamer, 5 december 2017, M.A.S. en M.B., punt 54). B.
  18. De administratieve boete waarin was voorzien bij de in het geding zijnde bepaling was oorspronkelijk ingesteld om de overtredingen van het decreet van 16 juli 2015 en van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen te voorkomen en te bestraffen. Het bedrag ervan was forfaitair; het bedroeg 1 000 euro, ongeacht de begane overtreding, de zwaarte ervan of de eventuele goede trouw van de belastingplichtige. De Waalse Regering toont niet aan dat dat bedrag zuiver vergoedend zou zijn en enkel ertoe zou strekken het door het Waalse Gewest geleden nadeel te herstellen. Zoals in B.1.2 is vermeld, wordt in de parlementaire voorbereiding van het wijzigingsdecreet van 13 december 2017 integendeel melding gemaakt van het onevenredige karakter van het bedrag van de boete ten aanzien van de ontweken heffing. Bovendien maakten de toepassingsmodaliteiten van de betwiste sanctie een cumulatie van de 9 boetes mogelijk, hetgeen kon leiden tot aanzienlijke bedragen, zoals dat het geval is in de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak. Het gaat dus om een strafsanctie in de zin van de in B.3 aangehaalde verdragsbepalingen. B.
  19. De retroactiviteit van de mildere strafwet vormt een algemeen rechtsbeginsel dat is verankerd in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat beginsel is van toepassing in zoverre er geen strafrechtelijke einduitspraak is. Het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet geldt ook voor de administratieve sancties die als strafrechtelijk kunnen worden aangemerkt in de zin van de voormelde verdragsbepalingen, zoals dat te dezen het geval is. In tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering betoogt, belet het gegeven, in de veronderstelling dat het zou zijn aangetoond, dat de boete waarin is voorzien bij het wijzigingsdecreet van 13 december 2017 geen strafrechtelijk karakter heeft, niet de toepassing van het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet. Voor de toepassing van dat beginsel is enkel de vraag van belang of een bepaalde strafbaarstelling is opgeheven dan wel of zij voortaan het voorwerp uitmaakt van een mildere sanctie. B.
  20. Het komt de verwijzende rechter toe om, rekening houdend met de in B.1.2 vermelde decreetswijziging, alsook met het in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vervatte beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet, te oordelen of artikel 22 van het decreet van 16 juli 2015, vóór de vervanging ervan bij artikel 32 van het decreet van 13 december 2017, nog dient te worden toegepast op de belastingplichtige. 10 B.
  21. De prejudiciële vragen dienen terug te worden gezonden naar de verwijzende rechter, opdat hij de zaak opnieuw kan beoordelen in het licht van de nieuwe bepaling en kan oordelen of het antwoord op die vragen nog nodig is voor de oplossing van het geschil. 11 Om die redenen, het Hof zendt de prejudiciële vragen terug naar de verwijzende rechter. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 oktober
  22. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.133 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.167 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.